« Terug naar enkele weergave
Vergelijken:
Engels ⇄
Engels
Geen vertalingen of parallellen gevonden voor dit document.
Source: Bahá'í Library Online (bahai-library.com), curated by Jonah Winters. Used by permission of the curator. Original citation: Phyllis K. Peterson, Basisvertrouwen, bahai-library.com.
──────────────────────────────────────────────────────────────────────
BASISVERTROUWEN,
zowel binnen de gemeenschap als tegenover de “zoeker”.
Phyllis K. Peterson, 1998
Vertaling: Wil van der Kooij
Revisie: Adrie Gloudemans en Jan de Jongh, 18 maart 2021
VOORWOORD
Het onderrichten van de zaak van God is afhankelijk van drie voorwaarden: kennis van de sociale
vaardig- heden, zuiver handelen en een aangename manier van spreken. Ik hoop dat ieder van u met
deze drie vermogens bekrachtigd mag worden.
(‘Abdu’l-Bahá, Star of the West, Vol.XII, nr.11, p.177)
Phyllis Peterson heeft zich verdiept in de vraag hoe wij in de Bahá’í-gemeenschap de sfeer van
basisvertrouwen kunnen scheppen. Wat is basisvertrouwen, wat zijn de voorwaarden voor het ontstaan
ervan en waarom is het nodig? Ze beschrijft de aanleiding voor haar onderzoek als volgt:
In zijn lezing van mei 1994,op de Louhelen Bahá’í-school (Ver.Staten), vertelde Raadgever Billy Roberts dat
enkele leden van het Universele Huis van Gerechtigheid hem hadden gezegd dat we voor goede
onderrichtsresultaten een sfeer van vertrouwen moeten scheppen. Zij zeiden dat de mensheid op het
ogenblik hunkert naar vriendschap en vertrouwen.
Ik wilde meer weten over vertrouwen en waarom de mensheid ernaar hunkert, aangezien het een
hoofdbestanddeel van onderricht is. Wat nu volgt is het resultaat van mijn zoektocht om dit te begrijpen.
INLEIDING
Identiteit, vertrouwelijkheid, zelfonthulling.
Het woord identiteit heeft meerdere, soms verwarrende betekenissen. In dit stuk wordt het woord gebruikt in
de betekenis van het-zelf, iemands eigenheid, individualiteit.
Voor de ontwikkeling van onze identiteit zijn drie dingen nodig:
1. geaccepteerd worden door de mensen die belangrijk voor ons zijn
2. onszelf kunnen zijn, d.w.z. authentiek, onvolmaakt en onontwikkeld
3. leren dat onze identiteit (wat we denken, voelen, verlangen of kiezen) gehoorzaam moet zijn aan het
Verbond van God.
Door vertrouwelijkheid wordt in deze drie behoeften voorzien. Wij hunkeren naar vertrouwelijkheid. In een
sfeer van echte vertrouwelijkheid, in de aanwezigheid van iemand die ons accepteert, kan onze ziel tot rust
komen. Dat is waar de mensheid naar hongert. En dat is de behoefte die alleen door onze gehoorzaamheid
aan de boodschap van Bahá’u’lláh vervuld kan worden.
Erik Erikson en de Capucijner priester Keith Clark definiëren vertrouwelijkheid als het samensmelten van
twee of meer mensen en het samenklinken van persoonlijkheden door zelf-besef, zelf-onthulling en het
vermogen om te luisteren. Een persoon die zich van iets bewust is brengt dat naar de ander over door zelf-
onthulling. De ander krijgt, door het beluisteren van dat verhaal, meer zelfbesef en toont dat op zoek naar
samenklank. En als hij die persoon vertrouwt, onthult hij eveneens iets over zichzelf. Dan is de
vertrouwelijkheid geschapen.
Het begrip vertrouwelijkheid is nu gedefinieerd maar wat wordt bedoeld met zelf-onthulling?
Het is gecommuniceerde, persoonlijke zelfkennis, het tonen van de onvolmaakte en onontwikkelde identiteit;
het laten zien van je eigen werkelijkheid. Onze werkelijkheid is gebaseerd op wat wij voor echt houden, ons
idee over hoe de dingen echt zijn, hoe wijzelf en de wereld in elkaar zitten. Het bevat ook ons
waardensysteem: wat we denken dat juist of verkeerd is, goed of slecht, en de waarden die we zo
belangrijk vinden dat we menen dat iedereen die zou moeten hanteren.
Van God uit gezien, betekent zelf-onthulling openbaring. In wezen heeft God door de eeuwen heen zich zelf
onthuld door het zenden van de Manifestaties, die niet alleen kennis over God hebben geopenbaard maar
ook kennis en waarheid over de mensheid. Het past ons, als Zijn schepselen, om Gods Openbaring te
erkennen en Hem te dienen door het onderrichten van Zijn zaak.
‘Weet dat hij waarlijk geleerd is die Mijn Openbaring heeft erkend, en heeft gedronken uit de Oceaan
van Mijn kennis, en heeft gevlogen in de sfeer van Mijn liefde, en alles buiten Mij heeft verworpen, en
zich stevig heeft vastgehouden aan hetgeen werd neergezonden uit het Koninkrijk van Mijn wonderbare
woorden. Hij is waarlijk gelijk een oog voor de mensheid, en gelijk de geest des levens voor het
lichaam van al het geschapene. Verheerlijkt zij de Albarmhartige Die hem heeft verlicht en hem deed
opstaan om Zijn grote en machtige Zaak te dienen. Waarlijk, díe mens is gezegend door de Schare in
den hoge, en door hen die verblijven binnen het Tabernakel van Grootheid, die in Mijn Naam, de
Alvermogende, de Almachtige, heeft gedronken van Mijn uitgelezen Wijn.
(Tafelen van Bahá’u’lláh geopenbaard na de Kitáb-i-Aqdas, Hoofdstuk 14, Lawḥ-i-Burhán, blz.89)
Dit citaat is een voorbeeld van de poëzie van God’s Openbaring door Bahá’u’lláh. Het is niet verwonderlijk
dat God er voor koos om zich via dichterlijke taal te openbaren; want poëzie is de taal van de
vertrouwelijkheid. Poëzie verwijdert de sluiers die de Werkelijkheid of de Identiteit van de Schepper/Dichter
verbergen. Degenen die open staan voor het Woord van God en gevoelig zijn voor ware schoonheid zullen
in God’s Openbaring, achter de woorden de sfeer van vertrouwelijkheid voelen waarmee God ons aantrekt
en Hij dringt er bij ons op aan om daar binnen te treden.
Er zijn in ons land maar relatief weinig poëzie-lezers. Wat zegt dat over onze samenleving? In een
materialistische maatschappij is vertrouwelijkheid schaars. We zijn meer op bezit gericht dan op
vertrouwelijke relaties. Als we echter zien hoe miljoenen mensen via de geschriften van alle grote
wereldreligies door God’s poëzie worden aangetrokken, dan wordt het duidelijk dat de volgelingen van al
deze disciplines waarachtig pogen om een vertrouwelijke verbinding met de Geliefde te krijgen, net als de
Scharen in den hoge en degenen die in de Tabernakel van Grootheid verblijven, zoals in het citaat wordt
gezegd.
De Ware Dichter schrijft met overgave en nodigt ons uit om te delen in een staat van verrukking. Als we met
overgave lezen, ontmoeten we de ware Geliefde. Dat is beangstigend en het brengt je van je stuk. We lopen
het gevaar om onze ziel te verliezen in de zaligheid van het één zijn, want dat is een staat van
machteloosheid. We moeten kwetsbaar en hulpeloos worden om tot een vertrouwelijke relatie met de dichter
te komen. Als in een vertrouwensverhouding de angst de kop opsteekt, zijn we van nature geneigd om het
evenwicht in hart en hoofd weer te herstellen door terug te gaan naar onze zekerheden - verdediging en
kritisch denken. Dan voelen we ons weer op ons gemak en niet meer zo kwetsbaar.
Als we de vertrouwelijkheid echter tegemoet treden met de bedoeling om te leren en het vreemde en
onstabiele te ervaren, bereid om te beven in onze hulpeloosheid en kwetsbaarheid, dan zullen we beseffen
dat er in een revolutie van liefde geen plaats is voor rigiditeit, kritiek, roddel en zelfbescherming. Als we daar
van afzien, zullen we ervaren hoe onze ziel wordt herschapen door de werkelijkheid van de Dichter. Want
dichter zijn betekent: je identiteit voortdurend vernieuwen en daarbij anderen de kans geven om hun identiteit
te vernieuwen door de vertrouwelijkheid van het gedicht.
Ik wil in dit werkstuk onderzoeken hoe vertrouwelijkheid, zelf-onthulling, erkenning en identiteit
allemaal van invloed zijn op het bereiken van meer eenheid in onze gemeenschap en met de zoeker. Het is
nodig dat we ons bewuster worden van het begrip vertrouwelijkheid om de behoeften te kunnen
onderzoeken die uit onwetendheid onvervuld blijven.
Hoofdstuk 1
Vijf niveaus/aspecten van vertrouwelijkheid.
Volgens Keith Clark zijn er vijf niveaus van vertrouwelijkheid te onderscheiden.
1. Het laagste niveau is informatie. “Ik woon in Rotterdam en ik ben geboren in 1941. Ik hou van de
kleur blauw.” Door dit soort informatie ontdekken we wel dingen van elkaar maar leren elkaar niet echt
kennen.
2. Het volgende niveau van vertrouwelijkheid is het delen van elkaars meningen. Deze uitwisseling kan
ook onpersoonlijk zijn. Ik kan een mening over abortus hebben die ik niet kan delen met iemand die
absoluut anti-abortus is. Dan kom ik met die persoon niet verder dan het eerste niveau. Ik zou er dan
op moeten vertrouwen dat ik niet veroordeeld word.
3. Het derde niveau is het delen van gevoelens. Als ik aanvoel dat het iemand weinig kan schelen wat ik
voel, kan ik denken: “Wat zal ik me druk maken” en geen poging ondernemen. Het is belangrijk om te
onthouden dat iemands onbekwaamheid om gevoelens te delen kan wijzen op een onontwikkelde
identiteit.
4. Het vierde niveau is het delen van mijn houding. Dit is een behoorlijk hoog vertrouwensniveau. Ik stel
me dan bloot aan het oordeel en de kritiek van de ander, speciaal in het geval van een autoritaire
werkgever bijvoorbeeld.
5. Het vijfde en hoogste niveau van vertrouwelijkheid is het delen van het persoonlijke, spirituele niveau
van mijn geloof, de dingen die mij hoop, inzicht en vrijheid geven en daar horen ook mijn geestelijke
kwetsbaarheid of machteloosheid bij.
Bedenk wel dat dit maar één manier is, één van de vele middelen om te beschrijven hoe we elkaar op
verschillende vertrouwensniveaus leren kennen. Andere mensen zien vertrouwelijkheid niet zozeer als een
opbouw met verschillende niveaus maar als een begrip met verschillende aspecten. Je werkt dan met een
continuüm dat loopt van “geen vertrouwen” tot “volledig vertrouwen”. Angst en misbruik kunnen veel invloed
uitoefenen op de plaatsing van de aspecten in het continuüm.
Sommige mensen in Japan bijvoorbeeld maken hun huisadres niet graag bekend vanwege oude
cultuurgebonden vooroordelen; zij voelen zich kwetsbaar bij het geven van informatie die een Amerikaan vrijelijk
zou geven. Dus wat voor culturele ervaring je ook hebt, je kunt deze aspecten vanuit dat standpunt
onderzoeken. Hoe we het ook onderzoeken of definiëren, geestelijke kwetsbaarheid is toch het diepste of
hoogste niveau van vertrouwelijkheid, waarvoor we het grootste vertrouwen moeten tonen.
Om kort te gaan, we scheppen een sfeer van vertrouwen door het proces waarin we, via deze aspecten van
vertrouwelijkheid, onze identiteit aan een ander mens onthullen; en zij tonen ons op hun beurt hun identiteit.
Wij bahá’ís willen natuurlijk het hoogste niveau van vertrouwelijkheid met elkaar bereiken, trots zijn op elkaar’s
prestaties en de schoonheid van elkaars ziel kennen. Dit is de kern van Bahá’u’lláh’s zending om de wereld te
verenigen. ‘Abdu’l-Bahá zei: “Als onder de gelovigen de ene ziel een andere ontmoet, moet het zijn alsof
een dorstige de fontein met levenswater heeft gevonden, of een minnaar zijn ware geliefde heeft
ontmoet.” Want één van de diepste wijsheden aangaande het verschijnen van de Manifestatie is dit: “De
zielen moeten elkaar leren kennen en vertrouwelijk met elkaar om gaan.”
Bahá’ís hebben tientallen jaren gespendeerd om een basis te leggen door proclamatie, consolidatie,
onderricht en firesides. We zijn lid geworden van elke club, organisatie en stichting die de principes van ons
geliefde geloof ondersteunt. In een organisatie is er altijd een zekere afstand tussen bestuursleden en
deelnemers, dat is praktisch en nodig voor de structuur en de doelstelling. We vinden hier echter geen echte
vertrouwelijkheid. Die vinden we ook niet vaak in de bahá’í-gemeenschap. Shoghi Effendi instrueert de
volgelingen van Bahá’u’lláh :” Laat hen in hun onderlinge relaties als gelovigen niet tevreden zijn met het
uitsluitend uitwisselen van kille en lege formaliteiten die vaak te maken hebben met het organiseren van
diners, recepties, vergaderingen en lezingen. Laat hen liever, als gelijkwaardige deelgenoten aan de
geestelijke gaven die hen door Bahá’u’lláh worden gegeven, opstaan en met de hulp en raad van hun
plaatselijke en nationale vertegenwoordigers, deze officiële functies verrijken met het soort kansen die alleen
kunnen ontstaan door een warme en vertrouwelijke sociale omgang.”
De obstakels van de oude wereldorde die vertrouwelijkheid in de weg staan.
Macht.
Onze maatschappij is een vreemde, versnipperde mengelmoes van nog niet geheel uitgeroeide autoritaire,
totalitaire en autocratische overtuigingen, vermengd met een onvolwassen democratie. Dit maakt
vertrouwelijkheid onmogelijk. We zijn altijd bezig om onszelf te verdedigen of anderen te beoordelen volgens
die overtuigingen, systemen en waarden van de oude wereld. Vertrouwelijkheid is onmogelijk, omdat er een
scheiding bestaat tussen hen die de macht bezitten en degenen die geregeerd worden en geen macht
hebben. Er bestaat ook een scheiding tussen degenen die macht en gezag met geweld hanteren. Dit is een
paradox omdat, hoewel er een scheiding is, de grenzen nooit werden gerespecteerd of geëerd door deze
dominerende systemen.
Vertrouwelijkheid is het vermogen om met anderen in verbinding te treden zonder vrees voor dominantie of
de wens om te domineren. Het is de morele integriteit om je gezamenlijk in te zetten voor eenheid van
identiteit zonder de angst om de macht over jezelf of je identiteit te verliezen.
Omdat onze identiteit is gevormd door gezag dat niet rechtvaardig was, zijn we nog steeds bang voor
overheersing. Een geschiedenis vol macht, racisme, seksisme, nationalisme en oorlog heeft er voor gezorgd
dat we vertrouwelijkheid en kracht wantrouwen. En eigenlijk heeft, tot aan Bahá’u’lláh’s Openbaring, geen
Profeet ooit de krachten van de mensheid gedefinieerd. Het is nu onze uitdaging om deze krachten, de
hulpbronnen van de verheven Talisman, te gebruiken zonder macht, vertrouwelijkheid te scheppen zonder
dat macht onze pogingen blokkeert, terwijl we langzaam en soms met pijn een paradigma van dominantie of
vermeende dominantie verlaten.
We moeten in staat zijn om de nuances van het gebruik van macht, waaraan allen zich onbewust schuldig
maken, duidelijk te zien. Want deze nuances ondermijnen onze pogingen tot vertrouwelijkheid. “Kracht als
hulpbron”, in plaats van “kracht als macht”, dat moet ons voorgedaan worden. We vinden dat voorbeeld in
het leven van Bahá’u’lláh en in verhalen van ‘Abdu’l-Bahá en Bahiyyih Khanum. Dit boek onderzoekt dat
model in het licht van Bahá’u’lláh’s leringen, in de hoop dat ieder van ons zich bewust zal worden van zijn
verdedigingsmechanismen en het pad naar vertrouwelijkheid in de gemeenschap en met de zoekende zal
ontdekken.
Liefde.
We moeten ook leren wat het betekent om consequent “lief te hebben”. Rabbi Chaim Potok schreef een
boek getiteld: “Het stof der aarde". Het verhaal speelt zich af tijdens de oorlog in Korea. Het is een prachtige
illustratie van wat wordt bedoeld met inconsequente liefde.
Een gewonde jongen wordt door een kinderloos echtpaar op leeftijd opgevangen. Zij lopen met nog duizenden
anderen het gevaar te verhongeren omdat ze gedwongen hun huizen hebben moeten verlaten. De vrouw redt
het kind het leven, maar elke bladzijde van het verhaal is gevuld met het onvermogen van haar man om zich
helemaal in te zetten voor het verzorgen en lief hebben van het kind. Hij vindt het kind een last,
een vreemde die hun voedsel uit de mond steelt; ze zouden zonder hem beter af zijn; ze zouden hem
moeten achterlaten om de sterven. Dan, in de loop van het verhaal, ziet de man een voordeel in het redden
van zijn leven, maar bij elke tegenslag die zich voordoet, wenst hij dat de jongen verdwijnt. De jongen kan
niets goed doen. Als hij opgroeit wordt het duidelijk dat hij een begaafd dichter zal worden, iets wat totaal
nutteloos is en geen brood op de plank brengt, vindt de man. Hij bekritiseert en belastert de jongen
onophoudelijk, niet van zins om een echte band met hem aan te gaan.
Dan begint zijn haat langzaam aan te verminderen. Nu ziet hij soms, in een paragraaf, dat de jongen iets
goeds heeft, maar op de volgende bladzijde is dat weer over en verwijt hij hem weer dat hij hun leven extra
zwaar heeft gemaakt. Potok beschrijft bladzijde na bladzijde het conflict in het hart van de man tot
tenslotte, aan het eind van het boek, de oude man ontdekt dat hij treurt over het feit dat dit kind, dat hij na de
dood van zijn vrouw alleen heeft opgevoed, hem verlaat om literatuur te gaan studeren. Hij heeft zich helemaal
aan de liefde voor de jongeman overgegeven en hij voelt een echt verlies nu hij er niet is.
Dit verhaal laat uitstekend zien hoe moeilijk het is om je totaal in te zetten voor de vertrouwelijke relatie met
de buitengesloten, de verdrukte en de verworpen mens. Het is moeilijk om van hen te houden omdat ze zo’n
hevige behoefte hebben. Ze zijn “anders dan wij”; en de ark waarin we nu varen zal spoedig de plaats worden
waar de kracht en de diepte van onze inzet worden getest. Zou het kunnen dat Bahá’u’lláh dit bedoelt als Hij
in de Tafel van de Heilige Zeevaarder zegt: ”Waarin de ark van de Zaak bewegingloos blijft ook al
worden aan haar bewoners alle goddelijke eigenschappen toegeschreven.” ? 5
Je inzetten voor vertrouwelijkheid is moeilijk als we denken dat mensen “onbeminbaar” zijn omdat ze
vijandig, immoreel en onopgevoed zijn. Een verhaal over ‘Abdu’l-Bahá laat een effect zien dat tegengesteld
is aan dat van Rabbi Potok. Dit verhaal komt uit: “Abbas Effendi: His Life en Teachings” “Toen de Meester
naar Akka kwam, woonde er een zekere man uit Afghanistan, een strenge en onbuigzame moslim. Hij zag de
Meester als een ketter. Hij koesterde een grote vijandschap jegens de Meester en stookte anderen tegen
hem op. Als hij de kans kreeg op een plaats waar veel mensen bij elkaar waren, b.v. in de moskee,
beschuldigde hij Hem met bittere woorden. “ Deze man” zei hij tegen de aanwezigen “ is een bedrieger.
Waarom spreken jullie tegen hem?” En als hij de Meester op straat passeerde hield hij altijd zijn mantel voor
zijn gezicht zodat zijn uitzicht niet bedorven zou worden.
“ Zo deed de Afghaan. Maar de Meester deed het volgende: De Afghaan was arm en woonde in een
moskee; hij had vaak gebrek aan eten of kleding. De Meester stuurde het allebei. Hij nam dat aan, maar
zonder te bedanken. Hij werd ziek. De Meester bracht hem een dokter, medicijnen, geld. Dit aanvaardde hij
ook; maar als hij z’n ene hand uitstak zodat de dokter zijn pols kon voelen dan hield hij met de andere hand
zijn mantel voor zijn gezicht zodat hij niet naar de Meester kon kijken. Tweeëntwintig jaar lang was de
Meester vriendelijk voor hem en bleef de Afghaan vijandig. Uiteindelijk kwam de Afghaan aan de deur van de
Meester en viel berouwvol en huilend aan Zijn voeten.
“Vergeef me meneer” riep hij. “ Ik heb u tweeëntwintig jaar kwaad gedaan. Tweeëntwintig jaar bent u goed
voor me geweest. Nu weet ik dat ik het verkeerd heb gedaan.” De Meester vroeg hem om op te staan en ze
werden vrienden.
Als we deze twee verhalen goed bekijken zien we dat het hart van de oude man in Korea en het hart van de
Afghaan het vermogen om lief te hebben op een inconsequente en lukrake manier ontwikkelden totdat ze er
achter kwamen dat hun vermogen om lief te hebben volledig werd geblokkeerd door hun vijandigheid. Ik
weet dat ik in mijn hart ook vijandige restanten meedraag van beiden oude mannen. Ik hou mijn vijandige
gedachten elke dag in de gaten. Ze zijn dicht onder de oppervlakte aanwezig; en als ik niet alert blijf kunnen
ze me verhinderen om me kwetsbaar en vertrouwelijk op te stellen.
We moeten op de een of andere manier oog krijgen voor het feit dat:
- vijandigheid wordt geboren uit woede over onrechtvaardigheid
- dat de grondoorzaak van immoraliteit onwetendheid is
- dat onverzadigbare behoefte vooraf is gegaan door extreem gemis
Als we dat weten kunnen we rustig doorgaan met het opbouwen van een kwetsbare vertrouwelijkheid,
welbewust dat we pijn, afwijzing, vijandigheid of een aanval te verduren kunnen krijgen. Er is geen andere
manier. “Gij ziet de harten vervuld van haat en het is aan U om dit te verhullen, o Gij Verheler van de
zonden der werelden. Als de zwaarden flitsen, ga voorwaarts! Als de pijlen vliegen, ruk op! O Gij
Offer der werelden!”7,8
Vertrouwelijkheid en identiteit.
Vertrouwelijkheid is de diepste persoonlijke behoefte die we kennen en het is een geestelijke behoefte.
Wij verlangen ernaar om op zo’n manier met anderen samen te zijn dat onze geesten elkaar aanraken en
onze identiteiten samensmelten zonder in elkaar op te lossen. In vertrouwelijkheid wordt de ruimte, die ons
van elk ander menselijk wezen gescheiden houdt, overbrugd. Dan zijn de gevoelens van gescheiden zijn,
van onbekwaamheid en behoeftigheid, die we vanaf onze geboorte hebben, voor een poosje verdwenen.
Als vertrouwelijkheid een belangrijk bestanddeel is van het onderrichten van het Geloof, dan geldt dat ook voor
het begrijpen van wat identiteit is. Want we kunnen geen vertrouwelijkheid scheppen zonder onze eigenheid te
laten zien. Eén van de definities van het woord “integriteit” luidt: het krachtig vasthouden aan een morele
gedragscode, en dit is speciaal van toepassing op het vermogen van identiteit, het vermogen om jezelf te zijn..
Eenheid van identiteit betekent dat je in staat bent om alle samenstellende delen van de identiteit te integreren,
tot een geheel te maken: je denkt, voelt, gelooft, fantaseert, zegt, verlangt en doet, in gehoorzaamheid aan
het Verbond van Bahá’u’lláh dat over al deze delen regeert.
Identiteitsstoornissen die obstakels vormen.
Een rigide identiteit, een meervoudige identiteit, een identiteitsconflict en een ontmoedigde identiteit zijn de
eerste vier obstakels.
Sommige mensen denken dat hun identiteit vaststaat. Die veronderstelling is onbewust en het verhindert hen
om zich zelf echt open te stellen, niet alleen voor vreemdelingen in onze eigen cultuur maar ook voor mensen
van een andere culturele of religieuze achtergrond. Als we echter begrijpen dat de identiteit of het zelf een
vermogen van de ziel is, dan kunnen we hieruit afleiden dat zij zich zal kunnen blijven ontwikkelen in deze
wereld en in de volgende. “Wat is het verschil tussen “eenheid van identiteit” en een “vaste (rigide)
identiteit”? Een rigide identiteit staat niet open voor meerdere gezichtspunten en gelooft vaak dat je
identiteitszelfmoord pleegt als je zelfs maar een andere cultuur onderzoekt.
Blinde trouw aan tradities, die niet onderzocht en bevraagd worden, levert een rigide identiteit op. Gesloten
groepen en religies, exclusieve organisaties hebben rigide identiteiten.
Het rigide, onveranderlijke zelf dat stabiel en duurzaam is, heeft geen behoefte aan verdraagzaamheid omdat
hij of zij geen gemeenschapsleven of relaties aangaat die buiten de grenzen van het traditionele en
goedgekeurde vallen. Zo iemand heeft een levenslang gegarandeerde identiteit en een totale stabiliteit want
die identiteit staat vast. Hij of zij kan echter heel boos en haatdragend zijn en manipuleren en controleren om
de stabiliteit te handhaven.
Bij eenheid van identiteit wordt het zelf gezien als een proces dat nieuwe inzichten, nieuwe ervaringen en
gelegenheden om in relaties verdraagzaamheid en flexibiliteit te oefenen nodig heeft en verwelkomt. Het laat
ook meerdere gezichtspunten toe.
Een ander obstakel voor vertrouwelijkheid, zowel binnen als buiten het Geloof, is dat heel veel mensen
opereren van uit meerdere identiteiten. Ik heb het dan niet over ”Multiple Personality Disorder”, maar over de
neiging om de identiteit van iemand anders te observeren en klakkeloos over te nemen of een denkbeeldige
identiteit te spelen.
‘Abdu’l-Bahá stelt: ”Moge allen bevrijd worden van de veelsoortige identiteiten die voortkomen uit
hartstocht en begeerte en een nieuw leven vinden in de eenheid van hun liefde voor God” 10 Eén
interpretatie van wat ‘Abdu’l-Bahá hier zegt is dat deze “veelsoortige identiteiten” met hun veelsoortige
verlangens en hartstochten zich met hun innerlijke ware zelf moeten vastklemmen aan Bahá’u’lláh’s
Openbaring om eenheid van vorm en doel te vinden.
Individuele bahá’ís worden nog door een overvloed van identiteiten bevolkt die elk hun eigen conflicterende
emoties, hartstochten en doelen hebben. Omdat we het vermogen bezitten om alles wat we voor ons zien te
weerspiegelen, inclusief andere identiteiten van de televisie, uit boeken of uit het echte leven, is het mogelijk
om meerdere identiteiten te hebben. In een autoritaire maatschappij spiegelen we kritiekloos en worden
traditionalistische robots omdat de macht om te kiezen in handen van een extern gezag was. In de
democratische maatschappij dachten we dat democratie betekende dat we de vrijheid hadden om carte
blanche te weerspiegelen en elke aanleg die we hadden, zonder onderscheid, te ontwikkelen. Maar aanleg en
gaven brengen verantwoordelijkheden met zich mee.
Het hoort bij mens zijn om dit te doen. Kinderen doen het, op die manier leren ze. Op drie jarige leeftijd slaan
ze een cape om en plotseling zijn ze Superman. Dat kan gevaarlijk zijn: mijn neefje van drie deed een cape om
en sprong van de tweede etage omdat hij echt dacht dat hij Superman was. Hij had de identiteit van kind, van
Superman, van Mighty Mouse en van elke televisie of sprookjesboek figuur die hij ooit had gezien. Hij had ook
een gebroken been!
Teenagers doen dit ook. Kijk maar naar de Madonna rage van een paar jaar geleden; en naar de volgelin-
gen van een willekeurige goeroe die bereid zijn om desnoods van het dak te springen, omdat ze zich van het
ene op het andere moment een unieke en opwindende identiteit willen aanmeten. Ik heb dit verschijnsel
beschreven als het ”spiegelprincipe” in mijn werk getiteld: ”De rol van het Spiegelprincipe en het Woord van
God bij het genezingsproces van mensen die in hun jeugd misbruikt zijn”.
En nu zijn er ook allerlei reclames die uitnodigen om “eens iemand anders te zijn”, om eens uit je vertrouwde
sleur te breken en opwindende andere identiteit aan te schaffen.
Maar als we over vertrouwelijkheid praten moeten we beseffen dat we alleen vertrouwelijk kunnen zijn met
het ware zelf dat zich diep in onze ziel bevindt.
De persoon die in de oude wereldorde veel identiteiten heeft ontwikkeld stort uiteindelijk in en wordt
verscheurd door dat hij in vele richtingen wordt getrokken. Het innerlijke evenwicht tussen macht en machte-
loosheid is verstoord geraakt. Maar het “zelf-in-proces” ,dat een eenheid van identiteit is geworden, heeft
echter een houvast dat “dienstbaarheid” heet en dat de kracht van het individu kan stabiliseren en in balans
brengen.
Bahá’u’lláh heeft ons weer onze wilskracht teruggegeven. Laten we ons niet vergissen, alle delen van een
meervoudige identiteit hebben het vermogen tot emotie, redeneren, verlangen, evaluatie, kritiek en oordeel.
De inconsistentie van onze handelingen en ons gedrag komt voort uit het feit dat onze krachten versnipperd
en verward zijn; omdat we geen duidelijke, onbewolkte visie hebben waarop we ons
onderscheidingsvermogen kunnen baseren en vervolgens onze wilskracht gebruiken. Geen wonder dat er
zoveel gebeden voor onthechting in ons gebedenboek staan.
Hoe meer we eenheid van identiteit zoeken door ons diepgaander met de Geschriften bezig te houden, door
gebed en dagelijks rekenschap af te leggen aan onszelf, hoe meer van onze veelvoudige identiteiten uit de
weg geruimd worden. Het waren in feite de enige identiteiten die we kenden, wat ze ook waren:
geseksualiseerd, afhankelijk/passief, frivool, brutaal, grenzeloos avontuurlijk, mateloos materieel, voortdurend
op jacht naar zelfverwezenlijking, gewelddadig, slachtoffer, of in de war over je sekse.
Onze ware identiteit, ons diepste ware zelf wordt hervormd, opnieuw opgebouwd, hersteld en zal bekrachtigd
worden om de eenheid met anderen tegemoet te gaan.
Het ware zelf was tot de rand toe gevuld met die naar hartstocht smachtende en op hartstocht gerichte
identiteiten. Het kan dan niet consequent werken aan de ontwikkeling van de talenten die belangrijk zijn voor
de maatschappij en voor een immer voortschrijdende beschaving.
Bahá’u’lláh spoort ons krachtig aan: “ Scheur in Mijn Naam de sluiers vaneen die u het zien ernstig
belemmeren en vernietig door de kracht die uit uw geloof in de eenheid van God is geboren, de
afgoden van nutteloze verbeelding. Treedt dan het heilige paradijs van het welbehagen van de
Algenadige binnen. Heilig uw ziel van al hetgeen niet van God is en smaakt de zoetheid der rust in de
schoot van Zijn onmetelijke en machtige Openbaring en onder de schaduw van Zijn oppermachtig en
onfeilbaar gezag. Laat u niet in de dichte sluiers van zelfzuchtige begeerten wikkelen, aangezien Ik in
een ieder van u Mijn schepping heb volmaakt, opdat de voortreffelijkheid van Mijn werk volledig aan
de mensen kan worden geopenbaard”. 11 (bloemlezing pag. 88, LXXV)
We kunnen de zoetheid van de rust alleen smaken in een staat van eenheid. ‘Abdu’l-Bahá roept ons op om
daarvoor te bidden: “O God! Maak de tekenen van uw eenheid zichtbaar die in alle werkelijkheden van
het leven gelegd zijn” 12
Dit is het tegengif voor de veelvoudige identiteiten waardoor we onszelf uitputten.
De dienaar of dienares die met liefde voor God is bezield, geeft niet meer toe aan de vele en verwarrende
verlangens die de individuele, razende dans van het “zelf” vormen en gaat, met hemelse aanvaarding, op in
de grotere dans van de gemeenschap, terwijl hij de eigen talenten en schatten van zijn ziel koestert. Dit is
een voorbeeld van hoe de individualiteit van het Westen integreert met het collectivisme van het Oosten.
Een niet geïntegreerde identiteit kan ons verhinderen om doelmatig te onderrichten en om degenen, waarmee
we de leringen van Bahá’u’lláh willen delen, te helpen met het helen van hun identiteit. Een niet geïntegreerde
identiteit kan ook een identiteitsconflict genoemd worden, het derde obstakel voor vertrouwelijkheid:
-ons gedrag is in strijd met onze overtuigingen;
-onze overtuigingen zijn in strijd met onze gevoelens;
-onze verlangens zijn in strijd met wat we met onze woorden belijden;
-onze fantasieën zijn in strijd met de principes van het bahá’í-geloof.
We leven werkelijk in een identiteitsconflict omdat er geen fundamentele overeenstemming is, in de vorm van
een stabiliserende code van morele waarden, tussen al deze van elkaar afhankelijke en verschillende
onderdelen van onze identiteit. Met andere woorden, we kunnen onszelf niet als een geheel beschouwen
voordat alle samenstellende delen van onze identiteit stevig verenigt zijn rond een code van morele waar-
den. Daarin ligt een andere betekenis of een ander niveau van het eenheidsprincipe dat heel Bahá’u’lláh’s
openbaring doortrekt. Wanneer we individueel een verenigde, integere identiteit bezitten, dan kunnen we
collectief een eenheid bereiken die ons in staat stelt om ons op een doel, bedoeling of handeling te
concentreren, zowel in onszelf als in gemeenschap met anderen. En dit geeft ons de mogelijkheid om tot die
sfeer van vertrouwelijkheid te komen die van ons gevraagd wordt.
Het vierde obstakel voor vertrouwelijkheid is een ontmoedigde identiteit. We zijn bang om iets van onszelf te
verliezen en dat geheimzinnige, ongrijpbare iets is macht, en daarmee evenwicht. Ons psychologische
evenwicht wordt in stand gehouden door onze macht, onze autonomie. Als we bijvoorbeeld in een relatie
afstand doen van onze wilskracht, dan wordt de relatie onevenwichtig en eenzijdig. Als we afzien van ons
denkvermogen of van het vermogen tot verstandelijk onderzoek van de waarheid, krijgen we een relatie
waarin we niet kunnen groeien en ontwikkelen.
Het hoogste niveau van vertrouwelijkheid - geestelijke kwetsbaarheid- is onmogelijk als we geen kracht meer
hebben. Elke poging tot eenheid en vertrouwelijkheid zou uitlopen op het afstand doen of het ontkennen van
onze eigen vermogens. Wat een tragisch risico! We zouden geen vertrouwen meer hebben. Het zelf zou
zich terugtrekken en in isolement en vervreemding terecht komen.
Kritiek: het vijfde obstakel.
We kunnen macht kwijt raken door kritiek op ons ware zelf. Kritiek vernietigt of fragmenteert de identiteit van
het individu. Ik geloof ook dat kritiek een van de hoofdoorzaken is van rigide, meervoudige en conflicterende
identiteiten.
Kritiek veroorzaakt nog iets anders. Kritiek vernietigt het relationele, de gemeenschap. Dit betekent dat
kritiek eigenlijk bijdraagt aan de vorming van de “individualist” die zou kunnen zeggen: “Ik bied mezelf aan
zoals ik ben, het enige wat ik heb. Als je mijn echte ik afwijst door er kritiek op uit te oefenen, heb ik alleen
nog maar een gefantaseerd of een vals ik voor je, en daarmee trek ik mijn ware wezen uit de gemeenschap
terug en verberg het. Maar als ik me uit de gemeenschap terug trek moet ik wel waarden en regels voor me
zelf scheppen of waarden aannemen die individualistisch in plaats van collectief zijn. Ik moet wel waarden en
regels voor me zelf scheppen omdat de geest van nature behoefte heeft aan regels.”
Als we een “relatie in eenheid” definiëren als:
Een principe waarbij twee of meer personen als één en dezelfde worden herkend of beschouwd;
of als een verbinding tussen mensen die voorkomt uit de natuurlijke band van de eenheid der mensheid,
dan is kritiek een breuk in die eenheid; het verbreekt de band die verbindt.
Bahá’u’lláh verbiedt ons om andere religies te bekritiseren omdat kritiek een breuk is in het verbond van
eenheid. ”Wij hebben eertijds verklaart - en Ons Woord is de Waarheid - “Verkeer met de
volgelingen van alle religies in een geest van vriendelijkheid en kameraadschap”. “Al hetgeen de
mensenkinderen ertoe geleid heeft om elkaar te schuwen en wat onenigheid en scheiding tussen
hen heeft veroorzaakt is door de openbaring van deze woorden afgeschaft en teniet gedaan”. 13
We moeten de delen van onze identiteit en die van de gemeenschap, die bekritiseert werden in plaats van
bekrachtigd, genezen om vertrouwelijkheid te kunnen bereiken. Daarom is het belangrijk om het begrip
identiteit goed te vatten en het is de reden waarom ik doordringende, beschrijvende taal heb gebruikt om het
begrip identiteit te definiëren. We moeten de kritiekfactoren uitroeien, ons bewust worden van onze kritiek op
onszelf en anderen, zodat ons ware zelf, onze identiteit die naar God’s beeld gemaakt is, de zetel van onze
talenten, tot nieuw leven zal komen en zich onbevreesd in dienst van Zijn Zaak zal stellen. Als we bijvoor-
beeld een ander mens bekritiseren handelen we in strijd met de leringen van Bahá’u’lláh en staan we
vertrouwelijkheid in de weg. Misschien kleineren we in ons ongeduld het authentieke niveau van ontwikkeling
van mensen; onze kritiek wordt onze mening over de ander; en dan hebben we eerder gevoelens gekwetst
en vervreemding veroorzaakt dan dat we hen in onze kring van intieme vrienden hebben binnen- gehaald.
Tijdens een verdiepingscursus over het Onderzoek van de Werkelijkheid te Green Acre, werden de volgende
vijf stappen voorgesteld voor de verbetering van moeilijke relaties:
1. Bid oprecht voor de persoon waar het om gaat
2. Zie je zelf als een dienaar van God - bid voor die ander.
3. Zie de andere persoon als een dienaar van God en blijf bidden voor die ander, als een dienaar van
die dienaar van God.
4. Verricht welgemeende daden van dienstbaarheid ten behoeve van die persoon, voor hem of haar of
uit naam van hem of haar, openlijk of in stilte.
5. Als je, nadat je deze stappen hebt gezet, voelt dat het goed is om met de ander open te praten over
een oplossing van jullie moeilijkheden, dan is de weg geplaveid. In veel gevallen zullen de problemen
zich al van zelf hebben opgelost. In andere gevallen kan het meer tijd kosten om zover te komen.
“Wees geduldig, want Uw Heer is geduldig”.
We kunnen de ander niet bekritiseren en dienen tegelijk. We kunnen hen niet bekritiseren en ons Geloof met
hen delen en dan verwachten dat ze de geestelijke kwetsbaarheid van het hoogste niveau van
vertrouwelijkheid zullen bereiken. Die twee soorten gedrag staan haaks op elkaar. Dan is ons gedrag in strijd
met onze overtuigingen. Kritiek verjaagt vertrouwelijkheid. Andere mensen als “anders” beschouwen ook. En
als je iemands levenservaring of werkelijkheid kleineert door er geen aandacht aan te schenken, dan verjaag
je de vertrouwelijkheid ook.
Om de bahá’í-gemeenschap te laten groeien moeten we naar een nieuw niveau van vertrouwelijkheid en
een beter en omvattender begrip van wat kritiek is. Omdat kritiek leidt tot het schuil houden van het zelf.
Onze kritiek op mensen die zoekend zijn veroorzaakt dat zij hun wezen niet openen. Kritiek is vaak sociaal
geaccepteerd, als zorgvuldig gerechtvaardigde kwaadwilligheid die een levenslang smeulende wrok en
bitterheid camoufleert die nooit in het bewustzijn is toegelaten. We zien het gedrag van anderen door de
mentale filter van onze bitterheid, wrok en vooroordeel en we bekritiseren hen. Kritiek is een sluier, een
mentale filter die ons afsluit van de schoonheid van God’s dienaren.
Als wij, als geestelijk volwassen bahá’ís denken dat wij daar niet aan mee doen, dan hoeven we alleen maar
eens naar ons zelf te kijken als we achter het stuur van onze auto zitten. Kritiek leveren op de bestuurder van
een andere auto is sociaal geaccepteerd. We kunnen bijvoorbeeld onverwacht woedend worden op de
persoon die zijn haar zit te kammen in plaats van door te rijden als het licht op groen springt. Of we worden
bijzonder ongeduldig als de auto vóór ons langzamer gaat rijden zonder dat we kunnen ontdekken waarom.
Kritiek komt ogenblikkelijk , zonder na te denken. Net als passieve agressiviteit, maskeert deze kritiek ons
onbewuste verlangen naar wraak of genoegdoening voor een onrechtvaardigheid uit het verleden. Ook
opbouwende kritiek kan gebruikt worden om onze verborgen motieven te rechtvaardigen.
Maar Bahá’u’lláh roept ons op tot ”Hoor geen kwaad en zie geen kwaad, verlaag uzelf niet, noch zucht
en ween. Spreek geen kwaad, opdat het niet tegen u gesproken wordt en overdrijf niet de fouten van
anderen, opdat uw eigen fouten niet groot lijken. Wens niet de vernedering van een ander, opdat uw
eigen vernedering niet blootgelegd wordt. Leef dus de dagen van uw leven , die korter zijn dan een
vluchtig ogenblik, vlekkeloos van geest, rein van hart, met zuiver gedachten en een geheiligde
aard......”14
We moeten weerstand bieden aan de natuurlijke neiging om onze aandacht op fouten te richten. Ieder van
ons is onmetelijk ver van “volmaakt zoals onze hemelse vader volmaakt is” en de taak om ons leven en
karakter te vervolmaken vereist al onze aandacht, wilskracht en energie. Als we onze aandacht en energie in
beslag laten nemen door pogingen om anderen op het rechte pad te houden en hun fouten te herstellen dan
verknoeien we kostbare tijd.
De oorzaken van kritiek.
Wat weten we van kritiek af? We weten dat het verbonden is met negativiteit. Het is het letten op en het
veroordelen van andermans fouten; het komt voort uit de hiërarchische systemen van autocratisch en
autoritair gezag, waarin de onderdaan of de mindere wordt beoordeeld door de meerdere. Degene die de
kritiek uitoefent heeft een hogere status dan degene die de kritiek krijgt. 16
Als je in een milieu bent opgegroeid waarin in iemand met gezag jou op een van de volgende 10 manieren
heeft bekritiseerd, dan begrijp je wel dat mensen die onderdrukt werden hun innerlijk niet tonen. 17. Je zult
ook je eigen sterke verlangen om je te verschuilen en vertrouwelijkheid te vermijden begrijpen.
1. Het alles-of- niets denken. Je ouders zeiden : “jij moet alles zijn wat ik van een kind verwacht, anders
ben ik een mislukking en jij bent opstandig en ongehoorzaam” Dit is perfectionisme. Het is onterechte
kritiek want elk mens heeft het recht op zijn of haar eigen identiteit, de zetel van de talenten waarmee hij
is begiftigd.
2. Te veel generalisaties: De persoon met gezag zei: “Jij verzet je altijd! Je luistert nooit naar me! Door dit
soort kritiek schoot je altijd in de verdediging want je wist dat je je niet altijd verzette en dat je soms wel
luisterde. Dit was onterechte kritiek. Wees alert op de keren dat je zelf ook dingen over het gedrag van
anderen zegt als “ hij altijd” , “zij nooit”.
3. Geen waarde hechten aan het positieve: de gezagspersoon hecht geen waarde aan alle positieve
eigenschappen van je gedrag en je karakter. Dit soort kritiek leerde je zelfkritiek.
4. Overhaaste conclusies trekken: Het was de gewoonte van je ouders om overhaaste conclusies te
trekken zonder de feiten te kennen als ze jou keuzes en gedrag bekritiseerden. Dit gebeurde al
generaties lang in jullie familie waarin aan de leden altijd het recht om onafhankelijk de werkelijkheid te
onder- zoeken was onthouden.
5. Mentale filter: Jouw ouder had een mentale filter waardoor het beeld van zijn of haar eigen negatieve
levenservaring over jouw echte identiteit en karakter werd heen gelegd. Hij of zij bekritiseerde je onte-
recht omdat ze karaktertrekken in je zagen die je gewoonweg niet had. Het waren projecties van hun
eigen onbewuste, onverwerkte en onopgeloste zaken.6. Overdrijven en kleineren / Er een ramp van
maken: Jouw ouder overdreef je fouten altijd en als hij of zij je bekritiseerde was het alsof je nauwelijks
goede eigenschappen bezat. Ze voorspelden ook altijd het allerergste als je een fout maakte. Je hebt
daardoor misschien de neiging om altijd het ergste te verwachten als je iets nieuws probeert, en je hebt
dan voortdurend kritiek op jezelf. Wij hebben ook kritiek op de beslissingen van de Plaatselijke Geestelijke
Raad en verwachten vaak een rampzalige afloop.
7. Moetens: De gezagsfiguur bekritiseert je door je te vertellen dat “je een betere zoon of dochter zou
moeten zijn omdat ik alles voor je heb gedaan”. Je “zou moeten” en “je moet “ gebruiken we vaak als we
kritiek op onszelf hebben. En natuurlijk gebruiken we die termen ook naar de andere bahá’ís toe.
8. Emotioneel redeneren: De gezagsfiguur bevorderde emotioneel redeneren door je voor schut te zetten
en de schuld te geven als hij je bekritiseerde. Het gevolg is dat je je nu schuldig kunt voelen om iets wat
onmogelijk jouw fout kan zi jn, want je gelooft dat het eigenlijk door jouw gevoelens is veroorzaakt. Je
redeneert met je gevoelens.
9 Etiketteren: Jouw ouder bekritiseerde je door je een negatief etiket op te plakken. “ Je bent dik, lui,
ondankbaar, achterlijk, stom, opstandig, ongehoorzaam, waardeloos, egoïstisch, sloom, enz.
10 Subjectieveren: Een ouder stelde jou altijd verantwoordelijk voor hun woede aanval, voor het uiteen
vallen van de familie, voor hun ziekte, hun echtscheiding, hun verlies aan prestige, dus kreeg jij de schuld
voor alles wat fout ging. Dat is de reden dat jij altijd kritiek op jezelf hebt en jezelf overal de schuld van
geeft. Zo ligt de gewoonte om dat ook bij anderen te doen voor de hand.
Deze cognitieve vervormingen, overgenomen in aangepaste vorm uit het boek van Dr. David Burns “Je goed
voelen: De nieuwe stemmingstherapie” zijn de oorzaken waardoor velen kritiek op zichzelf en op anderen
hebben. We moeten ons bewust worden van de herkomst van die kritische gedachten om ons ervan te
kunnen bevrijden. Aangezien de meerderheid van ons wel op één van die tien manieren is bekritiseerd, is
het begrijpelijk dat er spanning en angst bij ons opkomt als we kritiek krijgen. We voelen het aan als
onterecht en dat is het ook, omdat het een verdraaiing van de waarheid is. Telkens als we onszelf de
vrijheid geven om te zeggen wat wij van iets vinden en we doen dat zonder liefdevol inzicht, hebben we te
maken met zowel een gebrek aan liefde als ook een gebrek aan waarheid.
Omdat het hele beeld altijd groter is allerlei variabelen en nuances bevat, van zowel bekwaamheid als
onbekwaamheid, ontwikkeling , gebrek aan ontwikkeling, familietrekjes, gebrek aan geweten, jeugd, leeftijd,
gezondheid, innerlijk voornemen en God’s wil, veel meer dan alleen maar een plaatje van goed of verkeerd.
Eigenlijk is de waarheid niet altijd zichtbaar. Soms is hij verborgen en kan alleen worden ontdekt door
vriendelijkheid, liefde, hoffelijkheid en wijsheid in een sfeer van vertrouwen met degenen die we zouden
willen bekritiseren.
Het zesde obstakel: Kritiek: de wortels van roddel en achterklap.
Het spreekt vanzelf dat als we geen kritiek op anderen leverden, we niets zouden hebben om over te
roddelen. De Nationale Geestelijke Raad van Canada besprak het onderwerp roddel en kritiek in een brief
van 1969:
“Wij willen deze maand met u over een onderwerp spreken dat, ondanks de negatieve aspecten, van zeer
groot belang is voor de bahá’í-gemeenschap. Dit onderwerp is de wijdverspreide sociale ziekte die
Bahá’u’lláh “achterklap” noemt..
De grote moeilijkheid in al dit soort kwesties is dat we dienen te kijken “met Zijn ogen” en niet met die van ons.
Als de Geneesheer van de ziel herschept de Manifestatie van God niet alleen morele waarden, maar plaatst
deze waarden ook in een nieuwe volgorde van belangrijkheid die overeenkomt met onze diepste geestelijke
behoeften. Het is te verwachten dat deze waardeschaal verschilt van de waarden waarin de niet- bahá’í
samenleving ons persoonlijke geweten heeft getraind. Onze geestelijke ontwikkeling hangt af van
onze bereidheid om onszelf geleidelijk aan los te maken van de maatstaven van het verleden, hoe eeuwig of
“juist” deze ook mogen lijken, en de nieuwe maatstaf in ons wezen op te nemen.
De meesten van ons kennen de uiterst strenge bewoordingen waarin Bahá’u’lláh het roddelen verbiedt. Hij
zegt dat het een geestelijk kwaad is dat “ het licht van het hart dooft en het leven van de ziel uitblust”.
Er zijn slechts één of twee andere onderwerpen waarover Hij ook zó streng sprak We moeten in gedachten
houden dat deze woorden geen dreiging betekenen; ze vormen eerder een dringend advies van de Goddelijke
Geneesheer Die alleen “de ziekte waarneemt en het geneesmiddel voorschrijft”. Hij vertelt ons dat, wat
voor geestelijke ziekten onze tijd ook kent, er enkele ziekten fataal zijn en dat onwetendheid het grootste
gevaar voor ons betekent.
Niet alleen het individu wordt bedreigd door roddel. In een samenleving zoals de bahá’í-gemeenschap, die
gebaseerd is op eenheid, heeft voortdurende kritiek op anderen tot gevolg dat het wezen van het gemeen-
schapsleven vernietigd wordt. De kracht van de bahá’í Zaak ligt er juist in dat we, uit liefde voor Bahá’u’lláh,
gewillig ons diepgeworteld wantrouwen jegens onze medemensen opgeven. Door dat te doen, staan we onze
medegelovigen toe om de geestelijke wezens te worden die ze in werkelijkheid zijn. Dit proces wordt door
roddel aangetast. Net als bepaalde drugs die, naar men zegt, de genetische code in de lichaamscellen
aantasten, verdwijnt door roddel het wederzijdse vertrouwen waar het gemeenschapsleven op rust.
De schadelijkste van alle vormen waarin roddel zich voordoet is misschien wel het bekritiseren van de
bahá’í-instellingen. Het vertrouwen van de gelovigen in hun Nationale en Plaatselijke Raden is de levens-
adem voor deze centrale organen van de gemeenschap. Uiteindelijk zal ons succes in de vestiging van
Bahá’u’lláh’s Koninkrijk op aarde afhangen van ons vermogen om ons met hart en ziel aan de beslissingen
van deze goddelijk-geleide instellingen toe te vertrouwen.
Kennelijk kunnen we niet verwachten dat we onszelf van de ene op de andere dag genezen, zeker niet in de
huidige maatschappij. De oplossing is ook niet te vinden in een algemene censuur campagne. We worden
eerder opgeroepen om te beginnen met de training van ons persoonlijk geweten, vriendelijk, geduldig,
liefdevol maar wel krachtig en volhardend.
In wezen is roddel het bekritiseren van anderen. Het is niet relevant of de kritiek wel of niet waar is. Het is
ook niet relevant of de kritiek gemeen bedoeld was. De kritiek zelf veroorzaakt de schade.” 19
Aangezien de tien cognitieve stoornissen de basis vormen van de negatieve kritiek die ons is aangeleerd,
kunnen we redelijkerwijs veronderstellen dat we nog niet alle sporen ervan uit ons denken en uit ons
overtuigingensysteem hebben gewist, als het gaat om de manier waarop we anderen beoordelen. ‘Abdu’l-
Bahá zei: “ De mensen moeten daarom volkomen bevrijd worden van hun oude denkgewoonten opdat al hun
aandacht op deze nieuwe principes gericht kan zijn, want deze zijn het licht van deze tijd en de geest van
deze eeuw.” 20
Wij moeten het overtuigingssysteem van kritiek uit ons wezen uitroeien; onze hoop om nieuwe zoekers aan te
trekken rust er op. Kritiek leveren mag in veel samenlevingen normaal zijn maar het is niet ‘Abdu’l-Bahá.’s
manier. We hebben een duidelijk beeld nodig van wat we ervoor in de plaats kunnen doen.
De kritiekvervangers van de Nieuwe Wereld Orde.
Kritiek wordt op een oude-wereldorde - manier gedefinieerd en is een oude- wereldorde- ervaring. We
hebben een nieuwe manier nodig om anderen te helpen in hun transformatie, om kinderen te corrigeren
zonder angst op te roepen en te ontmoedigen. Komt er een nieuwe manier uit de bahá’í-geschriften naar
voren?
Tijdens mijn onderzoek ontdekte ik dat het woord “kritiek “ van het Griekse woord “ kritikos” komt, dat weer
afstamt van het woord “kritane”, wat onderscheiden betekent. En hierbij had ik een “Aha Erlebnis”. Het
onderscheidingsvermogen, één van de vermogens van de verheven Talisman, wordt in de bahá’í-geschriften
genoemd.
Ik definieer onderscheidingsvermogen als:
het in staat zijn om het verschil op te merken tussen goed en kwaad, tussen graden van volmaaktheid en
onvolmaaktheid, tussen licht en duisternis en tussen waarheid en dwaling,
en dit onderscheid kunnen aanwenden om keuzes te maken die geestelijke waarden of het Verbond van
Bahá’u’lláh weerspiegelen.
‘Abdu’l-Bahá bevestigt dit concept: “....de hulpeloze massa’s die niets van religie weten of van haar
wetten en grondprincipes en daardoor geen onderscheidingsvermogen bezitten” 21
Als je verkeerde informatie krijgt, of je krijgt de feiten niet te horen, of anderen maken voor jou de keus, dan
kun je je onderscheidingsvermogen niet ontwikkelen. Scherpzinnigheid moet in de kindertijd worden
aangemoedigd, geleid en voorgeleefd, totdat dit vermogen aan ons wordt overgedragen als we volwassen
geworden zijn. We maken ons het vermogen tot onderscheid eigen door overdenking en wilskracht en vaak
met vallen en opstaan. Dan wordt het een innerlijk vermogen of proces.
Om het oude wereldorde concept van bekritiseren te vervangen stel ik het gebruik van “het
onderscheidingsvermogen“ voor, in combinatie met deze zes componenten:
1. Het onderscheidingsvermogen
2. Zelfonthulling
3. De werkelijkheid van de ander binnentreden: zonder macht en met hoffelijkheid en ver
4. Luisteren- opnieuw inkaderen- grootmoedig
5. Bevestiging
6. Gerechtvaardigde lof
7. Een dienaar voor de ander worden: zorgen voor groei ervaringen.
Het onderscheidingsvermogenWat doet het onderscheidingsvermogen voor ons? Het schept een rustig
besef in de toehoorder, omdat het opgemerkte met waardering wordt aangeboden in plaats van met
veroordeling of afkeuring. Het bevestigt ons op onze eigen weg omdat het ons help om ons te richten op de
innerlijke intentie die met onze gaven is verbonden. Het erkent de vaardigheid die zichtbaar is om bewust te
worden van de vaardigheid die verborgen is. Het kijkt naar de behoefte die zich uit in onbewust
zelfvernietigend gedrag om het vermogen dat verborgen of onontwikkeld is bewust te maken. Het is de
bemoediging van inherente, maar verborgen, vermogens en krachten. Het schept een ruimer bewustzijn en
neemt angst weg.
Ik herinner me dat een lid van het Universele Huis van Gerechtigheid me schreef over een manuscript wat ik
nog aan het ontwikkelen was. Ik was niet bang voor zijn onderzoek van een concept dat duidelijk nog eens
opnieuw doordacht moest worden! Hij gaf geen afbrekende kritiek. Ik voelde dankbaarheid in plaats van
schaamte. Ik zag in welke richting ik mijn energie en gedachten kon leiden en had niet het gevoel alsof ik de
boot en daarmee het applaus had gemist. Wanneer iemand zijn onderscheidingsvermogen voor ons inzet
dan werkt dat bemoedigend en bekrachtigend, het geeft energie. Het resulteert in zekerheid. Het scheid met
kennis van zaken en met hoffelijkheid het authentieke, maar nog in ontwikkeling achtergebleven, gedrag van
iemand van de voortreffelijkheid die in die persoon verborgen ligt. Daarin ligt de kans om anderen te helpen
om hun inherente goedheid zichtbaar te maken en te versterken. (Ik ben niet mijn gedrag. Ik ben meer dan
dat.)
Denk maar eens aan twee soorten coaches. De ene is de stereotiepe coach die zijn jonge speler uitscheldt,
hem vernedert en elke positieve actie van hem kleineert en zijn fouten overdrijft, omdat hijzelf persoonlijk
geïnteresseerd is in competitie en winnen en een alles of niets mentaliteit heeft die zegt “Als je niet wint heb
je gefaald”
Stel je nu het type coach voor die echt in dienst staat van de atleet. De dienaar/coach prijst de speler en
gebruikt zijn scherpzinnigheid om een groter bewustzijn te bewerkstelligen van elke beweging van de hand of
de voet, elke positieve vaardigheid te erkennen, de aandacht van de atlete te richten op elke positieve
kracht omdat hij weet dat het voor haar de juiste houding is om zicht te kunnen concentreren en te herhalen.
Zij weet waar ze aan moet werken. Zij rent en springt en beweegt met aanmoediging.
Een jonge bahá’í-vriend van me heeft een maandelijkse uitkering omdat hij gehandicapt is. Hij staat rood bij
de bank. Stel je zijn ongeloof en wanhoop voor als hij ontdekt dat de cheque, die hij op vrijdag na drieën
heeft gebracht, niet meer voor maandag op zijn rekening is bijgeschreven. Als hij de bank om uitleg vraagt
wordt hem gezegd dat hij zijn rekening beter moet bijhouden, wat inhoudt dat de fout helemaal bij hem ligt. De
bankbediende kon ook zeggen dat “ de regels en procedures van de bank soms onrechtvaardig kunnen
lijken, maar dat we u graag willen helpen om ze beter te begrijpen bij de volgende transacties” Of “ dit
overkomt andere mensen ook en dit kunt u doen om het de volgende keer te voorkomen”.
In plaats daarvan wordt hij bekritiseerd en aangepakt; hij is kwaad en kan het niet aan zijn familie vertellen
omdat in het verleden een paar familieleden hebben geprobeerd om hem in een inrichting te krijgen om dat ze
hem achterlijk en onbekwaam vonden. Dit is duidelijk ten onrechte; we kunnen deze bahá’í dienen door de
onrechtvaardigheid en zijn boosheid te erkennen. We kunnen hem helpen met de onthulling van het feit dat dit
ook gebeurt bij mensen die niet gehandicapt zijn, dat het ons ook overkomt! We kunnen hem
onvoorwaardelijk prijzen voor de moeite die hij doet om zijn rekening op orde te houden.
Hoewel, naast ons aarzelende verlangen om te bevestigen, om zijn werkelijkheid te betreden, onszelf aan
hem te onthullen en hem dienstbaar te zijn, kunnen ons tegelijk gedachten door het hoofd schieten als: “Zou ik
borg voor hem moeten staan? Is hij echt competent? Hij zou toch in elk geval naar zijn familie moeten gaan;
zo erg zullen ze toch niet zijn? Dit is eigenlijk mijn verantwoordelijkheid niet. Hij zou niet zoveel geld uit moeten
geven.” Onze identiteit is duidelijk verdeeld tussen een overtuigingensysteem dat gebaseerd is op oude
wereld principes van kritiseren en voor schut zetten versus het dienstbaar zijn door middel van bevestiging,
zelfonthulling, lof en onderscheidingsvermogen.
Als we een ander eerlijk de hand toesteken in gehoorzaamheid aan het Verbond, is dat niet meer een
superieur gebaar. We verwerven een identiteit als dienaar van God. Dit wordt door ‘Abdu’l-Bahá bevestigd in
het volgende citaat: “Mijn naam is ‘Abdu’l-Bahá. Mijn werkelijkheid is ‘Abdu’l-Bahá. Mijn identiteit is
‘Abdu’l- Bahá. Mijn verdienste is ‘Abdu’l-Bahá. Mijn eer is ‘Abdu’l-Bahá. Volkomen dienstbaarheid aan
de Gezegende Schoonheid is mijn luisterrijke en stralende diadeem en dienstbaarheid aan het hele
mensenras is mijn eeuwigdurende religie” ( Worldorder of Bahá’u’lláh, p. 139) En opnieuw spoort Hij aan
om “het voorbeeld van‘Abdu’l-Bahá te volgen in dienstbaarheid aan de Heilige en verheven Drempel”
(Tablets of ‘Abdu’l-Bahá, p. 164) En wie kan de intense kracht negeren of vergeten van het lied “Look at me,
follow me, be as I am”.
Zelf onthulling, een stap in de richting van vertrouwelijkheid.
Zelfonthulling is een noodzakelijke stap naar eenheid en vertrouwelijkheid omdat het zelfbesef schept in
zowel de luisteraar als de spreker. Bahá’ís moeten het licht van Bahá’u’lláh’s Boodschap meer gaan delen
door middel van zelfonthulling, in de wetenschap dat dit ook tot onthulling leidt. Het betekent dat we ons
laten zien zoals we echt zijn terwijl we voortdurend in dialoog blijven, waardoor vertrouwen ontstaat. Ik
vertelde bijvoorbeeld een persoonlijk verhaal aan een bahá’í die zich, als hij bij zijn familie is, heel erg
kwetsbaar voelt. Tijdens zijn bezoeken in de vakantie voelt hij hoe hij in een ongezonde sfeer wordt gezo-
gen; hij is boos dat hij automatisch in oude gedragspatronen vervalt; hij begrijpt niet hoe dat komt.
Ik vertelde hem dat het in mijn jeugd heel gewoon was om kinderen te manipuleren. Ik had dat nooit gedaan
met mijn kleinzoon Hunter, niet één keer in al die jaren dat ik voor hem had gezorgd. Tot ik met kerstmis
samen met hem bij mijn familie op bezoek was en hij niet met me mee wilde gaan om de familie van zijn
moeder te gaan bezoeken. Ik was omringd door familieleden en de familiegrapjes, had mijn plaats weer
ingenomen. In een moment van onbewuste ontspanning werd ik in het familiepatroon getrokken.
Hunter had als kerstcadeau een zwaard gekregen waar hij heel trots op was. Ik zei: “Hunter, misschien krijg
je bij Nana ook wel een zwaard”. Hij wilde onmiddellijk zijn jas aan. Ik hield
hem voor de gek en manipuleerde hem en ik schaamde me dood. Ik was ontzet door mijn eigen gedrag. Ik
vertelde dit verhaal aan mijn vriend omdat ik hem wou laten zien dat iemand waar hij om geeft en die hij
waardeert hetzelfde is overkomen.
We moeten bereid zijn om ons te laten zien met al onze gebreken en onvolkomenheden, in plaats van onze
tekortkomingen te verbergen. Als bahá’ís hun authentieke woede of onvolwassenheid verbergen voor de
genen waar ze vertrouwelijk mee willen omgaan, dan blokkeren ze in werkelijkheid juist het proces. We
moeten gewoon ophouden met onszelf als bovenmenselijke voor te doen. Ons als minder dan menselijk
voor doen is ook niet de oplossing. We kunnen ons wezen niet verstoppen. Als we vertrouwelijk willen
worden met iemand is het een noodzakelijke voorwaarde dat de bahá’í zich spontaan laat zien zoals hij is,
zodat de ander ook authentiek kan zijn. Als wij geen fouten hebben of een gelijksoortige ervaring of
werkelijkheid kunnen onthullen dan plaatsen we ons in een superieure positie en kun je er op rekenen dat
de anderen, die op zoek zijn naar een beter leven, zich de mindere gaan voelen.
Zelfonthulling opent in de ander de deur van inzicht. Zij horen over onze werkelijkheid en dat maakt hen
bewuster. En als de deur van inzicht is geopend, durven ze voor een moment te geloven dat hun stem
belangrijk is en gehoord zal worden; dat hun identiteit aanvaard zal worden in plaats van gekleineerd,
genegeerd of ontkracht.
Als we als kind niet geaccepteerd werden, vervreemden we van onze identiteit, ons diepste zelf. Uit behoefte
aan zelfbescherming verbergen we ons innerlijk en blijven geïsoleerd, ook in het gezelschap van anderen.
Zelfonthulling in de aanwezigheid van iemand die je vertrouwt en die jou aanvaardt, schept een zelfbesef dat
vroeger niet toegestaan of gekleineerd werd
Als het nieuwe zelfbewustzijn door anderen en door de Geschriften wordt erkend en bevestigd vormt het
een brug naar een bewust willen ervaren en helen van onze identiteit; het is in werkelijkheid de integratie
van haar uit elkaar geslagen delen. Het vormt ook een brug over de kloof die ons scheidt van het diepste
innerlijk van de ander. Onderrichten/delen met vertrouwelijkheid, echte vertrouwelijkheid is daardoor een
helende en transformerende ervaring.
Zonder dat zelfbesef dat voorkomt uit zelfonthulling, wat de bewustzijnsverruiming is waar ‘Abdu’l-Bahá ons
toe oproept, blijven we geïsoleerd, zelfs als we het Geloof onderrichten of in een Plaatselijke Geestelijke
Raad zitten. Er bestaat geen bewustzijnsverruiming zonder het spraakvermogen.
Wat vraagt het van me om het geheim van mijn identiteit of werkelijkheid aan jou te onthullen en voor jou om
jouw geheim aan mij te onthullen? Het is risicovol. Dit hoogste niveau van vertrouwelijkheid kan de omgang
op zielsniveau inhouden.
Het kan zijn dat we als kind geleerd hebben om onze behoeften, verlangens, overtuigingen of onze ware
identiteit, onze gevoelens en gedachten te verbergen, uit angst dat onze werkelijkheid zal worden
gekleineerd, bekritiseerd of verworpen. We kunnen elkaar echter niet begrijpen als we onze
levenservaringen buiten beschouwing laten. We moeten weten dat onze werkelijkheid vaak verkwanseld is
voor een lonende conformiteit, waardoor we leerden om onverschillig te zijn t.a.v. onze identiteit, onze
innerlijke intentie en onze behoeften.
De moeilijkheid van het Geloof “onderrichten” is dat we dan in feite bezig zijn om onze identiteit te
verbergen. Als we het Geloof met elkaar “delen” zijn we bezig met zelfonthulling. Een Perzische vrouw
heeft me verteld dat het Perzische woord voor onderrichten qua betekenis meer gaat in de richting van
ons woord “delen”. Wij onderrichten geen levenservaringen. Maar we delen hoe onze levenservaring
verrijkt is door de leringen van God, door middel van Bahá’u’lláh’s Openbaring, via God’s eigen
zelfonthulling.
Wat voor soort zelfonthulling schept zelfbesef in de ander?
- aantonen hoe jij verschilt van de anderen zoals je ouders, de partner, kinderen of vrienden, door jouw
eigenschappen.
- laten zien wat voor jou als aparte identiteit met jouw innerlijk intentie belangrijk is
- je ware ik laten zien zonder schijnheiligheid of geremdheid en aanvaard worden om wat je bent en niet
om wat je voor de ander kunt doen.
- laten zien wie je bent en waar jouw plek in deze wereld is door te vertellen over je verwachtingen, dromen
en doelen , over geleden verdriet, over je overtuigingen, de kennis die je hebt gezocht, die vragen die je
hebt over het leven in deze en de volgende wereld en de geestelijke waarheden die je hebt ontdekt.
- je kunt de lessen in gehoorzaamheid die je hebt geleerd delen, wat jou pijn doet, wat je dankbaar stemt,
wat je kwaad maakt en hoe je met die kwaadheid omgaat.
- je kunt zelfs aan een vertrouwde vriend vertellen over fouten waar je spijt van hebt zolang het maar niet
een soort zelfvernedering wordt.
- je kunt met de zoeker de resultaten delen van je eigen zoektocht naar bewustzijnsverruiming en naar een
voller leven.
- je kunt delen hoe Bahá’u’lláh’s Openbaring het leven voor jou meer betekenis geeft.
- je kunt delen hoe deze de beperkte opvatting van de wereld als geheel heeft vernietigd en hoe de
openbaring je uitdaagt om boven je sociale en culturele opvoeding uit te stijgen om mensen van andere
culturen, kleuren en religies te verwelkomen; dat je vanuit God’s nieuwe openbaring manieren hebt ge-
vonden om je identiteit opnieuw te ontdekken en leiding om deze nieuwe ontdekking waar te maken.
- je kunt delen hoe elke bewustzijnsuitbreiding leidde tot een opnieuw bezien van alle principes, waarheden
en kennis die je tot aan dat moment had verworven. Zodat je je dan opnieuw moest afvragen: hoe wil ik
leven, hoe wil ik zijn, hoe wil ik mijn tijd gebruiken? Hoe kan ik stoppen met deelnemen aan een gevestigde
klassestructuur die zich verzet tegen verandering? Hoe kan ik me bevrijden van gewoonte, culturele druk
en het verleden; van maar één manier om anderen te bekijken en te ervaren en mijn identiteit uit te
drukken.
- je doet veel als je vertelt over het kritieke moment van ontdekking dat jouw perspectief totaal verschillend
is van dat van iemand anders en van nog weer een ander; en dat er in alle drie de perspectieven
waarheid schuilt, wat betekent dat ze alle drie, geëerd, gerespecteerd en erkend moeten worden. Dit is
alle- maal zelfonthulling die de ander tot een groter zelfbesef kan brengen als hij of zij zijn of haar eigen
identiteit en ervaringen onderzoekt.
Omdat God, onze Schepper, zich Zelf door de mensen wilde laten kennen, hebben wij, als zijn schepping,
gemaakt naar Zijn beeld, ook het dwingende verlangen om ons aan de ander bekend te maken. Wij doen dit
door middel van ons spraakvermogen dat ons identiteitsvermogen tot groei en ontwikkeling brengt. Wij
onthullen informatie over onszelf, onze meningen, gevoelens en houdingen en Geloof (de 5 niveaus van
vertrouwelijkheid); en door die zelfonthulling ontdekken we het mysterie dat we zijn. “Beschouw de mens
als een mijn, rijk aan edelstenen van onschatbare waarde. Alleen opvoeding kan de schatten ervan
aan het licht doen komen en de mensheid in staat stellen daarvan profijt te trekken. “(Bloemlezing van
Bahá’u’lláh, p 155) Degenen die zich niet willen laten kennen blijven verstoken van het geheim dat in hen
verborgen ligt. Ze zijn van zichzelf vervreemd. Bedenk hoe krachtig God heeft geprobeerd om zich te laten
kennen door de Openbaring van Bahá’u’lláh en die van de andere Profeten die Hij vroeger heeft gezonden.
Hoe krachtig de bahá’í-geschriften ook zijn en hoe belangrijk ook als middel om de zoeker aan te trekken,
we kunnen geen vertrouwelijkheid scheppen zonder zelfonthulling. Zelfonthulling voedt het zelfbesef in de
ander als in jouw gedrag totale toewijding te zien is. Anders bied je niet genoeg veiligheid om het zelfbesef
te ondersteunen. Zelfbesef betekent de waarheid van ons “zelf” zien, onze identiteit, onontwikkeld en
onvolmaakt. Dat is nogal eng als je samen met iemand bent die niet om je geeft, je niet toegewijd is en die
de levenservaring van anderen in jouw aanwezigheid kleineert.
Er is wel een voorwaarde voor onthulling en dat is dat anderen onze privacy respecteren totdat we besluiten
wanneer, waar en aan wie we meer van onze authentieke werkelijkheid willen laten zien.
De werkelijkheid van de ander betreden: het derde bestanddeel van vertrouwelijkheid.
Vaak sluiten we mensen die niet zo vaardig zijn in het praten buiten, omdat we niet weten hoe we hun
werkelijkheid kunnen binnengaan. We schrijven hun gebrek aan ontvankelijkheid toe aan het feit dat “ zij” er
nog niet aan toe zijn, of we zeggen dat het “ een test voor hen” is, in plaats van naar ons zelf te kijken en te
zien hoe ongevoelig we zijn. Bahá’ís zijn geweldige sprekers maar onze spreekvaardigheid kan anderen
overdonderen. Als we hun werkelijkheid binnen gaan, voorgeprogrammeerd met onze eigen agenda, hun
unieke levenservaring en culturele achtergrond negeren en hen met citaten bestoken, dan negeren we ook
hun essentiële emotionele behoeften.
Wij moeten het geestelijke drama begrijpen dat zich afspeelt in het leven van alle zoekers die bij het Geloof
aankloppen, of ze nu onderdrukt zijn of in crisis verkeren. We moeten bereid zijn om deel te nemen aan dat
drama, hun werkelijkheid met het bijbehorende overtuigingensysteem, zonder deze te bekritiseren of te
veroordelen. Dit overtuigingensysteem zal niet zomaar verdwijnen doordat ze bidden en de Geschriften
lezen. Daar is dagelijks vertrouwelijkheid voor nodig, dagelijks contact, dagelijks het vertrouwen bevestigen,
dagelijks risico nemen, dagelijks voortzetten, dagelijks toewijding, dagelijks bevestiging van hun innerlijke
waarde.
Als we een poging doen om tot eenheid te komen en vervolgens uit het geestelijke drama weglopen omdat
we het eerlijke en brede, oncontroleerbare spectrum van levenservaringen van zeer uiteenlopende volken,
culturen, tijden en plaatsen veroordelen, dan blijven we vasthouden aan onze onwetendheid, gewoonten en
tradities die bestonden voor de kennis van God en van de mensheid. En dan zijn we degenen die arm zijn.
Hier volgt wat ik bedoel met het brede, oncontroleerbaar spectrum van werkelijkheden. Beantwoordt de
volgende vragen:
1. Kun je de werkelijkheid betreden van iemand met een handicap zonder hem te beledigen?
2. Kun je de werkelijkheid betreden van een man of een vrouw die prostitutie heeft gekozen om
het drama van zijn of haar kindertijd uit te spelen?
3. Kun de werkelijkheid betreden van iemand die seksueel misbruikt is?
4. Van iemand die onder rassendiscriminatie heeft geleden?
5. Van iemand die aan verslaving lijdt zoals alcohol, drugs, seks, werk, sport of geld?
6. Kun je de werkelijkheid betreden van iemand die zijn woede passief/ agressief uit?
7. Weet je hoe je een grens moet trekken bij iemand die passief/agressief is als je de neiging
voelt om het op te geven en hem of haar in de steek te laten?
8. Weet je hoe je de werkelijkheid kan binnengaan van iemand die kwaad is zonder dat je een
defensieve of bekerende houding aanneemt, een oplossing aandraagt of de zaak geheel
logisch gaat aanpakken om de situatie onder controle te krijgen zodat je de ander “helpt” om te
veranderen.
9. Weet je hoe je kunt luisteren naar iemand die het elke keer weer over zijn levenslange grieven
heeft zonder je geduld te verliezen?
10. Weet je hoe je iemand onmiddellijk kunt helpen om zijn gezicht te redden?
11. Kun je vriendelijk blijven bij oneerbiedig gedrag, of gedrag dat minder eerbiedig is dan dat van
jou, of wanordelijk eerbiedig gedrag, of een absolute onwetendheid wat aanbidding betreft.
12. Kun je bij een Negentiendaagsfeest of een Fireside buiten zitten met iemand die doodsbang is
voor gemeenschappelijkheid en die niet verder durft dan het portiek.
13. Kun je hun hyper waakzame houding opmerken en discreet vragen “Wat is er aan de hand?
“Hoe kan ik je op dit moment helpen?” “Wat heb je op dit moment nodig?” in plaats van hun
angst te negeren.
14. Kun je vragen “Hoe ben je tot die overtuiging gekomen?” en dan een uur lang luisteren zonder
dat je een andere overtuiging aanbiedt?
15. Kun je het verdragen dat iemand heel inconsequent is en elk kwartier van gedachten verandert
zodat je nooit van tevoren weet hoe je zult worden ontvangen als je die persoon ophaalt voor
een Negentiendaagsfeest?
16. Zou je bereid zijn om hem of haar onmiddellijk naar huis te brengen als hij, een kwartier na
aankomst op het Negentiendaagsfeest of een fireside, weer van gedachten verandert?
17. Kun je, tien jaar lang, kwalijke lichaamsgeur, slechte adem en onaangename huisgeur ruiken
zonder er iets van te zeggen?
Er bestaat geen kant en klare formule die een oplossing geeft voor alle behoeften die schuilgaan achter de
vragen die ik heb gesteld. Maar elke gemeenschap zou toch over dit soort vragen moeten consulteren, zodat
we voorbereid zijn op het oncontroleerbare spectrum van levenservaring dat spoedig onze gemeenschap zal
binnenkomen.
Ik las dit voor aan een bahá’í die geneigd is tot vervreemding. Hij begon me te vertellen over hoe hij werd
buitengesloten en lamgelegd door leden van onze gemeenschap die hem veroordeelden en bekritiseerden
zonder dat ze ooit de vertrouwelijkheid schiepen waarin ze hem hadden kunnen leren kennen. Wat hij te
zeggen had is, geloof ik, belangrijk voor onze voorbereiding op een gestadige toestroom van gelovigen. Hij
sprak met de stem en de levenservaring van iemand die vanwege zijn handicap een trauma heeft, die door
een aantal familieleden werd behandeld alsof hij de schandvlek van de familie was, en die tot aan zijn
dertigste nooit zelf had mogen kiezen.
“Toen ik bahá’í werd had dit een kalmerende invloed op me. Ik voelde me tot deze liefdevolle gemeenschap
aangetrokken. Ze hadden aandacht voor me; mijn hart vloeide over van trots en dankbaarheid dat ik eindelijk
geaccepteerd werd. Dat waren de wittebroodsweken. Ik had een aantal problemen die de leden van mijn
gemeenschap nog niet eerder hadden mee gemaakt, net zoals duizenden andere mensen die er op wachten
om bahá’í te worden. Ik had nooit een andere dan de “basketbal/voetbal/sport” identiteit ontwikkeld die door
mijn familie wordt aanvaard en goedgekeurd. Ik kon over sport praten; ik kon in woede uitbarsten; ik had
zeker een woordenschat tot m’n beschikking maar ik was zwaar ontmoedigd, kende m’n ware identiteit niet
en was doodsbenauwd voor zelfonthulling. Dus kon ik me alleen maar indirect en symbolisch (onbewust)
uitdrukken uit angst dat ik bekritiseerd, gestraft, genadeloos gepest, uitgelachen en overheerst zou worden.
Ik uitte me indirect en ontwijkend om conflict te vermijden.
Ik kan niet goed tegen leiding en ik heb een koppig trekje waar ik me meestal voor schaam, totdat ik ontdek-
te dat mijn koppigheid direct gekoppeld was aan het feit dat ik sterk overheerst werd. Ik werd alleen door mijn
familie geaccepteerd als ik me als een exacte kopie van mijn broers en zussen gedroeg. Ik kon dit zelfs niet
verstandelijk begrijpen of onder woorden brengen voordat ik zo’n zes of zeven jaar bahá’í was. Ik ontdekte al
gauw dat mijn unieke problemen niet begrepen werden en voelde dat ze niet welkom waren in mijn
gemeenschap. Ik begreep dat ik een kopie van de andere bahá’ís moest worden en dat ik moest opschieten
en veranderen, opschieten en geestelijk volwassen worden, zodat ik de gemeenschap niet meer in
verlegenheid kon brengen. Ik begon de bijeenkomsten te vermijden, omdat ik me overdonderd voelde
door het feit dat mijn emotionele en mentale ontwikkeling achter lag en dat iedereen in de gemeenschap
geestelijk zover vooruit leek te zijn.
Gezien het feit dat ik altijd conflicten uit de weg ga, dat ik regelmatig herinneringen had aan mijn
mishandeling, plus vreselijke nachtmerries, plus dat ik voortdurend op mijn gemeenschapsleden projecteerde
dat ze mij misbruikten en dat ik een mentale filter had die mij alleen mijn eigen verwarde standpunt en oordeel
liet zien, verbaast het me dat ik het bahá’í-zijn al 13 jaar heb volgehouden. Dat was alleen mogelijk dankzij
de grote betrokkenheid van minstens drie leden van mijn gemeenschap die mij hebben geholpen om verbaal
vaardig te worden, een identiteit te ontwikkelen op basis van mijn eigen aanleg en te leren hoe ik mijn
grenzen moet stellen en aan anderen eerlijk vertellen wat ik nodig heb. In dat proces zat een creatieve
spanning waarvan ik voorheen dacht dat het een negatieve spanning was. Ik ben nu in staat om te zien dat
er iets ongelofelijk goeds zat in dat wat ik als alleen slecht had gezien. Als die paar bahá’ís, die mij hun visie
lieten zien en me hielpen om mijn bewustzijn te verruimen, er niet waren geweest dan had ik het geloof
verlaten en was nooit teruggekeerd. Zo defensief en geïsoleerd was ik.
Bij elke stap vooruit viel ik terug in een diepe depressie, niet in staat om mijn geestesgesteldheid of mijn
emoties onder woorden te brengen. Er waren jaren dat ik niet geloofde en niet kon zien dat ik ook maar
beetje vooruitging. Hoewel ik hunkerde naar vertrouwelijkheid was ik er doodsbenauwd voor.
Vertrouwelijkheid betekende alleen maar conflict voor me. In mijn familie hield vertrouwelijkheid in dat ik
mijn identiteit kwijt raakte dat mijn identiteit overheerst werd door gezag. Omdat mijn eigen mening en
identiteit nooit waren gevoed, erkend of bevestigd wist ik ook niet hoe ik dat bij iemand anders moest doen.
Ik kon me er
ook niet bij neerleggen dat twee of meer verschillende gezichtspunten waar konden zijn. Elk moment van het
gemeenschapsleven was voor mij conflictueus. Ik leed vreselijk onder elke vergissing die ik meende te
hebben gemaakt uit angst dat ik in de steek gelaten zou worden. Als dit het bahá’í-leven inhield wilde ik er
geen deel van uit maken. Maar waar kon ik heen? Ik was hulpeloos, machteloos en verward en ik wist het.
Het gemeenschapsleven betekende ondraaglijke pijn en tegelijkertijd was het mijn redding.
Ik zal een voorbeeld geven: ik heb een probleem met zien en ik lees langzaam, met veel inspanning. Ik ben
uiterst gevoelig voor kritiek dus ik voel me ontzettend bekeken als ik in publiek hardop moet lezen. Toch
vond ik de moed om de Geschriften hardop te lezen tijdens een verdiepingsbijeenkomst. Mijn ogen sprongen
van regel naar regel en ik deed mijn best. Maar hoe lees je Huquq’u’lláh of andere Perzische woorden als je
ze nog nooit gehoord of gezien hebt? Ik kreeg kritiek. Er werd me gezegd dat ik maar naar huis moest gaan
en leren lezen voor ik terug kwam. Als die persoon zich in mijn werkelijkheid had verplaatst en mijn lees-
vaardigheid vanuit mijn standpunt en levenservaringen had bekeken zou hij nooit kritiek op me geuit hebben.
Maar hij wist niet hoe hij iets van zichzelf moest onthullen of hoe hij een sfeer van veiligheid kon scheppen,
en ik ben gauw ontmoedigd. Ik wilde uit het Geloof stappen! Maar dat kon ik niet doen omdat ik in Bahá’u’lláh
geloof; ik geloofde alleen niet dat bahá’ís zich oprecht, onvoorwaardelijk en totaal voor mij in
zouden zetten.
Ik heb ook kritiek gekregen op mijn schoenen toen ik gids was in het Huis van Aanbidding, hoewel ik met
krukken loop en met één voet sleep. En iemand bekritiseerde me bij verschillende gelegenheden en zei me
dan dat ik in bad moest, m’n kleren moest wassen en m’n tanden poetsen.22
Mensen die in dat soort onderdrukking hebben geleefd, hebben alleen het uiterste einde van het uitgestrekte
continuüm van mogelijkheden ervaren - de uiterste mentale, geestelijke of materiele verlatenheid; de meest
extreme emoties; de diepste depressie, het ergste verlies van geloof of identiteit, de ergste vormen van
negativiteit en zelfbestraffing, van misbruik, ontmoediging, grensschendingen en de ergste vorm van isolatie
en scheiding.
En, hoewel dat erg zwaar klinkt, in Bahá’u’lláh’s Openbaring vind je het tegenovergestelde, dat de zoeker of
de nieuwe gelovige kan aantrekken tot het andere einde van het continuüm, “het tehuis van eeuwige
hereniging” Van de bladzijden van Het Boek van Zekerheid komt ons een ander voorbeeld van verwijderd
zijn en scheiding tegemoet: “ .....dat hopelijk de dorstige in de wildernis van veraf zijn de oceaan van
goddelijke aanwezigheid mag bereiken en dat zij die wegkwijnen op de vlakten van het gescheiden
zijn geleid mogen worden naar het tehuis van eeuwige hereniging. Opdat de nevels van dwaling
zullen verdwijnen en het alom schitterende licht van goddelijke leiding boven de horizon van het
menselijk hart zal dagen.” 23
Veraf zijn en hereniging vormen ongelooflijke tegenstellingen! God onderwijst ons door tegenstellingen. Hij is
daar een meester in: licht en duisternis, goed en kwaad, volmaakt en onvolmaakt. We moeten dit weten om te
kunnen begrijpen waarom Bahá’u’lláh ons oproept tot daden. Leraren weten tegenwoordig een hoop over de
verschillende leerstijlen. Sommige mensen leren door rekenen, muziek en kunst, anderen leren door kijken,
luisteren of bewegen. Maar ik zou zeggen dat de leerstijl die het meest doeltreffend is voor de onderdrukten, die
van de “tegengestelde leerervaring” is. Terwijl wij liefde niet als een uiterste zien, is dat voor de onderdrukte
mensen wel zo. En als zij zich uitrekken om dat uiterste eind te pakken, verliezen zij hun evenwicht. Hun
werkelijkheid is in gevaar, een werkelijkheid die gebaseerd is op verdediging, bescherming en isolatie. Alles
waarin zij geloofden wordt te grabbel gegooid. Eenheid is voor hen angstwekkend en uitdagend tegelijk.
Daarom moet onze liefde zo helder schijnen en zo constant waaien dat deze de tegengestelde leerervaring
oplevert die er voor zorgt dat zij zich naar de bahá’í-openbaring richten en geloven dat Bahá’u’lláh het
Goddelijk Elixer voor hun lijden heeft. Daarom zegt Hij ons,
“ Laat daden, niet woorden, u sieren” en “ Het geven van leiding geschiedde steeds met woorden, nu
geschiedt dit door daden” 24. Wat voor daden? Heilige daden, geen daden die gericht zijn op bekeren,
veranderen, beheersen, vastleggen - heilige daden van het erkennen van een werkelijkheid waarvan we niet
weten hoe hij ontstond of hoe hij hersteld moet worden. Daden van vertrouwen geven en geen macht
uitoefenen, die hun wezen zullen aantrekken, eerst naar de liefde in ons hart, dan naar de liefde van God in
de Geschriften.
Hier volgt een voorbeeld van hoe machtsloos we moeten worden als we de werkelijkheid van een ander
betreden:
“Dank je dat je jouw werkelijkheid met mij wil delen. Ik heb daar respect voor. Ik zal hem niet onteren door er
over te discussiëren, door voor mijn eigen werkelijkheid op te komen via woorden en begrippen die jou
vreemd zijn. Ik kan je mijn werkelijkheid alleen aanbieden via daden van dienstbaarheid. Ik respecteer jouw
werkelijkheid. Ik zal daar geen afbreuk aan doen door jouw werkelijkheid een plaatsje in mijn hart te weigeren
omdat ik me er innerlijk voor schaam, of haar kleineer, bekritiseer, afkeur, of haar keur op zijn waarde en
verdienste. Ik wil alleen jouw werkelijkheid in mijn hart ervaren door de liefde van God, als Zijn dienaar- het
verschil erkennen zonder te kleineren, haar aanwezigheid erkennen zonder de redelijkheid ervan te
betwisten, de ontwikkeling ervan erkennen zonder die ontwikkeling te beheersen, in jouw werkelijkheid
dienstbaar zijn zonder je de wet voor te schrijven, er van leren zonder er iets aan te veranderen, jouw
geschiedenis en levenservaring accepteren zonder tegenspreken.”
Al het andere is een sluier van ijdele waan, die de oorzaak is van onze vermoeidheid en zorg in de
aanwezigheid van de onderdrukten. Als we onszelf bevrijden van deze ijdele verbeeldingen treden we niet
alleen de werkelijkheid van de verdrukten binnen maar ook de hof van God met de geest van verlichting die
waait
in de Sinaï van ons hart. “ O mensenzoon! Het licht straalt vanaf de kim van de heilige Berg op u en de
geest van verlichting ademt in de Sinaï van uw hart. Bevrijd u daarom van de sluiers van ijdele
verbeelding en treedt Mijn voorhof binnen, opdat gij geschikt zijt voor het eeuwige leven en waard Mij
te ontmoeten. Dan kan dood noch afmatting of zorg u deren.” 25
“O zoon van stof! De wijzen zijn zij die niet spreken, tenzij ze gehoor vinden, gelijk de schenker zijn
beker niet aanbiedt aleer hij een dorstende vindt, en de minnaar niet uit het diepst van zijn hart roept
tot hij de schoonheid van zijn geliefde aanschouwt. Zaai daarom het zaad van wijsheid en kennis in de
zuiver grond van het hart en houd het verborgen, tot de hyacinten van goddelijke wijsheid opbloeien
uit het hart en niet uit modder en leem.” 26
Durven we tot de verdrukten te spreken voordat we werkelijk van hen houden? Durven we hen iets aan te
bieden dat opbloeit uit modder en leem voordat we de heilige wijsheid van hun lijden diep in ons hart hebben
geplant?
“Het spraakvermogen van de mens is een essentie die er naar streeft invloed uit te oefenen en die
matiging behoeft. Wat de invloed ervan betreft, die is afhankelijk van verfijning en deze is op haar beurt
weer afhankelijk van harten die zuiver en onthecht zijn.” 27
“O Mijn Naam! Spreken moet een doordringende kracht hebben. Als het dit vermogen niet bezit zal
het geen invloed uitoefenen. En deze doordringende invloed is afhankelijk van een zuivere geest en
een zuiver hart. Hij moet ook gematigd worden anders zal de toehoorder het niet kunnen verdragen
en zelfs vanaf het begin weerstand tonen. Matiging wordt bereikt door het spreken te combineren
met de tekenen van goddelijke wijsheid die in de heilige Boeken en Tafels zijn opgetekend. Als dan
het wezen van iemands uitspraken aan deze twee vereisten voldoet zullen ze zeer werkzaam zijn en
de belangrijkste factor in het transformatieproces van de zielen der mensen. Dit is de rang van
hoogste overwinning en hemelse heerschappij. Wie dat bereikt is bekleed met het vermogen om de
Zaak van God te onderrichten en hart en geest van de mensen te winnen.” 28
Als wij een zoeker aantrekken en we beteugelen niet ons verlangen om te bekeren, te veranderen en te
beheersen, wat in wezen het uitoefenen van macht is, dan zal hij tegenstand bieden. Angst en boosheid
over kritiek en overheersing kan een stuk van zijn levenservaring zijn. Zelfs het lezen van de Geschriften kan
aanvoelen als de kritiek van God. We moeten het Woord van God verbinden met zijn of haar
levenservaringen.
Als we de werkelijkheid van de zoeker, en van elkaar, niet binnengaan om te leren wat hij voelt, wat zij
meemaakte, wat hij over religie denkt, wat de oorzaak is van het feit dat zij haar vertrouwen in georganiseer-
de religie kwijtraakte, wat hij gelooft over God, dan kleineren we zijn werkelijkheid, zijn identiteit en haar
visie. Er is geen manier om verbinding met hem te krijgen tenzij we ons verbinden met zijn visie, en deze
erkennen en respecteren, zelfs als deze van de onze verschilt. Om de dingen vanuit zijn standpunt te zien
betekent niet dat we ons geloof moeten opgeven. Erkennen dat zijn zienswijze op dit punt van zijn leven,
waar toe God hem heeft geleid, juist is, dat is ziele grootheid - edelmoedigheid- en dan ben je een ware
dienaar van zijn transformatieproces.
We moeten radicaal afzien van evaluatie, kritiek en beoordeling van zijn werkelijkheid. Beoordeling en kritiek
zouden een echte ingang naar zijn werkelijkheid blokkeren, aangezien we haar zouden afkeuren door ons
eigen incomplete begrip van wat spiritualiteit is. We zouden zijn werkelijkheid veroordelen omdat die niet
overeenkomt met de ontwikkeling die wij voor hem willen. Hiermee laten we zien dat we niets begrijpen van
het ontwikkelingsproces, het creatieve en evolutionaire proces dat onvervreemdbaar tot de vermogens van
de mensheid behoort.
We kunnen hem niet van zijn overtuiging ontdoen, omdat zijn levenservaring alles is wat hij heeft. We
kunnen hem zijn identiteit niet afnemen omdat zij zich anders ontwikkelde dan die van ons. Om te overleven
kan hij, op jonge leeftijd, gedwongen zijn geweest om te liegen om zijn identiteit tegen dreigende aanvallen te
beschermen. Door te liegen en zich niet bloot te geven bleef hij geestelijk gezond. We moeten dat facet van
zijn, in zijn ontwikkeling vertraagde zelf, erkennen en verdedigen zonder beoordeling en er op vertrouwen
dat tijd, veiligheid en de verbinding met de Geschriften hem zullen helpen om zijn gedrag te corrigeren of dat
God een gelegenheid voor hem zal scheppen om zich er van bewust te worden. Wij kunnen niets forceren,
regelen, beheersen of te schande maken.
Wij kunnen zijn zienswijze of overtuiging niet scheef noemen omdat hij verschilt van de onze. Het is zijn
waarheid, het is een kostbare werkelijkheid en een onthulling waarop we langzaam een relatie kunnen
bouwen en vertrouwelijkheid scheppen. Dat zal hem in veiligheid brengen als we zien dat hij in gevaar
verkeert. Dat zal hem in de gemeenschap brengen als we zien dat hij geïsoleerd is.
Hier volgen een paar voorbeelden van hoe je de werkelijkheid van een ander binnentreedt. Op een dag gaf ik
les aan een kunstklas in een buurthuis. De meisjes in de klas waren in de leeftijd van 7 tot 9 jaar en konden
heel plotseling omslaan van aardig naar vijandig. We waren druk bezig met het kunstproject toen ineens een
kind het werktuig van een ander afpakte. De eigenaar van het werktuig sloeg de dief, de vriendin van de dief
sloeg de eigenaar, diens vriendin sloeg de vriendin van de dief en even later rende de hele klas als een
lange trein achter elkaar aan.
Ik schreeuw niet en ik dwing niet. Ik riep hen rustig terug naar de tafel. Ze kwamen niet. Ze lachten
uitgelaten naar me! Om me niet te laten kennen stond ik op en begon heel erg snel te rennen! Ik nam de
leiding en zij begonnen me met, met een blik vol ongeloof, te volgen en ik lachte uitgelaten. We renden een
minuut of vijf. Toen gingen we als kameraden, uitgeput door onze gezamenlijke energie uitbarsting, rustig
zitten en maakten ons kunstproject af. Ik was hun werkelijkheid binnen gegaan. Ik had hen niet bekritiseerd.
Ik had hun behoefte om stoom af te blazen niet gekleineerd. Ik had de energie van boosheid en jeugd
gerespecteerd zonder hen te veroordelen of te dwingen. En het belangrijkste was dat ik niet tegen hen
geschreeuwd had en hen gedwongen had.
Een tweede voorbeeld van het binnentreden in de werkelijkheid van een ander: stel je hun gedachten,
waarden en overtuigingen voor als meubilair in hun geest. Als je in het huis van je vrienden bent respecteer
je hun meubels en bezittingen omdat ze niet van jou zijn. Je zou hun meubels niet gaan verplaatsen. Je zou
geen meubels uit hun huis halen. Je zo u hen niet dwingen om nieuwe meubels te halen of ze voor hen
meebrengen uit een meubelzaak. Je zou hun recht om de meubels op hun manier te gebruiken, respecteren.
Je zou vinden dat hun recht als eigenaars onschendbaar is.
Zo is het ook met “het meubilair” van de geest. Als hun gedachten, waarden en overtuigingen anders zijn dan
de jouwe zou je ze niet zomaar weghalen of hen vragen om ze weg te doen. Je zou ook niet je eigen
gedachten in hun geest naar binnen brengen. Als je met zorg, respect en waardering een plekje in hun leven
hebt verworven als een intieme vriend , zou je hun werkelijkheid binnengaan, met eerbied en hoffelijkheid de
tijd nemen om te weten te komen hoe hun overtuigingensysteem tot stand kwam. Dan zouden ze je
misschien toestaan om je eigen visie te introduceren.
De werkelijkheid van een ander mens binnengaan is heilig en beangstigend tegelijk. We tonen respect voor
de heiligheid van hun werkelijkheid door in hun aanwezigheid machtsloos te blijven. Het is een heilige
verantwoordelijkheid, want het houdt toewijding aan het welzijn en de groei in mens-zijn in. En hier ligt het
centrum van onze angst: als de zoeker eenmaal zijn of haar werkelijkheid onthult, hebben we een heilige
verantwoordelijkheid en worden we opgeroepen tot zelfopoffering. Onze vrees voor vertrouwelijkheid, wat
inhoudt dat we ons betrokken voelen inclusief de verantwoordelijkheid die daaraan verbonden is, dat is de
geestelijke en emotionele onvolwassenheid die de groei van de Zaak kan vertragen.
Dit vraagt om een nieuwe manier van leven. De intensiteit van vertrouwelijkheid vereist heel veel
zelfbewustzijn, bewust risico durven nemen, wat ik geestelijke kwetsbaarheid noem; bewuste planning,
oprechtheid en opoffering. Het vraagt dat je persoonlijke ambities, die je van de gemeenschap wegvoeren,
opzij zet. Het leidt ons naar de taak om rust te brengen aan de ziel van de uitgestotene, de onderontwikkelde,
de getraumatiseerde, buitengesloten en verdrukte mens.
“ Welke “verdrukking” is erger dan wanneer een ziel de waarheid zoekt en er naar verlangt om de
kennis van God te verwerven en niet weet waar en bij wie hij moet zoeken?” 29
....met verdrukking wordt bedoeld: het gebrek aan bekwaamheid om geestelijk kennis te verwerven
en het Woord van God te begrijpen. Er is mee bedoeld dat, wanneer de Dagster van Waarheid is
ondergegaan en de spiegels die Zijn licht weerkaatsen zijn heengegaan, de mensheid zal worden
bezocht met “verdrukking’ en ontbering, niet wetend waarheen zich te wenden voor leiding.” 30
“Laat niemand zich inbeelden dat opportunisme het werkelijke motief is dat dit gevoel van urgentie oproept.
De allerbelangrijkste reden is namelijk de jammerlijke toestand van grote delen van de mensheid, lijdend en
in verwarring, hunkerend naar rechtvaardigheid, maar “verstoken van het vermogen God met eigen oog
te zien of met eigen oor Zijn melodie te horen”. Zij moeten gevoed worden. Er moet uitzicht worden
geboden waar de hoop verloren is gegaan, er moet vertrouwen worden opgebouwd waar twijfel en
verwarring heersen”. 31
Dit is de oorzaak waardoor de mensheid nu verhongert. Wie wil, in deze individualistische maatschappij die
ons geleerd heeft kleine, aparte eilanden te zijn in de zee van de mensheid, verantwoordelijkheid nemen
voor de honger van een ander? Maar relaties gaan samen met verantwoordelijkheden. We kunnen geen
eenheid hebben tenzij we relaties hebben. En daarom moeten we ons bewustzijn verruimen met betrekking
tot het soort voedende ervaringen waarnaar de mensheid hongert, bewustzijn van de heiligheid van
vertrouwelijkheid.
‘Abdu’l-Bahá toonde eerbied voor de heiligheid van iemands werkelijkheid. Hij eerbiedigde de ziel achter de
werkelijkheid, of die nu waar was of niet. “Onverschillig welk onderwerp naar voren werd gebracht, hij was er
volmaakt in thuis, maar altijd met een ondertoon van bescheidenheid en liefdevolle aandacht voor de
meningen van anderen. Ik heb al eerder over Zijn nooit aflatende hoffelijkheid gesproken. Dat hield echt
meer in dan wat de term gewoonlijk hier in het Westen betekent. Het Perzische woord betekent zowel
eerbied als hoffelijkheid. Hij zag het gelaat van Zijn Vader in elk gezicht en hij eerde de ziel achter dat
gezicht. Hoe kan iemand onhoffelijk zijn als ‘Abdu’l-Bahá jegens iedereen zo’n houding aannam! 32
Wij hebben eerbied voor het heilige! Eerbiedig zijn betekent dat je ervan wordt weerhouden om iets te doen,
vanuit een gevoel van respect. Eerbied is een diep respect voor iemand alsof hij een verheven, goddelijk en
heilig karakter heeft. ‘Abdu’l-Bahá toonde in al zijn handelingen dat hetgeen heilig is, beschermd is tegen
schending, overtreding en aantasting; het heilige wordt niet zomaar verstoord of gemanipuleerd.
In deze verklaring is nog een derde voorbeeld te vinden van het binnentreden in de werkelijkheid van een
ander: Als je me wilt begrijpen nodig ik je uit om mijn wereld binnen te komen en me te zien vanuit mijn
ervaring in plaats van uit de jouwe. Verruim jouw zienswijze om de mijne te kunnen delen. Als je me een
moment kunt geloven, dan zullen de waarheden die ik koester aan je onthuld worden. Jij hoeft mijn
overtuigingen niet te behouden- maar neem ze maar even over totdat de waarde ervan je duidelijk wordt. Ik
heb de waarheid van mijn ervaring onderzocht en ben tot de conclusie gekomen dat ik mezelf mag
liefhebben. Als jij mij bekijkt met de liefdevolle blik waarmee ik naar mezelf kijk dan zal ik me voor jou openen
en ben ik niet bang om in jouw aanwezigheid te laten zien wie ik ben. Als je dat niet doet blijf ik onbevreesd
en liefdevol in mijzelf.
Het volgende verhaal uit “Portals to Freedom” is een levendige illustratie van het feit dat ‘Abdu’l-Bahá de
werkelijkheid van de persoon waar hij mee omging respecteerde.
“ En hij sprak natuurlijk nooit tegen. Hij legde ook nooit ergens de nadruk op. Hij liet iemand vrij. Er was
nooit een zweem van autoriteit, Hij was eerder altijd de nederigheid in persoon. Hij onderrichtte alsof hij een
geschenk aan een koning gaf. Hij vertelde me nooit wat ik zou moeten doen buiten de opmerking dat wat ik
deed goed was. Hij maakte Waarheid en Liefde zo mooi en koninklijk dat het hart vanzelf eerbiedig werd. Hij
toonde me door Zijn stem, manieren, gedrag, glimlach, hoe ik diende te zijn, wetend dat uit de zuivere aarde
van het hart de goede vruchten van daden en woorden zeker te voorschijn zouden komen”
“ Er was een vreemde, ontzagwekkende mengeling van nederigheid en majesteit, ontspanning en kracht in
het kleinste woord of gebaar van Hem, die me deed verlangen naar het begrip van de bron van dit alles. Wat
maakte Hem zo anders, zo onmetelijk superieur aan elke andere man die ik ooit had ontmoet?” 33
Dit is een prachtig voorbeeld van respect voor de gevoelige werkelijkheid van een ander mens. We zien het
feit dat Hij de ander bevestigde zonder hem te vertellen wat hij moest geloven. ‘Abdu’l-Bahá demonstreert
hier Bahá’u’lláh’s uitspraak dat wij dezelfde nederigheid en onderdanigheid moeten tonen als de aarde : ”Zie
hoe nederig ik ben, ondanks de mij verleende eer en de ontelbare bewijzen van mijn rijkdom - een
rijkdom die in de behoeften van de gehele schepping voorziet- en aanschouw met welk een volkomen
onderwerping ik mij door de voeten van de mensen laat vertreden.....” 34
“Betoon elkaar verdraagzaamheid , welwillendheid en liefde. Mocht iemand onder u niet bij machte zijn een
bepaalde waarheid te vatten en zich inspannen om deze te begrijpen, leg dan in uw gesprek met hem een
geest van uiterste vriendelijkheid en welwillendheid aan de dag. Help hem de waarheid te zien en te
erkennen zonder uzelf in het minst superieur of in het bezit van grotere gaven te achten” 35
Mr Ives vertelde ook hoe ‘Abdu’l-Bahá de “werkelijkheid”, de ziel van ieder die hij ontmoette zocht: “ Bij alle
gelegenheden waarin ik ‘Abdu’l-Bahá ontmoette, met Hem sprak of naar Hem luisterde kwam ik steeds meer
onder de indruk van zijn methode om zielen te onderrichten. Dat is het juiste woord. Hij probeerde niet
alleen de geest te bereiken maar hij zocht de ziel, de werkelijkheid van iedereen die hij ontmoette. Oh, Hij kon
heel logisch zijn , zelfs wetenschappelijk in de presentatie van een argument, zoals Hij voortdurend liet zien in
de vele toespraken die ik van hem hoorde en in een nog groter aantal die ik heb gelezen. Maar het was niet
de logica van de schoolmeester, noch die van het klaslokaal. Zijn eenvoudigste uitspraak, Zijn geringste
verbinding met een ziel was doorweven met een lichtende helderheid die het hart van de luisteraar naar een
hoger niveau van bewustzijn voerde. Als Hij sprak stonden onze harten in vuur en vlam.” 36
In de levendigste beschrijving van de ontmoeting van twee zielen van heel verschillende culturen en talen,
vertelt dhr. Ives over de aangrijpende ontdekking dat ‘Abdu’l-Bahá volkomen tegemoet kwam aan zijn
behoeften:....” toen ik de deur naderde waar Hij nog stond, gebaarde Hij de anderen om weg te gaan en hij
stak me Zijn hand toe alsof Hij me altijd gekend had. Toen onze rechterhanden elkaar ontmoetten, gaf Hij
met zijn linkerhand aan dat alle anderen de kamer moesten verlaten. Hij trok me naar binnen en sloot de
deur.
Mijn hand vast houdend liep ‘Abdu’l-Bahá door de kamer naar het raam waar twee stoelen klaar stonden.
Zelfs op dat moment maakte zijn majestueuze manier van lopen indruk op me en ik voelde me als een kind
dat door zijn vader, een meer dan aardse vader, meegenomen wordt naar een troostende gesprek. Zijn hand
omvatte de mijne nog steeds en zijn greep werd steeds een beetje vaster en warmer. En toen zei Hij voor
het eerst iets en nog wel in mijn eigen taal: zachtjes klonk zijn verzekering dat ik Zijn zeer geliefde zoon was.
Toen zaten we in de stoelen bij het raam, knie aan knie en oog in oog. Tenslotte keek Hij recht bij me naar
binnen. Het was voor het eerst sinds onze ogen elkaar hadden ontmoet bij zijn eerste wenkende gebaar dat
dit gebeurde. En nu stond er niets meer in de weg tussen mij en Hem en Hij keek naar me. Hij keek naar
me! Het leek alsof tot nu toe nog nooit iemand mij werkelijk had gezien. Ik ervoer de vreugde van eindelijk
thuis te zijn, en degene die mij tot in mijn diepste innerlijk kende, mijn Vader, was alleen met mij.
Hij bracht zijn duimen bij mijn ogen en wiste de tranen van mijn gezicht, vermaande me niet te huilen, een
mens moest altijd gelukkig zijn. En Hij lachte.
Ik kon niet praten. We zaten beiden in volmaakte stilte. Het leek een lange tijd te duren en geleidelijk aan
daalde er een diepe vrede in me. Toen legde ‘Abdu’l-Bahá Zijn hand op mijn borst en zei dat het hart had
gesproken.
Plotseling sprong Hij overeind en lachte weer alsof hij een hemelse vreugde voelde. Zich omdraaiend greep
Hij me onder de ellebogen en trok me omhoog en nam me in Zijn armen. Het was niet zo maar een
omhelzing. Mijn ribben kraakten. Hij kuste me op beide wangen, sloeg Zijn arm om mijn schouder en bracht
me naar de deur. Dat was alles. Maar het leven is daarna voor mij nooit meer het zelfde geweest.” 37
Wij kunnen dat ongetwijfeld ook, stil zijn in elkaars aanwezigheid of in die van de zoeker, de tijd nemen om
de vreugde te voelen in de omhelzing van de eenheid van werkelijkheid. Het ligt binnen ons bereik als we
onze identiteit willen loslaten in grote vreugde, haar natuurlijke staat. We krijgen een besef van hoe eenvoudig
en zuiver ‘Abdu’l-Bahá leefde -de zoetheid van rust, de vreugde die hij ontving als Dienaar van de Glorie. Het
is de bedoeling dat bahá’ís elkaars levenservaring met vreugde delen, dat ze zorgen op zij zetten en
zich in elkaars gezelschap en werkelijkheid verheugen.
Het laatste voorbeeld van het binnengaan in iemands werkelijkheid leert ons meer over de eerbied die nodig
is als een zoeker zijn of haar levenservaringen aan ons onthult. Het delen van een levenservaring is net als
een geestelijk drama dat zich op het toneel van een theater voor je ontvouwd en langzaam duidelijk wordt.
Het is niet iets waar je wat aan moet doen. Je verandert niets aan een theaterstuk, Alleen de Maker en de
Regisseur van het stuk mogen er iets aan veranderen. De bedoeling van het drama is ons dichter naar de
waarheid te brengen zodat we een gedeelde werkelijkheid bereiken. De mensen in die levenservaring zijn net
als de karakters van het stuk. De opeenvolgende gebeurtenissen vormen samen het toneel waarop het
drama wordt uitgespeeld. En de eigenschappen en emoties die je worden getoond, vormen de dynamiek van
het stuk.
Er bestaat weerklank tussen de persoon die het geestelijke drama onthuld en degene die luistert. Het drama
weerklinkt in het hart van de luisteraar en als hij zijn objectiviteit op zij kan zetten, zullen liefde en verdriet,
vreugde en empathie in zijn ziel opbloeien. Op dat moment is het ultieme doel van het drama bereikt - de
acteur deelt zijn werkelijkheid en wordt een bron van kennis voor de toehoorder. Als we het geestelijke drama
dat zich voor ons afspeelt respecteren als een bron van kennis, dan kunnen we zeggen dat we de
werkelijkheid van het drama hebben betreden en dat we kunnen erkennen wat het ons heeft geleerd.! Zo
brengt de Maker / Regisseur ons in eenheid samen.
Als we de unieke werkelijkheid van elk lid van de gemeenschap en elke zoeker eerbiedigen, machteloos
blijven bij zijn of haar geestelijke drama in plaats van druk uit te oefenen, dan ontdekken we misschien iets
wat ‘Abdu’l-Bahá de sleutel tot kennis noemde: “ Dat wil zeggen, er bestaat een sleutel tot kennis die
elke deur zal openen en ons de kans geven om naar binnen te gaan met de boodschap van Waarheid.
Dit klinkt misschien moeilijk maar het is makkelijk te bewijzen als je die sleutel bezit. Je dient de
zoeker naar het juiste pad te leiden, dan hoeft hij alleen maar recht door te lopen.” 38
Ik vraag me af of we ook een glimp van deze “sleutel van kennis” te zien krijgen in de Bloemlezing waar
Bahá’u’lláh openbaart dat “ De mens die trouw bleef aan de Zaak van God en onwrikbaar vast stond in
Zijn Pad, zal na zijn verscheiden zulk een kracht bezitten dat alle werelden die de Almachtige heeft
geschapen door hem vooruit kunnen komen. Zulk een ziel verschaft -op het bevel van de volmaakte
Koning en goddelijke Opvoeder - de zuivere zuurdesem die de bestaanswereld doortrekt en van het
vermogen voorziet waardoor de kunsten en de wetenschappen der wereld zichtbaar worden.
Bedenk dat meel zuurdesem nodig heeft om te rijzen. De zielen die de zinnebeelden van onthechting
zijn, vormen het zuurdesem van de wereld. Denk hierover na en behoort tot de dankbaren.” 39
Gist is de dienaar van de werkelijkheid van het meel. Het onthecht zich van zijn eigen macht en eigenschap-
pen: en offert zich op aan het geheel, het meel. Het is het middel waardoor het geheel zijn bestemming kan
bereiken. Zielen die in staat zijn om zich los te maken van de beperkingen van hun eigen werkelijkheid,
kunnen één worden met de werkelijkheid van anderen en daarbij, net als gist, de werkelijkheid van anderen
doortrekken met een transformerende invloed. Door, onthecht aan je eigen werkelijkheid, het geheel te
dienen wordt waarheid onthuld, worden mysteries opgehelderd en geheimen ontrafeld.
‘Abdu’l-Bahá leerde ons bidden: “ O God, help Uw geliefden om kennis te verwerven en wetenschappen
en kunsten te beoefenen, en om de geheimen te ontrafelen die in het binnenste van al het geschapene
verborgen liggen. Laat hen de verborgen waarheden horen die geschreven zijn en vastgelegd in de
kern van al wat bestaat.” 40
Hoe kunnen we dit doen, als anderen zich door onze “overheersende werkelijkheid” niet veilig genoeg
voelen om te laten zien welke storende invloed de schatten en waarheden blokkeert die in hun innerlijke
werkelijkheid verborgen liggen? Het is dan alsof gist probeert om het meel in gist te veranderen. Erkenning
geeft hen de veiligheid om hun werkelijkheid te onthullen; dus wat je kunt doen is prijzen, herkaderen,
onderscheidingsvermogen gebruiken, vertrouwen hebben en machteloos blijven.
Als je deze middelen op een liefdevolle, oprechte manier gebruikt, fungeer je als het gist dat een
transformerende invloed uitoefent. Het is een grotere prestatie om de werkelijkheid van anderen te erkennen
en te dienen dan die van jezelf. Dit is de ware zelfverloochening. “ O Zoon van geest! Breek uw kooi open
en wiek, gelijk de feniks der liefde omhoog naar het firmament van heiligheid. Verloochen uzelf en
verblijf, vervuld van de geest van genade, in het rijk van hemelse heiligheid.” 41
Om een echte dienaar te zijn moet je onthecht zijn van je werkelijkheid met inbegrip van je identiteit, je
aangeboren en verworven kennis en je culturele achtergrond; omdat deze zaken allemaal als een filter
werken en je afhouden van de grotere realisatie van eenheid, “ hemelse soevereiniteit”.
Als je bereid bent om je zó op te stellen dat jouw individuele werkelijkheid geen macht uitoefent ( behalve het
handelen als liefdevol gist dat het geheel doortrekt met vreugde, geloof, hoffelijkheid en
onderscheidingsvermogen), dan zul je in staat zijn om rustig om te gaan met een gestage stroom van
vreemdelingen in je leven zonder uit evenwicht te raken. Je zult accepteren dat de Firesides en
Negentiendaagsfeesten anders en nogal onvoorspelbaar verlopen. En zo zal het gaan en moet het gaan in
alle bahá’í-gemeenschappen waar het proces van onderricht in versnelling raakt; totdat we een bepaald
niveau bereiken en de Onderrichtsinstituten en de individuele verdieping het geheel stabiliseren.
Luisteren met grootmoedigheid.
Parafraseren en herkaderen.
We kunnen de ander bevestigen en erkennen via het parafraseren en herkaderen van wat zij zeggen zonder
een oordeel, een interpretatie, een vaststelling, een evaluatie of een kruisverhoor. Dit soort reacties bij het
luisteren hebben op zichzelf al iets van dominantie en ze hebben het vermogen om de verteller het gevoel te
geven dat hij zich moet verdedigen of in een ongelijkwaardige positie zit. Deze manieren van luisteren kunnen
ruzies opleveren, omdat ze het vermogen van de spreker om zich bewust te worden van zijn of haar
werkelijkheid belemmeren. Bovendien, als ik het toelaat dat de ander mij advies geeft, me overtuigt of mijn
woorden voor me interpreteert, dan doe ik afstand van mijn vermogens en blijft de ontmoediging die in mijn
kindertijd begon voorduren. Ik ben dan medeschuldig aan een onrechtvaardigheid jegens mezelf, omdat
deze manieren van reageren me niet de kans geven om mezelf met mijn eigen ogen te zien en met mijn
eigen oren te horen. Het zijn de manieren van het gezag, dat heeft geprobeerd me te ontkrachten. Het zijn
de onschuldige en verborgen manieren waarop ik werd gedwongen om via de werkelijkheid van een ander
te denken in plaats van me bewust te worden van mijn eigen werkelijkheid. Dit is grensoverschrijding.
Dus wat doen we als we horen hoe ze zich schamen, het zichzelf verwijten en zich zelf de schuld geven? We
kunnen hun schaamte in een ander kader plaatsen, hun schuld en zelfverwijt tegen een andere achter-
grond laten zien zodat ze niet langer in een schadelijk perspectief gevangen zitten, een schadelijke
werkelijkheid waarin ze blind zijn voor de vermogens die door de schaamte, het zelfverwijt en de
schuldgevoelens worden versluierd. Hier is grootmoedigheid voor nodig, de eigenschap die door ‘Abdu’l-
Bahá in de Tafelen van het Goddelijk Plan steeds opnieuw wordt benadrukt. Grootmoedigheid betekent
edelmoedigheid van hart en geest, royaal met vergeving, boven wraak of wrok staan, onzelfzuchtigheid,
genadigheid en ziele- grootheid. Een paar voorbeelden van royale en grootmoedige herkadering volgen
hier:
* Ik ben een uitzonderlijk koppig iemand. Daarom heb ik deze problemen. Daarvoor wordt ik door God
gestraft.
Herkaderende reactie: Wist je dat als je je aldoor koppig voelt of gedraagt, het zou kunnen zijn omdat
anderen je teveel proberen te overheersen?
* In maak altijd fouten.
Herkaderende reactie: Wist je dat iemand zichzelf de kans moet geven om fouten te maken zoveel als hij wil
als hij met iets nieuws bezig is, of met iets dat vreemd voor hem is?
* Ik ben erg egoïstisch.
Herkaderende reactie: Ik vind het fijn als je dingen met me deelt; maar ik vind het ook fijn als je bepaalde
dingen voor je zelf houdt. Ik denk dat dat belangrijk is.
* Niemand wil veel tijd besteden aan iemand die zo depressief is als ik.
Herkaderende reactie: ik vind het fijn om bij je te zijn als je gelukkig bent; en ik ben er om ook de verdrietige
momenten met je te delen.
* Ik vertrouw mensen niet. Ik denk dat ik nooit iemand zal kunnen vertrouwen.
Herkaderende reactie: het is in orde om mensen te vertrouwen die jouw grenzen respecteren; ik wil ook dat
je duidelijk je grens stelt als ik iets doe dat tegen jouw normen indruist.
* Ik ben te hebzuchtig.
Herkaderende reactie: om meer vragen hoeft nog geen hebzucht te betekenen. Het zou alleen kunnen
aangeven dat jouw behoeften erg groot zijn en dat je vaak groot gebrek hebt geleden. Het is in orde als je
aan je behoeften voldoet.
* Ik ben schijnheilig.
Herkaderende reactie: Wist je dat de grondoorzaak van schijnheiligheid is dat je een erg onrechtvaardige
behandeling hebt ondergaan; en dat je, zelfs terwijl je de hoop op rechtvaardigheid hebt opgegeven, je er
toch heel erg naar verlangt?
* Ik heb elke relatie die ik had kapot gemaakt door mijn jaloezie.
Herkaderende reactie: Wist je dat achter jaloezie de behoefte aan erkenning verborgen zit? En dat
systematische erkenning door anderen ons eigenlijk helpt om verantwoordelijk te willen zijn voor onze
jaloezie? De na lang en wanhopig verlangen bereikte erkenning en lof is de vergoeding van de
onrechtvaardigheid die ons oorspronkelijk was aangedaan. God verlangt erkenning en lof voor zijn
schepselen.
Hier is een voorbeeld uit het leven van Bahá’u’lláh: “Hij naderde die gevangenis (de Siyah - Chal), en een
oude, haveloze vrouw kwam uit het midden van de menigte naar voren met een steen in haar hand, vol
verlangen om hem in Bahá’u’lláh’s gezicht te gooien. Haar ogen gloeiden met een vastberadenheid en
fanatisme waar weinig vrouwen van haar leeftijd nog toe in staat zouden zijn. Haar hele lichaam schokte van
razernij toen ze naar voren stapte en haar hand ophief om haar projectiel op Hem af te vuren. “ Ik smeek jullie
bij de Siyyidu’sh-Shuhada (De Imam Husayn) pleitte ze, rennend om de degenen aan wie Bahá’u’lláh was
overgeleverd in te halen, “geef me een kans om mijn steen in zijn gezicht te smijten!” “ Stel deze vrouw niet
teleur” klonken Bahá’u’lláh’s woorden tegen Zijn bewakers toen Hij haar achter zich aan zag haasten. “
Ontzeg haar niet wat zij als een verdienstelijke daad in de ogen van God beschouwt” 42
Bahá’u’lláh erkende de identiteit, de visie, overtuigingen en werkelijkheid van deze vrouw. Hij liet haar
verlangen en haar daad ook zien tegen een andere achtergrond. Kun jij dat met de volgende verklaringen,
waarbij je dan een positieve kant laat zien en de prijzenswaardigheid ervan?
* Ik ben mijn hele leven al een zeur geweest
* Ik praat te veel
* Ik ben een workaholic
* Niemand wil dat ik verander
* Ik ben bang om mezelf te zijn. Stel dat ik mezelf niet mag?
* Ik vind de Geschriften autoritair.
* Ik ben een geboren treuzelaar.
Of de persoon die voortdurend gericht is op wat men noemt “ fouten”, “karaktergebreken” en
“tekortkomingen”? Misschien heeft de negatieve beoordeling van zijn gedrag herkadering nodig, zodat hij zich
kan richten op zijn vermogens in plaats van op zijn gebreken. Het zou bijvoorbeeld zo kunnen klinken: Dit is
theorie en theologie van de oude wereldorde die gebaseerd is op de kritiek van een externe autoriteit die
ons heeft ontmoedigd. Wij moeten ons richten op de kracht van de verheven Talisman in plaats van op de
kritiek die we van binnenuit en van buitenaf hebben ervaren. We hebben veel van die karaktergebreken
ontwikkeld doordat onze macht van ons werd afgenomen en dat belemmerde onze ontwikkeling. Als aan
kinderen
kracht wordt toegekend, en deze wordt gekoesterd, gevormd, geëerd en gerespecteerd, dan worden veel
van die tekortkomingen voorkomen. Kijk bijvoorbeeld eens naar die persoon uit een alcoholistisch gezin die
een “geboren treuzelaar” is. Wijst dat niet op de ontmoediging van de kracht om te kiezen, het willen en de
wilskracht?
Deze persoon werd nooit toegestaan of aangemoedigd om te handelen of te kiezen, omdat hij geen voor-
beeld kreeg. De alcoholistische vader of moeder moedigden het niet aan, respecteerden, eerden of wensten
het gebruik van hun eigen wilskracht niet. Ze kozen liever voor de fles dan voor hun wilskracht - de daad-
kracht om verandering in hun leven te brengen. We moeten ons in dit geval niet meer op het karaktergebrek
te richten maar het in een nieuw kader plaatsen, dat van het gezag over je zelf en de persoonlijke kracht van
het individu.
Hoe kunnen we onszelf bekrachtigen en het juiste vermogen onderscheiden dat we moeten ontwikkelen, in
plaats van onszelf en anderen te bekritiseren over de gebreken die we hebben? Dit werpt een heel ander
licht op de zaak. Het antwoord is dat we onszelf niet kunnen bekrachtigen; we zijn afhankelijk van
Bahá’u’lláh’s Openbaring om onze vermogens te identificeren en te definiëren, om de vermogens van de
mens te bevestigen zodat de verheven Talisman van het Goddelijke Elixer gebruik kan maken om te
genezen.
Dat is de taak van de bahá’í onderrichter:
• om zichzelf te onthullen, te luisteren, te herkaderen en te weerspiegelen.
• om het onderscheidingsvermogen te gebruiken om de aandacht te richten op de krachten die
verborgen zijn;
• om te erkennen, te prijzen en de bahá’í-geschriften te citeren.
• om anderen te leiden naar de krachten die zich in de Geschriften bevinden en nooit bekritiseren,
nooit aandacht besteden aan de karaktergebreken of de tekortkomingen of de fouten die in het
gedrag van de zoeker of de bahá’í te zien zijn.
Volgens John Bradshaw, de auteur van “ Healing the Shame that Binds”, heeft de mens een kern die op
schaamtegevoel is gebaseerd. Volgens Bahá’u’lláh, is de kern van de mens, de ziel van de mens zijn
geboorterecht kwijtgeraakt: de macht over zich zelf.
“De macht over het zelf verwijst naar onze bekwaamheid om ongeveer twintig vermogens, eigenschappen en
krachten te besturen waarvan we ons bewust zijn. Het aantal andere deugden die ons bekrachtigen is te
groot om op te noemen. De woorden “kracht” , vermogen, eigenschap, gave, deugd, worden in de
geschriften van het bahá’í-geloof veelvuldig gebruikt om macht aan te duiden. We kunnen redelijkerwijs
aannemen dat de meeste onderdrukte volkeren op de wereld nog niet de macht over zich zelf hebben
ontwikkeld. Ze hebben misschien hun eigen gevoel van beheersing van deze krachten en gaven, die aan
hen als behorend bij hun mens-zijn werden toevertrouwd, nog niet herkend of ontwikkeld. We kunnen er
zeker van zijn dat diegenen van ons die getraumatiseerd zijn door lichamelijke, emotionele, seksuele,
mentale en geestelijke mishandeling ook nog veel van de onderdelen van die bekwaamheid moeten
ontwikkelen.
De macht over zichzelf kan worden gedefinieerd als de vrijheid en het vermogen om gebruik te maken van
de ons door God gegeven mentale eigenschappen om verstandelijke en morele keuzen te maken.; zelf
regulering van de emoties; het recht of de toestemming om onafhankelijk te handelen met dien verstande
dat men zijn persoonlijke grenzen heeft. Om een volledig begrip te krijgen van de reikwijdte van onze
krachten en onze macht om ze te gebruiken, moeten we onze grenzen volledig kennen en onze eigen
verkeerde overtuigingen en ijdele denkbeelden over wie we zijn, waarom we hier zijn en hoe we het best met
onze wereld omgaan, overwinnen.
Hoe meer vermogens we in de consultatie kunnen gebruiken, hoe groter ons begrip wordt. Hoe meer we
elkaar kunnen helpen om het begripsvermogen te ontwikkelen, hoe meer we de wilskracht en het reactie-
vermogen kunnen helpen vrijkomen. We moeten de mentale filters ontdekken die de spreker verhinderen om
zijn vermogen tot nadenken en ontdekken te gebruiken en zijn vermogen om Hem te erkennen. Hoe kunnen
we de juiste citaten onderscheiden die de mentale filters zullen verwijderen? Hoe kunnen we zien wat we
moeten weten over hoe zij ontmoedigd werden?
Hun werkelijkheid is vol met allerlei onbewuste boodschappen waardoor ze ontmoedigd zijn. Die kunnen
bijvoorbeeld zo klinken
Niet denken. Niet praten. Niet kiezen. Niet voorop lopen. Niet anders zijn. Niet bewust zijn. Niet intelligent
zijn. Geen vragen stellen. Niet intiem zijn. Niet iets nodig hebben. Wees geen kind. Wees niet zwak. Niet
veranderen. Niet gelukkig zijn Niet kijken. Geen grenzen stellen. Niet vertrouwen, Niet jezelf zijn. Niet
proberen. Niet jezelf kennen. Er niet zijn. Niet voor jezelf zorgen. Niet jezelf aardig vinden. Niet
ongehoorzaam zijn of het gezag uitdagen.
Dit zijn de middelen waarmee autoritaire, totalitaire en autocratische families, instellingen en samenlevingen
met tirannieke overtuigingensystemen nog steeds, openlijk of bedekt, de macht over je zelf in de kindertijd
en in de volwassenheid ondermijnen. Zij veroorzaken onze mentale filters waardoor we ons zelf, de wereld
en onze relaties bekijken.
Dit zijn de boodschappen die ons overtuigingensysteem hebben gevormd en die onze pogingen tot intimiteit
blokkeren. Zolang de zoeker in ons gedrag, in ons onderricht en de manier waarop we de Geschriften van
Bahá’u’lláh presenteren deze onderliggende boodschappen waarneemt, zal hij ons en Bahá’u’lláh verwerpen.
Hoe komen we achter de mentale filters van de mensen die deze boodschappen in de Geschriften zien? Het
eerste wat we moeten doen is de verborgen boodschap proberen te ontdekken die de mentale filter beheerst.
Je zult je redeneringsvermogen moeten gebruiken om de boodschappen bloot te leggen en dan iets over
jezelf onthullen wat met dat onderwerp te maken heeft om hun zelfbesef aan te moedigen. Als zij besluiten om
niets over zichzelf te vertellen zullen ze toch wel een innerlijke onthulling ervaren. Je zult ze op z’n minst
achterlaten met iets om over na te denken en een mate van zelf bewustzijn, zelfs als ze zich niet dapper of
vertrouwd genoeg voelden om naar buiten toe iets te onthullen.
Het tweede is vertrouwen scheppen me t de Vijf Vrijheden. Wat schept zoveel vertrouwen zodat veiligheid
kan ontstaan, zowel met de verdrukte als de getraumatiseerde persoon? De ander moet uit onze
handelingen kunnen zien dat we hem de Vijf Vrijheden van Virginia Satir zullen schenken. Wijlen Virginia
Satir was een pionier in de familiesysteemtheorie en ze was ervan overtuigd dat elk lid van de familie het
volgende moest hebben:
* De vrijheid om te denken wat je denkt i.p.v. wat je zou moeten denken.
* De vrijheid om te voelen wat je voelt i.p.v. wat je zou moeten voelen.,
* De vrijheid om te willen (verlangen) en te kiezen wat je wil i.p.v. wat je zou moeten willen
* De vrijheid om bezig te zijn met je zelfverwerkelijking, i.p.v. een vaste rol te vervullen of altijd op zeker te
spelen.
Deze vijf vrijheden komen overeen met deze uitspraak van ‘Abdu’l-Bahá:
“Volgens de leringen van Bahá’u’lláh moet het gezin, als menselijk geheel, opgevoed worden in
overeenstemming met de wetten van heiligheid. Alle deugden moeten aan het gezin onderwezen
worden. De integriteit van de familieband moet voortdurend bewaakt worden en de rechten van de
individuele leden mogen niet worden geschonden. De rechten van de zoon, de vader, de moeder- op
geen van deze rechten mag inbreuk gemaakt worden, en geen er van moet willekeurig zijn. Net zoals
de zoon bepaalde plichten heeft jegens zijn vader, heeft de vader evenzo verplichtingen jegens zijn
zoon. De moeder, de zuster en andere leden van de huishouding hebben hun bepaalde voorrechten.
Al deze rechten en privileges dienen in stand gehouden te worden, en toch moet de eenheid van het
gezin worden behouden. De kwetsuur van een gezinslid betekent dat allen gekwetst zijn; het welzijn
van de één betekent welzijn van allen; de eer van één familielid betekent eer van allen.” 44
Dit betekent duidelijke steun voor de autonome identiteit in een collectieve omgeving. De zoeker moet er
gerust op kunnen zijn dat hij of zij hun identiteit niet zullen verliezen in het proces van eenwording.
Autonome identiteit plus wederzijdse en wederkerige zelfonthulling van onze werkelijkheid kunnen leiden tot
de
wederzijdse erkenning van de ander, wat een collectieve identiteit schept, waaruit intimiteit voortkomt en rust
voor de ziel.
Erkenning- de vijfde component van vertrouwelijkheid.
Erkenning van wat de ander zegt schept een verbinding met hem. Net zoals we, in de intimiteit van ons
gebed tot God, Zijn macht en eigenschappen erkennen, zo moeten we ook de kracht, de identiteit, de
werkelijkheid van degene waar we mee spreken erkennen. En er op vertrouwen dat hun werkelijkheid op
een wonderbaarlijke manier herschapen zal worden als ze in verbinding treden met de Openbaring van
Bahá’u’lláh, net zoals dat bij ons is gebeurd. In het Lange Verplichte Gebed heeft Bahá’u’lláh geschreven
over de vertrouwdste inwoners van het allerhoogste Paradijs: “Ik getuig o mijn God hetgeen Uw
uitverkorenen getuigen, en erken hetgeen de bewoners van het allerhoogste Paradijs en zij die Uw
machtige troon omringen getuigen. De koninkrijken van hemel en aarde zijn de Uwe, o Heer der
werelden!” We weten dat er een wijsheid zit in de erkenning van de aanspraken, de Openbaring en het
Gezag van Bahá’u’lláh; maar welke wijsheid vinden we als we de onthulling van de identiteit en de
werkelijkheid van een individu erkennen?
En wat houdt erkenning in? Het betekent dat je even de tijd neemt om mondeling of schriftelijk je waardering
en respect kenbaar te maken voor het feit dat je de ontvanger bent van de eerlijke onthulling van de
identiteit, gedachten, gevoelens, behoeften en verwachtingen van de ander. Erkenning is de werkelijkheid
van de ander binnengaan terwijl je de grenzen, die hun vrijheid en privacy beschermen, in de gaten houdt en
respecteert.
Er zijn mensen die hun identiteit en voortreffelijkheid verbergen achter angst- en schaamtegevoelens,
afstandelijkheid, hopeloosheid, uiterste waakzaamheid en wantrouwen; zij vertrouwen hun identiteit nooit aan
iemand toe. Iemand buiten de gemeenschap , een kind of een partner, kan de betekenis, de richting en de
bedoeling van de bahá’í-openbaring niet ontdekken totdat hij of zij het zelfbewustzijn en de bewustzijns-
verruiming heeft ervaren die voortkomen uit het horen van de eigen stem, die zichzelf onthult aan een ander
mens. Als de bahá’í naar die stem luistert en hem erkent, dan deelt en erkent hij of zij het juweel in de ander,
het pand van God. Dat betekent dat hij de identiteit van de ander ervaart. Dat is iets heiligs. En dat is wat
we missen als onze agenda de plaats van vertrouwelijkheid heeft ingenomen.
Vertrouwelijkheid schept nieuwe inzichten en zelfbewustzijn. Als we niet erkennen wat de ander zegt, zelfs
of juist als we het er niet mee eens zijn, kennen we geen waarde toe aan hun werkelijkheid en missen we
een noodzakelijke en belangrijke stap op de weg naar vertrouwelijkheid. Eigenlijk kleineren we dan hun
levenservaring.
Voorbeelden van erkenning
* Ik besef dat deze overtuiging, dit idee, dat inzicht heel belangrijk voor je is. Dit ben ik me nu bewust,
omdat je het me hebt verteld. Ik heb zoiets nooit eerder ervaren of bedacht en ik ben dankbaar dat je het
met me hebt gedeeld.
* Ik waardeer je inzichten. Het helpt me om je beter te begrijpen.
* Help me om jouw ervaringen te begrijpen door het nog eens op een andere manier te zeggen.
* Dat klinkt alsof het heel belangrijk voor je is en dan is het ook belangrijk voor mij. Kun je het nog eens
vertellen op een manier waardoor ik je beter kan begrijpen?
* Naar jouw mening luisteren helpt mij om mezelf beter te begrijpen. Ik accepteer de verschillen tussen ons
en ik kan ook de overeenkomsten zien. Dank je dat je het me verteld hebt.
Onze zoekers kunnen een gevoel voor rechtvaardigheid hebben dat nooit eerder door iemand is erkend.
Hun mening is misschien nooit gewaardeerd of bevestigd. Het wonder en de schoonheid van hun individualiteit
kan onbegrepen gebleven zijn in het ongezonde familiesysteem waar in ze opgroeiden. Wij kunnen het ons niet
permitteren om deze kansen te missen. Wat doet het er toe als we geen waardering terug krijgen? Als
zelfonthulling ook zelfonthulling aanmoedigt, dan wordt erkenning ook geleidelijk aan beantwoord met erkenning
en wordt het een van de grondslagen voor vertrouwelijkheid en vrijgevigheid.
Het is mogelijk dat zij zelf of anderen nooit hun aangeboren gaven hebben herkend. Hun op
rechtvaardigheid gebaseerde overtuigingen en houding, hun zuivere hart en ontvankelijkheid voor
geestelijke waarheid die bij zelfonthulling opduikt, kan mogelijk niet door henzelf of door anderen ontdekt zijn.
Wij kunnen deze talenten erkennen. Als ze het Geloof niet aanvaarden hebben we er in elk geval toe bij
gedragen dat ze zich zelf een beetje beter kennen.
“ O zoon van geest! Gij zijn Mijn lamp en Mijn licht is in u. Wordt hierdoor verlicht en zoek geen ander
dan Mij. Want Ik schiep u rijk en stortte overvloedig Mijn gunst over u uit” 45
We missen het stralende licht in de ander als we niet genieten van het moment van vertrouwelijkheid. We
gaan vaak te snel verder en vergeten om het licht dat ze misschien schuchter hebben laten zien, te weer-
spiegelen. Als we van hen houden om hen zelf dan nemen we de tijd om hun goedheid te erkennen, het licht
dat ze ons hebben laten zien.
Deze eenvoudige daad van erkenning houdt de waardering, de hoffelijkheid en het respect in, die in onze
prestatiegerichte samenleving ontbreken. In de huidige maatschappij moet je bewijzen dat je de slimste en
de beste bent. Mensen met verborgen agenda’s kunnen de werkelijkheid en de identiteit van een ander niet
erkennen. Ze zijn bezig om te bedenken wat ze zullen terugzeggen tegen de persoon die hen iets vertelt.
Zoals God Zich aan ons bekend wilde maken, zo willen de zoekers ook hun identiteit door zelfonthulling
laten zien; en dan is het verlangen naar erkenning er ook. Formules voor “onderricht” beperken het
vermogen van de bahá’ís om die eerste stap naar vertrouwelijkheid te zetten die dialoog heet. ‘Abdu’l-Bahá
zei, “Hoe kan ik weten wat ik moet onderrichten voor ik de mensen heb gezien?” 46 We kunnen ook
vragen, “Hoe weten we wat we kunnen delen of erkennen voordat we hebben gehoord waar ze behoefte
aan hebben?”
Als je niet erkent wat ze hebben gezegd, dan ben je niet binnen gegaan in hun werkelijkheid zoals die op dat
moment is; je hebt hun werkelijkheid die uit hun levenservaring is voortgekomen niet gerespecteerd. Als je
een werkelijkheid, die van de jouwe verschilt, niet via erkenning binnen gaat, dan neem je hem niet serieus.
Dit is één van de bedoelingen van consultatie. Consultatie is de dialoog tussen gedeelde werkelijkheden.
Autoritaire, totalitaire en autocratische denk- en regeringssystemen staan niet toe dat mensen hun
werkelijkheid met elkaar delen. Daar bestaat slechts eenzijdige communicatie. Wij kunnen het Geloof niet
verspreiden via eenzijdige communicatie. Wij moeten bij elke gelegenheid die we hebben om het Geloof te
delen consultatie bevorderen, vorm geven en creëren, voor ieder uniek mens die het Geloof zoekt. Soms, of
vaak, zullen we hen moeten voorgaan in het delen van hun werkelijkheid in consultatie.
Oprecht prijzen.
Wij weten door het lezen in de Geschriften, ons gebedenboek en “Bahá’u’lláh’s Prayers and Meditations” dat
wij God moeten prijzen. God wil dat wij Hem kennen, erkennen, loven en dat we Zijn geboden gehoorzamen.
Omdat we naar Zijn beeld zijn geschapen hebben wij ook behoefte aan lof. Maar in de autoritaire, totalitaire
en autocratische systemen waarin we zijn opgevoed werd lof door anderen gebruikt om ons te manipuleren
en te overheersen.
Wij moeten bij onze lof aan anderen net zo machteloos blijven als bij onze lof aan God. We moeten oprecht
prijzen, zodat we geen passiviteit , ongezonde gewoonten en volgzaamheid aanmoedigen en anderen er
toe aan zetten om ons te willen dienen en behagen. Onze lof en onderscheiding moet hun innerlijke doel en
talenten ten dienste staan en niet onze bedoeling, verwachtingen en wensen. Alleen dan mag je het
oprechte lof noemen. Dit zijn de grenzen van prijzen. En hier is weer een paradox: Prijzen is een krachtige
manier om de innerlijke bedoelingen van hun gaven te bekrachtigen of zichtbaar te maken; maar we moeten
daarbij geen macht uit oefenen ( er geen eigen belang bij hebben).
“Door hun zuivere adem moeten zij de steen in een schitterende robijn veranderen en de schelp in
een parel. Als de wolk met voorjaarsregen moeten ze de zwarte aarde in een rozentuin en een
boomgaard veranderen. Zij moeten de blinden ziende en de doven horende maken, de uitgebluste
mens weer in gloed zetten en de doden tot leven wekken” 47 Een zuivere ademtocht met oprechte lof
werkt als een lenteregen die de aarde van hun hart transformeert. Dat kan door lof maar ook door het
volgende middel: verzorging.
Verzorgen: wordt hun dienaar
Veel van de zoekers met wie we de leringen van Bahá’u’lláh willen delen zijn ernstig gewond. Om de
verdrukte niet te bezeren door dat je niet bekend bent met hun overtuigingensysteem dat anders gevormd is
dan het jouwe, volgt hier wat je zou moeten weten over hun overtuigingen systeem. Veel mensen reageren
vanuit de één van de volgende werkelijkheden:
1. Ik ben slecht. Ik moet me van de mensheid isoleren, dan zal mijn ziel zeker wegkwijnen.
2. Ik ben onwaardig. Ik mo et met minder genoegen nemen of ik moet zo grandioos zijn dat ik mijn
onwaardigheid niet voel.
3. Ik ben niet goed genoeg. Ik moet een overweldigend goede daad stellen voor de hele wereld om te
bewijzen dat ik iets waard ben.
4. Ik ben machteloos. Ik kan geen beslissingen nemen, ik kan niet assertief zijn of mijn eigen weg
kiezen. Of ik moet de baas zijn. Of ik moet slachtoffer zijn. Of ik kan niets riskeren. Of ik moet
afhankelijk zijn.
5. Ik word altijd tegengewerkt. Waarom zou ik iets proberen? Of ik mo et steeds aan zelfmoord denken
omdat het leven te hard is voor mij. Of ik moet agressief zijn.
6. Ik ben onvolmaakt. Ik moet volmaakt zijn. Ik mag geen fouten maken. Of ik moet altijd anderen op
hun fouten wijzen.
7. Ik ben verdoemd. Ik moet mezelf veroordelen en straffen als ik een fout maak. Ik moet mijn fouten
voortdurend ontkennen zodat ik niet door externe of interne kritiek veroordeeld word.
8. Ik ben immoreel. Ik moet heel erg rigide moralistisch zijn en uiterst waakzaam dat ik mezelf niet
verbaal of non verbaal verraad. Of ik moet promiscue zijn om te bewijzen hoe slecht ik ben. Ze
haten me. Ik moet mezelf haten. Of ik moet anderen er toe brengen om me te haten. Of ik moet
anderen haten.
9. Ik ben me nergens van bewust. Ik moet deze slachtoffer rol blijven spelen totdat ik of anderen er
zich van bewust worden. Ik moet de werkelijkheid of de waarheid ontkennen.
10. Ik kom tekort. Ik moet steeds iets van anderen nemen, of ik moet voortdurend hamsteren. Of ik moet
voortdurend gerust gesteld worden.
11. Ik ben jij. Ik moet voor jou zorgen en jou behagen omdat ik niet weet wie ik zelf ben.
Dit overtuigingensysteem, dat de eigen grootheid ontkent, is nauw verweven met de manier waarop men
met zichzelf omgaat; en daar dit hun werkelijkheid is verwachten ze ook zo behandeld te worden en lokken
dat zelfs vaak uit.
Nu komen er verschillende draden bij elkaar om de belangrijkste reden te onthullen waardoor de bahá’í
gemeenschap er niet in geslaagd is om eendrachtig en vertrouwelijk met elkaar om te gaan. Nu we de angst
hebben onderzocht die zich in een gestoord overtuigingensysteem verschanst en weten dat hij voortkomt uit
kritiek, is de volgende stap het bewust worden van het feit dat deze vrees voor kritiek ons er toe drijft om
onszelf te verbergen om vertrouwelijkheid te vermijden - zelfs wanneer we niet worden bekritiseerd.
De bovenstaande twaalf punten illustreren dat zelfkritiek deel uitmaakt van ons overtuigingen systeem. De
meerderheid van ons werd onderdrukt door kritiek die een onjuiste weergave van de werkelijkheid was toen
we nog kinderen waren. Voordat we de verstandelijke vaardigheden hadden om vast te stellen dat het niet
rechtvaardig was, om ons met woorden te verdedigen, of voor ons zelf op te komen. Misschien hadden we
ook nooit iemand die voor ons op kwam. Daardoor namen we al heel vroeg de beslissing, misschien al toen
we drie of vier jaar oud waren, om vertrouwelijkheid te vermijden en onszelf schuil te houden, daar we
vertrouwelijkheid vereenzelvigen met kritiek.
Ervaren dat je gekoesterd en verzorgd word helpt vertrouwen op te bouwen. het helpt ons om te stoppen
met wegkruipen en te beginnen met het nemen van risico’s in de omgang met elkaar. Hoe kunnen we het
soort ervaringen creëren dat vertrouwen opbouwt en de ziel rust geeft, zowel bij de zoeker als in de bahá’í-
gemeenschap?
• Door hen de verzekering te geven dat we hun identiteit erkennen en respecteren zoals die nu is en
ook wanneer ze in het veranderingsproces zitten waarin ze hun vermogen om keuzes te maken
gaan gebruiken in overstemming met de Geschriften en zodoende hun identiteit opnieuw ontdekken
of een nieuwe vorm geven.
• Als we hun identiteit erkennen en respecteren zullen ze voelen dat er met begrip naar hen
geluisterd is. Dit kalmeert hun ziel en bevordert en vermeerdert de ontwikkeling van de identiteit en
het vermogen om te spreken en na te denken.
• Door erkenning met mededogen in plaats van het kleineren van de levenservaring die de identiteit
van de zoeker heeft helpen vormen, zo als het erkennen van de homoseksuele levenservaring. We
kunnen ons niet alleen maar richten op het overbrengen van de Geschriften die homoseksualiteit
veroordelen als onnatuur- lijk. We moeten meer doen dan dat.
• Als we de zorg voor hun wezen en de bescherming van hun waardigheid op een consistente
manier doorzetten of zij of jij nu partner, ouders, leraar, werkgever of vriend bent.
• We zorgen voor hen door hen door hen via onze daden duidelijk te laten merken dat ze belangrijk
en waardevol zijn.
• Ze zullen zich ook verzorgd voelen als iemand die belangrijk voor hen is naar hen luistert en begrip
toont.
• We zorgen voor hen door hen te helpen zich te realiseren dat Bahá’u’lláh’s Openbaring hen de
vrijheid geeft om hun innerlijke vermogens en talenten aan te boren die belangrijk zijn om de
geheimen van het universum te ontdekken teneinde aan de behoeften van een steeds
voortschrijdende beschaving te kunnen voldoen.
• We zorgen voor hen door altijd aandacht te besteden aan hun persoonlijke mening en bedoeling.
• We zorgen voor hen als we onmiddellijk vriendelijkheid en geduld tonen op een pijnlijk of lastig
moment.
• We zorgen voor hen door hen aan te moedigen om zinvolle doelen te ontwikkelen die hen uit het
verleden halen en hun aandacht op de toekomst richten.
• Door hen te helpen om hun innerlijke waarde, waarvan ze zich misschien niet bewust zijn, te
herkennen
• Door hen te helpen de vrijheid te ervaren om hun identiteit te verruimen met het doel mensen van
andere rassen en godsdiensten te verwelkomen.
• Door gelegenheden voor hen te scheppen waar aan hun behoefte aan liefde, veiligheid en respect
wordt tegemoet gekomen.
• Door hen ervaringen te laten opdoen die het bewustzijn van hun unieke opvattingen, gaven en
goedheid vrijmaken, ontplooien en activeren.
• Door te zorgen voor de veiligheid die hen aanmoedigt om hun fouten zonder schaamte te
erkennen, zelfs al is het alleen maar aan zichzelf.
• Door hen te verzekeren dat de enige bedoeling van schuldgevoel is hen er opmerkzaam op te
maken dat ze hun koers moeten wijzigen of hun gedrag veranderen. Schuldgevoel moet alleen
maar voor dat verbazingwekkende doel gebruikt worden en niet voor allerlei vormen van
zelfbestraffing.
Hieruit moet onze verborgen agenda bestaan. We moeten zorgvuldig de voeding en erkenning van hun
werkelijkheid plannen i.p.v. de kritiek, het negeren, de minachting en de veroordeling ervan die zo
gebruikelijk is in de oude wereld orde. Dit is de geestelijke volwassenheid die Bahá’u’lláh en het Universele
Huis van Gerechtigheid ons vragen te ontwikkelen zodat we de zoekers zullen aantrekken.
“ Kort gezegd, de instorting van de huidige wereldorde brengt chaos en verwarring in ieder leven. Het is geen
wonder dat men overal om zich heen conflict en verdriet ziet, levens vol moeilijke beproevingen en
hartverscheurende worstelingen” “ Misschien is de moeilijkste test die voor ons ligt om liefdevol en vriendelijk
zijn zonder onderscheid te maken, vergevingsgezind en bemoedigend voor elk mens in een samenleving
van mensen die er prat op gaan dat ze scherp kritisch zijn met het doel hun conflicten met anderen te
rechtvaardigen” “ Misschien komt het allemaal op het volgende neer: het belangrijkste werk van een bahá’í is
om te leren liefhebben in een wereld vol haat, om dat geleerde met anderen te delen, en hen te vertellen
Wie ons geleerd heeft om weer lief te hebben. We moeten iedereen liefhebben - onze vijanden, degenen
die anders zijn dan wij, degenen die niet beminnenswaardig lijken te zijn. Liefde is de onveranderlijke
voorwaarde voor het Goddelijk Plan, het geschenk dat bahá’ís moeten geven aan een wereld die totaal
verdeeld is door zorgvuldig gerechtvaardigd conflict. De wereld wacht en lijdt onder dit wachten.” 48
We moeten ophouden om de conflicten goed te praten die ons weerhouden van een voortdurende toewijding
aan intimiteit. Op het moment dat we kritiek leveren in plaats van te zorgen voor een voedende ervaring zoals
ik hierboven heb beschreven, voelt de zoeker of de nieuwe bahá’í zich niet beminnenswaardig. “ O metgezel
van Mijn troon! Spreek geen kwaad, opdat het niet tegen u gesproken wordt en overdrijf niet de fouten van
anderen, opdat uw eigen fouten niet groot lijken. Wens niet de vernedering van een ander, opdat uw eigen
vernedering niet blootgelegd wordt.” 49
‘Abdu’l-Bahá richtte de aandacht niet op de fouten van anderen. Hij keek alleen naar de goedheid van
anderen. Hij zag geen kwaad in hen en daarmee gaf hij hen de mogelijkheid om het goede in zichzelf te
zien. Hij geloofde in hen en maakte dat ze in zichzelf geloofden. Hij was een Meester in het verschaffen van
voedende ervaringen, zelfs aan degenen die zich tegen Hem en de Zaak van God keerden. Wat een
contrast: de werkelijkheid erkennen dat een mens zijn hoogste mogelijkheden kan waarmaken tegenover de
visie en het oordeel dat mensen vanwege het kwaad niet in staat zijn tot vooruitgang.
Hier volgt het tweede deel van dat Verborgen Woord: “Leef dus de dagen van uw leven, die korter zijn dan
een vluchtig ogenblik, vlekkeloos van geest, rein van hart, met zuivere gedachten en een geheiligde aard,
dat gij in staat zult zijn vrij en tevreden dit stoffelijk omhulsel af te leggen, u naar het mystieke paradijs te
begeven en voor immer in het eeuwige koninkrijk te verwijlen.” 50 Als we het Geloof delen met een
vlekkeloze geest, ons hart niet bezoedeld door veroordeling en afkeuring, de behoefte om te bekeren, te
veranderen of vast te houden, onze geheime gedachten zuiver zonder de overdrijving van de fouten van
andere bahá’ís of zoekers, en met een geheiligde aard ( geheiligd van onze gerechtvaardigde vervreemding
en geslotenheid), zullen we vooruitgang boeken doordat we een sterke aantrekkingskracht uitstralen. We
moeten elke haat in liefde
transformeren, elke irritatie in aanvaarding en onderwerping aan de Wil van God en stralende
gehoorzaamheid aan de Openbaring van Bahá’u’lláh. Daardoor stellen we een werkelijk intieme en
verzorgende gemeenschap tegenover de verwarring en chaos van de huidige maatschappij. Er is geen
andere weg! Omdat we , als we hen vriendschap onthouden en kansen om elkaar te helpen verdiepen, als we
hen verzorging onthouden en het soort intimiteit dat de buitenstaander in de binnencirkel van vriendschap
trekt, dan onthouden we hen in wezen een hoofdbestanddeel van hun transformatie, terwijl we daar in feite
wel in staat zijn om het te geven.
Veel therapeuten hebben een liefdevol hart en het vermogen om te begeleiden, te bemoedigen, bevestigen
en ondersteunen op een wijze die een weg tot genezing voor ons opent. De veiligheid die ze scheppen door
de kwaliteit van hun luisteren en het feit dat ze ons nooit bekritiseren, maakt het voor ons mogelijk om de
herinneringen naar buiten te brengen waar we ons voor schamen en waardoor onze wonden in het donker
blijven etteren. Het is het liefdevolle luisteren, het opschorten van kritiek en veroordeling waardoor de
uitzonderlijke veilige plek wordt geschapen waar we kunnen genezen. Om uitbreiding van het Geloof op
grote schaal te bereiken moeten wij allemaal liefdevolle en tedere harten ontwikkelen en het vermogen om te
luisteren met de gevoeligheid en hoffelijkheid van ‘Abdu’l-Bahá.
Hoffelijkheid.
Hoffelijkheid wordt de prins der deugden genoemd en aangeduid met het woord “mantel of kleed”. Een
mantel bedekt alle nutteloze oplossingen, oordelen, verwachtingen, evaluaties, claims en geforceerdheid die
wij mensen in onze onvolmaaktheid geneigd zijn te verzinnen.
Deze soort gedachten zijn onbelangrijk voor het geestelijke drama dat wij voor ons te zien krijgen. Ons wordt
geleerd dat mensen behoefte hebben aan liefde. Onze mantel van hoffelijkheid verbergt alles wat de liefde
zou kunnen uitdoven. ‘Abdu’l-Bahá is ons grote voorbeeld wat hoffelijkheid betreft. Het is niet zo dat Hij de
onvolmaaktheid niet zag. Hij plaatste het met Zijn hoffelijkheid tegen een nieuwe achtergrond zodat de
verborgen krachten in de aanwezigheid van zijn acceptatie, veilig uit het bewustzijn van iemand te voorschijn
konden komen. Misschien wel met de Verborgen Woorden van Bahá’u’lláh “ Hoor geen kwaad en zie geen
kwaad ....” in Zijn achterhoofd, verborg Hij achter de mantel van hoffelijkheid elke gedachte die een beletsel
zou kunnen vormen voor de liefde en vriendelijkheid die Hij aan de dienaar van God voor Hem wilde
betonen.
“ O volk van God! Ik roep u op om hoffelijkheid te betrachten want dit is boven alles de prins der
deugden. Wel gaat het hem die verlicht wordt met het licht van hoffelijkheid en gekleed is in het kleed
van oprechtheid. Wie met hoffelijkheid begiftigd is heeft waarlijk een hoge staat bereikt. Wij hopen dat
deze Verguisde en alle anderen in staat worden gesteld om hoffelijkheid te verwerven, er aan vast te
houden, het in acht te nemen, en de blik erop te vestigen. Dit is een bindend gebod dat uit de Pen van
de Allergrootste Naam is voort gestroomd.” 51
“ Zeg: Laat betrouwbaarheid en hoffelijkheid uw sieraad zijn. Laat u niet verstoken blijven van het
kleed van verdraagzaamheid en rechtvaardigheid, zodat de zoete geuren van heiligheid vanuit uw
hart over al het geschapene mogen zweven” 52
En dit is de kern van hoffelijkheid: Bahá’u’lláh roept ons op om onmiddellijk soepel en geestelijk kwetsbaar te
zijn als we aangevallen worden, in plaats van perfectionistisch, schijnheilig ( aardig tegen iemand doen maar
achter zijn rug om roddelen) te zijn en iemand voor schut te zetten. In wezen is de perfectionistische,
schijnheilige mens bang om gekwetst te worden en de vrees voor eerlijkheid weerhoudt hem ervan om open
te zijn. In deze zin is het tegengestelde van perfectionisme niet onvolmaaktheid maar soepelheid. Ons
perfectionisme dat voortkomt uit de angst voor kritiek en schande wordt opgeheven door flexibiliteit. Als we
soepel voor onszelf kunnen zijn leggen we het innerlijke stemmetje van de kritiek het zwijgen op. Als we
soepel voor anderen zijn brengen we onze eigen innerlijke kritische roddelstem ook tot zwijgen. Dat is
machteloosheid! Innerlijk kunnen zeggen: Ik heb geen verdediging tegen deze persoon die zelf onderdrukt
werd en nu mij onderdrukt. En de enige manier waarop ik mijn werkelijkheid van helende liefde kan delen
met iemand die zo gewond is als hij, is door soepel om te gaan met zijn onwetendheid of wraakzucht. En
zeker niet gaan beoordelen of evalueren.
Het woord “ontwapening” heeft een grote aantrekkingskracht op mij. Onszelf ontwapenen bekent dat we
eerst de achterdocht en vijandigheid uit ons eigen hart verwijderen, want achterdocht en vijandigheid zijn
verdedigingswapens. Om “hen” te ontwapenen neem je je vermogen om lief te hebben en geeft het vrijelijk
aan hen waardoor je jezelf machteloos maakt. Wij hebben het lichamelijke Taikwondo en Tai Chi niet nodig.
Die sporten vormen een metafoor voor het mentale en emotionele ontwijken van een mondelinge klap, de
bedoeling er van afbuigen en gebruiken om aanval, de wond, de steek in een ander kader te plaatsen, om
de verdediger te worden die jouw “tegenstander” nooit had, in plaats van kwaadspreken, bekritiseren,
terugslaan, veroordelen enz. Dat is machteloosheid! Dat is kracht! En dat vormt dan een paradox.
Dit is ook de betekenis van het Korte verplichte gebed: “ Ik getuig o mijn God dat Gij mij hebt geschapen
om U te kennen en te aanbidden. Ik betuig op dit ogenblik mijn machteloosheid en Uw macht.” 53 Wij
worden gevraagd om Zijn macht te tonen door zachtmoedigheid bij dwang. Onze kracht ligt in geestelijke
kwetsbaarheid, ongewapend zijn, het risico aangaan om gewond te worden. Als anderen de kracht van de
liefde die wij hen aanreikten herkennen dan neemt dat hun verdediging weg en zij worden op hun beurt
onverdedigd en geestelijk kwetsbaar, ontvankelijk voor liefde, hongerig naar meer, hongerig naar de echte
intimiteit die hen is onthouden en de verborgen kracht van de liefde in hen begint te groeien en te
ontwikkelen. Onthoud dat we met hoffelijkheid en geestelijke kwetsbaarheid heel veel kracht hebben en elke
dag krachtiger worden.
Eenheid, mededogen en onthechting geven ons ook kracht, volgens Dr. Jane Faily in haar toespraak te
Louhelen, omdat ze ons een keus geven die verbitterde mensen niet hebben. “ Eenheid is de enige
genezende kracht, de enige transformerende kracht. Onderdrukte mensen zijn gewond. Ik ben dat en jij ook.
Wij hebben elkaar om te genezen. We hebben pijn gehad. Daar zou mededogen uit moeten ontstaan. Ik voel
dat onderdrukking ons een keus geeft. Als je naar onderdrukte mensen kijkt zie je gezichten die vertrokken zijn
van woede, koud van bitterheid, dood van de apathie, of, en dit is de keus: stralend van mededogen, krachtig
door onthechting. Uiteindelijk leer je door pijn en teleurstelling dat het leven een reis is. Je hebt geen huis, er
is geen totaal vervullende ervaring. Je leert van fouten die je niet meer goed kunt maken en de bedoeling van
alles is spirituele groei. Als je dat gelooft zul je stralen, als je het niet gelooft zul je wanhopig zijn.” 54
De verleiding bestaat om je geloof te verliezen, je bij de lustelozen, de cynici en de critici te voegen en in
opstand te komen tegen zowel de onderdrukker als tegen het redelijk gezag- om het sprankje hoop te
verliezen dat we als kinderen of jongeren hadden- in open rebellie de kritiek te tonen die ons omringt en die
een deel van ons innerlijk is geworden. Als we dat doen zal het kwaadspreken niet alleen het licht in het hart
van anderen doven maar ook dat in ons eigen hart. Het zwaard van opstandigheid velt de boom van onze
hoop.
“ Die zoeker moet ook kwaadspreken als een ernstige dwaling beschouwen en zich er verre van
houden, daar kwaadspreken het licht van het hart dooft en het leven van de ziel uitblust” 55
Het is noodzakelijk dat de kern van ons onvermogen om intimiteit te bereiken blootgelegd wordt, zodat we als
gemeenschap in dialoog en consultatie kunnen gaan over onze pijn door kritiek, onze vrees voor kritiek. Als
voorbereiding voor uitbreiding op grote schaal moeten we het vermogen ontwikkelen om onze angst en pijn
te uiten teneinde ons te bevrijden van de onbewuste motieven voor roddel. Deze onbewuste motivatie is een
deel van ons verdedigingsmechanisme dat op heel jonge leeftijd ontstond. We kunnen daar niet meer van af.
Dus maak je er geen zorgen over dat je last blijft houden van die onzuivere negatieve kritische gedachten.
We kunnen ons alleen van deze gedachten bewust worden en ze in de gaten houden zodat we keuzes
kunnen maken als de veroordelingen en emoties opkomen. Onze zichtbare, doelbewuste liefde, ongeacht de
verleiding om de altijd aanwezige kritische gedachten te uiten, is de reiniging, de zuivering, de verfijning en de
rechtschapenheid waartoe de Geschriften en de gebeden ons oproepen.
Als je de werkelijkheid van een zoeker binnengaat, bedenk dan dat deze bestraffend, arm en onderdrukt kan
zijn. Terwijl jouw werkelijkheid bevoorrecht is met me er stabiliteit en kansen, kan zijn of haar geestelijke
ontwikkeling groter zijn dan de jouwe. Bedenk ook dat jouw werkelijkheid onevenwichtig gaat worden omdat
zijn werkelijkheid tegen jou aan zal duwen, niet zozeer tot aan de grens van vertrouwen maar meer tot aan
de grenzen van je liefde. Zijn werkelijkheid gaat je naar het niveau van ‘Abdu’l-Bahá’s liefde duwen. “
Daarom moeten de geliefden van God zowel met vriend als met vreemdeling in hartelijke kameraadschap
omgaan, en allen de uiterste liefdevolle vriendelijkheid betonen, ongeacht de mate van hun vermogens,
nooit vragend of zij die liefde verdienen. Laten de vrienden op elk moment voorkomend en oneindig
vriendelijk zijn. Laten ze zich nooit uit het veld laten slaan door het kwaad van mensen, door hun agressie en
haat, hoe erg ook. Als anderen hun pijlen op je richten, biedt hen op jou beurt melk en honing aan; als ze
jouw leven vergiftigen, verlicht dan hun ziel; als zij je kwetsen, leer hen dan hoe je moet troosten; als ze je
een wond toebrengen, wees dan een balsem voor hun pijn; als ze je steken, breng dan een verfrissende
dronk naar hun lippen.” 56
Dit geeft een voorbeeld van ‘Abdu’l-Bahá’s oneindige geduld en grenzeloze begrip. Net als de oude man in
Rabbi Potok’s boek “ Het stof der aarde” die zich niet volledig aan de liefde kon wijden als de Hand van God
niet op elk moment van elke dag al zijn gedachten en beslissingen opnieuw vormde, wachten de handen van
‘Abdu’l-Bahá erop om ons om te vormen in een instrument dat altijd gereed is om melk en honing uit te delen
om hun leven te verzachten. Elke keer als we een gedachte waarnemen die zegt;” Ik geeft het op. Ik kan me
niet onvoorwaardelijk aan deze persoon wijden” moeten we teruggaan naar de Geschriften van de Meester
om onze blik te verhelderen en onze toewijding om te verzorgen, te aanvaarden en lief te hebben te
versterken.
“ Haast je om lief te hebben! Haast je om vertrouwen te hebben! Haast je om te geven! Kom om
leiding te ontvangen! Kom tot de harmonie! Om de Dagster te zien! Kom hier om vriendelijkheid te
ontvangen, om tot rust te komen! Kom hier voor vriendschap en vrede! Kom en leg je wapens van
gramschap af totdat de eenheid is bereikt! Kom en laat op de weg van de Heer iedereen elkaar
helpen.” 57 Kritiek is een verbaal wapen van gramschap, het gebruik van geweld om, of iemand tot
verandering te dwingen, of hem met woorden te verwonden.
“ Tijdens de laatste middag van het bezoek van de True’s moedigde ‘Abdu’l-Bahá mvr. True aan om dezelfde
houding te ontwikkelen. Hij nam haar hand zachtjes in de Zijne en beschreef haar het soort liefde, een soort
universele liefde, dat verder gaat dan een paar persoonlijke vriendschappen en dat de hele mensheid
omarmt. Hij zei dat het leek op een minnaar die een brief van zijn geliefde ontvangt en de brief komt
gescheurd, bemodderd en bijna helemaal kapot aan maar hij is oneindig waardevol omdat hij van zijn
geliefde is. Dat is de manier waarop je naar iedereen moet kijken, wat er ook gebeurt. Je hebt hen lief
omdat ze Gods schepselen zijn” 58
Hier is een artikel dat de afwezigheid van kritiek bij Bahiyyih Khanum beschrijft: “..... het zou niet voldoende
zijn om haar met de term moederlijk te beschrijven. Dat is te beperkt. Moederliefde omarmt en houd je vast;
het heeft iets bezitterigs, iets dat om een antwoord vraagt op de gegeven liefde. In haar genegenheid was
hier geen spoor van te vinden. Zij liet lichaam en geest geheel vrij en vroeg niets van degenen die ze liefhad.
Ze leek hen totaal te vrijwaren van enige liefdesverplichting. Haar aanraking was zo licht dat ze geen gevoel
van verplichting of bewuste dankbaarheid in hen opriep. Zelfs als ze troostte was haar streling vederlicht,
want ze wist dat een mens in diepe nood door de lichtste aanraking van mededogen kan worden gekwetst.
Zij gaf de balsem zelf en voegde er geen gewicht van haar eigen hand aan toe; zodat genezing en troost
kwamen als een magisch geschenk Ze keek niet eerst wat je waard was om de dan naar je verdienste te
belonen; ze lette er ook niet op of je pijn door jou zelf was veroorzaakt of opgeroepen, alsof ze wist dat lijden
op zichzelf iets heiligs is. Ze veroordeelde nooit iemand en hield zich niet bezig met het scheiden van de
bokken en de schapen. Ze onderscheidde niet alleen de zwarte schapen niet van de witte in de kudde maar
ook in de innerlijke kudde van je eigen aard noemde ze de fout niet zwart noch zag ze een goede daad. als
het blanke lammetje. Ze gebruikte geen kritiek en censuur. Als je met je duisternis bij haar kwam stak ze een
kaars aan. Als je iets verkeerds gedaan had of niet in je poging geslaagd was of er zelfs niet in geslaagd
was om een poging te doen, hield ze des te meer van je omdat ze besefte dat je verdriet had om je mislukking;
ze had medelijden met je vanwege je zwakheid en verslagenheid, en ze had ook medelijden met je als je niet
leed en je niet schaamde voor je fout.
Je wist zeker dat als iemand probeerde om haar te kwetsen dat ze hem zou willen troosten om zijn eigen
wreedheid. Want haar liefde was onvoorwaardelijk, kon door een vermomming heen dringen en de honger
zien achter het masker van woede en ze wist dat het wreedste karakter eigenlijk toch vriendelijkheid hoopt te
vinden in een ander. Zij bezat die zeldzame moed van het hart, die de gevoelige kern van elke behoefte wist
te onthullen. En haar begrip was zo groot dat ze alle ellende van het menselijk hart kon peilen en de
betekenis ervan lezen en zowel het slachtoffer als de pijn zegende.
.....Haar lasten leken licht omdat ze er niet onder gebukt ging en ze grote taken schijnbaar zonder moeite
aanpakte. Ze scheen nooit te zoeken of te streven omdat ze nooit een spoor van spanning of inspanning
vertoonde. In haar leven had ze nooit die hete, stoffige momenten van worsteling gekend, noch hun
ademloze, kleine successen, maar ze was zonder aarzeling voorwaarts gegaan met het hart rustig naar de
hemel gericht, om een opeenvolging van moeilijke dagen tegemoet te treden.”
[ De schuingedrukte passage herinnert me aan dat moment dat een halve hartslag duurt en dat onmiddellijk
perfectionisme verandert in soepelheid, kritiek in liefdevolle aanvaarding, “ vrees in rust”, boosheid in humor,
gehoorzaamheid en stralende instemming met Bahá’u’lláh’s model van onvoorwaardelijke liefde in minder
dan een hartslag. De verdrukten zijn zo overgevoelig voor onderdrukking dat ze ons ook maar een hartslag
de tijd geven om te op de juiste manier te reageren. Daarom zegt Bahá’u’lláh om “geen haarbreedte van de
Wet af te wijken”, niet alleen voor onze vooruitgang maar ook voor de vooruitgang van de verdrukten die
altijd naar veiligheid zoeken relatie, gemeenschap en intimiteit.]
Om verder te gaan met de passage over Bahiyyih Khanum: “ In de omgang met wreedheid en beperkingen in
haar leven toonde ze iets dat meer was dan vergeving. Het is heilig als je gekwetst wordt en je schenkt
vergeving maar het vermogen om te begrijpen en niet gekwetst te zijn is hier ver boven verheven. En dat
vermogen had ze. Het woord mazlum wat betekent: zonder klagen aanvaarden, is met haar naam verbonden
geraakt. Men hoorde haar nooit klagen of jammeren. Dat was niet omdat ze er maar het beste van maakte
maar omdat ze in alles, zelfs in rampspoed, de sporen van eeuwige wijsheid ontdekte. Ze bood geen
weerstand tegen schokken en ging niet tegen belemmeringen in. Ze was nooit ongeduldig. Ze was net zomin
in staat tot ongeduld als tot protest. Maar dit was niet zozeer uithoudingsvermogen als wel een kalm bewust-
zijn van de krachten die werken in de uren van wachten en inactiviteit.
Zij bewoog altijd mee met het grotere ritme, de wijdere boog naar het uiteindelijke doel. Zeker en vol
vertrouwen volgde ze de loop van haar baan om de Zon van haar bestaan, in de volkomen aanvaarding, de
volmaakte harmonie die de basis van geloof vormt.” 59
Voor het geval dat je je schaamt omdat niet aan deze mate van volmaaktheid kunt tippen, probeer dan te
begrijpen dat Bahiyyih Khanum werd grootgebracht met het voorbeeld van
voortreffelijkheid en volmaaktheid voor zich. Ze bezat een compleet overtuigingensysteem dat zich zo kon
vormen omdat ze geen kritiek en kwaadsprekerij te verduren had van haar Vader, die in haar leven de enige
belangrijkste relatie was.
Het is niet zozeer omdat we mens zijn en we ons daardoor onmogelijk met haar kunnen meten. Want zij was
ook een mens.! Het verschil is dat de meerderheid van ons in de jaren waarin we gevormd werd voorgedaan
hoe we moeten bekritiseren, schelden, slaan en kwaadspreken. ‘Abdu’l-Bahá beschermde Shoghi Effendi
tegen afkeuring en kritiek. Hij wilde niet dat iemand Shoghi Effendi’s karakter zou bederven tijdens zijn
jeugd. Hij waakte met de grootste zorg over hem. Wij werden niet met de grootste zorg bewaakt. Aan ons
werd het voorbeeld van voortreffelijkheid niet voorgeleefd. We weerspiegelen kritiekloos wat we in onze
jeugd in ons milieu waarnemen voordat we het vermogen om te kiezen hebben ontwikkeld of toestemming
hebben
om het te gebruiken.
Kritiek is sociaal geaccepteerd. We maken allerlei televisieprogramma’s die niets anders zijn dan kritiek in
een jasje van humor. Kritiek uitoefenen is amusement geworden. We gaan er prat op hoe ad rem we zijn.
We moeten het feit onder ogen zien dat kritiek een authentiek onderdeel van ons overtuigingensysteem
vormt omdat het ons is aangeleerd en steeds weer opnieuw kijken naar wat Bahá’u’lláh’s Geschriften over
hoffelijkheid zeggen, naar ‘Abdu’l-Bahá’s voorbeeld van liefdevolle vriendelijkheid en naar Bahiyyih
Khanum’s gebrek aan kritiek. We moeten ons niet schamen over onze voortdurende aandrang om kritiek te
leveren op anderen, maar onze verwonding aanvaarden, als we proberen om onze reactie op anderen die
hun verwonding op ons botvieren in een ander licht te zien.
Er bestaat een studie van wounded- acting out- behaviour. En dat is niet voor niets. Dit gedrag is diep
geworteld in een onbewuste rivier die buiten de oevers van discipline en grenzen dreigt te treden.
Neem bijvoorbeeld onverdraagzaamheid en fanatisme. Wist je dat dit een verdedigingsmechanisme is? Het
is veiliger om een hele groep mensen aan te vallen dan openlijk en eerlijk je woede te uiten tegen die
bepaalde persoon, ouder, leraar, dominee, werkgever die jou verwond heeft! Daar duikt de angst voor kritiek
weer op.
Ook schijnheiligheid is een verdedigingsmechanisme van een ernstig gewond mens. Het is de
behoefte, de honger naar gerechtigheid. Om schijnheiligheid te kunnen begrijpen moet je iets afweten van
geslotenheid. De hypocriet verbergt zijn of haar eigen onvolmaaktheid uit angst voor kritiek. We verbergen
authentieke onvolwassenheid en ontwikkelingsachterstand, onze fouten; we veinzen perfectie en kwaliteiten
die we niet bezitten om te ontsnappen aan kritiek en afkeuring. We wijzen op de fouten van anderen om de
aandacht van onze eigen fouten af te leiden, net als een kind dat zich bij dreigend gevaar en vreselijke
schaamte wil verstoppen. Dit is de onderliggende angst van een hypocriet die is ontstaan toen ze de
onderdrukking en mishandeling van anderen meemaakten. Voelen we niet allemaal die angst? Kunnen we
die honger naar veiligheid, rechtvaardigheid en acceptatie niet met begrip stillen?
Toch waarschuwt Bahá’u’lláh ons: “ O zoon van geest! Weet voorzeker dat wie de mensen tot
gerechtigheid maant en zelf onrecht pleegt, niet één van de Mijnen is , ook al draagt hij Mijn naam.”
60 VWA 28 Dit is een voorbeeld van de hypocriet die rechtvaardigheid zoekt.
En hier is Zijn verbod op kritiek: “O zoon van het bestaan! Hoe kunt gij uw eigen fouten vergeten en u
met de fouten van anderen inlaten? Wie zo handel wordt door Mij vervloekt.” 60 VWA 26 “ O
mensenzoon! Gewaag niet van de zonden van anderen zolang gij zelf een zondaar zijt. Indien gij dit
gebod schendt, zult gij verworpen worden, dit betuig Ik u” 62 VWA 27
“O gij uitgewekenen! De tong heb Ik bestemd om van Mij te gewagen, bezoedelt haar niet met laster.
Als het vuur van uw eigenliefde u overmeestert, herinnert u dan uw eigen fouten en niet de fouten van
Mijn schepselen, daar een ieder van u zichzelf beter kent dan hij anderen kent.” 63 VWP 66 Laster is
het zwartmaken, kleineren en aantasten van een ander. Kleineren is een poging om iemand zijn waardigheid
af te nemen door kritiek en bagatelliseren. In de opvoeding van onze kinderen komt een periode waarin ze
hevige kritiek op ons hebben. En waarom zouden ze ook niet? Ze hebben bij ons op schoot geleerd om
kritisch en gesloten te zijn. Omdat ze verder ontwikkeld zijn dan wij op die leeftijd weten ze meer en weten dat
het niet terecht was.
Kritiek is de keerzijde van onderscheiding, het vermogen om de niveaus van goed en kwaad, van
volmaaktheid en onvolmaaktheid te onderscheiden. Sommige mensen hebben een scherp onderscheidings-
en denkvermogen. Ze kunnen zo goed alles in hun milieu waarnemen en overdenken dat dit vermogen, als ze
niet consequent en rechtvaardig worden opgevoed, verandert in een verdedigingswapen n.l. bekritiseren!
Het middel hiertegen is het richten op het positieve aspect van het aanwezige onderscheidingsvermogen, in
de wetenschap dat liefde het ontbrekende bestanddeel van dat vermogen is. En raadt eens wie in dit
ontbrekende ingrediënt kan voorzien?
“O mensenzoon! De ware minnaar hunkert naar beproeving, gelijk de opstandige naar vergiffenis en
de zondaar naar genade.” 64 BWA 49
“ O mensenzoon! Als tegenspoed u niet op Mijn weg treft, hoe kunt gij dan de weg bewandelen van
hen die tevreden zijn met Mijn welbehagen? Als beproevingen u niet kwellen in uw verlangen Mij te
ontmoeten, hoe wilt gij dan het licht bereiken in uw liefde voor Mijn schoonheid?” 65 BWA 50
De ware minnaar hunkert naar beproeving in gemeenschap met de gewonden, zodat hij of zij de gewonden,
de verlorenen en de verwarden eenvoudigweg kan liefhebben en naar de veiligheid kan brengen. Om dit te
kunnen doen moeten we lijden, ellende en beproevingen welkom heten, omdat de gewonden, de verlorenen
en de radelozen misschien niet in staat zijn om liefdevol op onze vriendelijkheid te reageren. En als er
kritische gedachten in je opkomen, wat vaak gebeurt bij beproevingen en testen, dan kun je tegen jezelf
zeggen: “ Daar komt mijn eigen verwonding weer naar de oppervlakte. Daar steekt mijn honger naar
gerechtigheid de kop weer op! Daar komt mijn onderscheidingsvermogen weer op de proppen! ( Het gevoel
voor goed en kwaad, volmaakt en onvolmaakt, dat zich op een onvolwassen, onvolgroeide manier uitdrukt)
Ik zal zorgvuldig liefde door mijn onderscheidingsvermogen weven naar het voorbeeld van ‘Abdu’l-Bahá en
Bahiyyih Khanum, zodat ik mijn onderscheidingsvermogen niet gebruik als een instrument van kritiek in mijn
reactie en wisselwerking met anderen.”
‘Abdu’l-Bahá wist dat kritiek en muggenzifterij de gemeenschap vernietigde en de groei van de jonge bahá’í-
gemeenschap in Amerika belemmerde. Hij kreeg talloze verzoeken om naar Amerika te komen hij liet zijn
bezoek afhangen van hun liefde voor elkaar. “ Als jullie er naar verlangen om mij te ontmoeten en als je
werkelijk mijn bezoek wenst dan moeten jullie de deur van meningsverschillen sluiten en de poorten
van genegenheid, liefde en vriendschap openen. Jullie moeten als één hart kloppen en als één geest
vibreren.....”
“Waarlijk, waarlijk, ik zeg u dat als die meningsverschillen tussen u er niet waren, zouden de
bewoners van al die streken van Amerika nu al tot het Koninkrijk van God zijn aangetrokken en ze
zouden jullie helpers en assistenten zijn. Is het gepast dat u deze aller heerlijkste Gunst opoffert voor
waardeloze denkbeelden? Nee, bij God! Als u een ogenblik hier rustig over na zou denken, zou u in
staat zijn om onmiddellijk de oorzaak van deze onenigheid uit de weg te ruimen door te stoppen met
onderlinge roddel en muggenzifterij .
Sier de gelukzalige samenkomst met liefde en harmonie, breng een vreugdevolle ontmoeting tot
stand, richt een banket aan van de eenheid der mensheid, gebruik uw tong om elkaar te prijzen en zie
dan de aanwezigheid van ‘Abdu’l-Bahá in uw midden tegemoet” 66 Hier zien we dat woord prijzen weer
terugkomen.
De bahá’í-gemeenschap kan, in haar huidige staat van ontwikkeling, niet tegemoet komen aan de behoefte
aan intimiteit van honderden mensen tegelijk. Dat is onmogelijk! Maar het Woord van God, Bahá’u’lláh’s
Openbaring heeft dat vermogen. Daarom is het zo belangrijk om de zoeker en de nieuwe bahá’í in verbinding
te brengen met de Geschriften. Daarom is het zo belangrijk om de Geschriften uit het hoofd te leren en te
citeren. Zij raken een gevoelige snaar in het hart van de toehoorder. Die snaar is het vermogen om Hem te
herkennen die in de ziel van ieder van ons woont. In sommigen is dit vermogen meer ontwikkeld dan in
anderen:
“Genadige God! Het was de bedoeling dat in de tijd van de manifestatie van de Ene ware God het
vermogen om Hem te herkennen ontwikkeld en volwassen zou zijn en het hoogtepunt bereikt zou
hebben. Het is nu echter duidelijk aangetoond dat de dit vermogen in de ongelovigen onontwikkeld is
gebleven en zelfs is gedegenereerd.” 67
Als dit “vermogen” eenmaal in contact is gekomen met de “ Oceaan van Zijn Woorden”, dorst het naar meer.
Denk nog eens aan de tijd toen je zoekende was of pas bahá’í en waarin je urenlang, volslagen
geabsorbeerd en geboeid, zin na zin en boek na boek las? Dat kwam door de honger- honger naar de
intimiteit met onze Heer.
“ De uitdaging voor de bahá’ís is die duizenden zoekende zielen zo snel mogelijk te voorzien van het
geestelijke voedsel waar ze naar hunkeren.” 68 Toen wij in contact kwamen met dit “geestelijke voedsel”
geloofden we, erkenden de waarheid van Zijn Woorden en we verklaarden in wezen: “ Geprezen zijt Gij, o
Heer onze God, daar Gij ons in staat hebt gesteld om Uw meest verheven en alglorierijke Zelf te
erkennen. Wij zullen, door Uw genade, u aanhangen en ons onthechten van een ieder buiten U. Wij
zijn ons ervan bewust geworden dat Gij de Beloofde van de werelden zijt en de Schepper van hemel
en aarde!” 69
Zo zullen ook de wachtende massa’s Zijn Woord gretig opnemen; en het vermogen om Hem te herkennen
zal bij het horen van die melodieën beven van extase en vervoering, krachtiger worden door iedere passage
en elk gebed dat ze lezen. Zo zullen ze in verbinding komen met dat waar ze jaren naar gehongerd hebben!
“ Degenen die zich bahá’í verklaren zullen verrukt worden door de schoonheid van de leringen en geraakt
worden door de liefde van Bahá’u’lláh. Ze hoeven niet alle bewijzen, geschiedenissen, wetten en principes
van het Geloof te kennen, maar tijdens het proces waarin ze hun geloof verklaren moeten ze ook
basisinformatie ontvangen over de Centrale Figuren van het Geloof en over de wetten die zij dienen te
volgen en het bestuursstelsel dat zij dienen te gehoorzamen.” 70
Ons verdiepingswerk heeft een directe link met de groei en de ontwikkeling van het vermogen om Hem te
herkennen. “ Verdieping is een even essentieel deel van het onderrichtswerk als verspreiding. Het is het
aspect van onderricht dat de gelovigen helpt om hun kennis en begrip van de leringen te verdiepen en de
vlam van hun toewijding aan Bahá’u’lláh en Zijn Zaak aan te wakkeren. Zodat ze, vanuit hun eigen kracht, het
proces van hun geestelijke ontwikkeling voortzetten, het onderrichtswerk bevorderen en de werking van hun
bestuursinstellingen versterken. Goede verdieping is essentieel voor het behoud van de geestelijke
gezondheid van de gemeenschap, voor de bescherming van haar belangen, voor het hoog houden van haar
goede naam en uiteindelijk voor de voortzetting van het onderrichtswerk zelf” 71
Verdieping wordt daarom ook gesteund door ons vermogen om een sfeer van intimiteit te scheppen.
“ Het is niet voldoende om de bahá’í-boodschap te verkondigen, hoe essentieel dat ook is. Het is niet
genoeg om de bahá’í-ledenlijst uit te breiden, hoe belangrijk dat ook is. Er moeten zielen getransformeerd
worden, gemeenschappen daarom verdiept worden, nieuwe levenspatronen opgebouwd. Transformatie is
het wezenlijke doel van de Zaak van Bahá’u’lláh maar dit hangt af van de wil en de inspanning van de
persoon die dit wil bereiken in gehoorzaamheid aan het Verbond. Voor de voortgang van deze levenslange
transformatie is kennis nodig van de wil en de bedoeling van God, kennis die je kunt verkrijgen door regel-
matig het Heilige Woord van God te lezen en te bestuderen.” 72
Hartstochtelijk met het Woord van God verbonden zijn is het hoogste niveau van intimiteit dat wij ooit in deze
wereld kunnen bereiken. Transformatie is een dans, soms onbeholpen, soms heel mooi, die zich afspeelt
tussen het hart van de verheven Talisman en God; het met gratie en eenheid leren dansen hangt toch nog af
van ieder van ons in de grotere bahá’í-gemeenschap waar je de vaardigheden van intimiteit ontwikkelt. En
wat een prachtige, intieme dans is het als je liefdevolle partners jouw gratie erkennen, je onbeholpenheid in
een ander licht laten zien, je inspanning prijzen en de schoonheid en kracht van je innerlijk zien.
Als we machteloos blijven in elkaars omarming, zullen onze zielen misschien “ de geur van
kameraadschap en liefde inademen” en rust vinden. En “ieder begrijpen hart zal de betekenis van
ware vrijheid bevatten en het geheim van ongestoorde vrede en absolute kalmte ontdekken. Zou de
wereld deze staat deelachtig worden en verhelderd met het licht ervan, dan zou met recht gezegd
kunnen worden: “ Gij zult in haar geen diepten of opwaarts glooiende heuvels zien” 73 Bl .l blz. 155
Onderstaande bronverwijzingen verwijzen naar de Engelstalige bronnen.
1. Tablets of Bahá'u'lláh, p. 207
2. Tablets of the Divine Plan, pp. 52-53
3. 12 April 11927 to the National Spiritual Assembly of the United States and Canada, in Baha'I Administration:
Selected Messages 1922-1932, pp. 130-131
4. Authority of self is loosely defined as permission to use all of our personal powers in deference to the
Covenant of Bahá'u'lláh. For a complete description, see "Assisting the Traumatized Soul: Healing the
Wounded Talisman."
5. Baha'I Prayers, p. 222
6. Myron H. Phelps, Abbas Effendi: His Life and Teachings, 1903, p. 9-10
7. Fire Tablet, BP, p. 219-220
8. This does not apply to a person being battered by their spouse. He/she needs firm boundaries, distance and
protection. There are always going to be exceptions to this. This is actually a test of our spiritual and
psychological maturity. Those who act out sexually, rage, batter or use intimacy seductively cannot allow this
behavior to be triggered by themselves or the situation they've entered into. That would be irresponsible. We
all have certain limitations. Entering into intimacy is going to reveal those limitations.
9. Capuchin Priest Keith Clark, Being Sexual and Celibate
10. Selections from the Writings of 'Abdu'l-Bahá, p. 76
11. Gleanings, LXXV, p. 143
12. BP, p. 111
13. Gleanings, p. 95
14. Hidden Words, Persian, #44
15. Shoghi Effendi, 1974, cited in Living the Life, p. 3
16. Please bear in mind that this is not a discussion of just authority or institutions, which may have to mete our
disapproval of errant behavior. It is a discussion of old world order authority.
17. Oppression can include anything from physical, emotional, sexual and spiritual abuse to racism, sexism
and religious intolerance.
18. Dr. David Burns, Feeling Good: The New Mood Therapy, William Morrow and Company, New York, 1980,
p. 40
19. National Spiritual Assembly of Canada, August 1, 1969
20. SWAB, p. 253
21. SDC, p. 12
22. Adapted with permission during consultation with Ken Heral
23. Bahá'u'lláh, Kitab'i'Iqan, p. 19
24. HWP #76
25. Bahá'u'lláh, HWA # 63
26. HWP #36
27. Tablets of Bahá'u'lláh, p. 198
28. TAB, p. 198-199
29. Bahá'u'lláh, KI, p. 31
30. Bahá'u'lláh, KI, p. 32
31. Ridvan 1988 message written by the Universal House of Justice to the Baha'is of the world.
32. Howard Colby Ives, Portals to Freedom, page 116
33. Portals to Freedom, p. 39-40
34. Gleanings, p. 8
35. Gleanings, p. 8
36. Portals to Freedom, p. 39
37. Howard Colby Ives, Portals to Freedom, p. 31-33
38. 'Abdu'l-Bahá quoted by Julia Grundy in Ten Days in the Light of 'Akka, p. 90
39. Gleanings, p. 161
40. Baha'I Prayers, p. 103
41. Bahá'u'lláh, HWP #38
42. Nabil's Narrative, The Dawn-Breakers, pages 607-608
43. From Assisting the Traumatized Soul, p. 98
44. PUP, p. 168
45. Bahá'u'lláh, HWA #11
46. FIND THE SOURCE
47. 'Abdu'l-Bahá, Tablets of the Divine Plan, p. 88
48. National Spiritual Assembly of the United States, Feast Letter, December 31, 1994
49. Bahá'u'lláh, HWP #44
50. HWP #44
51. Tablets of Bahá'u'lláh, p. 88
52. Gleanings from the Writings of Bahá'u'lláh, p. 305
53. Baha'i Prayers, p. 4
54. Dr. Jane Faily, Address at Louhelen
55. Bahá'u'lláh, Kitab-I-Iqan, p. 193
56. Selections from the Writings of 'Abdu'l-Bahá, p. 24
57. Selections from the Writings of 'Abdu'l-Bahá, p. 273
58. Edna M. True, interview with author, Wilmette, Ill., September 1975; Corrine True, "Memories of
'Abdu'l-Bahá," tape recording, 30 April 1951, personal papers of Edna M. True.
59. A description of Bahiyyih Khahnum, Bahá'u'lláh's daughter, by Marjorie Morton, Baha'i World Volume.
60. HWA #28
61. HWA #26
62. HWA #27
63. HWP #68
64. HWA #49
65. HWA #50
66. ['Abdu'l-Bahá], "Tablet to the American Friends from 'Abdu'l-Bahá," Star of the West, 2, no. 4 (17 May
1911),7.)
67. Bahá'u'lláh, TB, p. 52-53
68. 27 July 1980, written by the Universal House of Justice to a National Spiritual Assembly
69. Bahá'u'lláh, Prayers and Meditations, LXI
70. Universal House of Justice, Wellspring of Guidance, p. 32
71. 17 April 1981, written on behalf of the Universal House of Justice to all National Spiritual Assemblies
72. Ridvan 1989 message written by the Universal House of Justice to the Baha'is of the world
73. Gleanings from the Writings of Bahá'u'lláh, p. 260
──────────────────────────────────────────────────────────────────────
BASISVERTROUWEN,
zowel binnen de gemeenschap als tegenover de “zoeker”.
Phyllis K. Peterson, 1998
Vertaling: Wil van der Kooij
Revisie: Adrie Gloudemans en Jan de Jongh, 18 maart 2021
VOORWOORD
Het onderrichten van de zaak van God is afhankelijk van drie voorwaarden: kennis van de sociale
vaardig- heden, zuiver handelen en een aangename manier van spreken. Ik hoop dat ieder van u met
deze drie vermogens bekrachtigd mag worden.
(‘Abdu’l-Bahá, Star of the West, Vol.XII, nr.11, p.177)
Phyllis Peterson heeft zich verdiept in de vraag hoe wij in de Bahá’í-gemeenschap de sfeer van
basisvertrouwen kunnen scheppen. Wat is basisvertrouwen, wat zijn de voorwaarden voor het ontstaan
ervan en waarom is het nodig? Ze beschrijft de aanleiding voor haar onderzoek als volgt:
In zijn lezing van mei 1994,op de Louhelen Bahá’í-school (Ver.Staten), vertelde Raadgever Billy Roberts dat
enkele leden van het Universele Huis van Gerechtigheid hem hadden gezegd dat we voor goede
onderrichtsresultaten een sfeer van vertrouwen moeten scheppen. Zij zeiden dat de mensheid op het
ogenblik hunkert naar vriendschap en vertrouwen.
Ik wilde meer weten over vertrouwen en waarom de mensheid ernaar hunkert, aangezien het een
hoofdbestanddeel van onderricht is. Wat nu volgt is het resultaat van mijn zoektocht om dit te begrijpen.
INLEIDING
Identiteit, vertrouwelijkheid, zelfonthulling.
Het woord identiteit heeft meerdere, soms verwarrende betekenissen. In dit stuk wordt het woord gebruikt in
de betekenis van het-zelf, iemands eigenheid, individualiteit.
Voor de ontwikkeling van onze identiteit zijn drie dingen nodig:
1. geaccepteerd worden door de mensen die belangrijk voor ons zijn
2. onszelf kunnen zijn, d.w.z. authentiek, onvolmaakt en onontwikkeld
3. leren dat onze identiteit (wat we denken, voelen, verlangen of kiezen) gehoorzaam moet zijn aan het
Verbond van God.
Door vertrouwelijkheid wordt in deze drie behoeften voorzien. Wij hunkeren naar vertrouwelijkheid. In een
sfeer van echte vertrouwelijkheid, in de aanwezigheid van iemand die ons accepteert, kan onze ziel tot rust
komen. Dat is waar de mensheid naar hongert. En dat is de behoefte die alleen door onze gehoorzaamheid
aan de boodschap van Bahá’u’lláh vervuld kan worden.
Erik Erikson en de Capucijner priester Keith Clark definiëren vertrouwelijkheid als het samensmelten van
twee of meer mensen en het samenklinken van persoonlijkheden door zelf-besef, zelf-onthulling en het
vermogen om te luisteren. Een persoon die zich van iets bewust is brengt dat naar de ander over door zelf-
onthulling. De ander krijgt, door het beluisteren van dat verhaal, meer zelfbesef en toont dat op zoek naar
samenklank. En als hij die persoon vertrouwt, onthult hij eveneens iets over zichzelf. Dan is de
vertrouwelijkheid geschapen.
Het begrip vertrouwelijkheid is nu gedefinieerd maar wat wordt bedoeld met zelf-onthulling?
Het is gecommuniceerde, persoonlijke zelfkennis, het tonen van de onvolmaakte en onontwikkelde identiteit;
het laten zien van je eigen werkelijkheid. Onze werkelijkheid is gebaseerd op wat wij voor echt houden, ons
idee over hoe de dingen echt zijn, hoe wijzelf en de wereld in elkaar zitten. Het bevat ook ons
waardensysteem: wat we denken dat juist of verkeerd is, goed of slecht, en de waarden die we zo
belangrijk vinden dat we menen dat iedereen die zou moeten hanteren.
Van God uit gezien, betekent zelf-onthulling openbaring. In wezen heeft God door de eeuwen heen zich zelf
onthuld door het zenden van de Manifestaties, die niet alleen kennis over God hebben geopenbaard maar
ook kennis en waarheid over de mensheid. Het past ons, als Zijn schepselen, om Gods Openbaring te
erkennen en Hem te dienen door het onderrichten van Zijn zaak.
‘Weet dat hij waarlijk geleerd is die Mijn Openbaring heeft erkend, en heeft gedronken uit de Oceaan
van Mijn kennis, en heeft gevlogen in de sfeer van Mijn liefde, en alles buiten Mij heeft verworpen, en
zich stevig heeft vastgehouden aan hetgeen werd neergezonden uit het Koninkrijk van Mijn wonderbare
woorden. Hij is waarlijk gelijk een oog voor de mensheid, en gelijk de geest des levens voor het
lichaam van al het geschapene. Verheerlijkt zij de Albarmhartige Die hem heeft verlicht en hem deed
opstaan om Zijn grote en machtige Zaak te dienen. Waarlijk, díe mens is gezegend door de Schare in
den hoge, en door hen die verblijven binnen het Tabernakel van Grootheid, die in Mijn Naam, de
Alvermogende, de Almachtige, heeft gedronken van Mijn uitgelezen Wijn.
(Tafelen van Bahá’u’lláh geopenbaard na de Kitáb-i-Aqdas, Hoofdstuk 14, Lawḥ-i-Burhán, blz.89)
Dit citaat is een voorbeeld van de poëzie van God’s Openbaring door Bahá’u’lláh. Het is niet verwonderlijk
dat God er voor koos om zich via dichterlijke taal te openbaren; want poëzie is de taal van de
vertrouwelijkheid. Poëzie verwijdert de sluiers die de Werkelijkheid of de Identiteit van de Schepper/Dichter
verbergen. Degenen die open staan voor het Woord van God en gevoelig zijn voor ware schoonheid zullen
in God’s Openbaring, achter de woorden de sfeer van vertrouwelijkheid voelen waarmee God ons aantrekt
en Hij dringt er bij ons op aan om daar binnen te treden.
Er zijn in ons land maar relatief weinig poëzie-lezers. Wat zegt dat over onze samenleving? In een
materialistische maatschappij is vertrouwelijkheid schaars. We zijn meer op bezit gericht dan op
vertrouwelijke relaties. Als we echter zien hoe miljoenen mensen via de geschriften van alle grote
wereldreligies door God’s poëzie worden aangetrokken, dan wordt het duidelijk dat de volgelingen van al
deze disciplines waarachtig pogen om een vertrouwelijke verbinding met de Geliefde te krijgen, net als de
Scharen in den hoge en degenen die in de Tabernakel van Grootheid verblijven, zoals in het citaat wordt
gezegd.
De Ware Dichter schrijft met overgave en nodigt ons uit om te delen in een staat van verrukking. Als we met
overgave lezen, ontmoeten we de ware Geliefde. Dat is beangstigend en het brengt je van je stuk. We lopen
het gevaar om onze ziel te verliezen in de zaligheid van het één zijn, want dat is een staat van
machteloosheid. We moeten kwetsbaar en hulpeloos worden om tot een vertrouwelijke relatie met de dichter
te komen. Als in een vertrouwensverhouding de angst de kop opsteekt, zijn we van nature geneigd om het
evenwicht in hart en hoofd weer te herstellen door terug te gaan naar onze zekerheden - verdediging en
kritisch denken. Dan voelen we ons weer op ons gemak en niet meer zo kwetsbaar.
Als we de vertrouwelijkheid echter tegemoet treden met de bedoeling om te leren en het vreemde en
onstabiele te ervaren, bereid om te beven in onze hulpeloosheid en kwetsbaarheid, dan zullen we beseffen
dat er in een revolutie van liefde geen plaats is voor rigiditeit, kritiek, roddel en zelfbescherming. Als we daar
van afzien, zullen we ervaren hoe onze ziel wordt herschapen door de werkelijkheid van de Dichter. Want
dichter zijn betekent: je identiteit voortdurend vernieuwen en daarbij anderen de kans geven om hun identiteit
te vernieuwen door de vertrouwelijkheid van het gedicht.
Ik wil in dit werkstuk onderzoeken hoe vertrouwelijkheid, zelf-onthulling, erkenning en identiteit
allemaal van invloed zijn op het bereiken van meer eenheid in onze gemeenschap en met de zoeker. Het is
nodig dat we ons bewuster worden van het begrip vertrouwelijkheid om de behoeften te kunnen
onderzoeken die uit onwetendheid onvervuld blijven.
Hoofdstuk 1
Vijf niveaus/aspecten van vertrouwelijkheid.
Volgens Keith Clark zijn er vijf niveaus van vertrouwelijkheid te onderscheiden.
1. Het laagste niveau is informatie. “Ik woon in Rotterdam en ik ben geboren in 1941. Ik hou van de
kleur blauw.” Door dit soort informatie ontdekken we wel dingen van elkaar maar leren elkaar niet echt
kennen.
2. Het volgende niveau van vertrouwelijkheid is het delen van elkaars meningen. Deze uitwisseling kan
ook onpersoonlijk zijn. Ik kan een mening over abortus hebben die ik niet kan delen met iemand die
absoluut anti-abortus is. Dan kom ik met die persoon niet verder dan het eerste niveau. Ik zou er dan
op moeten vertrouwen dat ik niet veroordeeld word.
3. Het derde niveau is het delen van gevoelens. Als ik aanvoel dat het iemand weinig kan schelen wat ik
voel, kan ik denken: “Wat zal ik me druk maken” en geen poging ondernemen. Het is belangrijk om te
onthouden dat iemands onbekwaamheid om gevoelens te delen kan wijzen op een onontwikkelde
identiteit.
4. Het vierde niveau is het delen van mijn houding. Dit is een behoorlijk hoog vertrouwensniveau. Ik stel
me dan bloot aan het oordeel en de kritiek van de ander, speciaal in het geval van een autoritaire
werkgever bijvoorbeeld.
5. Het vijfde en hoogste niveau van vertrouwelijkheid is het delen van het persoonlijke, spirituele niveau
van mijn geloof, de dingen die mij hoop, inzicht en vrijheid geven en daar horen ook mijn geestelijke
kwetsbaarheid of machteloosheid bij.
Bedenk wel dat dit maar één manier is, één van de vele middelen om te beschrijven hoe we elkaar op
verschillende vertrouwensniveaus leren kennen. Andere mensen zien vertrouwelijkheid niet zozeer als een
opbouw met verschillende niveaus maar als een begrip met verschillende aspecten. Je werkt dan met een
continuüm dat loopt van “geen vertrouwen” tot “volledig vertrouwen”. Angst en misbruik kunnen veel invloed
uitoefenen op de plaatsing van de aspecten in het continuüm.
Sommige mensen in Japan bijvoorbeeld maken hun huisadres niet graag bekend vanwege oude
cultuurgebonden vooroordelen; zij voelen zich kwetsbaar bij het geven van informatie die een Amerikaan vrijelijk
zou geven. Dus wat voor culturele ervaring je ook hebt, je kunt deze aspecten vanuit dat standpunt
onderzoeken. Hoe we het ook onderzoeken of definiëren, geestelijke kwetsbaarheid is toch het diepste of
hoogste niveau van vertrouwelijkheid, waarvoor we het grootste vertrouwen moeten tonen.
Om kort te gaan, we scheppen een sfeer van vertrouwen door het proces waarin we, via deze aspecten van
vertrouwelijkheid, onze identiteit aan een ander mens onthullen; en zij tonen ons op hun beurt hun identiteit.
Wij bahá’ís willen natuurlijk het hoogste niveau van vertrouwelijkheid met elkaar bereiken, trots zijn op elkaar’s
prestaties en de schoonheid van elkaars ziel kennen. Dit is de kern van Bahá’u’lláh’s zending om de wereld te
verenigen. ‘Abdu’l-Bahá zei: “Als onder de gelovigen de ene ziel een andere ontmoet, moet het zijn alsof
een dorstige de fontein met levenswater heeft gevonden, of een minnaar zijn ware geliefde heeft
ontmoet.” Want één van de diepste wijsheden aangaande het verschijnen van de Manifestatie is dit: “De
zielen moeten elkaar leren kennen en vertrouwelijk met elkaar om gaan.”
Bahá’ís hebben tientallen jaren gespendeerd om een basis te leggen door proclamatie, consolidatie,
onderricht en firesides. We zijn lid geworden van elke club, organisatie en stichting die de principes van ons
geliefde geloof ondersteunt. In een organisatie is er altijd een zekere afstand tussen bestuursleden en
deelnemers, dat is praktisch en nodig voor de structuur en de doelstelling. We vinden hier echter geen echte
vertrouwelijkheid. Die vinden we ook niet vaak in de bahá’í-gemeenschap. Shoghi Effendi instrueert de
volgelingen van Bahá’u’lláh :” Laat hen in hun onderlinge relaties als gelovigen niet tevreden zijn met het
uitsluitend uitwisselen van kille en lege formaliteiten die vaak te maken hebben met het organiseren van
diners, recepties, vergaderingen en lezingen. Laat hen liever, als gelijkwaardige deelgenoten aan de
geestelijke gaven die hen door Bahá’u’lláh worden gegeven, opstaan en met de hulp en raad van hun
plaatselijke en nationale vertegenwoordigers, deze officiële functies verrijken met het soort kansen die alleen
kunnen ontstaan door een warme en vertrouwelijke sociale omgang.”
De obstakels van de oude wereldorde die vertrouwelijkheid in de weg staan.
Macht.
Onze maatschappij is een vreemde, versnipperde mengelmoes van nog niet geheel uitgeroeide autoritaire,
totalitaire en autocratische overtuigingen, vermengd met een onvolwassen democratie. Dit maakt
vertrouwelijkheid onmogelijk. We zijn altijd bezig om onszelf te verdedigen of anderen te beoordelen volgens
die overtuigingen, systemen en waarden van de oude wereld. Vertrouwelijkheid is onmogelijk, omdat er een
scheiding bestaat tussen hen die de macht bezitten en degenen die geregeerd worden en geen macht
hebben. Er bestaat ook een scheiding tussen degenen die macht en gezag met geweld hanteren. Dit is een
paradox omdat, hoewel er een scheiding is, de grenzen nooit werden gerespecteerd of geëerd door deze
dominerende systemen.
Vertrouwelijkheid is het vermogen om met anderen in verbinding te treden zonder vrees voor dominantie of
de wens om te domineren. Het is de morele integriteit om je gezamenlijk in te zetten voor eenheid van
identiteit zonder de angst om de macht over jezelf of je identiteit te verliezen.
Omdat onze identiteit is gevormd door gezag dat niet rechtvaardig was, zijn we nog steeds bang voor
overheersing. Een geschiedenis vol macht, racisme, seksisme, nationalisme en oorlog heeft er voor gezorgd
dat we vertrouwelijkheid en kracht wantrouwen. En eigenlijk heeft, tot aan Bahá’u’lláh’s Openbaring, geen
Profeet ooit de krachten van de mensheid gedefinieerd. Het is nu onze uitdaging om deze krachten, de
hulpbronnen van de verheven Talisman, te gebruiken zonder macht, vertrouwelijkheid te scheppen zonder
dat macht onze pogingen blokkeert, terwijl we langzaam en soms met pijn een paradigma van dominantie of
vermeende dominantie verlaten.
We moeten in staat zijn om de nuances van het gebruik van macht, waaraan allen zich onbewust schuldig
maken, duidelijk te zien. Want deze nuances ondermijnen onze pogingen tot vertrouwelijkheid. “Kracht als
hulpbron”, in plaats van “kracht als macht”, dat moet ons voorgedaan worden. We vinden dat voorbeeld in
het leven van Bahá’u’lláh en in verhalen van ‘Abdu’l-Bahá en Bahiyyih Khanum. Dit boek onderzoekt dat
model in het licht van Bahá’u’lláh’s leringen, in de hoop dat ieder van ons zich bewust zal worden van zijn
verdedigingsmechanismen en het pad naar vertrouwelijkheid in de gemeenschap en met de zoekende zal
ontdekken.
Liefde.
We moeten ook leren wat het betekent om consequent “lief te hebben”. Rabbi Chaim Potok schreef een
boek getiteld: “Het stof der aarde". Het verhaal speelt zich af tijdens de oorlog in Korea. Het is een prachtige
illustratie van wat wordt bedoeld met inconsequente liefde.
Een gewonde jongen wordt door een kinderloos echtpaar op leeftijd opgevangen. Zij lopen met nog duizenden
anderen het gevaar te verhongeren omdat ze gedwongen hun huizen hebben moeten verlaten. De vrouw redt
het kind het leven, maar elke bladzijde van het verhaal is gevuld met het onvermogen van haar man om zich
helemaal in te zetten voor het verzorgen en lief hebben van het kind. Hij vindt het kind een last,
een vreemde die hun voedsel uit de mond steelt; ze zouden zonder hem beter af zijn; ze zouden hem
moeten achterlaten om de sterven. Dan, in de loop van het verhaal, ziet de man een voordeel in het redden
van zijn leven, maar bij elke tegenslag die zich voordoet, wenst hij dat de jongen verdwijnt. De jongen kan
niets goed doen. Als hij opgroeit wordt het duidelijk dat hij een begaafd dichter zal worden, iets wat totaal
nutteloos is en geen brood op de plank brengt, vindt de man. Hij bekritiseert en belastert de jongen
onophoudelijk, niet van zins om een echte band met hem aan te gaan.
Dan begint zijn haat langzaam aan te verminderen. Nu ziet hij soms, in een paragraaf, dat de jongen iets
goeds heeft, maar op de volgende bladzijde is dat weer over en verwijt hij hem weer dat hij hun leven extra
zwaar heeft gemaakt. Potok beschrijft bladzijde na bladzijde het conflict in het hart van de man tot
tenslotte, aan het eind van het boek, de oude man ontdekt dat hij treurt over het feit dat dit kind, dat hij na de
dood van zijn vrouw alleen heeft opgevoed, hem verlaat om literatuur te gaan studeren. Hij heeft zich helemaal
aan de liefde voor de jongeman overgegeven en hij voelt een echt verlies nu hij er niet is.
Dit verhaal laat uitstekend zien hoe moeilijk het is om je totaal in te zetten voor de vertrouwelijke relatie met
de buitengesloten, de verdrukte en de verworpen mens. Het is moeilijk om van hen te houden omdat ze zo’n
hevige behoefte hebben. Ze zijn “anders dan wij”; en de ark waarin we nu varen zal spoedig de plaats worden
waar de kracht en de diepte van onze inzet worden getest. Zou het kunnen dat Bahá’u’lláh dit bedoelt als Hij
in de Tafel van de Heilige Zeevaarder zegt: ”Waarin de ark van de Zaak bewegingloos blijft ook al
worden aan haar bewoners alle goddelijke eigenschappen toegeschreven.” ? 5
Je inzetten voor vertrouwelijkheid is moeilijk als we denken dat mensen “onbeminbaar” zijn omdat ze
vijandig, immoreel en onopgevoed zijn. Een verhaal over ‘Abdu’l-Bahá laat een effect zien dat tegengesteld
is aan dat van Rabbi Potok. Dit verhaal komt uit: “Abbas Effendi: His Life en Teachings” “Toen de Meester
naar Akka kwam, woonde er een zekere man uit Afghanistan, een strenge en onbuigzame moslim. Hij zag de
Meester als een ketter. Hij koesterde een grote vijandschap jegens de Meester en stookte anderen tegen
hem op. Als hij de kans kreeg op een plaats waar veel mensen bij elkaar waren, b.v. in de moskee,
beschuldigde hij Hem met bittere woorden. “ Deze man” zei hij tegen de aanwezigen “ is een bedrieger.
Waarom spreken jullie tegen hem?” En als hij de Meester op straat passeerde hield hij altijd zijn mantel voor
zijn gezicht zodat zijn uitzicht niet bedorven zou worden.
“ Zo deed de Afghaan. Maar de Meester deed het volgende: De Afghaan was arm en woonde in een
moskee; hij had vaak gebrek aan eten of kleding. De Meester stuurde het allebei. Hij nam dat aan, maar
zonder te bedanken. Hij werd ziek. De Meester bracht hem een dokter, medicijnen, geld. Dit aanvaardde hij
ook; maar als hij z’n ene hand uitstak zodat de dokter zijn pols kon voelen dan hield hij met de andere hand
zijn mantel voor zijn gezicht zodat hij niet naar de Meester kon kijken. Tweeëntwintig jaar lang was de
Meester vriendelijk voor hem en bleef de Afghaan vijandig. Uiteindelijk kwam de Afghaan aan de deur van de
Meester en viel berouwvol en huilend aan Zijn voeten.
“Vergeef me meneer” riep hij. “ Ik heb u tweeëntwintig jaar kwaad gedaan. Tweeëntwintig jaar bent u goed
voor me geweest. Nu weet ik dat ik het verkeerd heb gedaan.” De Meester vroeg hem om op te staan en ze
werden vrienden.
Als we deze twee verhalen goed bekijken zien we dat het hart van de oude man in Korea en het hart van de
Afghaan het vermogen om lief te hebben op een inconsequente en lukrake manier ontwikkelden totdat ze er
achter kwamen dat hun vermogen om lief te hebben volledig werd geblokkeerd door hun vijandigheid. Ik
weet dat ik in mijn hart ook vijandige restanten meedraag van beiden oude mannen. Ik hou mijn vijandige
gedachten elke dag in de gaten. Ze zijn dicht onder de oppervlakte aanwezig; en als ik niet alert blijf kunnen
ze me verhinderen om me kwetsbaar en vertrouwelijk op te stellen.
We moeten op de een of andere manier oog krijgen voor het feit dat:
- vijandigheid wordt geboren uit woede over onrechtvaardigheid
- dat de grondoorzaak van immoraliteit onwetendheid is
- dat onverzadigbare behoefte vooraf is gegaan door extreem gemis
Als we dat weten kunnen we rustig doorgaan met het opbouwen van een kwetsbare vertrouwelijkheid,
welbewust dat we pijn, afwijzing, vijandigheid of een aanval te verduren kunnen krijgen. Er is geen andere
manier. “Gij ziet de harten vervuld van haat en het is aan U om dit te verhullen, o Gij Verheler van de
zonden der werelden. Als de zwaarden flitsen, ga voorwaarts! Als de pijlen vliegen, ruk op! O Gij
Offer der werelden!”7,8
Vertrouwelijkheid en identiteit.
Vertrouwelijkheid is de diepste persoonlijke behoefte die we kennen en het is een geestelijke behoefte.
Wij verlangen ernaar om op zo’n manier met anderen samen te zijn dat onze geesten elkaar aanraken en
onze identiteiten samensmelten zonder in elkaar op te lossen. In vertrouwelijkheid wordt de ruimte, die ons
van elk ander menselijk wezen gescheiden houdt, overbrugd. Dan zijn de gevoelens van gescheiden zijn,
van onbekwaamheid en behoeftigheid, die we vanaf onze geboorte hebben, voor een poosje verdwenen.
Als vertrouwelijkheid een belangrijk bestanddeel is van het onderrichten van het Geloof, dan geldt dat ook voor
het begrijpen van wat identiteit is. Want we kunnen geen vertrouwelijkheid scheppen zonder onze eigenheid te
laten zien. Eén van de definities van het woord “integriteit” luidt: het krachtig vasthouden aan een morele
gedragscode, en dit is speciaal van toepassing op het vermogen van identiteit, het vermogen om jezelf te zijn..
Eenheid van identiteit betekent dat je in staat bent om alle samenstellende delen van de identiteit te integreren,
tot een geheel te maken: je denkt, voelt, gelooft, fantaseert, zegt, verlangt en doet, in gehoorzaamheid aan
het Verbond van Bahá’u’lláh dat over al deze delen regeert.
Identiteitsstoornissen die obstakels vormen.
Een rigide identiteit, een meervoudige identiteit, een identiteitsconflict en een ontmoedigde identiteit zijn de
eerste vier obstakels.
Sommige mensen denken dat hun identiteit vaststaat. Die veronderstelling is onbewust en het verhindert hen
om zich zelf echt open te stellen, niet alleen voor vreemdelingen in onze eigen cultuur maar ook voor mensen
van een andere culturele of religieuze achtergrond. Als we echter begrijpen dat de identiteit of het zelf een
vermogen van de ziel is, dan kunnen we hieruit afleiden dat zij zich zal kunnen blijven ontwikkelen in deze
wereld en in de volgende. “Wat is het verschil tussen “eenheid van identiteit” en een “vaste (rigide)
identiteit”? Een rigide identiteit staat niet open voor meerdere gezichtspunten en gelooft vaak dat je
identiteitszelfmoord pleegt als je zelfs maar een andere cultuur onderzoekt.
Blinde trouw aan tradities, die niet onderzocht en bevraagd worden, levert een rigide identiteit op. Gesloten
groepen en religies, exclusieve organisaties hebben rigide identiteiten.
Het rigide, onveranderlijke zelf dat stabiel en duurzaam is, heeft geen behoefte aan verdraagzaamheid omdat
hij of zij geen gemeenschapsleven of relaties aangaat die buiten de grenzen van het traditionele en
goedgekeurde vallen. Zo iemand heeft een levenslang gegarandeerde identiteit en een totale stabiliteit want
die identiteit staat vast. Hij of zij kan echter heel boos en haatdragend zijn en manipuleren en controleren om
de stabiliteit te handhaven.
Bij eenheid van identiteit wordt het zelf gezien als een proces dat nieuwe inzichten, nieuwe ervaringen en
gelegenheden om in relaties verdraagzaamheid en flexibiliteit te oefenen nodig heeft en verwelkomt. Het laat
ook meerdere gezichtspunten toe.
Een ander obstakel voor vertrouwelijkheid, zowel binnen als buiten het Geloof, is dat heel veel mensen
opereren van uit meerdere identiteiten. Ik heb het dan niet over ”Multiple Personality Disorder”, maar over de
neiging om de identiteit van iemand anders te observeren en klakkeloos over te nemen of een denkbeeldige
identiteit te spelen.
‘Abdu’l-Bahá stelt: ”Moge allen bevrijd worden van de veelsoortige identiteiten die voortkomen uit
hartstocht en begeerte en een nieuw leven vinden in de eenheid van hun liefde voor God” 10 Eén
interpretatie van wat ‘Abdu’l-Bahá hier zegt is dat deze “veelsoortige identiteiten” met hun veelsoortige
verlangens en hartstochten zich met hun innerlijke ware zelf moeten vastklemmen aan Bahá’u’lláh’s
Openbaring om eenheid van vorm en doel te vinden.
Individuele bahá’ís worden nog door een overvloed van identiteiten bevolkt die elk hun eigen conflicterende
emoties, hartstochten en doelen hebben. Omdat we het vermogen bezitten om alles wat we voor ons zien te
weerspiegelen, inclusief andere identiteiten van de televisie, uit boeken of uit het echte leven, is het mogelijk
om meerdere identiteiten te hebben. In een autoritaire maatschappij spiegelen we kritiekloos en worden
traditionalistische robots omdat de macht om te kiezen in handen van een extern gezag was. In de
democratische maatschappij dachten we dat democratie betekende dat we de vrijheid hadden om carte
blanche te weerspiegelen en elke aanleg die we hadden, zonder onderscheid, te ontwikkelen. Maar aanleg en
gaven brengen verantwoordelijkheden met zich mee.
Het hoort bij mens zijn om dit te doen. Kinderen doen het, op die manier leren ze. Op drie jarige leeftijd slaan
ze een cape om en plotseling zijn ze Superman. Dat kan gevaarlijk zijn: mijn neefje van drie deed een cape om
en sprong van de tweede etage omdat hij echt dacht dat hij Superman was. Hij had de identiteit van kind, van
Superman, van Mighty Mouse en van elke televisie of sprookjesboek figuur die hij ooit had gezien. Hij had ook
een gebroken been!
Teenagers doen dit ook. Kijk maar naar de Madonna rage van een paar jaar geleden; en naar de volgelin-
gen van een willekeurige goeroe die bereid zijn om desnoods van het dak te springen, omdat ze zich van het
ene op het andere moment een unieke en opwindende identiteit willen aanmeten. Ik heb dit verschijnsel
beschreven als het ”spiegelprincipe” in mijn werk getiteld: ”De rol van het Spiegelprincipe en het Woord van
God bij het genezingsproces van mensen die in hun jeugd misbruikt zijn”.
En nu zijn er ook allerlei reclames die uitnodigen om “eens iemand anders te zijn”, om eens uit je vertrouwde
sleur te breken en opwindende andere identiteit aan te schaffen.
Maar als we over vertrouwelijkheid praten moeten we beseffen dat we alleen vertrouwelijk kunnen zijn met
het ware zelf dat zich diep in onze ziel bevindt.
De persoon die in de oude wereldorde veel identiteiten heeft ontwikkeld stort uiteindelijk in en wordt
verscheurd door dat hij in vele richtingen wordt getrokken. Het innerlijke evenwicht tussen macht en machte-
loosheid is verstoord geraakt. Maar het “zelf-in-proces” ,dat een eenheid van identiteit is geworden, heeft
echter een houvast dat “dienstbaarheid” heet en dat de kracht van het individu kan stabiliseren en in balans
brengen.
Bahá’u’lláh heeft ons weer onze wilskracht teruggegeven. Laten we ons niet vergissen, alle delen van een
meervoudige identiteit hebben het vermogen tot emotie, redeneren, verlangen, evaluatie, kritiek en oordeel.
De inconsistentie van onze handelingen en ons gedrag komt voort uit het feit dat onze krachten versnipperd
en verward zijn; omdat we geen duidelijke, onbewolkte visie hebben waarop we ons
onderscheidingsvermogen kunnen baseren en vervolgens onze wilskracht gebruiken. Geen wonder dat er
zoveel gebeden voor onthechting in ons gebedenboek staan.
Hoe meer we eenheid van identiteit zoeken door ons diepgaander met de Geschriften bezig te houden, door
gebed en dagelijks rekenschap af te leggen aan onszelf, hoe meer van onze veelvoudige identiteiten uit de
weg geruimd worden. Het waren in feite de enige identiteiten die we kenden, wat ze ook waren:
geseksualiseerd, afhankelijk/passief, frivool, brutaal, grenzeloos avontuurlijk, mateloos materieel, voortdurend
op jacht naar zelfverwezenlijking, gewelddadig, slachtoffer, of in de war over je sekse.
Onze ware identiteit, ons diepste ware zelf wordt hervormd, opnieuw opgebouwd, hersteld en zal bekrachtigd
worden om de eenheid met anderen tegemoet te gaan.
Het ware zelf was tot de rand toe gevuld met die naar hartstocht smachtende en op hartstocht gerichte
identiteiten. Het kan dan niet consequent werken aan de ontwikkeling van de talenten die belangrijk zijn voor
de maatschappij en voor een immer voortschrijdende beschaving.
Bahá’u’lláh spoort ons krachtig aan: “ Scheur in Mijn Naam de sluiers vaneen die u het zien ernstig
belemmeren en vernietig door de kracht die uit uw geloof in de eenheid van God is geboren, de
afgoden van nutteloze verbeelding. Treedt dan het heilige paradijs van het welbehagen van de
Algenadige binnen. Heilig uw ziel van al hetgeen niet van God is en smaakt de zoetheid der rust in de
schoot van Zijn onmetelijke en machtige Openbaring en onder de schaduw van Zijn oppermachtig en
onfeilbaar gezag. Laat u niet in de dichte sluiers van zelfzuchtige begeerten wikkelen, aangezien Ik in
een ieder van u Mijn schepping heb volmaakt, opdat de voortreffelijkheid van Mijn werk volledig aan
de mensen kan worden geopenbaard”. 11 (bloemlezing pag. 88, LXXV)
We kunnen de zoetheid van de rust alleen smaken in een staat van eenheid. ‘Abdu’l-Bahá roept ons op om
daarvoor te bidden: “O God! Maak de tekenen van uw eenheid zichtbaar die in alle werkelijkheden van
het leven gelegd zijn” 12
Dit is het tegengif voor de veelvoudige identiteiten waardoor we onszelf uitputten.
De dienaar of dienares die met liefde voor God is bezield, geeft niet meer toe aan de vele en verwarrende
verlangens die de individuele, razende dans van het “zelf” vormen en gaat, met hemelse aanvaarding, op in
de grotere dans van de gemeenschap, terwijl hij de eigen talenten en schatten van zijn ziel koestert. Dit is
een voorbeeld van hoe de individualiteit van het Westen integreert met het collectivisme van het Oosten.
Een niet geïntegreerde identiteit kan ons verhinderen om doelmatig te onderrichten en om degenen, waarmee
we de leringen van Bahá’u’lláh willen delen, te helpen met het helen van hun identiteit. Een niet geïntegreerde
identiteit kan ook een identiteitsconflict genoemd worden, het derde obstakel voor vertrouwelijkheid:
-ons gedrag is in strijd met onze overtuigingen;
-onze overtuigingen zijn in strijd met onze gevoelens;
-onze verlangens zijn in strijd met wat we met onze woorden belijden;
-onze fantasieën zijn in strijd met de principes van het bahá’í-geloof.
We leven werkelijk in een identiteitsconflict omdat er geen fundamentele overeenstemming is, in de vorm van
een stabiliserende code van morele waarden, tussen al deze van elkaar afhankelijke en verschillende
onderdelen van onze identiteit. Met andere woorden, we kunnen onszelf niet als een geheel beschouwen
voordat alle samenstellende delen van onze identiteit stevig verenigt zijn rond een code van morele waar-
den. Daarin ligt een andere betekenis of een ander niveau van het eenheidsprincipe dat heel Bahá’u’lláh’s
openbaring doortrekt. Wanneer we individueel een verenigde, integere identiteit bezitten, dan kunnen we
collectief een eenheid bereiken die ons in staat stelt om ons op een doel, bedoeling of handeling te
concentreren, zowel in onszelf als in gemeenschap met anderen. En dit geeft ons de mogelijkheid om tot die
sfeer van vertrouwelijkheid te komen die van ons gevraagd wordt.
Het vierde obstakel voor vertrouwelijkheid is een ontmoedigde identiteit. We zijn bang om iets van onszelf te
verliezen en dat geheimzinnige, ongrijpbare iets is macht, en daarmee evenwicht. Ons psychologische
evenwicht wordt in stand gehouden door onze macht, onze autonomie. Als we bijvoorbeeld in een relatie
afstand doen van onze wilskracht, dan wordt de relatie onevenwichtig en eenzijdig. Als we afzien van ons
denkvermogen of van het vermogen tot verstandelijk onderzoek van de waarheid, krijgen we een relatie
waarin we niet kunnen groeien en ontwikkelen.
Het hoogste niveau van vertrouwelijkheid - geestelijke kwetsbaarheid- is onmogelijk als we geen kracht meer
hebben. Elke poging tot eenheid en vertrouwelijkheid zou uitlopen op het afstand doen of het ontkennen van
onze eigen vermogens. Wat een tragisch risico! We zouden geen vertrouwen meer hebben. Het zelf zou
zich terugtrekken en in isolement en vervreemding terecht komen.
Kritiek: het vijfde obstakel.
We kunnen macht kwijt raken door kritiek op ons ware zelf. Kritiek vernietigt of fragmenteert de identiteit van
het individu. Ik geloof ook dat kritiek een van de hoofdoorzaken is van rigide, meervoudige en conflicterende
identiteiten.
Kritiek veroorzaakt nog iets anders. Kritiek vernietigt het relationele, de gemeenschap. Dit betekent dat
kritiek eigenlijk bijdraagt aan de vorming van de “individualist” die zou kunnen zeggen: “Ik bied mezelf aan
zoals ik ben, het enige wat ik heb. Als je mijn echte ik afwijst door er kritiek op uit te oefenen, heb ik alleen
nog maar een gefantaseerd of een vals ik voor je, en daarmee trek ik mijn ware wezen uit de gemeenschap
terug en verberg het. Maar als ik me uit de gemeenschap terug trek moet ik wel waarden en regels voor me
zelf scheppen of waarden aannemen die individualistisch in plaats van collectief zijn. Ik moet wel waarden en
regels voor me zelf scheppen omdat de geest van nature behoefte heeft aan regels.”
Als we een “relatie in eenheid” definiëren als:
Een principe waarbij twee of meer personen als één en dezelfde worden herkend of beschouwd;
of als een verbinding tussen mensen die voorkomt uit de natuurlijke band van de eenheid der mensheid,
dan is kritiek een breuk in die eenheid; het verbreekt de band die verbindt.
Bahá’u’lláh verbiedt ons om andere religies te bekritiseren omdat kritiek een breuk is in het verbond van
eenheid. ”Wij hebben eertijds verklaart - en Ons Woord is de Waarheid - “Verkeer met de
volgelingen van alle religies in een geest van vriendelijkheid en kameraadschap”. “Al hetgeen de
mensenkinderen ertoe geleid heeft om elkaar te schuwen en wat onenigheid en scheiding tussen
hen heeft veroorzaakt is door de openbaring van deze woorden afgeschaft en teniet gedaan”. 13
We moeten de delen van onze identiteit en die van de gemeenschap, die bekritiseert werden in plaats van
bekrachtigd, genezen om vertrouwelijkheid te kunnen bereiken. Daarom is het belangrijk om het begrip
identiteit goed te vatten en het is de reden waarom ik doordringende, beschrijvende taal heb gebruikt om het
begrip identiteit te definiëren. We moeten de kritiekfactoren uitroeien, ons bewust worden van onze kritiek op
onszelf en anderen, zodat ons ware zelf, onze identiteit die naar God’s beeld gemaakt is, de zetel van onze
talenten, tot nieuw leven zal komen en zich onbevreesd in dienst van Zijn Zaak zal stellen. Als we bijvoor-
beeld een ander mens bekritiseren handelen we in strijd met de leringen van Bahá’u’lláh en staan we
vertrouwelijkheid in de weg. Misschien kleineren we in ons ongeduld het authentieke niveau van ontwikkeling
van mensen; onze kritiek wordt onze mening over de ander; en dan hebben we eerder gevoelens gekwetst
en vervreemding veroorzaakt dan dat we hen in onze kring van intieme vrienden hebben binnen- gehaald.
Tijdens een verdiepingscursus over het Onderzoek van de Werkelijkheid te Green Acre, werden de volgende
vijf stappen voorgesteld voor de verbetering van moeilijke relaties:
1. Bid oprecht voor de persoon waar het om gaat
2. Zie je zelf als een dienaar van God - bid voor die ander.
3. Zie de andere persoon als een dienaar van God en blijf bidden voor die ander, als een dienaar van
die dienaar van God.
4. Verricht welgemeende daden van dienstbaarheid ten behoeve van die persoon, voor hem of haar of
uit naam van hem of haar, openlijk of in stilte.
5. Als je, nadat je deze stappen hebt gezet, voelt dat het goed is om met de ander open te praten over
een oplossing van jullie moeilijkheden, dan is de weg geplaveid. In veel gevallen zullen de problemen
zich al van zelf hebben opgelost. In andere gevallen kan het meer tijd kosten om zover te komen.
“Wees geduldig, want Uw Heer is geduldig”.
We kunnen de ander niet bekritiseren en dienen tegelijk. We kunnen hen niet bekritiseren en ons Geloof met
hen delen en dan verwachten dat ze de geestelijke kwetsbaarheid van het hoogste niveau van
vertrouwelijkheid zullen bereiken. Die twee soorten gedrag staan haaks op elkaar. Dan is ons gedrag in strijd
met onze overtuigingen. Kritiek verjaagt vertrouwelijkheid. Andere mensen als “anders” beschouwen ook. En
als je iemands levenservaring of werkelijkheid kleineert door er geen aandacht aan te schenken, dan verjaag
je de vertrouwelijkheid ook.
Om de bahá’í-gemeenschap te laten groeien moeten we naar een nieuw niveau van vertrouwelijkheid en
een beter en omvattender begrip van wat kritiek is. Omdat kritiek leidt tot het schuil houden van het zelf.
Onze kritiek op mensen die zoekend zijn veroorzaakt dat zij hun wezen niet openen. Kritiek is vaak sociaal
geaccepteerd, als zorgvuldig gerechtvaardigde kwaadwilligheid die een levenslang smeulende wrok en
bitterheid camoufleert die nooit in het bewustzijn is toegelaten. We zien het gedrag van anderen door de
mentale filter van onze bitterheid, wrok en vooroordeel en we bekritiseren hen. Kritiek is een sluier, een
mentale filter die ons afsluit van de schoonheid van God’s dienaren.
Als wij, als geestelijk volwassen bahá’ís denken dat wij daar niet aan mee doen, dan hoeven we alleen maar
eens naar ons zelf te kijken als we achter het stuur van onze auto zitten. Kritiek leveren op de bestuurder van
een andere auto is sociaal geaccepteerd. We kunnen bijvoorbeeld onverwacht woedend worden op de
persoon die zijn haar zit te kammen in plaats van door te rijden als het licht op groen springt. Of we worden
bijzonder ongeduldig als de auto vóór ons langzamer gaat rijden zonder dat we kunnen ontdekken waarom.
Kritiek komt ogenblikkelijk , zonder na te denken. Net als passieve agressiviteit, maskeert deze kritiek ons
onbewuste verlangen naar wraak of genoegdoening voor een onrechtvaardigheid uit het verleden. Ook
opbouwende kritiek kan gebruikt worden om onze verborgen motieven te rechtvaardigen.
Maar Bahá’u’lláh roept ons op tot ”Hoor geen kwaad en zie geen kwaad, verlaag uzelf niet, noch zucht
en ween. Spreek geen kwaad, opdat het niet tegen u gesproken wordt en overdrijf niet de fouten van
anderen, opdat uw eigen fouten niet groot lijken. Wens niet de vernedering van een ander, opdat uw
eigen vernedering niet blootgelegd wordt. Leef dus de dagen van uw leven , die korter zijn dan een
vluchtig ogenblik, vlekkeloos van geest, rein van hart, met zuiver gedachten en een geheiligde
aard......”14
We moeten weerstand bieden aan de natuurlijke neiging om onze aandacht op fouten te richten. Ieder van
ons is onmetelijk ver van “volmaakt zoals onze hemelse vader volmaakt is” en de taak om ons leven en
karakter te vervolmaken vereist al onze aandacht, wilskracht en energie. Als we onze aandacht en energie in
beslag laten nemen door pogingen om anderen op het rechte pad te houden en hun fouten te herstellen dan
verknoeien we kostbare tijd.
De oorzaken van kritiek.
Wat weten we van kritiek af? We weten dat het verbonden is met negativiteit. Het is het letten op en het
veroordelen van andermans fouten; het komt voort uit de hiërarchische systemen van autocratisch en
autoritair gezag, waarin de onderdaan of de mindere wordt beoordeeld door de meerdere. Degene die de
kritiek uitoefent heeft een hogere status dan degene die de kritiek krijgt. 16
Als je in een milieu bent opgegroeid waarin in iemand met gezag jou op een van de volgende 10 manieren
heeft bekritiseerd, dan begrijp je wel dat mensen die onderdrukt werden hun innerlijk niet tonen. 17. Je zult
ook je eigen sterke verlangen om je te verschuilen en vertrouwelijkheid te vermijden begrijpen.
1. Het alles-of- niets denken. Je ouders zeiden : “jij moet alles zijn wat ik van een kind verwacht, anders
ben ik een mislukking en jij bent opstandig en ongehoorzaam” Dit is perfectionisme. Het is onterechte
kritiek want elk mens heeft het recht op zijn of haar eigen identiteit, de zetel van de talenten waarmee hij
is begiftigd.
2. Te veel generalisaties: De persoon met gezag zei: “Jij verzet je altijd! Je luistert nooit naar me! Door dit
soort kritiek schoot je altijd in de verdediging want je wist dat je je niet altijd verzette en dat je soms wel
luisterde. Dit was onterechte kritiek. Wees alert op de keren dat je zelf ook dingen over het gedrag van
anderen zegt als “ hij altijd” , “zij nooit”.
3. Geen waarde hechten aan het positieve: de gezagspersoon hecht geen waarde aan alle positieve
eigenschappen van je gedrag en je karakter. Dit soort kritiek leerde je zelfkritiek.
4. Overhaaste conclusies trekken: Het was de gewoonte van je ouders om overhaaste conclusies te
trekken zonder de feiten te kennen als ze jou keuzes en gedrag bekritiseerden. Dit gebeurde al
generaties lang in jullie familie waarin aan de leden altijd het recht om onafhankelijk de werkelijkheid te
onder- zoeken was onthouden.
5. Mentale filter: Jouw ouder had een mentale filter waardoor het beeld van zijn of haar eigen negatieve
levenservaring over jouw echte identiteit en karakter werd heen gelegd. Hij of zij bekritiseerde je onte-
recht omdat ze karaktertrekken in je zagen die je gewoonweg niet had. Het waren projecties van hun
eigen onbewuste, onverwerkte en onopgeloste zaken.6. Overdrijven en kleineren / Er een ramp van
maken: Jouw ouder overdreef je fouten altijd en als hij of zij je bekritiseerde was het alsof je nauwelijks
goede eigenschappen bezat. Ze voorspelden ook altijd het allerergste als je een fout maakte. Je hebt
daardoor misschien de neiging om altijd het ergste te verwachten als je iets nieuws probeert, en je hebt
dan voortdurend kritiek op jezelf. Wij hebben ook kritiek op de beslissingen van de Plaatselijke Geestelijke
Raad en verwachten vaak een rampzalige afloop.
7. Moetens: De gezagsfiguur bekritiseert je door je te vertellen dat “je een betere zoon of dochter zou
moeten zijn omdat ik alles voor je heb gedaan”. Je “zou moeten” en “je moet “ gebruiken we vaak als we
kritiek op onszelf hebben. En natuurlijk gebruiken we die termen ook naar de andere bahá’ís toe.
8. Emotioneel redeneren: De gezagsfiguur bevorderde emotioneel redeneren door je voor schut te zetten
en de schuld te geven als hij je bekritiseerde. Het gevolg is dat je je nu schuldig kunt voelen om iets wat
onmogelijk jouw fout kan zi jn, want je gelooft dat het eigenlijk door jouw gevoelens is veroorzaakt. Je
redeneert met je gevoelens.
9 Etiketteren: Jouw ouder bekritiseerde je door je een negatief etiket op te plakken. “ Je bent dik, lui,
ondankbaar, achterlijk, stom, opstandig, ongehoorzaam, waardeloos, egoïstisch, sloom, enz.
10 Subjectieveren: Een ouder stelde jou altijd verantwoordelijk voor hun woede aanval, voor het uiteen
vallen van de familie, voor hun ziekte, hun echtscheiding, hun verlies aan prestige, dus kreeg jij de schuld
voor alles wat fout ging. Dat is de reden dat jij altijd kritiek op jezelf hebt en jezelf overal de schuld van
geeft. Zo ligt de gewoonte om dat ook bij anderen te doen voor de hand.
Deze cognitieve vervormingen, overgenomen in aangepaste vorm uit het boek van Dr. David Burns “Je goed
voelen: De nieuwe stemmingstherapie” zijn de oorzaken waardoor velen kritiek op zichzelf en op anderen
hebben. We moeten ons bewust worden van de herkomst van die kritische gedachten om ons ervan te
kunnen bevrijden. Aangezien de meerderheid van ons wel op één van die tien manieren is bekritiseerd, is
het begrijpelijk dat er spanning en angst bij ons opkomt als we kritiek krijgen. We voelen het aan als
onterecht en dat is het ook, omdat het een verdraaiing van de waarheid is. Telkens als we onszelf de
vrijheid geven om te zeggen wat wij van iets vinden en we doen dat zonder liefdevol inzicht, hebben we te
maken met zowel een gebrek aan liefde als ook een gebrek aan waarheid.
Omdat het hele beeld altijd groter is allerlei variabelen en nuances bevat, van zowel bekwaamheid als
onbekwaamheid, ontwikkeling , gebrek aan ontwikkeling, familietrekjes, gebrek aan geweten, jeugd, leeftijd,
gezondheid, innerlijk voornemen en God’s wil, veel meer dan alleen maar een plaatje van goed of verkeerd.
Eigenlijk is de waarheid niet altijd zichtbaar. Soms is hij verborgen en kan alleen worden ontdekt door
vriendelijkheid, liefde, hoffelijkheid en wijsheid in een sfeer van vertrouwen met degenen die we zouden
willen bekritiseren.
Het zesde obstakel: Kritiek: de wortels van roddel en achterklap.
Het spreekt vanzelf dat als we geen kritiek op anderen leverden, we niets zouden hebben om over te
roddelen. De Nationale Geestelijke Raad van Canada besprak het onderwerp roddel en kritiek in een brief
van 1969:
“Wij willen deze maand met u over een onderwerp spreken dat, ondanks de negatieve aspecten, van zeer
groot belang is voor de bahá’í-gemeenschap. Dit onderwerp is de wijdverspreide sociale ziekte die
Bahá’u’lláh “achterklap” noemt..
De grote moeilijkheid in al dit soort kwesties is dat we dienen te kijken “met Zijn ogen” en niet met die van ons.
Als de Geneesheer van de ziel herschept de Manifestatie van God niet alleen morele waarden, maar plaatst
deze waarden ook in een nieuwe volgorde van belangrijkheid die overeenkomt met onze diepste geestelijke
behoeften. Het is te verwachten dat deze waardeschaal verschilt van de waarden waarin de niet- bahá’í
samenleving ons persoonlijke geweten heeft getraind. Onze geestelijke ontwikkeling hangt af van
onze bereidheid om onszelf geleidelijk aan los te maken van de maatstaven van het verleden, hoe eeuwig of
“juist” deze ook mogen lijken, en de nieuwe maatstaf in ons wezen op te nemen.
De meesten van ons kennen de uiterst strenge bewoordingen waarin Bahá’u’lláh het roddelen verbiedt. Hij
zegt dat het een geestelijk kwaad is dat “ het licht van het hart dooft en het leven van de ziel uitblust”.
Er zijn slechts één of twee andere onderwerpen waarover Hij ook zó streng sprak We moeten in gedachten
houden dat deze woorden geen dreiging betekenen; ze vormen eerder een dringend advies van de Goddelijke
Geneesheer Die alleen “de ziekte waarneemt en het geneesmiddel voorschrijft”. Hij vertelt ons dat, wat
voor geestelijke ziekten onze tijd ook kent, er enkele ziekten fataal zijn en dat onwetendheid het grootste
gevaar voor ons betekent.
Niet alleen het individu wordt bedreigd door roddel. In een samenleving zoals de bahá’í-gemeenschap, die
gebaseerd is op eenheid, heeft voortdurende kritiek op anderen tot gevolg dat het wezen van het gemeen-
schapsleven vernietigd wordt. De kracht van de bahá’í Zaak ligt er juist in dat we, uit liefde voor Bahá’u’lláh,
gewillig ons diepgeworteld wantrouwen jegens onze medemensen opgeven. Door dat te doen, staan we onze
medegelovigen toe om de geestelijke wezens te worden die ze in werkelijkheid zijn. Dit proces wordt door
roddel aangetast. Net als bepaalde drugs die, naar men zegt, de genetische code in de lichaamscellen
aantasten, verdwijnt door roddel het wederzijdse vertrouwen waar het gemeenschapsleven op rust.
De schadelijkste van alle vormen waarin roddel zich voordoet is misschien wel het bekritiseren van de
bahá’í-instellingen. Het vertrouwen van de gelovigen in hun Nationale en Plaatselijke Raden is de levens-
adem voor deze centrale organen van de gemeenschap. Uiteindelijk zal ons succes in de vestiging van
Bahá’u’lláh’s Koninkrijk op aarde afhangen van ons vermogen om ons met hart en ziel aan de beslissingen
van deze goddelijk-geleide instellingen toe te vertrouwen.
Kennelijk kunnen we niet verwachten dat we onszelf van de ene op de andere dag genezen, zeker niet in de
huidige maatschappij. De oplossing is ook niet te vinden in een algemene censuur campagne. We worden
eerder opgeroepen om te beginnen met de training van ons persoonlijk geweten, vriendelijk, geduldig,
liefdevol maar wel krachtig en volhardend.
In wezen is roddel het bekritiseren van anderen. Het is niet relevant of de kritiek wel of niet waar is. Het is
ook niet relevant of de kritiek gemeen bedoeld was. De kritiek zelf veroorzaakt de schade.” 19
Aangezien de tien cognitieve stoornissen de basis vormen van de negatieve kritiek die ons is aangeleerd,
kunnen we redelijkerwijs veronderstellen dat we nog niet alle sporen ervan uit ons denken en uit ons
overtuigingensysteem hebben gewist, als het gaat om de manier waarop we anderen beoordelen. ‘Abdu’l-
Bahá zei: “ De mensen moeten daarom volkomen bevrijd worden van hun oude denkgewoonten opdat al hun
aandacht op deze nieuwe principes gericht kan zijn, want deze zijn het licht van deze tijd en de geest van
deze eeuw.” 20
Wij moeten het overtuigingssysteem van kritiek uit ons wezen uitroeien; onze hoop om nieuwe zoekers aan te
trekken rust er op. Kritiek leveren mag in veel samenlevingen normaal zijn maar het is niet ‘Abdu’l-Bahá.’s
manier. We hebben een duidelijk beeld nodig van wat we ervoor in de plaats kunnen doen.
De kritiekvervangers van de Nieuwe Wereld Orde.
Kritiek wordt op een oude-wereldorde - manier gedefinieerd en is een oude- wereldorde- ervaring. We
hebben een nieuwe manier nodig om anderen te helpen in hun transformatie, om kinderen te corrigeren
zonder angst op te roepen en te ontmoedigen. Komt er een nieuwe manier uit de bahá’í-geschriften naar
voren?
Tijdens mijn onderzoek ontdekte ik dat het woord “kritiek “ van het Griekse woord “ kritikos” komt, dat weer
afstamt van het woord “kritane”, wat onderscheiden betekent. En hierbij had ik een “Aha Erlebnis”. Het
onderscheidingsvermogen, één van de vermogens van de verheven Talisman, wordt in de bahá’í-geschriften
genoemd.
Ik definieer onderscheidingsvermogen als:
het in staat zijn om het verschil op te merken tussen goed en kwaad, tussen graden van volmaaktheid en
onvolmaaktheid, tussen licht en duisternis en tussen waarheid en dwaling,
en dit onderscheid kunnen aanwenden om keuzes te maken die geestelijke waarden of het Verbond van
Bahá’u’lláh weerspiegelen.
‘Abdu’l-Bahá bevestigt dit concept: “....de hulpeloze massa’s die niets van religie weten of van haar
wetten en grondprincipes en daardoor geen onderscheidingsvermogen bezitten” 21
Als je verkeerde informatie krijgt, of je krijgt de feiten niet te horen, of anderen maken voor jou de keus, dan
kun je je onderscheidingsvermogen niet ontwikkelen. Scherpzinnigheid moet in de kindertijd worden
aangemoedigd, geleid en voorgeleefd, totdat dit vermogen aan ons wordt overgedragen als we volwassen
geworden zijn. We maken ons het vermogen tot onderscheid eigen door overdenking en wilskracht en vaak
met vallen en opstaan. Dan wordt het een innerlijk vermogen of proces.
Om het oude wereldorde concept van bekritiseren te vervangen stel ik het gebruik van “het
onderscheidingsvermogen“ voor, in combinatie met deze zes componenten:
1. Het onderscheidingsvermogen
2. Zelfonthulling
3. De werkelijkheid van de ander binnentreden: zonder macht en met hoffelijkheid en ver
4. Luisteren- opnieuw inkaderen- grootmoedig
5. Bevestiging
6. Gerechtvaardigde lof
7. Een dienaar voor de ander worden: zorgen voor groei ervaringen.
Het onderscheidingsvermogenWat doet het onderscheidingsvermogen voor ons? Het schept een rustig
besef in de toehoorder, omdat het opgemerkte met waardering wordt aangeboden in plaats van met
veroordeling of afkeuring. Het bevestigt ons op onze eigen weg omdat het ons help om ons te richten op de
innerlijke intentie die met onze gaven is verbonden. Het erkent de vaardigheid die zichtbaar is om bewust te
worden van de vaardigheid die verborgen is. Het kijkt naar de behoefte die zich uit in onbewust
zelfvernietigend gedrag om het vermogen dat verborgen of onontwikkeld is bewust te maken. Het is de
bemoediging van inherente, maar verborgen, vermogens en krachten. Het schept een ruimer bewustzijn en
neemt angst weg.
Ik herinner me dat een lid van het Universele Huis van Gerechtigheid me schreef over een manuscript wat ik
nog aan het ontwikkelen was. Ik was niet bang voor zijn onderzoek van een concept dat duidelijk nog eens
opnieuw doordacht moest worden! Hij gaf geen afbrekende kritiek. Ik voelde dankbaarheid in plaats van
schaamte. Ik zag in welke richting ik mijn energie en gedachten kon leiden en had niet het gevoel alsof ik de
boot en daarmee het applaus had gemist. Wanneer iemand zijn onderscheidingsvermogen voor ons inzet
dan werkt dat bemoedigend en bekrachtigend, het geeft energie. Het resulteert in zekerheid. Het scheid met
kennis van zaken en met hoffelijkheid het authentieke, maar nog in ontwikkeling achtergebleven, gedrag van
iemand van de voortreffelijkheid die in die persoon verborgen ligt. Daarin ligt de kans om anderen te helpen
om hun inherente goedheid zichtbaar te maken en te versterken. (Ik ben niet mijn gedrag. Ik ben meer dan
dat.)
Denk maar eens aan twee soorten coaches. De ene is de stereotiepe coach die zijn jonge speler uitscheldt,
hem vernedert en elke positieve actie van hem kleineert en zijn fouten overdrijft, omdat hijzelf persoonlijk
geïnteresseerd is in competitie en winnen en een alles of niets mentaliteit heeft die zegt “Als je niet wint heb
je gefaald”
Stel je nu het type coach voor die echt in dienst staat van de atleet. De dienaar/coach prijst de speler en
gebruikt zijn scherpzinnigheid om een groter bewustzijn te bewerkstelligen van elke beweging van de hand of
de voet, elke positieve vaardigheid te erkennen, de aandacht van de atlete te richten op elke positieve
kracht omdat hij weet dat het voor haar de juiste houding is om zicht te kunnen concentreren en te herhalen.
Zij weet waar ze aan moet werken. Zij rent en springt en beweegt met aanmoediging.
Een jonge bahá’í-vriend van me heeft een maandelijkse uitkering omdat hij gehandicapt is. Hij staat rood bij
de bank. Stel je zijn ongeloof en wanhoop voor als hij ontdekt dat de cheque, die hij op vrijdag na drieën
heeft gebracht, niet meer voor maandag op zijn rekening is bijgeschreven. Als hij de bank om uitleg vraagt
wordt hem gezegd dat hij zijn rekening beter moet bijhouden, wat inhoudt dat de fout helemaal bij hem ligt. De
bankbediende kon ook zeggen dat “ de regels en procedures van de bank soms onrechtvaardig kunnen
lijken, maar dat we u graag willen helpen om ze beter te begrijpen bij de volgende transacties” Of “ dit
overkomt andere mensen ook en dit kunt u doen om het de volgende keer te voorkomen”.
In plaats daarvan wordt hij bekritiseerd en aangepakt; hij is kwaad en kan het niet aan zijn familie vertellen
omdat in het verleden een paar familieleden hebben geprobeerd om hem in een inrichting te krijgen om dat ze
hem achterlijk en onbekwaam vonden. Dit is duidelijk ten onrechte; we kunnen deze bahá’í dienen door de
onrechtvaardigheid en zijn boosheid te erkennen. We kunnen hem helpen met de onthulling van het feit dat dit
ook gebeurt bij mensen die niet gehandicapt zijn, dat het ons ook overkomt! We kunnen hem
onvoorwaardelijk prijzen voor de moeite die hij doet om zijn rekening op orde te houden.
Hoewel, naast ons aarzelende verlangen om te bevestigen, om zijn werkelijkheid te betreden, onszelf aan
hem te onthullen en hem dienstbaar te zijn, kunnen ons tegelijk gedachten door het hoofd schieten als: “Zou ik
borg voor hem moeten staan? Is hij echt competent? Hij zou toch in elk geval naar zijn familie moeten gaan;
zo erg zullen ze toch niet zijn? Dit is eigenlijk mijn verantwoordelijkheid niet. Hij zou niet zoveel geld uit moeten
geven.” Onze identiteit is duidelijk verdeeld tussen een overtuigingensysteem dat gebaseerd is op oude
wereld principes van kritiseren en voor schut zetten versus het dienstbaar zijn door middel van bevestiging,
zelfonthulling, lof en onderscheidingsvermogen.
Als we een ander eerlijk de hand toesteken in gehoorzaamheid aan het Verbond, is dat niet meer een
superieur gebaar. We verwerven een identiteit als dienaar van God. Dit wordt door ‘Abdu’l-Bahá bevestigd in
het volgende citaat: “Mijn naam is ‘Abdu’l-Bahá. Mijn werkelijkheid is ‘Abdu’l-Bahá. Mijn identiteit is
‘Abdu’l- Bahá. Mijn verdienste is ‘Abdu’l-Bahá. Mijn eer is ‘Abdu’l-Bahá. Volkomen dienstbaarheid aan
de Gezegende Schoonheid is mijn luisterrijke en stralende diadeem en dienstbaarheid aan het hele
mensenras is mijn eeuwigdurende religie” ( Worldorder of Bahá’u’lláh, p. 139) En opnieuw spoort Hij aan
om “het voorbeeld van‘Abdu’l-Bahá te volgen in dienstbaarheid aan de Heilige en verheven Drempel”
(Tablets of ‘Abdu’l-Bahá, p. 164) En wie kan de intense kracht negeren of vergeten van het lied “Look at me,
follow me, be as I am”.
Zelf onthulling, een stap in de richting van vertrouwelijkheid.
Zelfonthulling is een noodzakelijke stap naar eenheid en vertrouwelijkheid omdat het zelfbesef schept in
zowel de luisteraar als de spreker. Bahá’ís moeten het licht van Bahá’u’lláh’s Boodschap meer gaan delen
door middel van zelfonthulling, in de wetenschap dat dit ook tot onthulling leidt. Het betekent dat we ons
laten zien zoals we echt zijn terwijl we voortdurend in dialoog blijven, waardoor vertrouwen ontstaat. Ik
vertelde bijvoorbeeld een persoonlijk verhaal aan een bahá’í die zich, als hij bij zijn familie is, heel erg
kwetsbaar voelt. Tijdens zijn bezoeken in de vakantie voelt hij hoe hij in een ongezonde sfeer wordt gezo-
gen; hij is boos dat hij automatisch in oude gedragspatronen vervalt; hij begrijpt niet hoe dat komt.
Ik vertelde hem dat het in mijn jeugd heel gewoon was om kinderen te manipuleren. Ik had dat nooit gedaan
met mijn kleinzoon Hunter, niet één keer in al die jaren dat ik voor hem had gezorgd. Tot ik met kerstmis
samen met hem bij mijn familie op bezoek was en hij niet met me mee wilde gaan om de familie van zijn
moeder te gaan bezoeken. Ik was omringd door familieleden en de familiegrapjes, had mijn plaats weer
ingenomen. In een moment van onbewuste ontspanning werd ik in het familiepatroon getrokken.
Hunter had als kerstcadeau een zwaard gekregen waar hij heel trots op was. Ik zei: “Hunter, misschien krijg
je bij Nana ook wel een zwaard”. Hij wilde onmiddellijk zijn jas aan. Ik hield
hem voor de gek en manipuleerde hem en ik schaamde me dood. Ik was ontzet door mijn eigen gedrag. Ik
vertelde dit verhaal aan mijn vriend omdat ik hem wou laten zien dat iemand waar hij om geeft en die hij
waardeert hetzelfde is overkomen.
We moeten bereid zijn om ons te laten zien met al onze gebreken en onvolkomenheden, in plaats van onze
tekortkomingen te verbergen. Als bahá’ís hun authentieke woede of onvolwassenheid verbergen voor de
genen waar ze vertrouwelijk mee willen omgaan, dan blokkeren ze in werkelijkheid juist het proces. We
moeten gewoon ophouden met onszelf als bovenmenselijke voor te doen. Ons als minder dan menselijk
voor doen is ook niet de oplossing. We kunnen ons wezen niet verstoppen. Als we vertrouwelijk willen
worden met iemand is het een noodzakelijke voorwaarde dat de bahá’í zich spontaan laat zien zoals hij is,
zodat de ander ook authentiek kan zijn. Als wij geen fouten hebben of een gelijksoortige ervaring of
werkelijkheid kunnen onthullen dan plaatsen we ons in een superieure positie en kun je er op rekenen dat
de anderen, die op zoek zijn naar een beter leven, zich de mindere gaan voelen.
Zelfonthulling opent in de ander de deur van inzicht. Zij horen over onze werkelijkheid en dat maakt hen
bewuster. En als de deur van inzicht is geopend, durven ze voor een moment te geloven dat hun stem
belangrijk is en gehoord zal worden; dat hun identiteit aanvaard zal worden in plaats van gekleineerd,
genegeerd of ontkracht.
Als we als kind niet geaccepteerd werden, vervreemden we van onze identiteit, ons diepste zelf. Uit behoefte
aan zelfbescherming verbergen we ons innerlijk en blijven geïsoleerd, ook in het gezelschap van anderen.
Zelfonthulling in de aanwezigheid van iemand die je vertrouwt en die jou aanvaardt, schept een zelfbesef dat
vroeger niet toegestaan of gekleineerd werd
Als het nieuwe zelfbewustzijn door anderen en door de Geschriften wordt erkend en bevestigd vormt het
een brug naar een bewust willen ervaren en helen van onze identiteit; het is in werkelijkheid de integratie
van haar uit elkaar geslagen delen. Het vormt ook een brug over de kloof die ons scheidt van het diepste
innerlijk van de ander. Onderrichten/delen met vertrouwelijkheid, echte vertrouwelijkheid is daardoor een
helende en transformerende ervaring.
Zonder dat zelfbesef dat voorkomt uit zelfonthulling, wat de bewustzijnsverruiming is waar ‘Abdu’l-Bahá ons
toe oproept, blijven we geïsoleerd, zelfs als we het Geloof onderrichten of in een Plaatselijke Geestelijke
Raad zitten. Er bestaat geen bewustzijnsverruiming zonder het spraakvermogen.
Wat vraagt het van me om het geheim van mijn identiteit of werkelijkheid aan jou te onthullen en voor jou om
jouw geheim aan mij te onthullen? Het is risicovol. Dit hoogste niveau van vertrouwelijkheid kan de omgang
op zielsniveau inhouden.
Het kan zijn dat we als kind geleerd hebben om onze behoeften, verlangens, overtuigingen of onze ware
identiteit, onze gevoelens en gedachten te verbergen, uit angst dat onze werkelijkheid zal worden
gekleineerd, bekritiseerd of verworpen. We kunnen elkaar echter niet begrijpen als we onze
levenservaringen buiten beschouwing laten. We moeten weten dat onze werkelijkheid vaak verkwanseld is
voor een lonende conformiteit, waardoor we leerden om onverschillig te zijn t.a.v. onze identiteit, onze
innerlijke intentie en onze behoeften.
De moeilijkheid van het Geloof “onderrichten” is dat we dan in feite bezig zijn om onze identiteit te
verbergen. Als we het Geloof met elkaar “delen” zijn we bezig met zelfonthulling. Een Perzische vrouw
heeft me verteld dat het Perzische woord voor onderrichten qua betekenis meer gaat in de richting van
ons woord “delen”. Wij onderrichten geen levenservaringen. Maar we delen hoe onze levenservaring
verrijkt is door de leringen van God, door middel van Bahá’u’lláh’s Openbaring, via God’s eigen
zelfonthulling.
Wat voor soort zelfonthulling schept zelfbesef in de ander?
- aantonen hoe jij verschilt van de anderen zoals je ouders, de partner, kinderen of vrienden, door jouw
eigenschappen.
- laten zien wat voor jou als aparte identiteit met jouw innerlijk intentie belangrijk is
- je ware ik laten zien zonder schijnheiligheid of geremdheid en aanvaard worden om wat je bent en niet
om wat je voor de ander kunt doen.
- laten zien wie je bent en waar jouw plek in deze wereld is door te vertellen over je verwachtingen, dromen
en doelen , over geleden verdriet, over je overtuigingen, de kennis die je hebt gezocht, die vragen die je
hebt over het leven in deze en de volgende wereld en de geestelijke waarheden die je hebt ontdekt.
- je kunt de lessen in gehoorzaamheid die je hebt geleerd delen, wat jou pijn doet, wat je dankbaar stemt,
wat je kwaad maakt en hoe je met die kwaadheid omgaat.
- je kunt zelfs aan een vertrouwde vriend vertellen over fouten waar je spijt van hebt zolang het maar niet
een soort zelfvernedering wordt.
- je kunt met de zoeker de resultaten delen van je eigen zoektocht naar bewustzijnsverruiming en naar een
voller leven.
- je kunt delen hoe Bahá’u’lláh’s Openbaring het leven voor jou meer betekenis geeft.
- je kunt delen hoe deze de beperkte opvatting van de wereld als geheel heeft vernietigd en hoe de
openbaring je uitdaagt om boven je sociale en culturele opvoeding uit te stijgen om mensen van andere
culturen, kleuren en religies te verwelkomen; dat je vanuit God’s nieuwe openbaring manieren hebt ge-
vonden om je identiteit opnieuw te ontdekken en leiding om deze nieuwe ontdekking waar te maken.
- je kunt delen hoe elke bewustzijnsuitbreiding leidde tot een opnieuw bezien van alle principes, waarheden
en kennis die je tot aan dat moment had verworven. Zodat je je dan opnieuw moest afvragen: hoe wil ik
leven, hoe wil ik zijn, hoe wil ik mijn tijd gebruiken? Hoe kan ik stoppen met deelnemen aan een gevestigde
klassestructuur die zich verzet tegen verandering? Hoe kan ik me bevrijden van gewoonte, culturele druk
en het verleden; van maar één manier om anderen te bekijken en te ervaren en mijn identiteit uit te
drukken.
- je doet veel als je vertelt over het kritieke moment van ontdekking dat jouw perspectief totaal verschillend
is van dat van iemand anders en van nog weer een ander; en dat er in alle drie de perspectieven
waarheid schuilt, wat betekent dat ze alle drie, geëerd, gerespecteerd en erkend moeten worden. Dit is
alle- maal zelfonthulling die de ander tot een groter zelfbesef kan brengen als hij of zij zijn of haar eigen
identiteit en ervaringen onderzoekt.
Omdat God, onze Schepper, zich Zelf door de mensen wilde laten kennen, hebben wij, als zijn schepping,
gemaakt naar Zijn beeld, ook het dwingende verlangen om ons aan de ander bekend te maken. Wij doen dit
door middel van ons spraakvermogen dat ons identiteitsvermogen tot groei en ontwikkeling brengt. Wij
onthullen informatie over onszelf, onze meningen, gevoelens en houdingen en Geloof (de 5 niveaus van
vertrouwelijkheid); en door die zelfonthulling ontdekken we het mysterie dat we zijn. “Beschouw de mens
als een mijn, rijk aan edelstenen van onschatbare waarde. Alleen opvoeding kan de schatten ervan
aan het licht doen komen en de mensheid in staat stellen daarvan profijt te trekken. “(Bloemlezing van
Bahá’u’lláh, p 155) Degenen die zich niet willen laten kennen blijven verstoken van het geheim dat in hen
verborgen ligt. Ze zijn van zichzelf vervreemd. Bedenk hoe krachtig God heeft geprobeerd om zich te laten
kennen door de Openbaring van Bahá’u’lláh en die van de andere Profeten die Hij vroeger heeft gezonden.
Hoe krachtig de bahá’í-geschriften ook zijn en hoe belangrijk ook als middel om de zoeker aan te trekken,
we kunnen geen vertrouwelijkheid scheppen zonder zelfonthulling. Zelfonthulling voedt het zelfbesef in de
ander als in jouw gedrag totale toewijding te zien is. Anders bied je niet genoeg veiligheid om het zelfbesef
te ondersteunen. Zelfbesef betekent de waarheid van ons “zelf” zien, onze identiteit, onontwikkeld en
onvolmaakt. Dat is nogal eng als je samen met iemand bent die niet om je geeft, je niet toegewijd is en die
de levenservaring van anderen in jouw aanwezigheid kleineert.
Er is wel een voorwaarde voor onthulling en dat is dat anderen onze privacy respecteren totdat we besluiten
wanneer, waar en aan wie we meer van onze authentieke werkelijkheid willen laten zien.
De werkelijkheid van de ander betreden: het derde bestanddeel van vertrouwelijkheid.
Vaak sluiten we mensen die niet zo vaardig zijn in het praten buiten, omdat we niet weten hoe we hun
werkelijkheid kunnen binnengaan. We schrijven hun gebrek aan ontvankelijkheid toe aan het feit dat “ zij” er
nog niet aan toe zijn, of we zeggen dat het “ een test voor hen” is, in plaats van naar ons zelf te kijken en te
zien hoe ongevoelig we zijn. Bahá’ís zijn geweldige sprekers maar onze spreekvaardigheid kan anderen
overdonderen. Als we hun werkelijkheid binnen gaan, voorgeprogrammeerd met onze eigen agenda, hun
unieke levenservaring en culturele achtergrond negeren en hen met citaten bestoken, dan negeren we ook
hun essentiële emotionele behoeften.
Wij moeten het geestelijke drama begrijpen dat zich afspeelt in het leven van alle zoekers die bij het Geloof
aankloppen, of ze nu onderdrukt zijn of in crisis verkeren. We moeten bereid zijn om deel te nemen aan dat
drama, hun werkelijkheid met het bijbehorende overtuigingensysteem, zonder deze te bekritiseren of te
veroordelen. Dit overtuigingensysteem zal niet zomaar verdwijnen doordat ze bidden en de Geschriften
lezen. Daar is dagelijks vertrouwelijkheid voor nodig, dagelijks contact, dagelijks het vertrouwen bevestigen,
dagelijks risico nemen, dagelijks voortzetten, dagelijks toewijding, dagelijks bevestiging van hun innerlijke
waarde.
Als we een poging doen om tot eenheid te komen en vervolgens uit het geestelijke drama weglopen omdat
we het eerlijke en brede, oncontroleerbare spectrum van levenservaringen van zeer uiteenlopende volken,
culturen, tijden en plaatsen veroordelen, dan blijven we vasthouden aan onze onwetendheid, gewoonten en
tradities die bestonden voor de kennis van God en van de mensheid. En dan zijn we degenen die arm zijn.
Hier volgt wat ik bedoel met het brede, oncontroleerbaar spectrum van werkelijkheden. Beantwoordt de
volgende vragen:
1. Kun je de werkelijkheid betreden van iemand met een handicap zonder hem te beledigen?
2. Kun je de werkelijkheid betreden van een man of een vrouw die prostitutie heeft gekozen om
het drama van zijn of haar kindertijd uit te spelen?
3. Kun de werkelijkheid betreden van iemand die seksueel misbruikt is?
4. Van iemand die onder rassendiscriminatie heeft geleden?
5. Van iemand die aan verslaving lijdt zoals alcohol, drugs, seks, werk, sport of geld?
6. Kun je de werkelijkheid betreden van iemand die zijn woede passief/ agressief uit?
7. Weet je hoe je een grens moet trekken bij iemand die passief/agressief is als je de neiging
voelt om het op te geven en hem of haar in de steek te laten?
8. Weet je hoe je de werkelijkheid kan binnengaan van iemand die kwaad is zonder dat je een
defensieve of bekerende houding aanneemt, een oplossing aandraagt of de zaak geheel
logisch gaat aanpakken om de situatie onder controle te krijgen zodat je de ander “helpt” om te
veranderen.
9. Weet je hoe je kunt luisteren naar iemand die het elke keer weer over zijn levenslange grieven
heeft zonder je geduld te verliezen?
10. Weet je hoe je iemand onmiddellijk kunt helpen om zijn gezicht te redden?
11. Kun je vriendelijk blijven bij oneerbiedig gedrag, of gedrag dat minder eerbiedig is dan dat van
jou, of wanordelijk eerbiedig gedrag, of een absolute onwetendheid wat aanbidding betreft.
12. Kun je bij een Negentiendaagsfeest of een Fireside buiten zitten met iemand die doodsbang is
voor gemeenschappelijkheid en die niet verder durft dan het portiek.
13. Kun je hun hyper waakzame houding opmerken en discreet vragen “Wat is er aan de hand?
“Hoe kan ik je op dit moment helpen?” “Wat heb je op dit moment nodig?” in plaats van hun
angst te negeren.
14. Kun je vragen “Hoe ben je tot die overtuiging gekomen?” en dan een uur lang luisteren zonder
dat je een andere overtuiging aanbiedt?
15. Kun je het verdragen dat iemand heel inconsequent is en elk kwartier van gedachten verandert
zodat je nooit van tevoren weet hoe je zult worden ontvangen als je die persoon ophaalt voor
een Negentiendaagsfeest?
16. Zou je bereid zijn om hem of haar onmiddellijk naar huis te brengen als hij, een kwartier na
aankomst op het Negentiendaagsfeest of een fireside, weer van gedachten verandert?
17. Kun je, tien jaar lang, kwalijke lichaamsgeur, slechte adem en onaangename huisgeur ruiken
zonder er iets van te zeggen?
Er bestaat geen kant en klare formule die een oplossing geeft voor alle behoeften die schuilgaan achter de
vragen die ik heb gesteld. Maar elke gemeenschap zou toch over dit soort vragen moeten consulteren, zodat
we voorbereid zijn op het oncontroleerbare spectrum van levenservaring dat spoedig onze gemeenschap zal
binnenkomen.
Ik las dit voor aan een bahá’í die geneigd is tot vervreemding. Hij begon me te vertellen over hoe hij werd
buitengesloten en lamgelegd door leden van onze gemeenschap die hem veroordeelden en bekritiseerden
zonder dat ze ooit de vertrouwelijkheid schiepen waarin ze hem hadden kunnen leren kennen. Wat hij te
zeggen had is, geloof ik, belangrijk voor onze voorbereiding op een gestadige toestroom van gelovigen. Hij
sprak met de stem en de levenservaring van iemand die vanwege zijn handicap een trauma heeft, die door
een aantal familieleden werd behandeld alsof hij de schandvlek van de familie was, en die tot aan zijn
dertigste nooit zelf had mogen kiezen.
“Toen ik bahá’í werd had dit een kalmerende invloed op me. Ik voelde me tot deze liefdevolle gemeenschap
aangetrokken. Ze hadden aandacht voor me; mijn hart vloeide over van trots en dankbaarheid dat ik eindelijk
geaccepteerd werd. Dat waren de wittebroodsweken. Ik had een aantal problemen die de leden van mijn
gemeenschap nog niet eerder hadden mee gemaakt, net zoals duizenden andere mensen die er op wachten
om bahá’í te worden. Ik had nooit een andere dan de “basketbal/voetbal/sport” identiteit ontwikkeld die door
mijn familie wordt aanvaard en goedgekeurd. Ik kon over sport praten; ik kon in woede uitbarsten; ik had
zeker een woordenschat tot m’n beschikking maar ik was zwaar ontmoedigd, kende m’n ware identiteit niet
en was doodsbenauwd voor zelfonthulling. Dus kon ik me alleen maar indirect en symbolisch (onbewust)
uitdrukken uit angst dat ik bekritiseerd, gestraft, genadeloos gepest, uitgelachen en overheerst zou worden.
Ik uitte me indirect en ontwijkend om conflict te vermijden.
Ik kan niet goed tegen leiding en ik heb een koppig trekje waar ik me meestal voor schaam, totdat ik ontdek-
te dat mijn koppigheid direct gekoppeld was aan het feit dat ik sterk overheerst werd. Ik werd alleen door mijn
familie geaccepteerd als ik me als een exacte kopie van mijn broers en zussen gedroeg. Ik kon dit zelfs niet
verstandelijk begrijpen of onder woorden brengen voordat ik zo’n zes of zeven jaar bahá’í was. Ik ontdekte al
gauw dat mijn unieke problemen niet begrepen werden en voelde dat ze niet welkom waren in mijn
gemeenschap. Ik begreep dat ik een kopie van de andere bahá’ís moest worden en dat ik moest opschieten
en veranderen, opschieten en geestelijk volwassen worden, zodat ik de gemeenschap niet meer in
verlegenheid kon brengen. Ik begon de bijeenkomsten te vermijden, omdat ik me overdonderd voelde
door het feit dat mijn emotionele en mentale ontwikkeling achter lag en dat iedereen in de gemeenschap
geestelijk zover vooruit leek te zijn.
Gezien het feit dat ik altijd conflicten uit de weg ga, dat ik regelmatig herinneringen had aan mijn
mishandeling, plus vreselijke nachtmerries, plus dat ik voortdurend op mijn gemeenschapsleden projecteerde
dat ze mij misbruikten en dat ik een mentale filter had die mij alleen mijn eigen verwarde standpunt en oordeel
liet zien, verbaast het me dat ik het bahá’í-zijn al 13 jaar heb volgehouden. Dat was alleen mogelijk dankzij
de grote betrokkenheid van minstens drie leden van mijn gemeenschap die mij hebben geholpen om verbaal
vaardig te worden, een identiteit te ontwikkelen op basis van mijn eigen aanleg en te leren hoe ik mijn
grenzen moet stellen en aan anderen eerlijk vertellen wat ik nodig heb. In dat proces zat een creatieve
spanning waarvan ik voorheen dacht dat het een negatieve spanning was. Ik ben nu in staat om te zien dat
er iets ongelofelijk goeds zat in dat wat ik als alleen slecht had gezien. Als die paar bahá’ís, die mij hun visie
lieten zien en me hielpen om mijn bewustzijn te verruimen, er niet waren geweest dan had ik het geloof
verlaten en was nooit teruggekeerd. Zo defensief en geïsoleerd was ik.
Bij elke stap vooruit viel ik terug in een diepe depressie, niet in staat om mijn geestesgesteldheid of mijn
emoties onder woorden te brengen. Er waren jaren dat ik niet geloofde en niet kon zien dat ik ook maar
beetje vooruitging. Hoewel ik hunkerde naar vertrouwelijkheid was ik er doodsbenauwd voor.
Vertrouwelijkheid betekende alleen maar conflict voor me. In mijn familie hield vertrouwelijkheid in dat ik
mijn identiteit kwijt raakte dat mijn identiteit overheerst werd door gezag. Omdat mijn eigen mening en
identiteit nooit waren gevoed, erkend of bevestigd wist ik ook niet hoe ik dat bij iemand anders moest doen.
Ik kon me er
ook niet bij neerleggen dat twee of meer verschillende gezichtspunten waar konden zijn. Elk moment van het
gemeenschapsleven was voor mij conflictueus. Ik leed vreselijk onder elke vergissing die ik meende te
hebben gemaakt uit angst dat ik in de steek gelaten zou worden. Als dit het bahá’í-leven inhield wilde ik er
geen deel van uit maken. Maar waar kon ik heen? Ik was hulpeloos, machteloos en verward en ik wist het.
Het gemeenschapsleven betekende ondraaglijke pijn en tegelijkertijd was het mijn redding.
Ik zal een voorbeeld geven: ik heb een probleem met zien en ik lees langzaam, met veel inspanning. Ik ben
uiterst gevoelig voor kritiek dus ik voel me ontzettend bekeken als ik in publiek hardop moet lezen. Toch
vond ik de moed om de Geschriften hardop te lezen tijdens een verdiepingsbijeenkomst. Mijn ogen sprongen
van regel naar regel en ik deed mijn best. Maar hoe lees je Huquq’u’lláh of andere Perzische woorden als je
ze nog nooit gehoord of gezien hebt? Ik kreeg kritiek. Er werd me gezegd dat ik maar naar huis moest gaan
en leren lezen voor ik terug kwam. Als die persoon zich in mijn werkelijkheid had verplaatst en mijn lees-
vaardigheid vanuit mijn standpunt en levenservaringen had bekeken zou hij nooit kritiek op me geuit hebben.
Maar hij wist niet hoe hij iets van zichzelf moest onthullen of hoe hij een sfeer van veiligheid kon scheppen,
en ik ben gauw ontmoedigd. Ik wilde uit het Geloof stappen! Maar dat kon ik niet doen omdat ik in Bahá’u’lláh
geloof; ik geloofde alleen niet dat bahá’ís zich oprecht, onvoorwaardelijk en totaal voor mij in
zouden zetten.
Ik heb ook kritiek gekregen op mijn schoenen toen ik gids was in het Huis van Aanbidding, hoewel ik met
krukken loop en met één voet sleep. En iemand bekritiseerde me bij verschillende gelegenheden en zei me
dan dat ik in bad moest, m’n kleren moest wassen en m’n tanden poetsen.22
Mensen die in dat soort onderdrukking hebben geleefd, hebben alleen het uiterste einde van het uitgestrekte
continuüm van mogelijkheden ervaren - de uiterste mentale, geestelijke of materiele verlatenheid; de meest
extreme emoties; de diepste depressie, het ergste verlies van geloof of identiteit, de ergste vormen van
negativiteit en zelfbestraffing, van misbruik, ontmoediging, grensschendingen en de ergste vorm van isolatie
en scheiding.
En, hoewel dat erg zwaar klinkt, in Bahá’u’lláh’s Openbaring vind je het tegenovergestelde, dat de zoeker of
de nieuwe gelovige kan aantrekken tot het andere einde van het continuüm, “het tehuis van eeuwige
hereniging” Van de bladzijden van Het Boek van Zekerheid komt ons een ander voorbeeld van verwijderd
zijn en scheiding tegemoet: “ .....dat hopelijk de dorstige in de wildernis van veraf zijn de oceaan van
goddelijke aanwezigheid mag bereiken en dat zij die wegkwijnen op de vlakten van het gescheiden
zijn geleid mogen worden naar het tehuis van eeuwige hereniging. Opdat de nevels van dwaling
zullen verdwijnen en het alom schitterende licht van goddelijke leiding boven de horizon van het
menselijk hart zal dagen.” 23
Veraf zijn en hereniging vormen ongelooflijke tegenstellingen! God onderwijst ons door tegenstellingen. Hij is
daar een meester in: licht en duisternis, goed en kwaad, volmaakt en onvolmaakt. We moeten dit weten om te
kunnen begrijpen waarom Bahá’u’lláh ons oproept tot daden. Leraren weten tegenwoordig een hoop over de
verschillende leerstijlen. Sommige mensen leren door rekenen, muziek en kunst, anderen leren door kijken,
luisteren of bewegen. Maar ik zou zeggen dat de leerstijl die het meest doeltreffend is voor de onderdrukten, die
van de “tegengestelde leerervaring” is. Terwijl wij liefde niet als een uiterste zien, is dat voor de onderdrukte
mensen wel zo. En als zij zich uitrekken om dat uiterste eind te pakken, verliezen zij hun evenwicht. Hun
werkelijkheid is in gevaar, een werkelijkheid die gebaseerd is op verdediging, bescherming en isolatie. Alles
waarin zij geloofden wordt te grabbel gegooid. Eenheid is voor hen angstwekkend en uitdagend tegelijk.
Daarom moet onze liefde zo helder schijnen en zo constant waaien dat deze de tegengestelde leerervaring
oplevert die er voor zorgt dat zij zich naar de bahá’í-openbaring richten en geloven dat Bahá’u’lláh het
Goddelijk Elixer voor hun lijden heeft. Daarom zegt Hij ons,
“ Laat daden, niet woorden, u sieren” en “ Het geven van leiding geschiedde steeds met woorden, nu
geschiedt dit door daden” 24. Wat voor daden? Heilige daden, geen daden die gericht zijn op bekeren,
veranderen, beheersen, vastleggen - heilige daden van het erkennen van een werkelijkheid waarvan we niet
weten hoe hij ontstond of hoe hij hersteld moet worden. Daden van vertrouwen geven en geen macht
uitoefenen, die hun wezen zullen aantrekken, eerst naar de liefde in ons hart, dan naar de liefde van God in
de Geschriften.
Hier volgt een voorbeeld van hoe machtsloos we moeten worden als we de werkelijkheid van een ander
betreden:
“Dank je dat je jouw werkelijkheid met mij wil delen. Ik heb daar respect voor. Ik zal hem niet onteren door er
over te discussiëren, door voor mijn eigen werkelijkheid op te komen via woorden en begrippen die jou
vreemd zijn. Ik kan je mijn werkelijkheid alleen aanbieden via daden van dienstbaarheid. Ik respecteer jouw
werkelijkheid. Ik zal daar geen afbreuk aan doen door jouw werkelijkheid een plaatsje in mijn hart te weigeren
omdat ik me er innerlijk voor schaam, of haar kleineer, bekritiseer, afkeur, of haar keur op zijn waarde en
verdienste. Ik wil alleen jouw werkelijkheid in mijn hart ervaren door de liefde van God, als Zijn dienaar- het
verschil erkennen zonder te kleineren, haar aanwezigheid erkennen zonder de redelijkheid ervan te
betwisten, de ontwikkeling ervan erkennen zonder die ontwikkeling te beheersen, in jouw werkelijkheid
dienstbaar zijn zonder je de wet voor te schrijven, er van leren zonder er iets aan te veranderen, jouw
geschiedenis en levenservaring accepteren zonder tegenspreken.”
Al het andere is een sluier van ijdele waan, die de oorzaak is van onze vermoeidheid en zorg in de
aanwezigheid van de onderdrukten. Als we onszelf bevrijden van deze ijdele verbeeldingen treden we niet
alleen de werkelijkheid van de verdrukten binnen maar ook de hof van God met de geest van verlichting die
waait
in de Sinaï van ons hart. “ O mensenzoon! Het licht straalt vanaf de kim van de heilige Berg op u en de
geest van verlichting ademt in de Sinaï van uw hart. Bevrijd u daarom van de sluiers van ijdele
verbeelding en treedt Mijn voorhof binnen, opdat gij geschikt zijt voor het eeuwige leven en waard Mij
te ontmoeten. Dan kan dood noch afmatting of zorg u deren.” 25
“O zoon van stof! De wijzen zijn zij die niet spreken, tenzij ze gehoor vinden, gelijk de schenker zijn
beker niet aanbiedt aleer hij een dorstende vindt, en de minnaar niet uit het diepst van zijn hart roept
tot hij de schoonheid van zijn geliefde aanschouwt. Zaai daarom het zaad van wijsheid en kennis in de
zuiver grond van het hart en houd het verborgen, tot de hyacinten van goddelijke wijsheid opbloeien
uit het hart en niet uit modder en leem.” 26
Durven we tot de verdrukten te spreken voordat we werkelijk van hen houden? Durven we hen iets aan te
bieden dat opbloeit uit modder en leem voordat we de heilige wijsheid van hun lijden diep in ons hart hebben
geplant?
“Het spraakvermogen van de mens is een essentie die er naar streeft invloed uit te oefenen en die
matiging behoeft. Wat de invloed ervan betreft, die is afhankelijk van verfijning en deze is op haar beurt
weer afhankelijk van harten die zuiver en onthecht zijn.” 27
“O Mijn Naam! Spreken moet een doordringende kracht hebben. Als het dit vermogen niet bezit zal
het geen invloed uitoefenen. En deze doordringende invloed is afhankelijk van een zuivere geest en
een zuiver hart. Hij moet ook gematigd worden anders zal de toehoorder het niet kunnen verdragen
en zelfs vanaf het begin weerstand tonen. Matiging wordt bereikt door het spreken te combineren
met de tekenen van goddelijke wijsheid die in de heilige Boeken en Tafels zijn opgetekend. Als dan
het wezen van iemands uitspraken aan deze twee vereisten voldoet zullen ze zeer werkzaam zijn en
de belangrijkste factor in het transformatieproces van de zielen der mensen. Dit is de rang van
hoogste overwinning en hemelse heerschappij. Wie dat bereikt is bekleed met het vermogen om de
Zaak van God te onderrichten en hart en geest van de mensen te winnen.” 28
Als wij een zoeker aantrekken en we beteugelen niet ons verlangen om te bekeren, te veranderen en te
beheersen, wat in wezen het uitoefenen van macht is, dan zal hij tegenstand bieden. Angst en boosheid
over kritiek en overheersing kan een stuk van zijn levenservaring zijn. Zelfs het lezen van de Geschriften kan
aanvoelen als de kritiek van God. We moeten het Woord van God verbinden met zijn of haar
levenservaringen.
Als we de werkelijkheid van de zoeker, en van elkaar, niet binnengaan om te leren wat hij voelt, wat zij
meemaakte, wat hij over religie denkt, wat de oorzaak is van het feit dat zij haar vertrouwen in georganiseer-
de religie kwijtraakte, wat hij gelooft over God, dan kleineren we zijn werkelijkheid, zijn identiteit en haar
visie. Er is geen manier om verbinding met hem te krijgen tenzij we ons verbinden met zijn visie, en deze
erkennen en respecteren, zelfs als deze van de onze verschilt. Om de dingen vanuit zijn standpunt te zien
betekent niet dat we ons geloof moeten opgeven. Erkennen dat zijn zienswijze op dit punt van zijn leven,
waar toe God hem heeft geleid, juist is, dat is ziele grootheid - edelmoedigheid- en dan ben je een ware
dienaar van zijn transformatieproces.
We moeten radicaal afzien van evaluatie, kritiek en beoordeling van zijn werkelijkheid. Beoordeling en kritiek
zouden een echte ingang naar zijn werkelijkheid blokkeren, aangezien we haar zouden afkeuren door ons
eigen incomplete begrip van wat spiritualiteit is. We zouden zijn werkelijkheid veroordelen omdat die niet
overeenkomt met de ontwikkeling die wij voor hem willen. Hiermee laten we zien dat we niets begrijpen van
het ontwikkelingsproces, het creatieve en evolutionaire proces dat onvervreemdbaar tot de vermogens van
de mensheid behoort.
We kunnen hem niet van zijn overtuiging ontdoen, omdat zijn levenservaring alles is wat hij heeft. We
kunnen hem zijn identiteit niet afnemen omdat zij zich anders ontwikkelde dan die van ons. Om te overleven
kan hij, op jonge leeftijd, gedwongen zijn geweest om te liegen om zijn identiteit tegen dreigende aanvallen te
beschermen. Door te liegen en zich niet bloot te geven bleef hij geestelijk gezond. We moeten dat facet van
zijn, in zijn ontwikkeling vertraagde zelf, erkennen en verdedigen zonder beoordeling en er op vertrouwen
dat tijd, veiligheid en de verbinding met de Geschriften hem zullen helpen om zijn gedrag te corrigeren of dat
God een gelegenheid voor hem zal scheppen om zich er van bewust te worden. Wij kunnen niets forceren,
regelen, beheersen of te schande maken.
Wij kunnen zijn zienswijze of overtuiging niet scheef noemen omdat hij verschilt van de onze. Het is zijn
waarheid, het is een kostbare werkelijkheid en een onthulling waarop we langzaam een relatie kunnen
bouwen en vertrouwelijkheid scheppen. Dat zal hem in veiligheid brengen als we zien dat hij in gevaar
verkeert. Dat zal hem in de gemeenschap brengen als we zien dat hij geïsoleerd is.
Hier volgen een paar voorbeelden van hoe je de werkelijkheid van een ander binnentreedt. Op een dag gaf ik
les aan een kunstklas in een buurthuis. De meisjes in de klas waren in de leeftijd van 7 tot 9 jaar en konden
heel plotseling omslaan van aardig naar vijandig. We waren druk bezig met het kunstproject toen ineens een
kind het werktuig van een ander afpakte. De eigenaar van het werktuig sloeg de dief, de vriendin van de dief
sloeg de eigenaar, diens vriendin sloeg de vriendin van de dief en even later rende de hele klas als een
lange trein achter elkaar aan.
Ik schreeuw niet en ik dwing niet. Ik riep hen rustig terug naar de tafel. Ze kwamen niet. Ze lachten
uitgelaten naar me! Om me niet te laten kennen stond ik op en begon heel erg snel te rennen! Ik nam de
leiding en zij begonnen me met, met een blik vol ongeloof, te volgen en ik lachte uitgelaten. We renden een
minuut of vijf. Toen gingen we als kameraden, uitgeput door onze gezamenlijke energie uitbarsting, rustig
zitten en maakten ons kunstproject af. Ik was hun werkelijkheid binnen gegaan. Ik had hen niet bekritiseerd.
Ik had hun behoefte om stoom af te blazen niet gekleineerd. Ik had de energie van boosheid en jeugd
gerespecteerd zonder hen te veroordelen of te dwingen. En het belangrijkste was dat ik niet tegen hen
geschreeuwd had en hen gedwongen had.
Een tweede voorbeeld van het binnentreden in de werkelijkheid van een ander: stel je hun gedachten,
waarden en overtuigingen voor als meubilair in hun geest. Als je in het huis van je vrienden bent respecteer
je hun meubels en bezittingen omdat ze niet van jou zijn. Je zou hun meubels niet gaan verplaatsen. Je zou
geen meubels uit hun huis halen. Je zo u hen niet dwingen om nieuwe meubels te halen of ze voor hen
meebrengen uit een meubelzaak. Je zou hun recht om de meubels op hun manier te gebruiken, respecteren.
Je zou vinden dat hun recht als eigenaars onschendbaar is.
Zo is het ook met “het meubilair” van de geest. Als hun gedachten, waarden en overtuigingen anders zijn dan
de jouwe zou je ze niet zomaar weghalen of hen vragen om ze weg te doen. Je zou ook niet je eigen
gedachten in hun geest naar binnen brengen. Als je met zorg, respect en waardering een plekje in hun leven
hebt verworven als een intieme vriend , zou je hun werkelijkheid binnengaan, met eerbied en hoffelijkheid de
tijd nemen om te weten te komen hoe hun overtuigingensysteem tot stand kwam. Dan zouden ze je
misschien toestaan om je eigen visie te introduceren.
De werkelijkheid van een ander mens binnengaan is heilig en beangstigend tegelijk. We tonen respect voor
de heiligheid van hun werkelijkheid door in hun aanwezigheid machtsloos te blijven. Het is een heilige
verantwoordelijkheid, want het houdt toewijding aan het welzijn en de groei in mens-zijn in. En hier ligt het
centrum van onze angst: als de zoeker eenmaal zijn of haar werkelijkheid onthult, hebben we een heilige
verantwoordelijkheid en worden we opgeroepen tot zelfopoffering. Onze vrees voor vertrouwelijkheid, wat
inhoudt dat we ons betrokken voelen inclusief de verantwoordelijkheid die daaraan verbonden is, dat is de
geestelijke en emotionele onvolwassenheid die de groei van de Zaak kan vertragen.
Dit vraagt om een nieuwe manier van leven. De intensiteit van vertrouwelijkheid vereist heel veel
zelfbewustzijn, bewust risico durven nemen, wat ik geestelijke kwetsbaarheid noem; bewuste planning,
oprechtheid en opoffering. Het vraagt dat je persoonlijke ambities, die je van de gemeenschap wegvoeren,
opzij zet. Het leidt ons naar de taak om rust te brengen aan de ziel van de uitgestotene, de onderontwikkelde,
de getraumatiseerde, buitengesloten en verdrukte mens.
“ Welke “verdrukking” is erger dan wanneer een ziel de waarheid zoekt en er naar verlangt om de
kennis van God te verwerven en niet weet waar en bij wie hij moet zoeken?” 29
....met verdrukking wordt bedoeld: het gebrek aan bekwaamheid om geestelijk kennis te verwerven
en het Woord van God te begrijpen. Er is mee bedoeld dat, wanneer de Dagster van Waarheid is
ondergegaan en de spiegels die Zijn licht weerkaatsen zijn heengegaan, de mensheid zal worden
bezocht met “verdrukking’ en ontbering, niet wetend waarheen zich te wenden voor leiding.” 30
“Laat niemand zich inbeelden dat opportunisme het werkelijke motief is dat dit gevoel van urgentie oproept.
De allerbelangrijkste reden is namelijk de jammerlijke toestand van grote delen van de mensheid, lijdend en
in verwarring, hunkerend naar rechtvaardigheid, maar “verstoken van het vermogen God met eigen oog
te zien of met eigen oor Zijn melodie te horen”. Zij moeten gevoed worden. Er moet uitzicht worden
geboden waar de hoop verloren is gegaan, er moet vertrouwen worden opgebouwd waar twijfel en
verwarring heersen”. 31
Dit is de oorzaak waardoor de mensheid nu verhongert. Wie wil, in deze individualistische maatschappij die
ons geleerd heeft kleine, aparte eilanden te zijn in de zee van de mensheid, verantwoordelijkheid nemen
voor de honger van een ander? Maar relaties gaan samen met verantwoordelijkheden. We kunnen geen
eenheid hebben tenzij we relaties hebben. En daarom moeten we ons bewustzijn verruimen met betrekking
tot het soort voedende ervaringen waarnaar de mensheid hongert, bewustzijn van de heiligheid van
vertrouwelijkheid.
‘Abdu’l-Bahá toonde eerbied voor de heiligheid van iemands werkelijkheid. Hij eerbiedigde de ziel achter de
werkelijkheid, of die nu waar was of niet. “Onverschillig welk onderwerp naar voren werd gebracht, hij was er
volmaakt in thuis, maar altijd met een ondertoon van bescheidenheid en liefdevolle aandacht voor de
meningen van anderen. Ik heb al eerder over Zijn nooit aflatende hoffelijkheid gesproken. Dat hield echt
meer in dan wat de term gewoonlijk hier in het Westen betekent. Het Perzische woord betekent zowel
eerbied als hoffelijkheid. Hij zag het gelaat van Zijn Vader in elk gezicht en hij eerde de ziel achter dat
gezicht. Hoe kan iemand onhoffelijk zijn als ‘Abdu’l-Bahá jegens iedereen zo’n houding aannam! 32
Wij hebben eerbied voor het heilige! Eerbiedig zijn betekent dat je ervan wordt weerhouden om iets te doen,
vanuit een gevoel van respect. Eerbied is een diep respect voor iemand alsof hij een verheven, goddelijk en
heilig karakter heeft. ‘Abdu’l-Bahá toonde in al zijn handelingen dat hetgeen heilig is, beschermd is tegen
schending, overtreding en aantasting; het heilige wordt niet zomaar verstoord of gemanipuleerd.
In deze verklaring is nog een derde voorbeeld te vinden van het binnentreden in de werkelijkheid van een
ander: Als je me wilt begrijpen nodig ik je uit om mijn wereld binnen te komen en me te zien vanuit mijn
ervaring in plaats van uit de jouwe. Verruim jouw zienswijze om de mijne te kunnen delen. Als je me een
moment kunt geloven, dan zullen de waarheden die ik koester aan je onthuld worden. Jij hoeft mijn
overtuigingen niet te behouden- maar neem ze maar even over totdat de waarde ervan je duidelijk wordt. Ik
heb de waarheid van mijn ervaring onderzocht en ben tot de conclusie gekomen dat ik mezelf mag
liefhebben. Als jij mij bekijkt met de liefdevolle blik waarmee ik naar mezelf kijk dan zal ik me voor jou openen
en ben ik niet bang om in jouw aanwezigheid te laten zien wie ik ben. Als je dat niet doet blijf ik onbevreesd
en liefdevol in mijzelf.
Het volgende verhaal uit “Portals to Freedom” is een levendige illustratie van het feit dat ‘Abdu’l-Bahá de
werkelijkheid van de persoon waar hij mee omging respecteerde.
“ En hij sprak natuurlijk nooit tegen. Hij legde ook nooit ergens de nadruk op. Hij liet iemand vrij. Er was
nooit een zweem van autoriteit, Hij was eerder altijd de nederigheid in persoon. Hij onderrichtte alsof hij een
geschenk aan een koning gaf. Hij vertelde me nooit wat ik zou moeten doen buiten de opmerking dat wat ik
deed goed was. Hij maakte Waarheid en Liefde zo mooi en koninklijk dat het hart vanzelf eerbiedig werd. Hij
toonde me door Zijn stem, manieren, gedrag, glimlach, hoe ik diende te zijn, wetend dat uit de zuivere aarde
van het hart de goede vruchten van daden en woorden zeker te voorschijn zouden komen”
“ Er was een vreemde, ontzagwekkende mengeling van nederigheid en majesteit, ontspanning en kracht in
het kleinste woord of gebaar van Hem, die me deed verlangen naar het begrip van de bron van dit alles. Wat
maakte Hem zo anders, zo onmetelijk superieur aan elke andere man die ik ooit had ontmoet?” 33
Dit is een prachtig voorbeeld van respect voor de gevoelige werkelijkheid van een ander mens. We zien het
feit dat Hij de ander bevestigde zonder hem te vertellen wat hij moest geloven. ‘Abdu’l-Bahá demonstreert
hier Bahá’u’lláh’s uitspraak dat wij dezelfde nederigheid en onderdanigheid moeten tonen als de aarde : ”Zie
hoe nederig ik ben, ondanks de mij verleende eer en de ontelbare bewijzen van mijn rijkdom - een
rijkdom die in de behoeften van de gehele schepping voorziet- en aanschouw met welk een volkomen
onderwerping ik mij door de voeten van de mensen laat vertreden.....” 34
“Betoon elkaar verdraagzaamheid , welwillendheid en liefde. Mocht iemand onder u niet bij machte zijn een
bepaalde waarheid te vatten en zich inspannen om deze te begrijpen, leg dan in uw gesprek met hem een
geest van uiterste vriendelijkheid en welwillendheid aan de dag. Help hem de waarheid te zien en te
erkennen zonder uzelf in het minst superieur of in het bezit van grotere gaven te achten” 35
Mr Ives vertelde ook hoe ‘Abdu’l-Bahá de “werkelijkheid”, de ziel van ieder die hij ontmoette zocht: “ Bij alle
gelegenheden waarin ik ‘Abdu’l-Bahá ontmoette, met Hem sprak of naar Hem luisterde kwam ik steeds meer
onder de indruk van zijn methode om zielen te onderrichten. Dat is het juiste woord. Hij probeerde niet
alleen de geest te bereiken maar hij zocht de ziel, de werkelijkheid van iedereen die hij ontmoette. Oh, Hij kon
heel logisch zijn , zelfs wetenschappelijk in de presentatie van een argument, zoals Hij voortdurend liet zien in
de vele toespraken die ik van hem hoorde en in een nog groter aantal die ik heb gelezen. Maar het was niet
de logica van de schoolmeester, noch die van het klaslokaal. Zijn eenvoudigste uitspraak, Zijn geringste
verbinding met een ziel was doorweven met een lichtende helderheid die het hart van de luisteraar naar een
hoger niveau van bewustzijn voerde. Als Hij sprak stonden onze harten in vuur en vlam.” 36
In de levendigste beschrijving van de ontmoeting van twee zielen van heel verschillende culturen en talen,
vertelt dhr. Ives over de aangrijpende ontdekking dat ‘Abdu’l-Bahá volkomen tegemoet kwam aan zijn
behoeften:....” toen ik de deur naderde waar Hij nog stond, gebaarde Hij de anderen om weg te gaan en hij
stak me Zijn hand toe alsof Hij me altijd gekend had. Toen onze rechterhanden elkaar ontmoetten, gaf Hij
met zijn linkerhand aan dat alle anderen de kamer moesten verlaten. Hij trok me naar binnen en sloot de
deur.
Mijn hand vast houdend liep ‘Abdu’l-Bahá door de kamer naar het raam waar twee stoelen klaar stonden.
Zelfs op dat moment maakte zijn majestueuze manier van lopen indruk op me en ik voelde me als een kind
dat door zijn vader, een meer dan aardse vader, meegenomen wordt naar een troostende gesprek. Zijn hand
omvatte de mijne nog steeds en zijn greep werd steeds een beetje vaster en warmer. En toen zei Hij voor
het eerst iets en nog wel in mijn eigen taal: zachtjes klonk zijn verzekering dat ik Zijn zeer geliefde zoon was.
Toen zaten we in de stoelen bij het raam, knie aan knie en oog in oog. Tenslotte keek Hij recht bij me naar
binnen. Het was voor het eerst sinds onze ogen elkaar hadden ontmoet bij zijn eerste wenkende gebaar dat
dit gebeurde. En nu stond er niets meer in de weg tussen mij en Hem en Hij keek naar me. Hij keek naar
me! Het leek alsof tot nu toe nog nooit iemand mij werkelijk had gezien. Ik ervoer de vreugde van eindelijk
thuis te zijn, en degene die mij tot in mijn diepste innerlijk kende, mijn Vader, was alleen met mij.
Hij bracht zijn duimen bij mijn ogen en wiste de tranen van mijn gezicht, vermaande me niet te huilen, een
mens moest altijd gelukkig zijn. En Hij lachte.
Ik kon niet praten. We zaten beiden in volmaakte stilte. Het leek een lange tijd te duren en geleidelijk aan
daalde er een diepe vrede in me. Toen legde ‘Abdu’l-Bahá Zijn hand op mijn borst en zei dat het hart had
gesproken.
Plotseling sprong Hij overeind en lachte weer alsof hij een hemelse vreugde voelde. Zich omdraaiend greep
Hij me onder de ellebogen en trok me omhoog en nam me in Zijn armen. Het was niet zo maar een
omhelzing. Mijn ribben kraakten. Hij kuste me op beide wangen, sloeg Zijn arm om mijn schouder en bracht
me naar de deur. Dat was alles. Maar het leven is daarna voor mij nooit meer het zelfde geweest.” 37
Wij kunnen dat ongetwijfeld ook, stil zijn in elkaars aanwezigheid of in die van de zoeker, de tijd nemen om
de vreugde te voelen in de omhelzing van de eenheid van werkelijkheid. Het ligt binnen ons bereik als we
onze identiteit willen loslaten in grote vreugde, haar natuurlijke staat. We krijgen een besef van hoe eenvoudig
en zuiver ‘Abdu’l-Bahá leefde -de zoetheid van rust, de vreugde die hij ontving als Dienaar van de Glorie. Het
is de bedoeling dat bahá’ís elkaars levenservaring met vreugde delen, dat ze zorgen op zij zetten en
zich in elkaars gezelschap en werkelijkheid verheugen.
Het laatste voorbeeld van het binnengaan in iemands werkelijkheid leert ons meer over de eerbied die nodig
is als een zoeker zijn of haar levenservaringen aan ons onthult. Het delen van een levenservaring is net als
een geestelijk drama dat zich op het toneel van een theater voor je ontvouwd en langzaam duidelijk wordt.
Het is niet iets waar je wat aan moet doen. Je verandert niets aan een theaterstuk, Alleen de Maker en de
Regisseur van het stuk mogen er iets aan veranderen. De bedoeling van het drama is ons dichter naar de
waarheid te brengen zodat we een gedeelde werkelijkheid bereiken. De mensen in die levenservaring zijn net
als de karakters van het stuk. De opeenvolgende gebeurtenissen vormen samen het toneel waarop het
drama wordt uitgespeeld. En de eigenschappen en emoties die je worden getoond, vormen de dynamiek van
het stuk.
Er bestaat weerklank tussen de persoon die het geestelijke drama onthuld en degene die luistert. Het drama
weerklinkt in het hart van de luisteraar en als hij zijn objectiviteit op zij kan zetten, zullen liefde en verdriet,
vreugde en empathie in zijn ziel opbloeien. Op dat moment is het ultieme doel van het drama bereikt - de
acteur deelt zijn werkelijkheid en wordt een bron van kennis voor de toehoorder. Als we het geestelijke drama
dat zich voor ons afspeelt respecteren als een bron van kennis, dan kunnen we zeggen dat we de
werkelijkheid van het drama hebben betreden en dat we kunnen erkennen wat het ons heeft geleerd.! Zo
brengt de Maker / Regisseur ons in eenheid samen.
Als we de unieke werkelijkheid van elk lid van de gemeenschap en elke zoeker eerbiedigen, machteloos
blijven bij zijn of haar geestelijke drama in plaats van druk uit te oefenen, dan ontdekken we misschien iets
wat ‘Abdu’l-Bahá de sleutel tot kennis noemde: “ Dat wil zeggen, er bestaat een sleutel tot kennis die
elke deur zal openen en ons de kans geven om naar binnen te gaan met de boodschap van Waarheid.
Dit klinkt misschien moeilijk maar het is makkelijk te bewijzen als je die sleutel bezit. Je dient de
zoeker naar het juiste pad te leiden, dan hoeft hij alleen maar recht door te lopen.” 38
Ik vraag me af of we ook een glimp van deze “sleutel van kennis” te zien krijgen in de Bloemlezing waar
Bahá’u’lláh openbaart dat “ De mens die trouw bleef aan de Zaak van God en onwrikbaar vast stond in
Zijn Pad, zal na zijn verscheiden zulk een kracht bezitten dat alle werelden die de Almachtige heeft
geschapen door hem vooruit kunnen komen. Zulk een ziel verschaft -op het bevel van de volmaakte
Koning en goddelijke Opvoeder - de zuivere zuurdesem die de bestaanswereld doortrekt en van het
vermogen voorziet waardoor de kunsten en de wetenschappen der wereld zichtbaar worden.
Bedenk dat meel zuurdesem nodig heeft om te rijzen. De zielen die de zinnebeelden van onthechting
zijn, vormen het zuurdesem van de wereld. Denk hierover na en behoort tot de dankbaren.” 39
Gist is de dienaar van de werkelijkheid van het meel. Het onthecht zich van zijn eigen macht en eigenschap-
pen: en offert zich op aan het geheel, het meel. Het is het middel waardoor het geheel zijn bestemming kan
bereiken. Zielen die in staat zijn om zich los te maken van de beperkingen van hun eigen werkelijkheid,
kunnen één worden met de werkelijkheid van anderen en daarbij, net als gist, de werkelijkheid van anderen
doortrekken met een transformerende invloed. Door, onthecht aan je eigen werkelijkheid, het geheel te
dienen wordt waarheid onthuld, worden mysteries opgehelderd en geheimen ontrafeld.
‘Abdu’l-Bahá leerde ons bidden: “ O God, help Uw geliefden om kennis te verwerven en wetenschappen
en kunsten te beoefenen, en om de geheimen te ontrafelen die in het binnenste van al het geschapene
verborgen liggen. Laat hen de verborgen waarheden horen die geschreven zijn en vastgelegd in de
kern van al wat bestaat.” 40
Hoe kunnen we dit doen, als anderen zich door onze “overheersende werkelijkheid” niet veilig genoeg
voelen om te laten zien welke storende invloed de schatten en waarheden blokkeert die in hun innerlijke
werkelijkheid verborgen liggen? Het is dan alsof gist probeert om het meel in gist te veranderen. Erkenning
geeft hen de veiligheid om hun werkelijkheid te onthullen; dus wat je kunt doen is prijzen, herkaderen,
onderscheidingsvermogen gebruiken, vertrouwen hebben en machteloos blijven.
Als je deze middelen op een liefdevolle, oprechte manier gebruikt, fungeer je als het gist dat een
transformerende invloed uitoefent. Het is een grotere prestatie om de werkelijkheid van anderen te erkennen
en te dienen dan die van jezelf. Dit is de ware zelfverloochening. “ O Zoon van geest! Breek uw kooi open
en wiek, gelijk de feniks der liefde omhoog naar het firmament van heiligheid. Verloochen uzelf en
verblijf, vervuld van de geest van genade, in het rijk van hemelse heiligheid.” 41
Om een echte dienaar te zijn moet je onthecht zijn van je werkelijkheid met inbegrip van je identiteit, je
aangeboren en verworven kennis en je culturele achtergrond; omdat deze zaken allemaal als een filter
werken en je afhouden van de grotere realisatie van eenheid, “ hemelse soevereiniteit”.
Als je bereid bent om je zó op te stellen dat jouw individuele werkelijkheid geen macht uitoefent ( behalve het
handelen als liefdevol gist dat het geheel doortrekt met vreugde, geloof, hoffelijkheid en
onderscheidingsvermogen), dan zul je in staat zijn om rustig om te gaan met een gestage stroom van
vreemdelingen in je leven zonder uit evenwicht te raken. Je zult accepteren dat de Firesides en
Negentiendaagsfeesten anders en nogal onvoorspelbaar verlopen. En zo zal het gaan en moet het gaan in
alle bahá’í-gemeenschappen waar het proces van onderricht in versnelling raakt; totdat we een bepaald
niveau bereiken en de Onderrichtsinstituten en de individuele verdieping het geheel stabiliseren.
Luisteren met grootmoedigheid.
Parafraseren en herkaderen.
We kunnen de ander bevestigen en erkennen via het parafraseren en herkaderen van wat zij zeggen zonder
een oordeel, een interpretatie, een vaststelling, een evaluatie of een kruisverhoor. Dit soort reacties bij het
luisteren hebben op zichzelf al iets van dominantie en ze hebben het vermogen om de verteller het gevoel te
geven dat hij zich moet verdedigen of in een ongelijkwaardige positie zit. Deze manieren van luisteren kunnen
ruzies opleveren, omdat ze het vermogen van de spreker om zich bewust te worden van zijn of haar
werkelijkheid belemmeren. Bovendien, als ik het toelaat dat de ander mij advies geeft, me overtuigt of mijn
woorden voor me interpreteert, dan doe ik afstand van mijn vermogens en blijft de ontmoediging die in mijn
kindertijd begon voorduren. Ik ben dan medeschuldig aan een onrechtvaardigheid jegens mezelf, omdat
deze manieren van reageren me niet de kans geven om mezelf met mijn eigen ogen te zien en met mijn
eigen oren te horen. Het zijn de manieren van het gezag, dat heeft geprobeerd me te ontkrachten. Het zijn
de onschuldige en verborgen manieren waarop ik werd gedwongen om via de werkelijkheid van een ander
te denken in plaats van me bewust te worden van mijn eigen werkelijkheid. Dit is grensoverschrijding.
Dus wat doen we als we horen hoe ze zich schamen, het zichzelf verwijten en zich zelf de schuld geven? We
kunnen hun schaamte in een ander kader plaatsen, hun schuld en zelfverwijt tegen een andere achter-
grond laten zien zodat ze niet langer in een schadelijk perspectief gevangen zitten, een schadelijke
werkelijkheid waarin ze blind zijn voor de vermogens die door de schaamte, het zelfverwijt en de
schuldgevoelens worden versluierd. Hier is grootmoedigheid voor nodig, de eigenschap die door ‘Abdu’l-
Bahá in de Tafelen van het Goddelijk Plan steeds opnieuw wordt benadrukt. Grootmoedigheid betekent
edelmoedigheid van hart en geest, royaal met vergeving, boven wraak of wrok staan, onzelfzuchtigheid,
genadigheid en ziele- grootheid. Een paar voorbeelden van royale en grootmoedige herkadering volgen
hier:
* Ik ben een uitzonderlijk koppig iemand. Daarom heb ik deze problemen. Daarvoor wordt ik door God
gestraft.
Herkaderende reactie: Wist je dat als je je aldoor koppig voelt of gedraagt, het zou kunnen zijn omdat
anderen je teveel proberen te overheersen?
* In maak altijd fouten.
Herkaderende reactie: Wist je dat iemand zichzelf de kans moet geven om fouten te maken zoveel als hij wil
als hij met iets nieuws bezig is, of met iets dat vreemd voor hem is?
* Ik ben erg egoïstisch.
Herkaderende reactie: Ik vind het fijn als je dingen met me deelt; maar ik vind het ook fijn als je bepaalde
dingen voor je zelf houdt. Ik denk dat dat belangrijk is.
* Niemand wil veel tijd besteden aan iemand die zo depressief is als ik.
Herkaderende reactie: ik vind het fijn om bij je te zijn als je gelukkig bent; en ik ben er om ook de verdrietige
momenten met je te delen.
* Ik vertrouw mensen niet. Ik denk dat ik nooit iemand zal kunnen vertrouwen.
Herkaderende reactie: het is in orde om mensen te vertrouwen die jouw grenzen respecteren; ik wil ook dat
je duidelijk je grens stelt als ik iets doe dat tegen jouw normen indruist.
* Ik ben te hebzuchtig.
Herkaderende reactie: om meer vragen hoeft nog geen hebzucht te betekenen. Het zou alleen kunnen
aangeven dat jouw behoeften erg groot zijn en dat je vaak groot gebrek hebt geleden. Het is in orde als je
aan je behoeften voldoet.
* Ik ben schijnheilig.
Herkaderende reactie: Wist je dat de grondoorzaak van schijnheiligheid is dat je een erg onrechtvaardige
behandeling hebt ondergaan; en dat je, zelfs terwijl je de hoop op rechtvaardigheid hebt opgegeven, je er
toch heel erg naar verlangt?
* Ik heb elke relatie die ik had kapot gemaakt door mijn jaloezie.
Herkaderende reactie: Wist je dat achter jaloezie de behoefte aan erkenning verborgen zit? En dat
systematische erkenning door anderen ons eigenlijk helpt om verantwoordelijk te willen zijn voor onze
jaloezie? De na lang en wanhopig verlangen bereikte erkenning en lof is de vergoeding van de
onrechtvaardigheid die ons oorspronkelijk was aangedaan. God verlangt erkenning en lof voor zijn
schepselen.
Hier is een voorbeeld uit het leven van Bahá’u’lláh: “Hij naderde die gevangenis (de Siyah - Chal), en een
oude, haveloze vrouw kwam uit het midden van de menigte naar voren met een steen in haar hand, vol
verlangen om hem in Bahá’u’lláh’s gezicht te gooien. Haar ogen gloeiden met een vastberadenheid en
fanatisme waar weinig vrouwen van haar leeftijd nog toe in staat zouden zijn. Haar hele lichaam schokte van
razernij toen ze naar voren stapte en haar hand ophief om haar projectiel op Hem af te vuren. “ Ik smeek jullie
bij de Siyyidu’sh-Shuhada (De Imam Husayn) pleitte ze, rennend om de degenen aan wie Bahá’u’lláh was
overgeleverd in te halen, “geef me een kans om mijn steen in zijn gezicht te smijten!” “ Stel deze vrouw niet
teleur” klonken Bahá’u’lláh’s woorden tegen Zijn bewakers toen Hij haar achter zich aan zag haasten. “
Ontzeg haar niet wat zij als een verdienstelijke daad in de ogen van God beschouwt” 42
Bahá’u’lláh erkende de identiteit, de visie, overtuigingen en werkelijkheid van deze vrouw. Hij liet haar
verlangen en haar daad ook zien tegen een andere achtergrond. Kun jij dat met de volgende verklaringen,
waarbij je dan een positieve kant laat zien en de prijzenswaardigheid ervan?
* Ik ben mijn hele leven al een zeur geweest
* Ik praat te veel
* Ik ben een workaholic
* Niemand wil dat ik verander
* Ik ben bang om mezelf te zijn. Stel dat ik mezelf niet mag?
* Ik vind de Geschriften autoritair.
* Ik ben een geboren treuzelaar.
Of de persoon die voortdurend gericht is op wat men noemt “ fouten”, “karaktergebreken” en
“tekortkomingen”? Misschien heeft de negatieve beoordeling van zijn gedrag herkadering nodig, zodat hij zich
kan richten op zijn vermogens in plaats van op zijn gebreken. Het zou bijvoorbeeld zo kunnen klinken: Dit is
theorie en theologie van de oude wereldorde die gebaseerd is op de kritiek van een externe autoriteit die
ons heeft ontmoedigd. Wij moeten ons richten op de kracht van de verheven Talisman in plaats van op de
kritiek die we van binnenuit en van buitenaf hebben ervaren. We hebben veel van die karaktergebreken
ontwikkeld doordat onze macht van ons werd afgenomen en dat belemmerde onze ontwikkeling. Als aan
kinderen
kracht wordt toegekend, en deze wordt gekoesterd, gevormd, geëerd en gerespecteerd, dan worden veel
van die tekortkomingen voorkomen. Kijk bijvoorbeeld eens naar die persoon uit een alcoholistisch gezin die
een “geboren treuzelaar” is. Wijst dat niet op de ontmoediging van de kracht om te kiezen, het willen en de
wilskracht?
Deze persoon werd nooit toegestaan of aangemoedigd om te handelen of te kiezen, omdat hij geen voor-
beeld kreeg. De alcoholistische vader of moeder moedigden het niet aan, respecteerden, eerden of wensten
het gebruik van hun eigen wilskracht niet. Ze kozen liever voor de fles dan voor hun wilskracht - de daad-
kracht om verandering in hun leven te brengen. We moeten ons in dit geval niet meer op het karaktergebrek
te richten maar het in een nieuw kader plaatsen, dat van het gezag over je zelf en de persoonlijke kracht van
het individu.
Hoe kunnen we onszelf bekrachtigen en het juiste vermogen onderscheiden dat we moeten ontwikkelen, in
plaats van onszelf en anderen te bekritiseren over de gebreken die we hebben? Dit werpt een heel ander
licht op de zaak. Het antwoord is dat we onszelf niet kunnen bekrachtigen; we zijn afhankelijk van
Bahá’u’lláh’s Openbaring om onze vermogens te identificeren en te definiëren, om de vermogens van de
mens te bevestigen zodat de verheven Talisman van het Goddelijke Elixer gebruik kan maken om te
genezen.
Dat is de taak van de bahá’í onderrichter:
• om zichzelf te onthullen, te luisteren, te herkaderen en te weerspiegelen.
• om het onderscheidingsvermogen te gebruiken om de aandacht te richten op de krachten die
verborgen zijn;
• om te erkennen, te prijzen en de bahá’í-geschriften te citeren.
• om anderen te leiden naar de krachten die zich in de Geschriften bevinden en nooit bekritiseren,
nooit aandacht besteden aan de karaktergebreken of de tekortkomingen of de fouten die in het
gedrag van de zoeker of de bahá’í te zien zijn.
Volgens John Bradshaw, de auteur van “ Healing the Shame that Binds”, heeft de mens een kern die op
schaamtegevoel is gebaseerd. Volgens Bahá’u’lláh, is de kern van de mens, de ziel van de mens zijn
geboorterecht kwijtgeraakt: de macht over zich zelf.
“De macht over het zelf verwijst naar onze bekwaamheid om ongeveer twintig vermogens, eigenschappen en
krachten te besturen waarvan we ons bewust zijn. Het aantal andere deugden die ons bekrachtigen is te
groot om op te noemen. De woorden “kracht” , vermogen, eigenschap, gave, deugd, worden in de
geschriften van het bahá’í-geloof veelvuldig gebruikt om macht aan te duiden. We kunnen redelijkerwijs
aannemen dat de meeste onderdrukte volkeren op de wereld nog niet de macht over zich zelf hebben
ontwikkeld. Ze hebben misschien hun eigen gevoel van beheersing van deze krachten en gaven, die aan
hen als behorend bij hun mens-zijn werden toevertrouwd, nog niet herkend of ontwikkeld. We kunnen er
zeker van zijn dat diegenen van ons die getraumatiseerd zijn door lichamelijke, emotionele, seksuele,
mentale en geestelijke mishandeling ook nog veel van de onderdelen van die bekwaamheid moeten
ontwikkelen.
De macht over zichzelf kan worden gedefinieerd als de vrijheid en het vermogen om gebruik te maken van
de ons door God gegeven mentale eigenschappen om verstandelijke en morele keuzen te maken.; zelf
regulering van de emoties; het recht of de toestemming om onafhankelijk te handelen met dien verstande
dat men zijn persoonlijke grenzen heeft. Om een volledig begrip te krijgen van de reikwijdte van onze
krachten en onze macht om ze te gebruiken, moeten we onze grenzen volledig kennen en onze eigen
verkeerde overtuigingen en ijdele denkbeelden over wie we zijn, waarom we hier zijn en hoe we het best met
onze wereld omgaan, overwinnen.
Hoe meer vermogens we in de consultatie kunnen gebruiken, hoe groter ons begrip wordt. Hoe meer we
elkaar kunnen helpen om het begripsvermogen te ontwikkelen, hoe meer we de wilskracht en het reactie-
vermogen kunnen helpen vrijkomen. We moeten de mentale filters ontdekken die de spreker verhinderen om
zijn vermogen tot nadenken en ontdekken te gebruiken en zijn vermogen om Hem te erkennen. Hoe kunnen
we de juiste citaten onderscheiden die de mentale filters zullen verwijderen? Hoe kunnen we zien wat we
moeten weten over hoe zij ontmoedigd werden?
Hun werkelijkheid is vol met allerlei onbewuste boodschappen waardoor ze ontmoedigd zijn. Die kunnen
bijvoorbeeld zo klinken
Niet denken. Niet praten. Niet kiezen. Niet voorop lopen. Niet anders zijn. Niet bewust zijn. Niet intelligent
zijn. Geen vragen stellen. Niet intiem zijn. Niet iets nodig hebben. Wees geen kind. Wees niet zwak. Niet
veranderen. Niet gelukkig zijn Niet kijken. Geen grenzen stellen. Niet vertrouwen, Niet jezelf zijn. Niet
proberen. Niet jezelf kennen. Er niet zijn. Niet voor jezelf zorgen. Niet jezelf aardig vinden. Niet
ongehoorzaam zijn of het gezag uitdagen.
Dit zijn de middelen waarmee autoritaire, totalitaire en autocratische families, instellingen en samenlevingen
met tirannieke overtuigingensystemen nog steeds, openlijk of bedekt, de macht over je zelf in de kindertijd
en in de volwassenheid ondermijnen. Zij veroorzaken onze mentale filters waardoor we ons zelf, de wereld
en onze relaties bekijken.
Dit zijn de boodschappen die ons overtuigingensysteem hebben gevormd en die onze pogingen tot intimiteit
blokkeren. Zolang de zoeker in ons gedrag, in ons onderricht en de manier waarop we de Geschriften van
Bahá’u’lláh presenteren deze onderliggende boodschappen waarneemt, zal hij ons en Bahá’u’lláh verwerpen.
Hoe komen we achter de mentale filters van de mensen die deze boodschappen in de Geschriften zien? Het
eerste wat we moeten doen is de verborgen boodschap proberen te ontdekken die de mentale filter beheerst.
Je zult je redeneringsvermogen moeten gebruiken om de boodschappen bloot te leggen en dan iets over
jezelf onthullen wat met dat onderwerp te maken heeft om hun zelfbesef aan te moedigen. Als zij besluiten om
niets over zichzelf te vertellen zullen ze toch wel een innerlijke onthulling ervaren. Je zult ze op z’n minst
achterlaten met iets om over na te denken en een mate van zelf bewustzijn, zelfs als ze zich niet dapper of
vertrouwd genoeg voelden om naar buiten toe iets te onthullen.
Het tweede is vertrouwen scheppen me t de Vijf Vrijheden. Wat schept zoveel vertrouwen zodat veiligheid
kan ontstaan, zowel met de verdrukte als de getraumatiseerde persoon? De ander moet uit onze
handelingen kunnen zien dat we hem de Vijf Vrijheden van Virginia Satir zullen schenken. Wijlen Virginia
Satir was een pionier in de familiesysteemtheorie en ze was ervan overtuigd dat elk lid van de familie het
volgende moest hebben:
* De vrijheid om te denken wat je denkt i.p.v. wat je zou moeten denken.
* De vrijheid om te voelen wat je voelt i.p.v. wat je zou moeten voelen.,
* De vrijheid om te willen (verlangen) en te kiezen wat je wil i.p.v. wat je zou moeten willen
* De vrijheid om bezig te zijn met je zelfverwerkelijking, i.p.v. een vaste rol te vervullen of altijd op zeker te
spelen.
Deze vijf vrijheden komen overeen met deze uitspraak van ‘Abdu’l-Bahá:
“Volgens de leringen van Bahá’u’lláh moet het gezin, als menselijk geheel, opgevoed worden in
overeenstemming met de wetten van heiligheid. Alle deugden moeten aan het gezin onderwezen
worden. De integriteit van de familieband moet voortdurend bewaakt worden en de rechten van de
individuele leden mogen niet worden geschonden. De rechten van de zoon, de vader, de moeder- op
geen van deze rechten mag inbreuk gemaakt worden, en geen er van moet willekeurig zijn. Net zoals
de zoon bepaalde plichten heeft jegens zijn vader, heeft de vader evenzo verplichtingen jegens zijn
zoon. De moeder, de zuster en andere leden van de huishouding hebben hun bepaalde voorrechten.
Al deze rechten en privileges dienen in stand gehouden te worden, en toch moet de eenheid van het
gezin worden behouden. De kwetsuur van een gezinslid betekent dat allen gekwetst zijn; het welzijn
van de één betekent welzijn van allen; de eer van één familielid betekent eer van allen.” 44
Dit betekent duidelijke steun voor de autonome identiteit in een collectieve omgeving. De zoeker moet er
gerust op kunnen zijn dat hij of zij hun identiteit niet zullen verliezen in het proces van eenwording.
Autonome identiteit plus wederzijdse en wederkerige zelfonthulling van onze werkelijkheid kunnen leiden tot
de
wederzijdse erkenning van de ander, wat een collectieve identiteit schept, waaruit intimiteit voortkomt en rust
voor de ziel.
Erkenning- de vijfde component van vertrouwelijkheid.
Erkenning van wat de ander zegt schept een verbinding met hem. Net zoals we, in de intimiteit van ons
gebed tot God, Zijn macht en eigenschappen erkennen, zo moeten we ook de kracht, de identiteit, de
werkelijkheid van degene waar we mee spreken erkennen. En er op vertrouwen dat hun werkelijkheid op
een wonderbaarlijke manier herschapen zal worden als ze in verbinding treden met de Openbaring van
Bahá’u’lláh, net zoals dat bij ons is gebeurd. In het Lange Verplichte Gebed heeft Bahá’u’lláh geschreven
over de vertrouwdste inwoners van het allerhoogste Paradijs: “Ik getuig o mijn God hetgeen Uw
uitverkorenen getuigen, en erken hetgeen de bewoners van het allerhoogste Paradijs en zij die Uw
machtige troon omringen getuigen. De koninkrijken van hemel en aarde zijn de Uwe, o Heer der
werelden!” We weten dat er een wijsheid zit in de erkenning van de aanspraken, de Openbaring en het
Gezag van Bahá’u’lláh; maar welke wijsheid vinden we als we de onthulling van de identiteit en de
werkelijkheid van een individu erkennen?
En wat houdt erkenning in? Het betekent dat je even de tijd neemt om mondeling of schriftelijk je waardering
en respect kenbaar te maken voor het feit dat je de ontvanger bent van de eerlijke onthulling van de
identiteit, gedachten, gevoelens, behoeften en verwachtingen van de ander. Erkenning is de werkelijkheid
van de ander binnengaan terwijl je de grenzen, die hun vrijheid en privacy beschermen, in de gaten houdt en
respecteert.
Er zijn mensen die hun identiteit en voortreffelijkheid verbergen achter angst- en schaamtegevoelens,
afstandelijkheid, hopeloosheid, uiterste waakzaamheid en wantrouwen; zij vertrouwen hun identiteit nooit aan
iemand toe. Iemand buiten de gemeenschap , een kind of een partner, kan de betekenis, de richting en de
bedoeling van de bahá’í-openbaring niet ontdekken totdat hij of zij het zelfbewustzijn en de bewustzijns-
verruiming heeft ervaren die voortkomen uit het horen van de eigen stem, die zichzelf onthult aan een ander
mens. Als de bahá’í naar die stem luistert en hem erkent, dan deelt en erkent hij of zij het juweel in de ander,
het pand van God. Dat betekent dat hij de identiteit van de ander ervaart. Dat is iets heiligs. En dat is wat
we missen als onze agenda de plaats van vertrouwelijkheid heeft ingenomen.
Vertrouwelijkheid schept nieuwe inzichten en zelfbewustzijn. Als we niet erkennen wat de ander zegt, zelfs
of juist als we het er niet mee eens zijn, kennen we geen waarde toe aan hun werkelijkheid en missen we
een noodzakelijke en belangrijke stap op de weg naar vertrouwelijkheid. Eigenlijk kleineren we dan hun
levenservaring.
Voorbeelden van erkenning
* Ik besef dat deze overtuiging, dit idee, dat inzicht heel belangrijk voor je is. Dit ben ik me nu bewust,
omdat je het me hebt verteld. Ik heb zoiets nooit eerder ervaren of bedacht en ik ben dankbaar dat je het
met me hebt gedeeld.
* Ik waardeer je inzichten. Het helpt me om je beter te begrijpen.
* Help me om jouw ervaringen te begrijpen door het nog eens op een andere manier te zeggen.
* Dat klinkt alsof het heel belangrijk voor je is en dan is het ook belangrijk voor mij. Kun je het nog eens
vertellen op een manier waardoor ik je beter kan begrijpen?
* Naar jouw mening luisteren helpt mij om mezelf beter te begrijpen. Ik accepteer de verschillen tussen ons
en ik kan ook de overeenkomsten zien. Dank je dat je het me verteld hebt.
Onze zoekers kunnen een gevoel voor rechtvaardigheid hebben dat nooit eerder door iemand is erkend.
Hun mening is misschien nooit gewaardeerd of bevestigd. Het wonder en de schoonheid van hun individualiteit
kan onbegrepen gebleven zijn in het ongezonde familiesysteem waar in ze opgroeiden. Wij kunnen het ons niet
permitteren om deze kansen te missen. Wat doet het er toe als we geen waardering terug krijgen? Als
zelfonthulling ook zelfonthulling aanmoedigt, dan wordt erkenning ook geleidelijk aan beantwoord met erkenning
en wordt het een van de grondslagen voor vertrouwelijkheid en vrijgevigheid.
Het is mogelijk dat zij zelf of anderen nooit hun aangeboren gaven hebben herkend. Hun op
rechtvaardigheid gebaseerde overtuigingen en houding, hun zuivere hart en ontvankelijkheid voor
geestelijke waarheid die bij zelfonthulling opduikt, kan mogelijk niet door henzelf of door anderen ontdekt zijn.
Wij kunnen deze talenten erkennen. Als ze het Geloof niet aanvaarden hebben we er in elk geval toe bij
gedragen dat ze zich zelf een beetje beter kennen.
“ O zoon van geest! Gij zijn Mijn lamp en Mijn licht is in u. Wordt hierdoor verlicht en zoek geen ander
dan Mij. Want Ik schiep u rijk en stortte overvloedig Mijn gunst over u uit” 45
We missen het stralende licht in de ander als we niet genieten van het moment van vertrouwelijkheid. We
gaan vaak te snel verder en vergeten om het licht dat ze misschien schuchter hebben laten zien, te weer-
spiegelen. Als we van hen houden om hen zelf dan nemen we de tijd om hun goedheid te erkennen, het licht
dat ze ons hebben laten zien.
Deze eenvoudige daad van erkenning houdt de waardering, de hoffelijkheid en het respect in, die in onze
prestatiegerichte samenleving ontbreken. In de huidige maatschappij moet je bewijzen dat je de slimste en
de beste bent. Mensen met verborgen agenda’s kunnen de werkelijkheid en de identiteit van een ander niet
erkennen. Ze zijn bezig om te bedenken wat ze zullen terugzeggen tegen de persoon die hen iets vertelt.
Zoals God Zich aan ons bekend wilde maken, zo willen de zoekers ook hun identiteit door zelfonthulling
laten zien; en dan is het verlangen naar erkenning er ook. Formules voor “onderricht” beperken het
vermogen van de bahá’ís om die eerste stap naar vertrouwelijkheid te zetten die dialoog heet. ‘Abdu’l-Bahá
zei, “Hoe kan ik weten wat ik moet onderrichten voor ik de mensen heb gezien?” 46 We kunnen ook
vragen, “Hoe weten we wat we kunnen delen of erkennen voordat we hebben gehoord waar ze behoefte
aan hebben?”
Als je niet erkent wat ze hebben gezegd, dan ben je niet binnen gegaan in hun werkelijkheid zoals die op dat
moment is; je hebt hun werkelijkheid die uit hun levenservaring is voortgekomen niet gerespecteerd. Als je
een werkelijkheid, die van de jouwe verschilt, niet via erkenning binnen gaat, dan neem je hem niet serieus.
Dit is één van de bedoelingen van consultatie. Consultatie is de dialoog tussen gedeelde werkelijkheden.
Autoritaire, totalitaire en autocratische denk- en regeringssystemen staan niet toe dat mensen hun
werkelijkheid met elkaar delen. Daar bestaat slechts eenzijdige communicatie. Wij kunnen het Geloof niet
verspreiden via eenzijdige communicatie. Wij moeten bij elke gelegenheid die we hebben om het Geloof te
delen consultatie bevorderen, vorm geven en creëren, voor ieder uniek mens die het Geloof zoekt. Soms, of
vaak, zullen we hen moeten voorgaan in het delen van hun werkelijkheid in consultatie.
Oprecht prijzen.
Wij weten door het lezen in de Geschriften, ons gebedenboek en “Bahá’u’lláh’s Prayers and Meditations” dat
wij God moeten prijzen. God wil dat wij Hem kennen, erkennen, loven en dat we Zijn geboden gehoorzamen.
Omdat we naar Zijn beeld zijn geschapen hebben wij ook behoefte aan lof. Maar in de autoritaire, totalitaire
en autocratische systemen waarin we zijn opgevoed werd lof door anderen gebruikt om ons te manipuleren
en te overheersen.
Wij moeten bij onze lof aan anderen net zo machteloos blijven als bij onze lof aan God. We moeten oprecht
prijzen, zodat we geen passiviteit , ongezonde gewoonten en volgzaamheid aanmoedigen en anderen er
toe aan zetten om ons te willen dienen en behagen. Onze lof en onderscheiding moet hun innerlijke doel en
talenten ten dienste staan en niet onze bedoeling, verwachtingen en wensen. Alleen dan mag je het
oprechte lof noemen. Dit zijn de grenzen van prijzen. En hier is weer een paradox: Prijzen is een krachtige
manier om de innerlijke bedoelingen van hun gaven te bekrachtigen of zichtbaar te maken; maar we moeten
daarbij geen macht uit oefenen ( er geen eigen belang bij hebben).
“Door hun zuivere adem moeten zij de steen in een schitterende robijn veranderen en de schelp in
een parel. Als de wolk met voorjaarsregen moeten ze de zwarte aarde in een rozentuin en een
boomgaard veranderen. Zij moeten de blinden ziende en de doven horende maken, de uitgebluste
mens weer in gloed zetten en de doden tot leven wekken” 47 Een zuivere ademtocht met oprechte lof
werkt als een lenteregen die de aarde van hun hart transformeert. Dat kan door lof maar ook door het
volgende middel: verzorging.
Verzorgen: wordt hun dienaar
Veel van de zoekers met wie we de leringen van Bahá’u’lláh willen delen zijn ernstig gewond. Om de
verdrukte niet te bezeren door dat je niet bekend bent met hun overtuigingensysteem dat anders gevormd is
dan het jouwe, volgt hier wat je zou moeten weten over hun overtuigingen systeem. Veel mensen reageren
vanuit de één van de volgende werkelijkheden:
1. Ik ben slecht. Ik moet me van de mensheid isoleren, dan zal mijn ziel zeker wegkwijnen.
2. Ik ben onwaardig. Ik mo et met minder genoegen nemen of ik moet zo grandioos zijn dat ik mijn
onwaardigheid niet voel.
3. Ik ben niet goed genoeg. Ik moet een overweldigend goede daad stellen voor de hele wereld om te
bewijzen dat ik iets waard ben.
4. Ik ben machteloos. Ik kan geen beslissingen nemen, ik kan niet assertief zijn of mijn eigen weg
kiezen. Of ik moet de baas zijn. Of ik moet slachtoffer zijn. Of ik kan niets riskeren. Of ik moet
afhankelijk zijn.
5. Ik word altijd tegengewerkt. Waarom zou ik iets proberen? Of ik mo et steeds aan zelfmoord denken
omdat het leven te hard is voor mij. Of ik moet agressief zijn.
6. Ik ben onvolmaakt. Ik moet volmaakt zijn. Ik mag geen fouten maken. Of ik moet altijd anderen op
hun fouten wijzen.
7. Ik ben verdoemd. Ik moet mezelf veroordelen en straffen als ik een fout maak. Ik moet mijn fouten
voortdurend ontkennen zodat ik niet door externe of interne kritiek veroordeeld word.
8. Ik ben immoreel. Ik moet heel erg rigide moralistisch zijn en uiterst waakzaam dat ik mezelf niet
verbaal of non verbaal verraad. Of ik moet promiscue zijn om te bewijzen hoe slecht ik ben. Ze
haten me. Ik moet mezelf haten. Of ik moet anderen er toe brengen om me te haten. Of ik moet
anderen haten.
9. Ik ben me nergens van bewust. Ik moet deze slachtoffer rol blijven spelen totdat ik of anderen er
zich van bewust worden. Ik moet de werkelijkheid of de waarheid ontkennen.
10. Ik kom tekort. Ik moet steeds iets van anderen nemen, of ik moet voortdurend hamsteren. Of ik moet
voortdurend gerust gesteld worden.
11. Ik ben jij. Ik moet voor jou zorgen en jou behagen omdat ik niet weet wie ik zelf ben.
Dit overtuigingensysteem, dat de eigen grootheid ontkent, is nauw verweven met de manier waarop men
met zichzelf omgaat; en daar dit hun werkelijkheid is verwachten ze ook zo behandeld te worden en lokken
dat zelfs vaak uit.
Nu komen er verschillende draden bij elkaar om de belangrijkste reden te onthullen waardoor de bahá’í
gemeenschap er niet in geslaagd is om eendrachtig en vertrouwelijk met elkaar om te gaan. Nu we de angst
hebben onderzocht die zich in een gestoord overtuigingensysteem verschanst en weten dat hij voortkomt uit
kritiek, is de volgende stap het bewust worden van het feit dat deze vrees voor kritiek ons er toe drijft om
onszelf te verbergen om vertrouwelijkheid te vermijden - zelfs wanneer we niet worden bekritiseerd.
De bovenstaande twaalf punten illustreren dat zelfkritiek deel uitmaakt van ons overtuigingen systeem. De
meerderheid van ons werd onderdrukt door kritiek die een onjuiste weergave van de werkelijkheid was toen
we nog kinderen waren. Voordat we de verstandelijke vaardigheden hadden om vast te stellen dat het niet
rechtvaardig was, om ons met woorden te verdedigen, of voor ons zelf op te komen. Misschien hadden we
ook nooit iemand die voor ons op kwam. Daardoor namen we al heel vroeg de beslissing, misschien al toen
we drie of vier jaar oud waren, om vertrouwelijkheid te vermijden en onszelf schuil te houden, daar we
vertrouwelijkheid vereenzelvigen met kritiek.
Ervaren dat je gekoesterd en verzorgd word helpt vertrouwen op te bouwen. het helpt ons om te stoppen
met wegkruipen en te beginnen met het nemen van risico’s in de omgang met elkaar. Hoe kunnen we het
soort ervaringen creëren dat vertrouwen opbouwt en de ziel rust geeft, zowel bij de zoeker als in de bahá’í-
gemeenschap?
• Door hen de verzekering te geven dat we hun identiteit erkennen en respecteren zoals die nu is en
ook wanneer ze in het veranderingsproces zitten waarin ze hun vermogen om keuzes te maken
gaan gebruiken in overstemming met de Geschriften en zodoende hun identiteit opnieuw ontdekken
of een nieuwe vorm geven.
• Als we hun identiteit erkennen en respecteren zullen ze voelen dat er met begrip naar hen
geluisterd is. Dit kalmeert hun ziel en bevordert en vermeerdert de ontwikkeling van de identiteit en
het vermogen om te spreken en na te denken.
• Door erkenning met mededogen in plaats van het kleineren van de levenservaring die de identiteit
van de zoeker heeft helpen vormen, zo als het erkennen van de homoseksuele levenservaring. We
kunnen ons niet alleen maar richten op het overbrengen van de Geschriften die homoseksualiteit
veroordelen als onnatuur- lijk. We moeten meer doen dan dat.
• Als we de zorg voor hun wezen en de bescherming van hun waardigheid op een consistente
manier doorzetten of zij of jij nu partner, ouders, leraar, werkgever of vriend bent.
• We zorgen voor hen door hen door hen via onze daden duidelijk te laten merken dat ze belangrijk
en waardevol zijn.
• Ze zullen zich ook verzorgd voelen als iemand die belangrijk voor hen is naar hen luistert en begrip
toont.
• We zorgen voor hen door hen te helpen zich te realiseren dat Bahá’u’lláh’s Openbaring hen de
vrijheid geeft om hun innerlijke vermogens en talenten aan te boren die belangrijk zijn om de
geheimen van het universum te ontdekken teneinde aan de behoeften van een steeds
voortschrijdende beschaving te kunnen voldoen.
• We zorgen voor hen door altijd aandacht te besteden aan hun persoonlijke mening en bedoeling.
• We zorgen voor hen als we onmiddellijk vriendelijkheid en geduld tonen op een pijnlijk of lastig
moment.
• We zorgen voor hen door hen aan te moedigen om zinvolle doelen te ontwikkelen die hen uit het
verleden halen en hun aandacht op de toekomst richten.
• Door hen te helpen om hun innerlijke waarde, waarvan ze zich misschien niet bewust zijn, te
herkennen
• Door hen te helpen de vrijheid te ervaren om hun identiteit te verruimen met het doel mensen van
andere rassen en godsdiensten te verwelkomen.
• Door gelegenheden voor hen te scheppen waar aan hun behoefte aan liefde, veiligheid en respect
wordt tegemoet gekomen.
• Door hen ervaringen te laten opdoen die het bewustzijn van hun unieke opvattingen, gaven en
goedheid vrijmaken, ontplooien en activeren.
• Door te zorgen voor de veiligheid die hen aanmoedigt om hun fouten zonder schaamte te
erkennen, zelfs al is het alleen maar aan zichzelf.
• Door hen te verzekeren dat de enige bedoeling van schuldgevoel is hen er opmerkzaam op te
maken dat ze hun koers moeten wijzigen of hun gedrag veranderen. Schuldgevoel moet alleen
maar voor dat verbazingwekkende doel gebruikt worden en niet voor allerlei vormen van
zelfbestraffing.
Hieruit moet onze verborgen agenda bestaan. We moeten zorgvuldig de voeding en erkenning van hun
werkelijkheid plannen i.p.v. de kritiek, het negeren, de minachting en de veroordeling ervan die zo
gebruikelijk is in de oude wereld orde. Dit is de geestelijke volwassenheid die Bahá’u’lláh en het Universele
Huis van Gerechtigheid ons vragen te ontwikkelen zodat we de zoekers zullen aantrekken.
“ Kort gezegd, de instorting van de huidige wereldorde brengt chaos en verwarring in ieder leven. Het is geen
wonder dat men overal om zich heen conflict en verdriet ziet, levens vol moeilijke beproevingen en
hartverscheurende worstelingen” “ Misschien is de moeilijkste test die voor ons ligt om liefdevol en vriendelijk
zijn zonder onderscheid te maken, vergevingsgezind en bemoedigend voor elk mens in een samenleving
van mensen die er prat op gaan dat ze scherp kritisch zijn met het doel hun conflicten met anderen te
rechtvaardigen” “ Misschien komt het allemaal op het volgende neer: het belangrijkste werk van een bahá’í is
om te leren liefhebben in een wereld vol haat, om dat geleerde met anderen te delen, en hen te vertellen
Wie ons geleerd heeft om weer lief te hebben. We moeten iedereen liefhebben - onze vijanden, degenen
die anders zijn dan wij, degenen die niet beminnenswaardig lijken te zijn. Liefde is de onveranderlijke
voorwaarde voor het Goddelijk Plan, het geschenk dat bahá’ís moeten geven aan een wereld die totaal
verdeeld is door zorgvuldig gerechtvaardigd conflict. De wereld wacht en lijdt onder dit wachten.” 48
We moeten ophouden om de conflicten goed te praten die ons weerhouden van een voortdurende toewijding
aan intimiteit. Op het moment dat we kritiek leveren in plaats van te zorgen voor een voedende ervaring zoals
ik hierboven heb beschreven, voelt de zoeker of de nieuwe bahá’í zich niet beminnenswaardig. “ O metgezel
van Mijn troon! Spreek geen kwaad, opdat het niet tegen u gesproken wordt en overdrijf niet de fouten van
anderen, opdat uw eigen fouten niet groot lijken. Wens niet de vernedering van een ander, opdat uw eigen
vernedering niet blootgelegd wordt.” 49
‘Abdu’l-Bahá richtte de aandacht niet op de fouten van anderen. Hij keek alleen naar de goedheid van
anderen. Hij zag geen kwaad in hen en daarmee gaf hij hen de mogelijkheid om het goede in zichzelf te
zien. Hij geloofde in hen en maakte dat ze in zichzelf geloofden. Hij was een Meester in het verschaffen van
voedende ervaringen, zelfs aan degenen die zich tegen Hem en de Zaak van God keerden. Wat een
contrast: de werkelijkheid erkennen dat een mens zijn hoogste mogelijkheden kan waarmaken tegenover de
visie en het oordeel dat mensen vanwege het kwaad niet in staat zijn tot vooruitgang.
Hier volgt het tweede deel van dat Verborgen Woord: “Leef dus de dagen van uw leven, die korter zijn dan
een vluchtig ogenblik, vlekkeloos van geest, rein van hart, met zuivere gedachten en een geheiligde aard,
dat gij in staat zult zijn vrij en tevreden dit stoffelijk omhulsel af te leggen, u naar het mystieke paradijs te
begeven en voor immer in het eeuwige koninkrijk te verwijlen.” 50 Als we het Geloof delen met een
vlekkeloze geest, ons hart niet bezoedeld door veroordeling en afkeuring, de behoefte om te bekeren, te
veranderen of vast te houden, onze geheime gedachten zuiver zonder de overdrijving van de fouten van
andere bahá’ís of zoekers, en met een geheiligde aard ( geheiligd van onze gerechtvaardigde vervreemding
en geslotenheid), zullen we vooruitgang boeken doordat we een sterke aantrekkingskracht uitstralen. We
moeten elke haat in liefde
transformeren, elke irritatie in aanvaarding en onderwerping aan de Wil van God en stralende
gehoorzaamheid aan de Openbaring van Bahá’u’lláh. Daardoor stellen we een werkelijk intieme en
verzorgende gemeenschap tegenover de verwarring en chaos van de huidige maatschappij. Er is geen
andere weg! Omdat we , als we hen vriendschap onthouden en kansen om elkaar te helpen verdiepen, als we
hen verzorging onthouden en het soort intimiteit dat de buitenstaander in de binnencirkel van vriendschap
trekt, dan onthouden we hen in wezen een hoofdbestanddeel van hun transformatie, terwijl we daar in feite
wel in staat zijn om het te geven.
Veel therapeuten hebben een liefdevol hart en het vermogen om te begeleiden, te bemoedigen, bevestigen
en ondersteunen op een wijze die een weg tot genezing voor ons opent. De veiligheid die ze scheppen door
de kwaliteit van hun luisteren en het feit dat ze ons nooit bekritiseren, maakt het voor ons mogelijk om de
herinneringen naar buiten te brengen waar we ons voor schamen en waardoor onze wonden in het donker
blijven etteren. Het is het liefdevolle luisteren, het opschorten van kritiek en veroordeling waardoor de
uitzonderlijke veilige plek wordt geschapen waar we kunnen genezen. Om uitbreiding van het Geloof op
grote schaal te bereiken moeten wij allemaal liefdevolle en tedere harten ontwikkelen en het vermogen om te
luisteren met de gevoeligheid en hoffelijkheid van ‘Abdu’l-Bahá.
Hoffelijkheid.
Hoffelijkheid wordt de prins der deugden genoemd en aangeduid met het woord “mantel of kleed”. Een
mantel bedekt alle nutteloze oplossingen, oordelen, verwachtingen, evaluaties, claims en geforceerdheid die
wij mensen in onze onvolmaaktheid geneigd zijn te verzinnen.
Deze soort gedachten zijn onbelangrijk voor het geestelijke drama dat wij voor ons te zien krijgen. Ons wordt
geleerd dat mensen behoefte hebben aan liefde. Onze mantel van hoffelijkheid verbergt alles wat de liefde
zou kunnen uitdoven. ‘Abdu’l-Bahá is ons grote voorbeeld wat hoffelijkheid betreft. Het is niet zo dat Hij de
onvolmaaktheid niet zag. Hij plaatste het met Zijn hoffelijkheid tegen een nieuwe achtergrond zodat de
verborgen krachten in de aanwezigheid van zijn acceptatie, veilig uit het bewustzijn van iemand te voorschijn
konden komen. Misschien wel met de Verborgen Woorden van Bahá’u’lláh “ Hoor geen kwaad en zie geen
kwaad ....” in Zijn achterhoofd, verborg Hij achter de mantel van hoffelijkheid elke gedachte die een beletsel
zou kunnen vormen voor de liefde en vriendelijkheid die Hij aan de dienaar van God voor Hem wilde
betonen.
“ O volk van God! Ik roep u op om hoffelijkheid te betrachten want dit is boven alles de prins der
deugden. Wel gaat het hem die verlicht wordt met het licht van hoffelijkheid en gekleed is in het kleed
van oprechtheid. Wie met hoffelijkheid begiftigd is heeft waarlijk een hoge staat bereikt. Wij hopen dat
deze Verguisde en alle anderen in staat worden gesteld om hoffelijkheid te verwerven, er aan vast te
houden, het in acht te nemen, en de blik erop te vestigen. Dit is een bindend gebod dat uit de Pen van
de Allergrootste Naam is voort gestroomd.” 51
“ Zeg: Laat betrouwbaarheid en hoffelijkheid uw sieraad zijn. Laat u niet verstoken blijven van het
kleed van verdraagzaamheid en rechtvaardigheid, zodat de zoete geuren van heiligheid vanuit uw
hart over al het geschapene mogen zweven” 52
En dit is de kern van hoffelijkheid: Bahá’u’lláh roept ons op om onmiddellijk soepel en geestelijk kwetsbaar te
zijn als we aangevallen worden, in plaats van perfectionistisch, schijnheilig ( aardig tegen iemand doen maar
achter zijn rug om roddelen) te zijn en iemand voor schut te zetten. In wezen is de perfectionistische,
schijnheilige mens bang om gekwetst te worden en de vrees voor eerlijkheid weerhoudt hem ervan om open
te zijn. In deze zin is het tegengestelde van perfectionisme niet onvolmaaktheid maar soepelheid. Ons
perfectionisme dat voortkomt uit de angst voor kritiek en schande wordt opgeheven door flexibiliteit. Als we
soepel voor onszelf kunnen zijn leggen we het innerlijke stemmetje van de kritiek het zwijgen op. Als we
soepel voor anderen zijn brengen we onze eigen innerlijke kritische roddelstem ook tot zwijgen. Dat is
machteloosheid! Innerlijk kunnen zeggen: Ik heb geen verdediging tegen deze persoon die zelf onderdrukt
werd en nu mij onderdrukt. En de enige manier waarop ik mijn werkelijkheid van helende liefde kan delen
met iemand die zo gewond is als hij, is door soepel om te gaan met zijn onwetendheid of wraakzucht. En
zeker niet gaan beoordelen of evalueren.
Het woord “ontwapening” heeft een grote aantrekkingskracht op mij. Onszelf ontwapenen bekent dat we
eerst de achterdocht en vijandigheid uit ons eigen hart verwijderen, want achterdocht en vijandigheid zijn
verdedigingswapens. Om “hen” te ontwapenen neem je je vermogen om lief te hebben en geeft het vrijelijk
aan hen waardoor je jezelf machteloos maakt. Wij hebben het lichamelijke Taikwondo en Tai Chi niet nodig.
Die sporten vormen een metafoor voor het mentale en emotionele ontwijken van een mondelinge klap, de
bedoeling er van afbuigen en gebruiken om aanval, de wond, de steek in een ander kader te plaatsen, om
de verdediger te worden die jouw “tegenstander” nooit had, in plaats van kwaadspreken, bekritiseren,
terugslaan, veroordelen enz. Dat is machteloosheid! Dat is kracht! En dat vormt dan een paradox.
Dit is ook de betekenis van het Korte verplichte gebed: “ Ik getuig o mijn God dat Gij mij hebt geschapen
om U te kennen en te aanbidden. Ik betuig op dit ogenblik mijn machteloosheid en Uw macht.” 53 Wij
worden gevraagd om Zijn macht te tonen door zachtmoedigheid bij dwang. Onze kracht ligt in geestelijke
kwetsbaarheid, ongewapend zijn, het risico aangaan om gewond te worden. Als anderen de kracht van de
liefde die wij hen aanreikten herkennen dan neemt dat hun verdediging weg en zij worden op hun beurt
onverdedigd en geestelijk kwetsbaar, ontvankelijk voor liefde, hongerig naar meer, hongerig naar de echte
intimiteit die hen is onthouden en de verborgen kracht van de liefde in hen begint te groeien en te
ontwikkelen. Onthoud dat we met hoffelijkheid en geestelijke kwetsbaarheid heel veel kracht hebben en elke
dag krachtiger worden.
Eenheid, mededogen en onthechting geven ons ook kracht, volgens Dr. Jane Faily in haar toespraak te
Louhelen, omdat ze ons een keus geven die verbitterde mensen niet hebben. “ Eenheid is de enige
genezende kracht, de enige transformerende kracht. Onderdrukte mensen zijn gewond. Ik ben dat en jij ook.
Wij hebben elkaar om te genezen. We hebben pijn gehad. Daar zou mededogen uit moeten ontstaan. Ik voel
dat onderdrukking ons een keus geeft. Als je naar onderdrukte mensen kijkt zie je gezichten die vertrokken zijn
van woede, koud van bitterheid, dood van de apathie, of, en dit is de keus: stralend van mededogen, krachtig
door onthechting. Uiteindelijk leer je door pijn en teleurstelling dat het leven een reis is. Je hebt geen huis, er
is geen totaal vervullende ervaring. Je leert van fouten die je niet meer goed kunt maken en de bedoeling van
alles is spirituele groei. Als je dat gelooft zul je stralen, als je het niet gelooft zul je wanhopig zijn.” 54
De verleiding bestaat om je geloof te verliezen, je bij de lustelozen, de cynici en de critici te voegen en in
opstand te komen tegen zowel de onderdrukker als tegen het redelijk gezag- om het sprankje hoop te
verliezen dat we als kinderen of jongeren hadden- in open rebellie de kritiek te tonen die ons omringt en die
een deel van ons innerlijk is geworden. Als we dat doen zal het kwaadspreken niet alleen het licht in het hart
van anderen doven maar ook dat in ons eigen hart. Het zwaard van opstandigheid velt de boom van onze
hoop.
“ Die zoeker moet ook kwaadspreken als een ernstige dwaling beschouwen en zich er verre van
houden, daar kwaadspreken het licht van het hart dooft en het leven van de ziel uitblust” 55
Het is noodzakelijk dat de kern van ons onvermogen om intimiteit te bereiken blootgelegd wordt, zodat we als
gemeenschap in dialoog en consultatie kunnen gaan over onze pijn door kritiek, onze vrees voor kritiek. Als
voorbereiding voor uitbreiding op grote schaal moeten we het vermogen ontwikkelen om onze angst en pijn
te uiten teneinde ons te bevrijden van de onbewuste motieven voor roddel. Deze onbewuste motivatie is een
deel van ons verdedigingsmechanisme dat op heel jonge leeftijd ontstond. We kunnen daar niet meer van af.
Dus maak je er geen zorgen over dat je last blijft houden van die onzuivere negatieve kritische gedachten.
We kunnen ons alleen van deze gedachten bewust worden en ze in de gaten houden zodat we keuzes
kunnen maken als de veroordelingen en emoties opkomen. Onze zichtbare, doelbewuste liefde, ongeacht de
verleiding om de altijd aanwezige kritische gedachten te uiten, is de reiniging, de zuivering, de verfijning en de
rechtschapenheid waartoe de Geschriften en de gebeden ons oproepen.
Als je de werkelijkheid van een zoeker binnengaat, bedenk dan dat deze bestraffend, arm en onderdrukt kan
zijn. Terwijl jouw werkelijkheid bevoorrecht is met me er stabiliteit en kansen, kan zijn of haar geestelijke
ontwikkeling groter zijn dan de jouwe. Bedenk ook dat jouw werkelijkheid onevenwichtig gaat worden omdat
zijn werkelijkheid tegen jou aan zal duwen, niet zozeer tot aan de grens van vertrouwen maar meer tot aan
de grenzen van je liefde. Zijn werkelijkheid gaat je naar het niveau van ‘Abdu’l-Bahá’s liefde duwen. “
Daarom moeten de geliefden van God zowel met vriend als met vreemdeling in hartelijke kameraadschap
omgaan, en allen de uiterste liefdevolle vriendelijkheid betonen, ongeacht de mate van hun vermogens,
nooit vragend of zij die liefde verdienen. Laten de vrienden op elk moment voorkomend en oneindig
vriendelijk zijn. Laten ze zich nooit uit het veld laten slaan door het kwaad van mensen, door hun agressie en
haat, hoe erg ook. Als anderen hun pijlen op je richten, biedt hen op jou beurt melk en honing aan; als ze
jouw leven vergiftigen, verlicht dan hun ziel; als zij je kwetsen, leer hen dan hoe je moet troosten; als ze je
een wond toebrengen, wees dan een balsem voor hun pijn; als ze je steken, breng dan een verfrissende
dronk naar hun lippen.” 56
Dit geeft een voorbeeld van ‘Abdu’l-Bahá’s oneindige geduld en grenzeloze begrip. Net als de oude man in
Rabbi Potok’s boek “ Het stof der aarde” die zich niet volledig aan de liefde kon wijden als de Hand van God
niet op elk moment van elke dag al zijn gedachten en beslissingen opnieuw vormde, wachten de handen van
‘Abdu’l-Bahá erop om ons om te vormen in een instrument dat altijd gereed is om melk en honing uit te delen
om hun leven te verzachten. Elke keer als we een gedachte waarnemen die zegt;” Ik geeft het op. Ik kan me
niet onvoorwaardelijk aan deze persoon wijden” moeten we teruggaan naar de Geschriften van de Meester
om onze blik te verhelderen en onze toewijding om te verzorgen, te aanvaarden en lief te hebben te
versterken.
“ Haast je om lief te hebben! Haast je om vertrouwen te hebben! Haast je om te geven! Kom om
leiding te ontvangen! Kom tot de harmonie! Om de Dagster te zien! Kom hier om vriendelijkheid te
ontvangen, om tot rust te komen! Kom hier voor vriendschap en vrede! Kom en leg je wapens van
gramschap af totdat de eenheid is bereikt! Kom en laat op de weg van de Heer iedereen elkaar
helpen.” 57 Kritiek is een verbaal wapen van gramschap, het gebruik van geweld om, of iemand tot
verandering te dwingen, of hem met woorden te verwonden.
“ Tijdens de laatste middag van het bezoek van de True’s moedigde ‘Abdu’l-Bahá mvr. True aan om dezelfde
houding te ontwikkelen. Hij nam haar hand zachtjes in de Zijne en beschreef haar het soort liefde, een soort
universele liefde, dat verder gaat dan een paar persoonlijke vriendschappen en dat de hele mensheid
omarmt. Hij zei dat het leek op een minnaar die een brief van zijn geliefde ontvangt en de brief komt
gescheurd, bemodderd en bijna helemaal kapot aan maar hij is oneindig waardevol omdat hij van zijn
geliefde is. Dat is de manier waarop je naar iedereen moet kijken, wat er ook gebeurt. Je hebt hen lief
omdat ze Gods schepselen zijn” 58
Hier is een artikel dat de afwezigheid van kritiek bij Bahiyyih Khanum beschrijft: “..... het zou niet voldoende
zijn om haar met de term moederlijk te beschrijven. Dat is te beperkt. Moederliefde omarmt en houd je vast;
het heeft iets bezitterigs, iets dat om een antwoord vraagt op de gegeven liefde. In haar genegenheid was
hier geen spoor van te vinden. Zij liet lichaam en geest geheel vrij en vroeg niets van degenen die ze liefhad.
Ze leek hen totaal te vrijwaren van enige liefdesverplichting. Haar aanraking was zo licht dat ze geen gevoel
van verplichting of bewuste dankbaarheid in hen opriep. Zelfs als ze troostte was haar streling vederlicht,
want ze wist dat een mens in diepe nood door de lichtste aanraking van mededogen kan worden gekwetst.
Zij gaf de balsem zelf en voegde er geen gewicht van haar eigen hand aan toe; zodat genezing en troost
kwamen als een magisch geschenk Ze keek niet eerst wat je waard was om de dan naar je verdienste te
belonen; ze lette er ook niet op of je pijn door jou zelf was veroorzaakt of opgeroepen, alsof ze wist dat lijden
op zichzelf iets heiligs is. Ze veroordeelde nooit iemand en hield zich niet bezig met het scheiden van de
bokken en de schapen. Ze onderscheidde niet alleen de zwarte schapen niet van de witte in de kudde maar
ook in de innerlijke kudde van je eigen aard noemde ze de fout niet zwart noch zag ze een goede daad. als
het blanke lammetje. Ze gebruikte geen kritiek en censuur. Als je met je duisternis bij haar kwam stak ze een
kaars aan. Als je iets verkeerds gedaan had of niet in je poging geslaagd was of er zelfs niet in geslaagd
was om een poging te doen, hield ze des te meer van je omdat ze besefte dat je verdriet had om je mislukking;
ze had medelijden met je vanwege je zwakheid en verslagenheid, en ze had ook medelijden met je als je niet
leed en je niet schaamde voor je fout.
Je wist zeker dat als iemand probeerde om haar te kwetsen dat ze hem zou willen troosten om zijn eigen
wreedheid. Want haar liefde was onvoorwaardelijk, kon door een vermomming heen dringen en de honger
zien achter het masker van woede en ze wist dat het wreedste karakter eigenlijk toch vriendelijkheid hoopt te
vinden in een ander. Zij bezat die zeldzame moed van het hart, die de gevoelige kern van elke behoefte wist
te onthullen. En haar begrip was zo groot dat ze alle ellende van het menselijk hart kon peilen en de
betekenis ervan lezen en zowel het slachtoffer als de pijn zegende.
.....Haar lasten leken licht omdat ze er niet onder gebukt ging en ze grote taken schijnbaar zonder moeite
aanpakte. Ze scheen nooit te zoeken of te streven omdat ze nooit een spoor van spanning of inspanning
vertoonde. In haar leven had ze nooit die hete, stoffige momenten van worsteling gekend, noch hun
ademloze, kleine successen, maar ze was zonder aarzeling voorwaarts gegaan met het hart rustig naar de
hemel gericht, om een opeenvolging van moeilijke dagen tegemoet te treden.”
[ De schuingedrukte passage herinnert me aan dat moment dat een halve hartslag duurt en dat onmiddellijk
perfectionisme verandert in soepelheid, kritiek in liefdevolle aanvaarding, “ vrees in rust”, boosheid in humor,
gehoorzaamheid en stralende instemming met Bahá’u’lláh’s model van onvoorwaardelijke liefde in minder
dan een hartslag. De verdrukten zijn zo overgevoelig voor onderdrukking dat ze ons ook maar een hartslag
de tijd geven om te op de juiste manier te reageren. Daarom zegt Bahá’u’lláh om “geen haarbreedte van de
Wet af te wijken”, niet alleen voor onze vooruitgang maar ook voor de vooruitgang van de verdrukten die
altijd naar veiligheid zoeken relatie, gemeenschap en intimiteit.]
Om verder te gaan met de passage over Bahiyyih Khanum: “ In de omgang met wreedheid en beperkingen in
haar leven toonde ze iets dat meer was dan vergeving. Het is heilig als je gekwetst wordt en je schenkt
vergeving maar het vermogen om te begrijpen en niet gekwetst te zijn is hier ver boven verheven. En dat
vermogen had ze. Het woord mazlum wat betekent: zonder klagen aanvaarden, is met haar naam verbonden
geraakt. Men hoorde haar nooit klagen of jammeren. Dat was niet omdat ze er maar het beste van maakte
maar omdat ze in alles, zelfs in rampspoed, de sporen van eeuwige wijsheid ontdekte. Ze bood geen
weerstand tegen schokken en ging niet tegen belemmeringen in. Ze was nooit ongeduldig. Ze was net zomin
in staat tot ongeduld als tot protest. Maar dit was niet zozeer uithoudingsvermogen als wel een kalm bewust-
zijn van de krachten die werken in de uren van wachten en inactiviteit.
Zij bewoog altijd mee met het grotere ritme, de wijdere boog naar het uiteindelijke doel. Zeker en vol
vertrouwen volgde ze de loop van haar baan om de Zon van haar bestaan, in de volkomen aanvaarding, de
volmaakte harmonie die de basis van geloof vormt.” 59
Voor het geval dat je je schaamt omdat niet aan deze mate van volmaaktheid kunt tippen, probeer dan te
begrijpen dat Bahiyyih Khanum werd grootgebracht met het voorbeeld van
voortreffelijkheid en volmaaktheid voor zich. Ze bezat een compleet overtuigingensysteem dat zich zo kon
vormen omdat ze geen kritiek en kwaadsprekerij te verduren had van haar Vader, die in haar leven de enige
belangrijkste relatie was.
Het is niet zozeer omdat we mens zijn en we ons daardoor onmogelijk met haar kunnen meten. Want zij was
ook een mens.! Het verschil is dat de meerderheid van ons in de jaren waarin we gevormd werd voorgedaan
hoe we moeten bekritiseren, schelden, slaan en kwaadspreken. ‘Abdu’l-Bahá beschermde Shoghi Effendi
tegen afkeuring en kritiek. Hij wilde niet dat iemand Shoghi Effendi’s karakter zou bederven tijdens zijn
jeugd. Hij waakte met de grootste zorg over hem. Wij werden niet met de grootste zorg bewaakt. Aan ons
werd het voorbeeld van voortreffelijkheid niet voorgeleefd. We weerspiegelen kritiekloos wat we in onze
jeugd in ons milieu waarnemen voordat we het vermogen om te kiezen hebben ontwikkeld of toestemming
hebben
om het te gebruiken.
Kritiek is sociaal geaccepteerd. We maken allerlei televisieprogramma’s die niets anders zijn dan kritiek in
een jasje van humor. Kritiek uitoefenen is amusement geworden. We gaan er prat op hoe ad rem we zijn.
We moeten het feit onder ogen zien dat kritiek een authentiek onderdeel van ons overtuigingensysteem
vormt omdat het ons is aangeleerd en steeds weer opnieuw kijken naar wat Bahá’u’lláh’s Geschriften over
hoffelijkheid zeggen, naar ‘Abdu’l-Bahá’s voorbeeld van liefdevolle vriendelijkheid en naar Bahiyyih
Khanum’s gebrek aan kritiek. We moeten ons niet schamen over onze voortdurende aandrang om kritiek te
leveren op anderen, maar onze verwonding aanvaarden, als we proberen om onze reactie op anderen die
hun verwonding op ons botvieren in een ander licht te zien.
Er bestaat een studie van wounded- acting out- behaviour. En dat is niet voor niets. Dit gedrag is diep
geworteld in een onbewuste rivier die buiten de oevers van discipline en grenzen dreigt te treden.
Neem bijvoorbeeld onverdraagzaamheid en fanatisme. Wist je dat dit een verdedigingsmechanisme is? Het
is veiliger om een hele groep mensen aan te vallen dan openlijk en eerlijk je woede te uiten tegen die
bepaalde persoon, ouder, leraar, dominee, werkgever die jou verwond heeft! Daar duikt de angst voor kritiek
weer op.
Ook schijnheiligheid is een verdedigingsmechanisme van een ernstig gewond mens. Het is de
behoefte, de honger naar gerechtigheid. Om schijnheiligheid te kunnen begrijpen moet je iets afweten van
geslotenheid. De hypocriet verbergt zijn of haar eigen onvolmaaktheid uit angst voor kritiek. We verbergen
authentieke onvolwassenheid en ontwikkelingsachterstand, onze fouten; we veinzen perfectie en kwaliteiten
die we niet bezitten om te ontsnappen aan kritiek en afkeuring. We wijzen op de fouten van anderen om de
aandacht van onze eigen fouten af te leiden, net als een kind dat zich bij dreigend gevaar en vreselijke
schaamte wil verstoppen. Dit is de onderliggende angst van een hypocriet die is ontstaan toen ze de
onderdrukking en mishandeling van anderen meemaakten. Voelen we niet allemaal die angst? Kunnen we
die honger naar veiligheid, rechtvaardigheid en acceptatie niet met begrip stillen?
Toch waarschuwt Bahá’u’lláh ons: “ O zoon van geest! Weet voorzeker dat wie de mensen tot
gerechtigheid maant en zelf onrecht pleegt, niet één van de Mijnen is , ook al draagt hij Mijn naam.”
60 VWA 28 Dit is een voorbeeld van de hypocriet die rechtvaardigheid zoekt.
En hier is Zijn verbod op kritiek: “O zoon van het bestaan! Hoe kunt gij uw eigen fouten vergeten en u
met de fouten van anderen inlaten? Wie zo handel wordt door Mij vervloekt.” 60 VWA 26 “ O
mensenzoon! Gewaag niet van de zonden van anderen zolang gij zelf een zondaar zijt. Indien gij dit
gebod schendt, zult gij verworpen worden, dit betuig Ik u” 62 VWA 27
“O gij uitgewekenen! De tong heb Ik bestemd om van Mij te gewagen, bezoedelt haar niet met laster.
Als het vuur van uw eigenliefde u overmeestert, herinnert u dan uw eigen fouten en niet de fouten van
Mijn schepselen, daar een ieder van u zichzelf beter kent dan hij anderen kent.” 63 VWP 66 Laster is
het zwartmaken, kleineren en aantasten van een ander. Kleineren is een poging om iemand zijn waardigheid
af te nemen door kritiek en bagatelliseren. In de opvoeding van onze kinderen komt een periode waarin ze
hevige kritiek op ons hebben. En waarom zouden ze ook niet? Ze hebben bij ons op schoot geleerd om
kritisch en gesloten te zijn. Omdat ze verder ontwikkeld zijn dan wij op die leeftijd weten ze meer en weten dat
het niet terecht was.
Kritiek is de keerzijde van onderscheiding, het vermogen om de niveaus van goed en kwaad, van
volmaaktheid en onvolmaaktheid te onderscheiden. Sommige mensen hebben een scherp onderscheidings-
en denkvermogen. Ze kunnen zo goed alles in hun milieu waarnemen en overdenken dat dit vermogen, als ze
niet consequent en rechtvaardig worden opgevoed, verandert in een verdedigingswapen n.l. bekritiseren!
Het middel hiertegen is het richten op het positieve aspect van het aanwezige onderscheidingsvermogen, in
de wetenschap dat liefde het ontbrekende bestanddeel van dat vermogen is. En raadt eens wie in dit
ontbrekende ingrediënt kan voorzien?
“O mensenzoon! De ware minnaar hunkert naar beproeving, gelijk de opstandige naar vergiffenis en
de zondaar naar genade.” 64 BWA 49
“ O mensenzoon! Als tegenspoed u niet op Mijn weg treft, hoe kunt gij dan de weg bewandelen van
hen die tevreden zijn met Mijn welbehagen? Als beproevingen u niet kwellen in uw verlangen Mij te
ontmoeten, hoe wilt gij dan het licht bereiken in uw liefde voor Mijn schoonheid?” 65 BWA 50
De ware minnaar hunkert naar beproeving in gemeenschap met de gewonden, zodat hij of zij de gewonden,
de verlorenen en de verwarden eenvoudigweg kan liefhebben en naar de veiligheid kan brengen. Om dit te
kunnen doen moeten we lijden, ellende en beproevingen welkom heten, omdat de gewonden, de verlorenen
en de radelozen misschien niet in staat zijn om liefdevol op onze vriendelijkheid te reageren. En als er
kritische gedachten in je opkomen, wat vaak gebeurt bij beproevingen en testen, dan kun je tegen jezelf
zeggen: “ Daar komt mijn eigen verwonding weer naar de oppervlakte. Daar steekt mijn honger naar
gerechtigheid de kop weer op! Daar komt mijn onderscheidingsvermogen weer op de proppen! ( Het gevoel
voor goed en kwaad, volmaakt en onvolmaakt, dat zich op een onvolwassen, onvolgroeide manier uitdrukt)
Ik zal zorgvuldig liefde door mijn onderscheidingsvermogen weven naar het voorbeeld van ‘Abdu’l-Bahá en
Bahiyyih Khanum, zodat ik mijn onderscheidingsvermogen niet gebruik als een instrument van kritiek in mijn
reactie en wisselwerking met anderen.”
‘Abdu’l-Bahá wist dat kritiek en muggenzifterij de gemeenschap vernietigde en de groei van de jonge bahá’í-
gemeenschap in Amerika belemmerde. Hij kreeg talloze verzoeken om naar Amerika te komen hij liet zijn
bezoek afhangen van hun liefde voor elkaar. “ Als jullie er naar verlangen om mij te ontmoeten en als je
werkelijk mijn bezoek wenst dan moeten jullie de deur van meningsverschillen sluiten en de poorten
van genegenheid, liefde en vriendschap openen. Jullie moeten als één hart kloppen en als één geest
vibreren.....”
“Waarlijk, waarlijk, ik zeg u dat als die meningsverschillen tussen u er niet waren, zouden de
bewoners van al die streken van Amerika nu al tot het Koninkrijk van God zijn aangetrokken en ze
zouden jullie helpers en assistenten zijn. Is het gepast dat u deze aller heerlijkste Gunst opoffert voor
waardeloze denkbeelden? Nee, bij God! Als u een ogenblik hier rustig over na zou denken, zou u in
staat zijn om onmiddellijk de oorzaak van deze onenigheid uit de weg te ruimen door te stoppen met
onderlinge roddel en muggenzifterij .
Sier de gelukzalige samenkomst met liefde en harmonie, breng een vreugdevolle ontmoeting tot
stand, richt een banket aan van de eenheid der mensheid, gebruik uw tong om elkaar te prijzen en zie
dan de aanwezigheid van ‘Abdu’l-Bahá in uw midden tegemoet” 66 Hier zien we dat woord prijzen weer
terugkomen.
De bahá’í-gemeenschap kan, in haar huidige staat van ontwikkeling, niet tegemoet komen aan de behoefte
aan intimiteit van honderden mensen tegelijk. Dat is onmogelijk! Maar het Woord van God, Bahá’u’lláh’s
Openbaring heeft dat vermogen. Daarom is het zo belangrijk om de zoeker en de nieuwe bahá’í in verbinding
te brengen met de Geschriften. Daarom is het zo belangrijk om de Geschriften uit het hoofd te leren en te
citeren. Zij raken een gevoelige snaar in het hart van de toehoorder. Die snaar is het vermogen om Hem te
herkennen die in de ziel van ieder van ons woont. In sommigen is dit vermogen meer ontwikkeld dan in
anderen:
“Genadige God! Het was de bedoeling dat in de tijd van de manifestatie van de Ene ware God het
vermogen om Hem te herkennen ontwikkeld en volwassen zou zijn en het hoogtepunt bereikt zou
hebben. Het is nu echter duidelijk aangetoond dat de dit vermogen in de ongelovigen onontwikkeld is
gebleven en zelfs is gedegenereerd.” 67
Als dit “vermogen” eenmaal in contact is gekomen met de “ Oceaan van Zijn Woorden”, dorst het naar meer.
Denk nog eens aan de tijd toen je zoekende was of pas bahá’í en waarin je urenlang, volslagen
geabsorbeerd en geboeid, zin na zin en boek na boek las? Dat kwam door de honger- honger naar de
intimiteit met onze Heer.
“ De uitdaging voor de bahá’ís is die duizenden zoekende zielen zo snel mogelijk te voorzien van het
geestelijke voedsel waar ze naar hunkeren.” 68 Toen wij in contact kwamen met dit “geestelijke voedsel”
geloofden we, erkenden de waarheid van Zijn Woorden en we verklaarden in wezen: “ Geprezen zijt Gij, o
Heer onze God, daar Gij ons in staat hebt gesteld om Uw meest verheven en alglorierijke Zelf te
erkennen. Wij zullen, door Uw genade, u aanhangen en ons onthechten van een ieder buiten U. Wij
zijn ons ervan bewust geworden dat Gij de Beloofde van de werelden zijt en de Schepper van hemel
en aarde!” 69
Zo zullen ook de wachtende massa’s Zijn Woord gretig opnemen; en het vermogen om Hem te herkennen
zal bij het horen van die melodieën beven van extase en vervoering, krachtiger worden door iedere passage
en elk gebed dat ze lezen. Zo zullen ze in verbinding komen met dat waar ze jaren naar gehongerd hebben!
“ Degenen die zich bahá’í verklaren zullen verrukt worden door de schoonheid van de leringen en geraakt
worden door de liefde van Bahá’u’lláh. Ze hoeven niet alle bewijzen, geschiedenissen, wetten en principes
van het Geloof te kennen, maar tijdens het proces waarin ze hun geloof verklaren moeten ze ook
basisinformatie ontvangen over de Centrale Figuren van het Geloof en over de wetten die zij dienen te
volgen en het bestuursstelsel dat zij dienen te gehoorzamen.” 70
Ons verdiepingswerk heeft een directe link met de groei en de ontwikkeling van het vermogen om Hem te
herkennen. “ Verdieping is een even essentieel deel van het onderrichtswerk als verspreiding. Het is het
aspect van onderricht dat de gelovigen helpt om hun kennis en begrip van de leringen te verdiepen en de
vlam van hun toewijding aan Bahá’u’lláh en Zijn Zaak aan te wakkeren. Zodat ze, vanuit hun eigen kracht, het
proces van hun geestelijke ontwikkeling voortzetten, het onderrichtswerk bevorderen en de werking van hun
bestuursinstellingen versterken. Goede verdieping is essentieel voor het behoud van de geestelijke
gezondheid van de gemeenschap, voor de bescherming van haar belangen, voor het hoog houden van haar
goede naam en uiteindelijk voor de voortzetting van het onderrichtswerk zelf” 71
Verdieping wordt daarom ook gesteund door ons vermogen om een sfeer van intimiteit te scheppen.
“ Het is niet voldoende om de bahá’í-boodschap te verkondigen, hoe essentieel dat ook is. Het is niet
genoeg om de bahá’í-ledenlijst uit te breiden, hoe belangrijk dat ook is. Er moeten zielen getransformeerd
worden, gemeenschappen daarom verdiept worden, nieuwe levenspatronen opgebouwd. Transformatie is
het wezenlijke doel van de Zaak van Bahá’u’lláh maar dit hangt af van de wil en de inspanning van de
persoon die dit wil bereiken in gehoorzaamheid aan het Verbond. Voor de voortgang van deze levenslange
transformatie is kennis nodig van de wil en de bedoeling van God, kennis die je kunt verkrijgen door regel-
matig het Heilige Woord van God te lezen en te bestuderen.” 72
Hartstochtelijk met het Woord van God verbonden zijn is het hoogste niveau van intimiteit dat wij ooit in deze
wereld kunnen bereiken. Transformatie is een dans, soms onbeholpen, soms heel mooi, die zich afspeelt
tussen het hart van de verheven Talisman en God; het met gratie en eenheid leren dansen hangt toch nog af
van ieder van ons in de grotere bahá’í-gemeenschap waar je de vaardigheden van intimiteit ontwikkelt. En
wat een prachtige, intieme dans is het als je liefdevolle partners jouw gratie erkennen, je onbeholpenheid in
een ander licht laten zien, je inspanning prijzen en de schoonheid en kracht van je innerlijk zien.
Als we machteloos blijven in elkaars omarming, zullen onze zielen misschien “ de geur van
kameraadschap en liefde inademen” en rust vinden. En “ieder begrijpen hart zal de betekenis van
ware vrijheid bevatten en het geheim van ongestoorde vrede en absolute kalmte ontdekken. Zou de
wereld deze staat deelachtig worden en verhelderd met het licht ervan, dan zou met recht gezegd
kunnen worden: “ Gij zult in haar geen diepten of opwaarts glooiende heuvels zien” 73 Bl .l blz. 155
Onderstaande bronverwijzingen verwijzen naar de Engelstalige bronnen.
1. Tablets of Bahá'u'lláh, p. 207
2. Tablets of the Divine Plan, pp. 52-53
3. 12 April 11927 to the National Spiritual Assembly of the United States and Canada, in Baha'I Administration:
Selected Messages 1922-1932, pp. 130-131
4. Authority of self is loosely defined as permission to use all of our personal powers in deference to the
Covenant of Bahá'u'lláh. For a complete description, see "Assisting the Traumatized Soul: Healing the
Wounded Talisman."
5. Baha'I Prayers, p. 222
6. Myron H. Phelps, Abbas Effendi: His Life and Teachings, 1903, p. 9-10
7. Fire Tablet, BP, p. 219-220
8. This does not apply to a person being battered by their spouse. He/she needs firm boundaries, distance and
protection. There are always going to be exceptions to this. This is actually a test of our spiritual and
psychological maturity. Those who act out sexually, rage, batter or use intimacy seductively cannot allow this
behavior to be triggered by themselves or the situation they've entered into. That would be irresponsible. We
all have certain limitations. Entering into intimacy is going to reveal those limitations.
9. Capuchin Priest Keith Clark, Being Sexual and Celibate
10. Selections from the Writings of 'Abdu'l-Bahá, p. 76
11. Gleanings, LXXV, p. 143
12. BP, p. 111
13. Gleanings, p. 95
14. Hidden Words, Persian, #44
15. Shoghi Effendi, 1974, cited in Living the Life, p. 3
16. Please bear in mind that this is not a discussion of just authority or institutions, which may have to mete our
disapproval of errant behavior. It is a discussion of old world order authority.
17. Oppression can include anything from physical, emotional, sexual and spiritual abuse to racism, sexism
and religious intolerance.
18. Dr. David Burns, Feeling Good: The New Mood Therapy, William Morrow and Company, New York, 1980,
p. 40
19. National Spiritual Assembly of Canada, August 1, 1969
20. SWAB, p. 253
21. SDC, p. 12
22. Adapted with permission during consultation with Ken Heral
23. Bahá'u'lláh, Kitab'i'Iqan, p. 19
24. HWP #76
25. Bahá'u'lláh, HWA # 63
26. HWP #36
27. Tablets of Bahá'u'lláh, p. 198
28. TAB, p. 198-199
29. Bahá'u'lláh, KI, p. 31
30. Bahá'u'lláh, KI, p. 32
31. Ridvan 1988 message written by the Universal House of Justice to the Baha'is of the world.
32. Howard Colby Ives, Portals to Freedom, page 116
33. Portals to Freedom, p. 39-40
34. Gleanings, p. 8
35. Gleanings, p. 8
36. Portals to Freedom, p. 39
37. Howard Colby Ives, Portals to Freedom, p. 31-33
38. 'Abdu'l-Bahá quoted by Julia Grundy in Ten Days in the Light of 'Akka, p. 90
39. Gleanings, p. 161
40. Baha'I Prayers, p. 103
41. Bahá'u'lláh, HWP #38
42. Nabil's Narrative, The Dawn-Breakers, pages 607-608
43. From Assisting the Traumatized Soul, p. 98
44. PUP, p. 168
45. Bahá'u'lláh, HWA #11
46. FIND THE SOURCE
47. 'Abdu'l-Bahá, Tablets of the Divine Plan, p. 88
48. National Spiritual Assembly of the United States, Feast Letter, December 31, 1994
49. Bahá'u'lláh, HWP #44
50. HWP #44
51. Tablets of Bahá'u'lláh, p. 88
52. Gleanings from the Writings of Bahá'u'lláh, p. 305
53. Baha'i Prayers, p. 4
54. Dr. Jane Faily, Address at Louhelen
55. Bahá'u'lláh, Kitab-I-Iqan, p. 193
56. Selections from the Writings of 'Abdu'l-Bahá, p. 24
57. Selections from the Writings of 'Abdu'l-Bahá, p. 273
58. Edna M. True, interview with author, Wilmette, Ill., September 1975; Corrine True, "Memories of
'Abdu'l-Bahá," tape recording, 30 April 1951, personal papers of Edna M. True.
59. A description of Bahiyyih Khahnum, Bahá'u'lláh's daughter, by Marjorie Morton, Baha'i World Volume.
60. HWA #28
61. HWA #26
62. HWA #27
63. HWP #68
64. HWA #49
65. HWA #50
66. ['Abdu'l-Bahá], "Tablet to the American Friends from 'Abdu'l-Bahá," Star of the West, 2, no. 4 (17 May
1911),7.)
67. Bahá'u'lláh, TB, p. 52-53
68. 27 July 1980, written by the Universal House of Justice to a National Spiritual Assembly
69. Bahá'u'lláh, Prayers and Meditations, LXI
70. Universal House of Justice, Wellspring of Guidance, p. 32
71. 17 April 1981, written on behalf of the Universal House of Justice to all National Spiritual Assemblies
72. Ridvan 1989 message written by the Universal House of Justice to the Baha'is of the world
73. Gleanings from the Writings of Bahá'u'lláh, p. 260
Kies een tweede tekst om parallel te lezen — een vertaling, of een willekeurige andere tekst.
Kies een andere tekst