« Back to single view
Compare:
Dutch ⇄
English
I.
In 1945 schonk de oprichting van de Verenigde Naties een visie aan een oorlogsmoede wereld over wat er mogelijk was in de arena van internationale samenwerking en werden nieuwe normen vastgesteld om de verschillende volkeren en naties naar een vreedzaam samenleven te leiden. Met op de achtergrond de meest rampzalige oorlog in de geschiedenis van de mensheid, was de oprichting van een wereldorganisatie voor de bescherming van de waardigheid, gelijke rechten en veiligheid van alle mensen en naties een buitengewoon staaltje van staatsmanschap. Zestig jaar later doen de vragen die zich de Conferentie van San Francisco voordeden, zich opnieuw gelden: Waarom hebben de huidige bestuurssystemen niet kunnen zorgen voor de veiligheid, welvaart en het welzijn van de wereldburgers? Welke verantwoordelijkheden hebben de naties tegenover hun buren en hun burgers? Welke fundamentele waarden zouden de betrekkingen moeten leiden tussen en in de naties om zeker te zijn van een vreedzame toekomst?
In de gezamenlijke poging om antwoorden op deze vragen te vinden raakt een nieuw paradigma ingeburgerd – dat van de onderlinge verbondenheid tussen de aard van onze eisen en onze welvaart. Of het nu gaat om armoede, de proliferatie van wapens, de rol van vrouwen, AIDS, wereldhandel, religie, milieubehoud, het welzijn van kinderen, corruptie, of de rechten van minderheidsgroepen – het is duidelijk dat geen van de problemen die de mensheid het hoofd moet bieden elk afzonderlijk op de juiste manier aangepakt kan worden. Het vervagen van nationale grenzen ondanks de crisistoestanden in de wereld heeft ongetwijfeld aangetoond dat het lichaam van de mensheid een organisch geheel is.[1] De praktische gevolgtrekkingen van dit verschijnend model voor de hervorming van de Verenigde Naties staan in het middelpunt van de bijdrage van Bahá’í International Community ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van dit verheven lichaam.[2]
Het hervormingsproces van de Verenigde Naties moet gezien worden als deel van een globaal ontwikkelingsproces, te beginnen met de vroegste vormen van internationale samenwerking zoals de Volkerenbond en leiden tot verhoogde niveaus van beginselvastheid bij het besturen van menselijke aangelegenheden, vergemakkelijkt door de oprichting van de Verenigde Naties, de Universele Verklaring van de Mensenrechten, het zich ontwikkelende instituut van internationaal recht, de opkomst en integratie van onlangs onafhankelijk geworden staten, en de werkwijze voor regionale en mondiale samenwerking. Alleen al de laatste vijftien jaar hebben de oprichting gezien van de Wereldhandelsorganisatie, het Internationaal Strafhof, de Afrikaanse Unie, de significante uitbreiding van de Europese Unie, de mondiale coördinatie bij campagnes in de burgermaatschappij en het verwoorden van de Millenium Development Goals – een nooit eerder voorgekomen mondiale ontwikkelingsstructuur die bedoeld is om de armoede in de hele wereld uit te bannen. In de loop van deze ontwikkelingen, bleek de definitie van de soevereiniteit van de staat – een hoeksteen van het moderne stelsel van internationale betrekkingen en een basisprincipe van het Handvest van de Verenigde Naties – een onderwerp voor felle discussies: wat zijn de grenzen van de traditionele ideeën over soevereiniteit? Welke verantwoordelijkheden hebben de staten tegenover hun burgers en tegenover elkaar? Hoe moeten dergelijke verantwoordelijkheden uitgevoerd worden?[3] Hoewel van ongelijke kwaliteit en vol tegenslag geven de zich ontwikkelende instellingen, bewegingen en dialoog blijk van een toenemende neiging naar eenheid in mondiale zaken en vormen één van de algemeen verspreide kenmerken van sociale organisatie aan het eind van de 20ste en de beginjaren van het nieuwe millennium.
Waarom is de wereld dan, gezien het dramatische toenemen van technieken en fora voor samenwerking, zo ernstig onderling verdeeld? Waarom dan de wereldomvattende kwelling, die de betrekkingen tussen die van verschillende culturen, overtuigingen, religies, politieke connecties, economische status en geslacht overvalt? Om deze vragen te beantwoorden moeten we onderzoek doen naar de wettelijk toegestane normen, politieke en economische theorieën, waarden en religieuze formuleringen, die het welzijn van de mensheid niet langer bevorderen. De vooruitgang van mannen en jongens ten koste van vrouwen en meisjes heeft de creatieve en materiële mogelijkheden van gemeenschappen om zich te ontwikkelen en hun problemen aan te pakken ernstig beperkt; het veronachtzamen van culturele en religieuze minderheidsgroepen heeft de oude vooroordelen die mensen en naties tegen elkaar opzetten geïntensiveerd; een onbeteugeld nationalisme heeft de rechten en kansen van burgers in andere landen met voeten getreden; in zwakke staten zijn uitbarstingen van conflicten, wetteloosheid en enorme stromen vluchtelingen; bekrompen economische agenda’s die materiële welvaart prijzen hebben vaak de sociale en morele ontwikkeling die nodig is voor een rechtvaardig en goed gebruik van rijkdom gesmoord. Dergelijke crises hebben de grenzen van traditionele benaderingen van bestuur blootgelegd en de Verenigde Naties voor de onontkoombare kwestie over waarden geteld; welke waarden zijn geschikt om de naties en de volkeren uit de chaos van strijdige belangen en ideologieën te leiden naar een wereldgemeenschap die in staat is om alle niveaus van de menselijke samenleving te doordringen van de principes van gerechtigheid en eerlijkheid?
De kwestie van waarden en hun onlosmakelijke verbondenheid met religieuze en levens-beschouwelijke systemen is op het wereldtoneel verschenen als een onderwerp van bespreekbaar mondiaal belang, die niet door de Verenigde Naties genegeerd kan worden. Hoewel er in de Algemene Vergadering een aantal resoluties passeerde waarin de rol van religie bij het bevorderen van vrede en de behoefte aan het uitbannen van religieuze onverdraagzaamheid behandeld werd[4], is het voor deze moeilijk om zowel de constructieve rol die religie kan spelen bij het tot stand brengen van een vreedzame mondiale orde als de destructieve invloed die religieus fanatisme kan hebben op de stabiliteit en vooruitgang van de wereld volledig te begrijpen. Een groeiend aantal leiders en beraadslagende lichamen erkent dat dergelijke overwegingen van de rand naar de kern van de beraadslaging verplaatst moeten worden – een erkenning die tot volledig begrip moet leiden van de krachtige invloed van met religie verbonden variabele waarden[5] over regeren, diplomatie, mensenrechten, ontwikkeling, begrippen over rechtvaardigheid en collectieve veiligheid.[6] Noch de politieke leiders noch academici voorzagen zo’n wijdverbreide heropleving van religie in het publieke circuit en ook leidde de praktijk van internationale betrekkingen niet tot het ontwikkelen van de kennismiddelen om zich op een zinvolle manier met religie bezig te houden.[7] Onze overgeërfde begrippen van religie als een onbelangrijke en hinderlijke stem in het internationale publieke circuit bieden geen hulp bij het oplossen van de complexe problemen waarvoor de leiders van de naties in de wereld staan. In feite is een passende rol voor religie in het publieke circuit er een van de meest urgente kwesties van onze tijd.
Dat religies gemanipuleerd en gebruikt zijn om het uiterste te bereiken kan niet ontkend worden. Toch laat een zorgvuldige historische analyse zien dat de periodes met de grootste vooruitgang in de menselijke beschaving die waren waarin zowel geloof en verstand de kans hadden samen te werken, daarbij puttend uit de hulpbronnen van het totaal aan menselijk inzicht en ervaring. Zo kwamen bijvoorbeeld tijdens het hoogtepunt van de Moslimbeschaving wetenschappen, filosofie en de kunst tot bloei; een levendige cultuur van leren stimuleerde de menselijke verbeelding tot nieuwe hoogten, en legde onder andere de exacte basis voor veel van de hedendaagse technische vernieuwingen. Onder de verscheidene beschavingen van de mensheid, heeft religie in het kader van nieuwe morele codes en wettelijke normen voorzien, die uitgestrekte gebieden van de globe van brute en dikwijls anarchistische systemen in meer beschaafder vormen van bestuur hebben veranderd. Het bestaande debat over religie in het publieke circuit werden echter aan beide kanten gestuurd door de stemmen en acties van extreme voorstanders – degenen die hun religieuze ideologie met geweld opleggen, wier zichtbaarste vorm van uitdrukken terrorisme is – en degenen weigeren dat er in het openbare circuit openlijk uitdrukking wordt gegeven aan geloof of overtuiging uitdrukking wordt gegeven. Toch is geen van beide representatief voor de meerderheid van de mensheid en geen van beide bevordert een blijvende vrede.
Op dit kritieke ogenblik in onze evolutie als mondiale gemeenschap, is het zoeken naar gedeelde waarden – behalve het botsen van uitersten – van het hoogste belang voor doelgerichte actie. Een bezorgdheid voor uitsluitend materiële overwegingen zal er niet in slagen de intensiteit te accepteren waarmee de religieuze, ideologische en culturele grootheden vorm geven aan diplomatie en besluitvorming. Bij een poging om van een gemeenschap van naties die in de eerste plaats verbonden zijn door economische betrekkingen te komen tot een met gedeelde verantwoordelijkheden voor elkanders welvaart en veiligheid, moet de kwestie van waarden een centrale plaats innemen bij de beraadslagingen, verwoord en nauwkeurig bepaald worden. Hoewel de Verenigde Naties herhaaldelijk de noodzaak voor multilateralisme benadrukt heeft, zullen allen zulke pogingen, hoewel een stap in de goede richting, geen voldoende basis vormen voor het tot stand brengen van gemeenschappelijkheid tussen naties; samenwerking alleen schenkt geen rechtmatigheid of de verzekering van gunstige resultaten die de bevolking ten goede komen. Om de beloften van het Handvest van de Verenigde Naties, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en daaropvolgende verdragen en resoluties na te komen, kunnen we niet langer tevreden zijn met het passief tolereren van elkaars wereldbeschouwingen; wat nodig is is een actief zoeken naar die gezamenlijke waarden en morele principes, die de situatie van elke vrouw, man en kind, ongeacht ras, klasse, religie of politieke mening zullen verbeteren.
Wij houden staande dat de wereldorde die aan het verschijnen is en het proces van mondialisering dat deze bepaalt, gebaseerd moeten worden op het principe dat de mensheid een eenheid is. Dit principe, aanvaard en bevestigd als een algemeen begrip, voorziet in de praktische basis voor het organiseren van betrekkingen tussen alle staten en naties. Het toenemen van de onderlinge verbondenheid tussen ontwikkeling, veiligheid en mensenrechten op wereldschaal bevestigt dat vrede en welvaart ondeelbaar zijn – dat het een land of gemeenschap geen blijvend voordeel kan opleveren als de welvaart van de naties als geheel ontkend of veronachtzaamd wordt. Het principe van de eenheid van de mensheid probeert niet de nationale autonomie te ondermijnen of de culturele en intellectuele verscheidenheid van de volkeren en naties der wereld te onderdrukken. Beter gezegd, het probeert de basis van de bestaande stichtingen in de samenleving te verbreden door op te roepen tot een onbevooroordeelde loyaliteit, een groter ambitieus doel dan enig ander dat het mensenras bezield. heeft. Het voorziet inderdaad is de morele stimulans die nodig is om de bestuursinstellingen om te vormen op een manier die strookt met de behoeften van een steeds veranderende wereld.
Uit de leringen van het Bahá’í-geloof, leggen we u onderstaande visie voor, die door de leden van de bahá’í-gemeenschap in ongeveer 191 naties over de gehele wereld proberen te realiseren..
“Een wereldgemeenschap, waarin alle economische barrières voorgoed zullen zijn opgeheven en de onderlinge afhankelijkheid van kapitaal en arbeid definitief wordt erkend; waarin het getier van godsdienstig fanatisme en strijd voorgoed zal bedaard; waarin de vlam van rassenhaat tenslotte zal zijn gedoofd; waarin een enkele internationale wetgeving – het product van het weloverwogen oordeel van de vertegenwoordigers van de wereldfederatie – als strafmaatregelen de onmiddellijke en dwingende interventie van de gecombineerde legers der federale eenheden zal hebben; tenslotte een wereldgemeenschap waarin de woede van een grillig en strijdvaardig nationalisme zal zijn verandering in een blijvend bewustzijn van wereldburgerschap”[8]
II.
In het licht van de voorafgaande analyse en de reeks die door de Verenigde Naties in beraad wordt gehouden, geven we de volgende aanbevelingen als concrete stappen met betrekking tot de realisatie van een rechtvaardiger en effectiever systeem van de Verenigde Naties. Onze aanbevelingen richten op de rechten van de mens, het primaat van de wet, ontwikkeling, democratie en collectieve veiligheid.
De Rechten van de Mens en het primaat van de Wet
Er kan geen daadkrachtige en vreedzame internationale orde gesticht en gehandhaafd worden tenzij deze stevig gegrondvest is op de principes van gerechtigheid en het primaat van de wet. Een zich neerleggen bij zulke principes levert de vereiste stabiliteit en legitimiteit op die nodig zijn om de steun van de volkeren en naties te winnen die de bedoeling hebben dit systeem toe te passen. Wij geven de volgende aanbevelingen:
a. De ernstige bedreigingen die religieus extremisme, intolerantie en discriminatie vormen verplichten de Verenigde Naties zich openlijk en serieus met deze kwestie bezig te houden. We doen een beroep op de Verenigde Naties om het recht van het individu om van zijn of haar religie te veranderen ondubbelzinnig te bevestigen ingevolge het Internationaal Recht. De Algemene Vergadering kan het Internationaal Gerechtshof, ingevolge Artikel 96 van het Handvest van de Verenigde Naties, verzoeken om advies mening uit te brengen over de kwestie inzake vrijheid van godsdienst of levensovertuiging.
Met name kan het Hof gevraagd worden of het principe van vrijheid van religie of levensovertuiging de status van jus cogens, internationaal gewoonterecht, heeft verworven, of dat het gewoon overgelaten aan elke staat om het te interpreteren. Een dergelijke verduidelijking zou helpen om de misleidende interpretaties van dit recht te elimineren en morele druk verlenen aan de veroordeling van beleidsvormen en praktijken die zich niet houden aan het principe van het niet discrimineren in zaken van religie of levensovertuiging.[9]
Naast de structurele en functionele hervormingen van mensenrechtenapparaat van de Verenigde Naties moet de legitimiteit van dit apparaat hersteld worden door de consequente vasthoudendheid ervan aan de hoogste principes van gerechtigheid, inclusief die welke zijn uitgewerkt in het Handvest van de Verenigde Naties en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Alleen op deze manier wordt de redelijkheid en het vertrouwen van de Lidstaten en hun burgers bewerkstelligd die vereist zijn om het mandaat ervan uit te oefenen.
De Algemene Vergadering moet overwegen om een tijdpad uit te zetten voor de wereld-omvattende ratificatie van internationale verdragen voor mensenrechten.
Het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens, ondersteund door de vereiste morele, intellectuele en materiële bronnen, moet nu de vaandeldrager worden op het terrein van de mensenrechten en een effectief werktuig bij het verlichten van het lijden van personen en groepen wier rechten hen worden ontzegd.
1. Als een van de meest effectieve instrumenten voor de bescherming van de mensenrechten, moeten Speciale Procedures voldoende budget en administratieve ondersteuning krijgen. Samenwerking tussen regering en de Speciale Procedures moet niet beperkt blijven tot toelating tot het land in kwestie, maar even belangrijk, moet ook de volledige aandacht voor daaruit voortvloeiende aanbevelingen inhouden. Daarover moet nagedacht worden in de interactieve dialoog tussen de Rapporteur en de Lidstaten.
De sectie Voorlichting van het Bureau van de Hoge Commissaris moet uitgebreid worden om het mogelijk te maken dat de resoluties van de Commissie voor de Rechten van de Mens/ Raad voor de Rechten van de Mens, aanbevelingen van de Speciale Procedures en slotopmerkingen van de lichamen die het verdrag doorlichten meer bekendheid krijgen in de media . Dit kan bijvoorbeeld door het vertalen van documenten in de desbetreffende nationale talen inhouden zodat er meer publiciteit kan komen.
Het Bureau van de Hoge Commissaris, samen met de Raad, moeten hun vruchtbare engagement met non-gouvernementele organisaties voortzetten, die, vanaf het begin positief heeft bijgedragen aan zowel het werk van het Bureau als aan de ontwikke-ling van het vermogen van non-gouvernementele organisaties om in dit verband betekenis volle interactie te tonen.
Ontwikkeling
De kern van de ontwikkeling van de mensheid moet het inzicht zijn dat mensen onvervangbare hulpbronnen zijn in een veranderingsproces dat in eigen behoeften voorziet. Het is de uitdaging om methodes te vinden die hen de kans geven dit potentieel in al zijn aspecten volledig te laten zien. Ontwikkeling omschreven in termen van bepaalde plannen van ´modernisering`, lijkt echter precies te verwijzen naar die processen, welke de overheersing van de materiële ambities van mensen van hun geestelijke doelen bevorderen. Hoewel de zoektocht naar een wetenschappelijk en technologisch moderne samenleving een centraal doel van de ontwikkeling van de mensheid is, moet deze zijn educatieve, economische, politieke en culturele structuren baseren op het concept van de geestelijke natuur van het menselijk wezen en niet alleen op zijn of haar materiële behoeften Wij geven hier de volgende aanbevelingen:
Het vermogen van mensen om deel te nemen aan het ontwikkelen en toepassen van kennis is een essentieel onderdeel van de ontwikkeling van de mensheid. Daarom moet er prioriteit gegeven worden aan de opleiding van meisjes en jongens, vrouwen en mannen om hen in staat te stellen de weg van hun eigen ontwikkeling uit te stippelen en hun kennis toe te passen in dienst van de grotere gemeenschap. De Verenigde Naties zouden in overweging moeten nemen dat op het punt van economische investering, de opleiding van meisjes misschien wel het hoogste rendement oplevert van alle investeringen die er zijn in de ontwikkelingslanden daarbij rekening houdend met zowel persoonlijke voordelen als de winst voor familieleden en de gehele gemeenschap.[10]
Wij vragen de Verenigde Naties te overwegen om de vijf geestelijke principes, die als basis kunnen dienen voor het opstellen van richtlijnen voor de ontwikkeling van de mensheid, te gebruiken naast de bestaande maatregelen voor ontwikkeling. Deze principes zijn: eenheid in verscheidenheid, onpartijdigheid en rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid van de seksen, betrouwbaarheid en moreel leiderschap en de vrijheid van geweten, denken en religie.[11]
De rijke landen in de wereld hebben een morele plicht om storende maatregelen rond export en handel te schrappen die de toelating van landen die problemen hebben met deelname aan de wereldmarkt verbieden. De Monterrey Consensus die het belang erkent van het scheppen van een ‘opener, op regels gebaseerd, niet-discriminerend en rechtvaardig’ handelssysteem is een stap in de goede richting.[12]
Naast hervorming van de handelssystemen moeten landen de toevloed van werk vergemakkelijken en zich bezighouden met de ontmenselijkende invloed van mensenhandel, die leidt tot wijdverbreide economische en seksuele uitbuiting van mensen die een beter leven zoeken.
Democratie
Wij smeken de internationale gemeenschap om democratie en een vrij gekozen regering als een universele waarde te zien. De maatstaf voor bespreking en het zoeken van de waarheid, die vereist is voor de realisatie van doelen door de Verenigde Naties gesteld, moet de patronen van partijgeest, protest en compromis die de huidige discussies over menselijke aangelegenheden vaak kenmerken, ver te boven gaan. Waar we behoefte aan hebben is een consultatief proces – op alle niveaus van bestuur – waarbij individuele deelnemers er naar streven verder te reiken dan hun respectieve gezichtspunten, om zo te functioneren als ledematen van een lichaam met eigen belangen en doelen. Door deelname en eenheid in doel, wordt beraadslaging de goedwerkende uitdrukkingskracht van rechtvaardigheid in menselijke aangelegenheden. .Zonder dit van principes voorziene programma, valt democratie ten prooi aan de buitensporigheden van individualisme en nationalisme, die aan de structuur van de gemeenschap trekken – zowel nationaal als mondiaal.
Naast het besturen van materiële zaken is regeren een morele taak. Het is het tonen van een mandaat - een verantwoordelijkheid om de leden van de sociale staat te beschermen en te dienen. Het toepassen van democratie zal slagen in zoverre zij wordt bepaald door principes die in harmonie zijn met de zich geleidelijk ontwikkelende belangen van een snel volwassen wordend mensenras. Deze houden in: betrouwbaarheid en integriteit die nodig zijn om het respect en de steun van de degene die bestuurd worden te winnen; transparantie; beraadslaging met degenen waarvoor de genomen besluiten bedoeld zijn; objectieve vaststelling van behoeften en wensen van de gemeenschappen die men dient; en het juiste gebruik van wetenschappelijke en morele bronnen.[13] Wij doen de volgende aanbevelingen:
Om zich te verzekeren van de rechtmatigheid, het vertrouwen en de steun die nodig zijn voor het realiseren van de doelen, moet de Verenigde Naties de democratische gebreken in zijn eigen afdelingen en overleg aanpakken.
Diepgaand overleg over de dringende kwesties van de dag eist van de Verenigde Naties dat er manieren ontwikkeld worden voor de opbouwende en systematische betrokkenheid met de organisaties in de burgermaatschappij (inclusief zakelijke en religieuze organisaties), maar ook leden van nationale parlementen. De betrekking tussen organisaties in de burgermaatschappij, parlementariërs en de gebruikelijke diplomatieke processen van de Verenigde Naties moet er niet een van competitie maar liever een aanvullende, geworteld in de erkenning dat de relatieve krachten van alle drie de samenstellende delen nodig zijn voor doeltreffende besluitvorming en de daarop volgende uitvoering.[14] Wij verzoeken de Verenigde Naties dringend aan de voorstellen die in het Report of the Panel of Eminent Persons on UN-Civil Society Relations serieus aandacht te schenken.[15]
Een gezonde democratie moet gebaseerd zijn op het principe van de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen en gelijke erkenning van hun bijdrage aan de vestiging van een rechtvaardige samenleving. Bij hun inspanningen om democratie te bevorderen moeten de Lidstaten van de Verenigde Naties alert werken aan het meedoen van vrouwen in alle facetten van het bestuur in hun respectieve landen. Dit is geen voorrecht maar een praktische noodzakelijkheid voor het bereiken van de hoogstaande en complexe doelen waarmee de Organisatie thans geconfronteerd wordt.
Het zinvol integreren van minderheidsgroepen in democratische processen is van essentieel belang – zowel om de minderheden in bescherming te nemen tegen het misbruiken van het verleden en om hun participatie en verantwoordelijkheid voor het welzijn van de samenleving aan te moedigen. Wij verzoeken de Lidstaten dringend in hun werk de democratie te bevorderen, te streven naar de volledige deelname van minderheden – behorend tot enig geloof, ras of klasse – aan het proces waarin de doelen vastgesteld worden en aan de besprekingen. Aangezien het culturele karakter van staten steeds meer verandert en uiteenlopend wordt, kan geen enkele culturele of religieuze groep aanspraak maken op de geschikte definitie van het nationaal belang.
Collectieve Veiligheid
We verwelkomen de pogingen van de Verenigde Naties om een bredere visie op collectieve veiligheid onder woorden te brengen, die gebaseerd is op het begrip dat in onze onderling verbonden wereld, een bedreiging van de een de bedreiging van allen is. Het Bahá’í-geloof voorziet in een systeem van collectieve veiligheid binnen de structuur van een mondiale federatie, een federatie waarin nationale grenzen vast bepaald zijn en omwille van wie alle naties van de wereld bereidwillig afstand zullen doen van alle rechten om wapens te behouden behalve voor het doel om de interne orde te handhaven.[16] Hoewel bekend met de ernstige tekortkomingen van het huidige systeem van collectieve veiligheid, vragen wij de Veiligheidsraad dringend om zijn Resolutie over “Vrouwen, Vrede en Veiligheid,[17] die een mijlpaal is, omdat daarin voor de eerste keer in de geschiedenis de nood van vrouwen en meisjes tijdens conflicten en in situaties na conflicten[18] en hun voortdurende rol bij het bevorderen van vrede erkend worden.
Wij doen de volgende aanbevelingen:
Om zich te richten op het gebrek aan democratie en de aanhoudende politisering van de Veiligheidsraad moet de Verenigde Naties ten gepaste tijde stappen ondernemen voor het aannemen van een procedure die uiteindelijk het permanente lidmaatschap en de macht van het vetorecht elimineert.[19] Naast procedurele hervormingen, zijn ook een wezenlijke verandering in houding en gedrag noodzakelijk. Lidstaten moeten erkennen dat zij, door het hebben van een zetel in de Veiligheidsraad en als ondertekenaars van het Handvest van de Verenigde Naties, een belangrijke morele en wettelijke verplichting hebben om te handelen als gevolmachtigden van de gehele gemeenschap van naties, niet als pleitbezorgers van hun eigen nationale belangen.[20]
Er moet een definitie van terrorisme aangenomen worden. Wij zijn het eens met de Secretaris-Generaal die het terrorisme karakteriseert als om het even welke daad, “die bedoeld is om de dood of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken van burgers of non-combattanten, met het doel een bevolking te intimideren of een Regering of een internationale organisatie te dwingen van een willekeurige handeling af te zien of uit te voeren.” Bovendien, is het noodzakelijk dat problemen zoals terrorisme consequent moeten worden aangepakt in verband met andere kwesties die de samenleving ontwrichten en destabiliseren.[21]
Wij vragen de Verenigde Naties met klem de nodige stappen te ondernemen om de deelname van vrouwen uit te breiden op alle niveaus van besluitvorming van conflictoplossing en vredesprocessen, plaatselijk, nationaal; en internationaal, inclusief het Department of Peacekeeping Operations. [22]
Wij zijn van mening dat de taak om een vreedzame wereld stichten berust bij de leiders van de naties in de wereld vanwege de enorme verantwoordelijkheden die zij nu hebben. Het is nu hun uitdaging om het vertrouwen en het geloof van hun burgers te herstellen in henzelf, hun regering en de instellingen van internationaal bestuur door een verklaring van persoonlijke integriteit, oprechtheid in doelstelling en standvastig engagement aan de hoogste principes van rechtvaardigheid en de noodzakelijke eisen van een wereld die hongert naar eenheid. De grote vrede waarnaar de volkeren en naties van de wereld lang hebben uitgekeken ligt nu binnen ons bereik.
[1] Daar waar de Verenigde Naties een begin heeft gemaakt met het formeel erkennen dat mensenrechten en collectieve veiligheid van elkaar afhankelijk zijn, klonk er in de bijdragen vanuit de organisaties van burgers in de samenleving een zodanig eensluidend toekomstperspectief door, zoals bijvoorbeeld tijdens de Wereldconferenties van de VN, waaronder de Conference on Environment and Development (1992), de World Confrence on Human Rights (1993), World Conference on Population and Development (1994), de Fourth World Conference on Women (1995), de World Summit for Social Development (1995) en de United Nations Conference on Human Settlement (1996)
[2] Bahá’í International Community is, vanaf de oprichting van de Verenigde Naties 1945, in haar hoedanigheid als internationale non-gouvernementele organisatie actief betrokken geweest bij de VN. Ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de VN, overhandigde Bahá’í International Community aan de Secretaris-Generaal haar voorstellen tot herziening van het Handvest, gebaseerd op de erkenning dat “echte soevereiniteit niet langer ligt bij de instituten van de nationale staat omdat de naties van elkaar afhankelijk zijn geworden; dat de bestaande crisis zowel moreel; en geestelijk als politiek is; en dat men de huidige crisis alleen te boven kan komen door het bereiken van een wereldorde die representatief is voor de volkeren in de wereld en de naties van de mensheid. (BIC, “Proposals for Charter Revision Submitted to the United Nations by the Bahá’í International Community” [1955] ,‘The Bahá’í World 1954-1963, Vail-Ballou Press, Inc., Binghamton. New York, 1970). In 1995 gaf de Internationale Bahá’í Gemeenschap een verklaring uit ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de VN, waarin de steeds toenemende onderlinge onafhankelijkheid van de mensheid en de aangeboden voorstellen voor de opleving van de Algemene Vergadering, de ontwikkeling van de uitvoerende taak, versterking van het Internationaal Gerechtshof, het bevorderen van economische en morele ontwikkeling, mensenrechten en de vooruitgang van vrouwen (Bahá’í International Community, Turning Point for All Nations, (Keerpunt voor alle Naties) Bahá’í International Community’s United Nations Office, New York, 1995). Tijdens haar hele geschiedenis van verbondenheid met de Verenigde Naties heeft BIC haar visie en ervaring bijgedragen door suggesties die te maken hebben met o.a. de vooruitgang van vrouwen, mensenrechten, het milieu, welvaart in de wereld en economische ontwikkeling.
[3] Als antwoord op de nalatigheid van de internationale gemeenschap om te bemiddelen, of daadkrachtig in te grijpen, in de ernstige crisistoestanden, zoals in Somalië, Bosnië, Kosovo en Rwanda, stelde de Canadese regering in 2000 een commissie in om zich bezig te houden met de kwesties betreffende de legale, morele, operationele en politieke aspecten van humanitaire interventie. De International Commission on Intervention and State Sovereignty zijn bevindingen en de centrale principes in een rapport van 2001, met de titel, Responsibility to Protect. Het opnieuw nalaten om daadkrachtig in te grijpen in de crisistoestanden in Darfoer, Soedan heeft de dringende behoefte aan de definitie van legale normen en operationele normen voor interventie zelfs nog groter gemaakt.
[4] Bijvoorbeeld, “Promotion of Interreligious dialogue” (A/RES/59/23), de “Promotion of religious and cultural understanding, harmony and cooperation” (A/RES/56/6), de “Elimination of all forms of religious intolerance”(A/RES/59/199) en het rapport van de Directeur-Generaal van UNESCO (A/59/201) aan de 59ste Zitting van de Algemene Vergadering van de VN “Promotion od religious and cultural understanding, harmony an cooperation” (A/RES/58/128)
[5] Hiertoe behoren o.a. religieuze leerstellingen en uitleg ervan, volgelingen van religies, religieuze leiders en instellingen.
[6] Hoewel een gedetailleerde buiten het kader van deze verklaring valt behoren voorbeelden van de heropleving als een zaak van urgent politieke belang ook: wijdverbreid geweld in naam van religie; verspreiding van religieus fundamentalisme en zijn grote invloed op politieke regimes; toenemende spanning tussen religie en het beleid van staten; uitdagingen bij het oprichten van nationale en regionale bestuursstructuren geschikt om te voldoen aan de eisen voor eerlijke vertegenwoordiging vanuit verschillende religieuze groeperingen; sociale, politieke en economische integratie van religieuze minderheidsgroepen; botsingen tussen religieuze en burgerlijke wetten; Invloed van religie in internationale fora voor beleid (bijv. de International Conference on Population and Development, Cairo, 1994; de Fourth World Conference on Women, Beijng, 1995); schending van mensenrechten in naam van religie inclusief het recht om van religie te veranderen. Dergelijke ontwikkelingen worden geplaatst tegenover de toenemende inspanningen op het gebied van de interreligieuze dialoog en de samenwerking tussen religieuze leiders en hun gemeenschappen. De indrukwekkende mondiale netwerken door religie geïnspireerde charitatieve en humanitaire organisaties en bewegingen vestigen de aandacht op de morele aspecten van mondiale economische integratie; de intellectuele en morele erfenis van religies bij het verwoorden van morele principes (bijv. ethiek van de rechtvaardige oorlog); het vermogen van religies om individuen en groepen naar onbaatzuchtigheid, geweldloosheid en verzoening te brengen.
[7] Verscheidene factoren hebben bijgedragen aan de bijna volledige verwerping van religie in concepten van internationale betrekkingen. Ten eerste, de sociale wetenschappen werden gebaseerd op werken van degenen die geloofden dat religie plaats maakte voor rationele en wetenschappelijke denkwijzen, die wat zij zagen als onwetendheid en bijgeloof veroorzaakt door religie, de kop zouden indrukken, daarbij een periode van moderniteit aankondigend. Ten tweede, “niet alleen was de theorie over internationale betrekkingen (zoals andere sociale wetenschappen)gebaseerd op de overtuiging dat religie als een onbelangrijke factor uit de wereld aan het verdwijnen was, er kan ook beweerd worden dat de moderne context voor de betrekkingen tussen staten gebaseerd was op doelbewuste seculiere principes. Het moderne concept voor de territoriale staat, de basis voor moderne internationale betrekkingen, werd verwoord door de Treaty of Westphalia in 1648,”die, was samengesteld om de Dertigjarige Oorlog tussen de protestante en katholieke staten te beëindigen. Door dit te doen werd een vorm ontwikkeld voor betrekkingen tussen staten waarin geen plaats was voor religie.” (Jonathan Fox en Shemuel Sandler (2005), “The Question of Religion and World Politics,” Terrorism and Political Violence, 17:296-298)
[8] Shoghi Effendi, “Het doel van een Nieuwe Wereldorde”[1931], The Worldorder of Bahá’u’lláh (Wilmette, Ill.: Bahá’í Publishing Trust, 1991)
[9] Bahá’í International Community, Freedom to Believe (Bahá’í International Community’s United Nations Office, New York, 2005)
[10] Volgens de Wereldbank, hebben ontwikkelde vrouwen, behalve dat ze productiever zijn op de arbeidsmarkt, kleinere gezinnen, sterven er minder van hun kinderen op kleuterleeftijd en zijn de overlevende kinderen gezonder en beter ontwikkeld. Ontwikkelde vrouwen zijn ook beter uitgerust om betaald werk te gaan doen, wat belangrijk is voor de vele gezinnen in de ontwikkelingslanden waar een vrouw aan het hoofd van het gezin staat. Naties met hogere aantallen vrouwelijke leerlingen vertonen hogere niveaus van productiviteit, lager vruchtbaarheid, lagere kinder- en moedersterfte en een langere levensverwachting dan landen waarin nog geen grotere aantallen meisjes naar school gaan. ( World Bank, “The Benefits of Education for Women (1993), URL: www.worldbank.org/html/extdr/hnp/hddflash/hcnote/hm002.html)
[11] Zie voor een uitgebreide uiteenzetting: Bahá’í International Community, Valuing Spirituality in Development: Initial Considerations Regarding the Creation of Spirituality Based Indicators for Development, een concept geschreven voor de World Faiths Development Dialogue, Lambeth Palace, Londen (The Bahá’ í Publishing Trust: Londen 1998)
[12] The Monterrey Consensus, (A/CONF.198/11)
[13] In de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw boekte de wereld opvallend vooruitgang door de weg vrij te maken voor politieke systemen en de uitbereiding van politieke vrijheden. Meer dan 18 landen zetten belangrijke stappen naar democratie en vandaag de dag worden in 140 van de bijna 200 landen meerpartijenverkiezingen te houden—meer dan ooit tevoren. Gallup International’s Millenium Survey (1990) ontdekte dat van de 50.000 mensen die in 60 landen meededen aan het onderzoek, minder dan eenderde van mening was dat hun land bestuurd werd door de wil van het volk. Slechts 1op de 10 ondervraagden zei dat de regering van hun land beantwoordde aan de wil van het volk.
[14] Gedurende de laatste vijf jaar heeft de Verenigde Naties talrijke voorbeelden voor innovatief besturen ontwikkeld. In 2000 heeft de Economische en Sociale Raad van de VN een Permanent Forum voor Inheemse Zaken opgericht om als adviserend lichaam voor de Raad te dienen bij inheemse zaken die te maken hebben met sociale en economische ontwikkeling, cultuur, het milieu, opvoeding, gezondheid en mensenrechten, als hoogtepunt van een tientallen jaren durende strijd van inheemse volkeren om een plaats terug te krijgen binnen de wereldgemeenschap; in juni 2005 hield de Algemene Vergadering –voor de eerste keer – interactieve hoorzittingen met de burgermaatschappij en de particuliere sector waarin ongeveer 200 non-gouvernementele organisaties hun visies in overweging aan de Lidstaten gaven over de hervorming van de Verenigde Naties als voorbereiding op de United Nations World Summit in 200; in juni 2005 een organiseerde een uit drie partijen bestaande samengekomen groep, bestaande uit een kerngroep van Lidstaten (Argentinië, Banladesh, Duitsland, Ecuador, Filippijnen, Gambia, Indonesië, Iran, Kazakstan, Maleisië, Marokko, Senegal, Spanje, Thailand en Tunesië), burgermaatschappij, de UNESCO (United Nations Educational, Social and Cultural Organzation) en het Deparment of Economic and Social Affairs een conferentie met de titel Interfaith Cooperation for Peace, die tot doel had stof aan te dragen voor de 2005 World Summit over strategieën om interreligieuze samenwerking voor vrede te bevorderen. Het was de eerste keer dat in een door Lidstaten geïnitieerde conferentie werd georganiseerd en geleid en samengewerkt door Lidstaten, de burgermaatschappij en organisaties van de Verenigde Naties. Gezien de interessante problemen biedende aard van het onderwerp, voorzag de organisatorische benadering in een nuttig sjabloon voor gelijksoortige pogingen in de toekomst. Ook vermeldenswaard is dat in 2002 de International Parlementary Union de status van permanent waarnemer bij de Algemene Vergadering kreeg, waarmee nieuwe vormen van samenwerking in beweging werden gezet.
[15] Panel of Eminent Persons on UN-Civil Society Relationships. We the Peoples: Civil Society, the UN and Global Governance: New York, 2004)
[16] Om het systeem tot een succes te maken zijn eenheid, macht, soepelheid, en de publieke mening belangrijk: eenheid in denken en doel onder de permanente leden, macht om de juiste kracht te gebruiken om de werkzaamheid van het systeem veilig te stellen, soepelheid om het systeem de kans te geven te voldoen aan de erkende noden van de gekwelde handhavers en universele publieke mening – die van vrouwen en mannen – om zeker te zijn van gezamenlijke actie.
[17] Security Council Resolution 1325 (S/RES/1325 (2000)
[18] Het is typerend dat oorlogen en conflicten weinig onderscheid maakten tussen strijders en burgers en tussen volwassenen en kinderen. Toch treffen gewapende conflicten vrouwen en meisjes op een andere manier dan mannen en jongens. Zo verhogen verkrachting en seksueel geweld, bedreven door de gewapende strijdkrachten, of ze nu van de regering of andere daders zijn, inclusief de vredesmachten, de verspreiding van HIV/AIDS en andere seksueel overdraagbare ziekten. De meeste slachtoffers van HIV/AIDS in de ontwikkelingslanden zijn vrouwen en meisjes. Ten gevolge van deze ziekte blijven miljoenen wezen achter die in de meeste gevallen verzorgd worden door oudere vrouwen.
[19] Hoewel het vetorecht vaak heeft gediend als een belangrijke bescherming tegen het verpletterende gevoel van meerwaardigheid, heeft het ook daadkrachtige actie belemmerd tegen landen die een bedreiging voor hun buurlanden vormen. Een interim maatregel kan misschien inhouden het vetorecht niet te gebruiken in kwesties als genocide of andere grove bedreigingen van de internationale vrede en veiligheid.
[20] Het Handvest van de Verenigde Naties verklaart: “ Ten einde een doeltreffend optreden van de Verenigde Naties te verzekeren, dragen de Leden de verantwoordelijkheid voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid in de eerste plaats op aan de Veiligheidsraad, en stemmen zij er in toe dat de Veiligheidsraad, bij de uitvoering van de uit die verantwoordelijkheid voortvloeiende taken, in hun naam handelt.”(artikel 24; uitgave van de Verenigde Naties, Afdeling Voorlichting, 1989)
[21] Onder dergelijke ontwrichtende en destabiliserende factoren vallen o.a.: het falen van regeringen om religieuze en etnische minderheden zinvol te integreren, grotere toegankelijkheid tot wapens; de destabilisatie en ineenstorting van regeringen; en een algemeen gevoel van sociale, politieke, economische, culturele crisis – deze dragen alle bij tot heet scheppen van een omgeving die gewelddadige ,radicale ideologieën zou kunnen nodigen om ingeburgerd te raken en tot bloei te komen.
[22] Dit vereist de implementatie van het strategisch actieplan van de Secretaris-Generaal (A/49/587), dat er toe oproept dat vrouwen meer en meer meedoen op het vlak van besluitvorming voor conflictoplossing en vredesprocessen. Lidstaten moeten dit doorvoeren vanwege hun verplichting en tegenover het Internationaal recht volgens Resulutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad.
In 1945 schonk de oprichting van de Verenigde Naties een visie aan een oorlogsmoede wereld over wat er mogelijk was in de arena van internationale samenwerking en werden nieuwe normen vastgesteld om de verschillende volkeren en naties naar een vreedzaam samenleven te leiden. Met op de achtergrond de meest rampzalige oorlog in de geschiedenis van de mensheid, was de oprichting van een wereldorganisatie voor de bescherming van de waardigheid, gelijke rechten en veiligheid van alle mensen en naties een buitengewoon staaltje van staatsmanschap. Zestig jaar later doen de vragen die zich de Conferentie van San Francisco voordeden, zich opnieuw gelden: Waarom hebben de huidige bestuurssystemen niet kunnen zorgen voor de veiligheid, welvaart en het welzijn van de wereldburgers? Welke verantwoordelijkheden hebben de naties tegenover hun buren en hun burgers? Welke fundamentele waarden zouden de betrekkingen moeten leiden tussen en in de naties om zeker te zijn van een vreedzame toekomst?
In de gezamenlijke poging om antwoorden op deze vragen te vinden raakt een nieuw paradigma ingeburgerd – dat van de onderlinge verbondenheid tussen de aard van onze eisen en onze welvaart. Of het nu gaat om armoede, de proliferatie van wapens, de rol van vrouwen, AIDS, wereldhandel, religie, milieubehoud, het welzijn van kinderen, corruptie, of de rechten van minderheidsgroepen – het is duidelijk dat geen van de problemen die de mensheid het hoofd moet bieden elk afzonderlijk op de juiste manier aangepakt kan worden. Het vervagen van nationale grenzen ondanks de crisistoestanden in de wereld heeft ongetwijfeld aangetoond dat het lichaam van de mensheid een organisch geheel is.[1] De praktische gevolgtrekkingen van dit verschijnend model voor de hervorming van de Verenigde Naties staan in het middelpunt van de bijdrage van Bahá’í International Community ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van dit verheven lichaam.[2]
Het hervormingsproces van de Verenigde Naties moet gezien worden als deel van een globaal ontwikkelingsproces, te beginnen met de vroegste vormen van internationale samenwerking zoals de Volkerenbond en leiden tot verhoogde niveaus van beginselvastheid bij het besturen van menselijke aangelegenheden, vergemakkelijkt door de oprichting van de Verenigde Naties, de Universele Verklaring van de Mensenrechten, het zich ontwikkelende instituut van internationaal recht, de opkomst en integratie van onlangs onafhankelijk geworden staten, en de werkwijze voor regionale en mondiale samenwerking. Alleen al de laatste vijftien jaar hebben de oprichting gezien van de Wereldhandelsorganisatie, het Internationaal Strafhof, de Afrikaanse Unie, de significante uitbreiding van de Europese Unie, de mondiale coördinatie bij campagnes in de burgermaatschappij en het verwoorden van de Millenium Development Goals – een nooit eerder voorgekomen mondiale ontwikkelingsstructuur die bedoeld is om de armoede in de hele wereld uit te bannen. In de loop van deze ontwikkelingen, bleek de definitie van de soevereiniteit van de staat – een hoeksteen van het moderne stelsel van internationale betrekkingen en een basisprincipe van het Handvest van de Verenigde Naties – een onderwerp voor felle discussies: wat zijn de grenzen van de traditionele ideeën over soevereiniteit? Welke verantwoordelijkheden hebben de staten tegenover hun burgers en tegenover elkaar? Hoe moeten dergelijke verantwoordelijkheden uitgevoerd worden?[3] Hoewel van ongelijke kwaliteit en vol tegenslag geven de zich ontwikkelende instellingen, bewegingen en dialoog blijk van een toenemende neiging naar eenheid in mondiale zaken en vormen één van de algemeen verspreide kenmerken van sociale organisatie aan het eind van de 20ste en de beginjaren van het nieuwe millennium.
Waarom is de wereld dan, gezien het dramatische toenemen van technieken en fora voor samenwerking, zo ernstig onderling verdeeld? Waarom dan de wereldomvattende kwelling, die de betrekkingen tussen die van verschillende culturen, overtuigingen, religies, politieke connecties, economische status en geslacht overvalt? Om deze vragen te beantwoorden moeten we onderzoek doen naar de wettelijk toegestane normen, politieke en economische theorieën, waarden en religieuze formuleringen, die het welzijn van de mensheid niet langer bevorderen. De vooruitgang van mannen en jongens ten koste van vrouwen en meisjes heeft de creatieve en materiële mogelijkheden van gemeenschappen om zich te ontwikkelen en hun problemen aan te pakken ernstig beperkt; het veronachtzamen van culturele en religieuze minderheidsgroepen heeft de oude vooroordelen die mensen en naties tegen elkaar opzetten geïntensiveerd; een onbeteugeld nationalisme heeft de rechten en kansen van burgers in andere landen met voeten getreden; in zwakke staten zijn uitbarstingen van conflicten, wetteloosheid en enorme stromen vluchtelingen; bekrompen economische agenda’s die materiële welvaart prijzen hebben vaak de sociale en morele ontwikkeling die nodig is voor een rechtvaardig en goed gebruik van rijkdom gesmoord. Dergelijke crises hebben de grenzen van traditionele benaderingen van bestuur blootgelegd en de Verenigde Naties voor de onontkoombare kwestie over waarden geteld; welke waarden zijn geschikt om de naties en de volkeren uit de chaos van strijdige belangen en ideologieën te leiden naar een wereldgemeenschap die in staat is om alle niveaus van de menselijke samenleving te doordringen van de principes van gerechtigheid en eerlijkheid?
De kwestie van waarden en hun onlosmakelijke verbondenheid met religieuze en levens-beschouwelijke systemen is op het wereldtoneel verschenen als een onderwerp van bespreekbaar mondiaal belang, die niet door de Verenigde Naties genegeerd kan worden. Hoewel er in de Algemene Vergadering een aantal resoluties passeerde waarin de rol van religie bij het bevorderen van vrede en de behoefte aan het uitbannen van religieuze onverdraagzaamheid behandeld werd[4], is het voor deze moeilijk om zowel de constructieve rol die religie kan spelen bij het tot stand brengen van een vreedzame mondiale orde als de destructieve invloed die religieus fanatisme kan hebben op de stabiliteit en vooruitgang van de wereld volledig te begrijpen. Een groeiend aantal leiders en beraadslagende lichamen erkent dat dergelijke overwegingen van de rand naar de kern van de beraadslaging verplaatst moeten worden – een erkenning die tot volledig begrip moet leiden van de krachtige invloed van met religie verbonden variabele waarden[5] over regeren, diplomatie, mensenrechten, ontwikkeling, begrippen over rechtvaardigheid en collectieve veiligheid.[6] Noch de politieke leiders noch academici voorzagen zo’n wijdverbreide heropleving van religie in het publieke circuit en ook leidde de praktijk van internationale betrekkingen niet tot het ontwikkelen van de kennismiddelen om zich op een zinvolle manier met religie bezig te houden.[7] Onze overgeërfde begrippen van religie als een onbelangrijke en hinderlijke stem in het internationale publieke circuit bieden geen hulp bij het oplossen van de complexe problemen waarvoor de leiders van de naties in de wereld staan. In feite is een passende rol voor religie in het publieke circuit er een van de meest urgente kwesties van onze tijd.
Dat religies gemanipuleerd en gebruikt zijn om het uiterste te bereiken kan niet ontkend worden. Toch laat een zorgvuldige historische analyse zien dat de periodes met de grootste vooruitgang in de menselijke beschaving die waren waarin zowel geloof en verstand de kans hadden samen te werken, daarbij puttend uit de hulpbronnen van het totaal aan menselijk inzicht en ervaring. Zo kwamen bijvoorbeeld tijdens het hoogtepunt van de Moslimbeschaving wetenschappen, filosofie en de kunst tot bloei; een levendige cultuur van leren stimuleerde de menselijke verbeelding tot nieuwe hoogten, en legde onder andere de exacte basis voor veel van de hedendaagse technische vernieuwingen. Onder de verscheidene beschavingen van de mensheid, heeft religie in het kader van nieuwe morele codes en wettelijke normen voorzien, die uitgestrekte gebieden van de globe van brute en dikwijls anarchistische systemen in meer beschaafder vormen van bestuur hebben veranderd. Het bestaande debat over religie in het publieke circuit werden echter aan beide kanten gestuurd door de stemmen en acties van extreme voorstanders – degenen die hun religieuze ideologie met geweld opleggen, wier zichtbaarste vorm van uitdrukken terrorisme is – en degenen weigeren dat er in het openbare circuit openlijk uitdrukking wordt gegeven aan geloof of overtuiging uitdrukking wordt gegeven. Toch is geen van beide representatief voor de meerderheid van de mensheid en geen van beide bevordert een blijvende vrede.
Op dit kritieke ogenblik in onze evolutie als mondiale gemeenschap, is het zoeken naar gedeelde waarden – behalve het botsen van uitersten – van het hoogste belang voor doelgerichte actie. Een bezorgdheid voor uitsluitend materiële overwegingen zal er niet in slagen de intensiteit te accepteren waarmee de religieuze, ideologische en culturele grootheden vorm geven aan diplomatie en besluitvorming. Bij een poging om van een gemeenschap van naties die in de eerste plaats verbonden zijn door economische betrekkingen te komen tot een met gedeelde verantwoordelijkheden voor elkanders welvaart en veiligheid, moet de kwestie van waarden een centrale plaats innemen bij de beraadslagingen, verwoord en nauwkeurig bepaald worden. Hoewel de Verenigde Naties herhaaldelijk de noodzaak voor multilateralisme benadrukt heeft, zullen allen zulke pogingen, hoewel een stap in de goede richting, geen voldoende basis vormen voor het tot stand brengen van gemeenschappelijkheid tussen naties; samenwerking alleen schenkt geen rechtmatigheid of de verzekering van gunstige resultaten die de bevolking ten goede komen. Om de beloften van het Handvest van de Verenigde Naties, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en daaropvolgende verdragen en resoluties na te komen, kunnen we niet langer tevreden zijn met het passief tolereren van elkaars wereldbeschouwingen; wat nodig is is een actief zoeken naar die gezamenlijke waarden en morele principes, die de situatie van elke vrouw, man en kind, ongeacht ras, klasse, religie of politieke mening zullen verbeteren.
Wij houden staande dat de wereldorde die aan het verschijnen is en het proces van mondialisering dat deze bepaalt, gebaseerd moeten worden op het principe dat de mensheid een eenheid is. Dit principe, aanvaard en bevestigd als een algemeen begrip, voorziet in de praktische basis voor het organiseren van betrekkingen tussen alle staten en naties. Het toenemen van de onderlinge verbondenheid tussen ontwikkeling, veiligheid en mensenrechten op wereldschaal bevestigt dat vrede en welvaart ondeelbaar zijn – dat het een land of gemeenschap geen blijvend voordeel kan opleveren als de welvaart van de naties als geheel ontkend of veronachtzaamd wordt. Het principe van de eenheid van de mensheid probeert niet de nationale autonomie te ondermijnen of de culturele en intellectuele verscheidenheid van de volkeren en naties der wereld te onderdrukken. Beter gezegd, het probeert de basis van de bestaande stichtingen in de samenleving te verbreden door op te roepen tot een onbevooroordeelde loyaliteit, een groter ambitieus doel dan enig ander dat het mensenras bezield. heeft. Het voorziet inderdaad is de morele stimulans die nodig is om de bestuursinstellingen om te vormen op een manier die strookt met de behoeften van een steeds veranderende wereld.
Uit de leringen van het Bahá’í-geloof, leggen we u onderstaande visie voor, die door de leden van de bahá’í-gemeenschap in ongeveer 191 naties over de gehele wereld proberen te realiseren..
“Een wereldgemeenschap, waarin alle economische barrières voorgoed zullen zijn opgeheven en de onderlinge afhankelijkheid van kapitaal en arbeid definitief wordt erkend; waarin het getier van godsdienstig fanatisme en strijd voorgoed zal bedaard; waarin de vlam van rassenhaat tenslotte zal zijn gedoofd; waarin een enkele internationale wetgeving – het product van het weloverwogen oordeel van de vertegenwoordigers van de wereldfederatie – als strafmaatregelen de onmiddellijke en dwingende interventie van de gecombineerde legers der federale eenheden zal hebben; tenslotte een wereldgemeenschap waarin de woede van een grillig en strijdvaardig nationalisme zal zijn verandering in een blijvend bewustzijn van wereldburgerschap”[8]
II.
In het licht van de voorafgaande analyse en de reeks die door de Verenigde Naties in beraad wordt gehouden, geven we de volgende aanbevelingen als concrete stappen met betrekking tot de realisatie van een rechtvaardiger en effectiever systeem van de Verenigde Naties. Onze aanbevelingen richten op de rechten van de mens, het primaat van de wet, ontwikkeling, democratie en collectieve veiligheid.
De Rechten van de Mens en het primaat van de Wet
Er kan geen daadkrachtige en vreedzame internationale orde gesticht en gehandhaafd worden tenzij deze stevig gegrondvest is op de principes van gerechtigheid en het primaat van de wet. Een zich neerleggen bij zulke principes levert de vereiste stabiliteit en legitimiteit op die nodig zijn om de steun van de volkeren en naties te winnen die de bedoeling hebben dit systeem toe te passen. Wij geven de volgende aanbevelingen:
a. De ernstige bedreigingen die religieus extremisme, intolerantie en discriminatie vormen verplichten de Verenigde Naties zich openlijk en serieus met deze kwestie bezig te houden. We doen een beroep op de Verenigde Naties om het recht van het individu om van zijn of haar religie te veranderen ondubbelzinnig te bevestigen ingevolge het Internationaal Recht. De Algemene Vergadering kan het Internationaal Gerechtshof, ingevolge Artikel 96 van het Handvest van de Verenigde Naties, verzoeken om advies mening uit te brengen over de kwestie inzake vrijheid van godsdienst of levensovertuiging.
Met name kan het Hof gevraagd worden of het principe van vrijheid van religie of levensovertuiging de status van jus cogens, internationaal gewoonterecht, heeft verworven, of dat het gewoon overgelaten aan elke staat om het te interpreteren. Een dergelijke verduidelijking zou helpen om de misleidende interpretaties van dit recht te elimineren en morele druk verlenen aan de veroordeling van beleidsvormen en praktijken die zich niet houden aan het principe van het niet discrimineren in zaken van religie of levensovertuiging.[9]
Naast de structurele en functionele hervormingen van mensenrechtenapparaat van de Verenigde Naties moet de legitimiteit van dit apparaat hersteld worden door de consequente vasthoudendheid ervan aan de hoogste principes van gerechtigheid, inclusief die welke zijn uitgewerkt in het Handvest van de Verenigde Naties en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Alleen op deze manier wordt de redelijkheid en het vertrouwen van de Lidstaten en hun burgers bewerkstelligd die vereist zijn om het mandaat ervan uit te oefenen.
De Algemene Vergadering moet overwegen om een tijdpad uit te zetten voor de wereld-omvattende ratificatie van internationale verdragen voor mensenrechten.
Het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens, ondersteund door de vereiste morele, intellectuele en materiële bronnen, moet nu de vaandeldrager worden op het terrein van de mensenrechten en een effectief werktuig bij het verlichten van het lijden van personen en groepen wier rechten hen worden ontzegd.
1. Als een van de meest effectieve instrumenten voor de bescherming van de mensenrechten, moeten Speciale Procedures voldoende budget en administratieve ondersteuning krijgen. Samenwerking tussen regering en de Speciale Procedures moet niet beperkt blijven tot toelating tot het land in kwestie, maar even belangrijk, moet ook de volledige aandacht voor daaruit voortvloeiende aanbevelingen inhouden. Daarover moet nagedacht worden in de interactieve dialoog tussen de Rapporteur en de Lidstaten.
De sectie Voorlichting van het Bureau van de Hoge Commissaris moet uitgebreid worden om het mogelijk te maken dat de resoluties van de Commissie voor de Rechten van de Mens/ Raad voor de Rechten van de Mens, aanbevelingen van de Speciale Procedures en slotopmerkingen van de lichamen die het verdrag doorlichten meer bekendheid krijgen in de media . Dit kan bijvoorbeeld door het vertalen van documenten in de desbetreffende nationale talen inhouden zodat er meer publiciteit kan komen.
Het Bureau van de Hoge Commissaris, samen met de Raad, moeten hun vruchtbare engagement met non-gouvernementele organisaties voortzetten, die, vanaf het begin positief heeft bijgedragen aan zowel het werk van het Bureau als aan de ontwikke-ling van het vermogen van non-gouvernementele organisaties om in dit verband betekenis volle interactie te tonen.
Ontwikkeling
De kern van de ontwikkeling van de mensheid moet het inzicht zijn dat mensen onvervangbare hulpbronnen zijn in een veranderingsproces dat in eigen behoeften voorziet. Het is de uitdaging om methodes te vinden die hen de kans geven dit potentieel in al zijn aspecten volledig te laten zien. Ontwikkeling omschreven in termen van bepaalde plannen van ´modernisering`, lijkt echter precies te verwijzen naar die processen, welke de overheersing van de materiële ambities van mensen van hun geestelijke doelen bevorderen. Hoewel de zoektocht naar een wetenschappelijk en technologisch moderne samenleving een centraal doel van de ontwikkeling van de mensheid is, moet deze zijn educatieve, economische, politieke en culturele structuren baseren op het concept van de geestelijke natuur van het menselijk wezen en niet alleen op zijn of haar materiële behoeften Wij geven hier de volgende aanbevelingen:
Het vermogen van mensen om deel te nemen aan het ontwikkelen en toepassen van kennis is een essentieel onderdeel van de ontwikkeling van de mensheid. Daarom moet er prioriteit gegeven worden aan de opleiding van meisjes en jongens, vrouwen en mannen om hen in staat te stellen de weg van hun eigen ontwikkeling uit te stippelen en hun kennis toe te passen in dienst van de grotere gemeenschap. De Verenigde Naties zouden in overweging moeten nemen dat op het punt van economische investering, de opleiding van meisjes misschien wel het hoogste rendement oplevert van alle investeringen die er zijn in de ontwikkelingslanden daarbij rekening houdend met zowel persoonlijke voordelen als de winst voor familieleden en de gehele gemeenschap.[10]
Wij vragen de Verenigde Naties te overwegen om de vijf geestelijke principes, die als basis kunnen dienen voor het opstellen van richtlijnen voor de ontwikkeling van de mensheid, te gebruiken naast de bestaande maatregelen voor ontwikkeling. Deze principes zijn: eenheid in verscheidenheid, onpartijdigheid en rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid van de seksen, betrouwbaarheid en moreel leiderschap en de vrijheid van geweten, denken en religie.[11]
De rijke landen in de wereld hebben een morele plicht om storende maatregelen rond export en handel te schrappen die de toelating van landen die problemen hebben met deelname aan de wereldmarkt verbieden. De Monterrey Consensus die het belang erkent van het scheppen van een ‘opener, op regels gebaseerd, niet-discriminerend en rechtvaardig’ handelssysteem is een stap in de goede richting.[12]
Naast hervorming van de handelssystemen moeten landen de toevloed van werk vergemakkelijken en zich bezighouden met de ontmenselijkende invloed van mensenhandel, die leidt tot wijdverbreide economische en seksuele uitbuiting van mensen die een beter leven zoeken.
Democratie
Wij smeken de internationale gemeenschap om democratie en een vrij gekozen regering als een universele waarde te zien. De maatstaf voor bespreking en het zoeken van de waarheid, die vereist is voor de realisatie van doelen door de Verenigde Naties gesteld, moet de patronen van partijgeest, protest en compromis die de huidige discussies over menselijke aangelegenheden vaak kenmerken, ver te boven gaan. Waar we behoefte aan hebben is een consultatief proces – op alle niveaus van bestuur – waarbij individuele deelnemers er naar streven verder te reiken dan hun respectieve gezichtspunten, om zo te functioneren als ledematen van een lichaam met eigen belangen en doelen. Door deelname en eenheid in doel, wordt beraadslaging de goedwerkende uitdrukkingskracht van rechtvaardigheid in menselijke aangelegenheden. .Zonder dit van principes voorziene programma, valt democratie ten prooi aan de buitensporigheden van individualisme en nationalisme, die aan de structuur van de gemeenschap trekken – zowel nationaal als mondiaal.
Naast het besturen van materiële zaken is regeren een morele taak. Het is het tonen van een mandaat - een verantwoordelijkheid om de leden van de sociale staat te beschermen en te dienen. Het toepassen van democratie zal slagen in zoverre zij wordt bepaald door principes die in harmonie zijn met de zich geleidelijk ontwikkelende belangen van een snel volwassen wordend mensenras. Deze houden in: betrouwbaarheid en integriteit die nodig zijn om het respect en de steun van de degene die bestuurd worden te winnen; transparantie; beraadslaging met degenen waarvoor de genomen besluiten bedoeld zijn; objectieve vaststelling van behoeften en wensen van de gemeenschappen die men dient; en het juiste gebruik van wetenschappelijke en morele bronnen.[13] Wij doen de volgende aanbevelingen:
Om zich te verzekeren van de rechtmatigheid, het vertrouwen en de steun die nodig zijn voor het realiseren van de doelen, moet de Verenigde Naties de democratische gebreken in zijn eigen afdelingen en overleg aanpakken.
Diepgaand overleg over de dringende kwesties van de dag eist van de Verenigde Naties dat er manieren ontwikkeld worden voor de opbouwende en systematische betrokkenheid met de organisaties in de burgermaatschappij (inclusief zakelijke en religieuze organisaties), maar ook leden van nationale parlementen. De betrekking tussen organisaties in de burgermaatschappij, parlementariërs en de gebruikelijke diplomatieke processen van de Verenigde Naties moet er niet een van competitie maar liever een aanvullende, geworteld in de erkenning dat de relatieve krachten van alle drie de samenstellende delen nodig zijn voor doeltreffende besluitvorming en de daarop volgende uitvoering.[14] Wij verzoeken de Verenigde Naties dringend aan de voorstellen die in het Report of the Panel of Eminent Persons on UN-Civil Society Relations serieus aandacht te schenken.[15]
Een gezonde democratie moet gebaseerd zijn op het principe van de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen en gelijke erkenning van hun bijdrage aan de vestiging van een rechtvaardige samenleving. Bij hun inspanningen om democratie te bevorderen moeten de Lidstaten van de Verenigde Naties alert werken aan het meedoen van vrouwen in alle facetten van het bestuur in hun respectieve landen. Dit is geen voorrecht maar een praktische noodzakelijkheid voor het bereiken van de hoogstaande en complexe doelen waarmee de Organisatie thans geconfronteerd wordt.
Het zinvol integreren van minderheidsgroepen in democratische processen is van essentieel belang – zowel om de minderheden in bescherming te nemen tegen het misbruiken van het verleden en om hun participatie en verantwoordelijkheid voor het welzijn van de samenleving aan te moedigen. Wij verzoeken de Lidstaten dringend in hun werk de democratie te bevorderen, te streven naar de volledige deelname van minderheden – behorend tot enig geloof, ras of klasse – aan het proces waarin de doelen vastgesteld worden en aan de besprekingen. Aangezien het culturele karakter van staten steeds meer verandert en uiteenlopend wordt, kan geen enkele culturele of religieuze groep aanspraak maken op de geschikte definitie van het nationaal belang.
Collectieve Veiligheid
We verwelkomen de pogingen van de Verenigde Naties om een bredere visie op collectieve veiligheid onder woorden te brengen, die gebaseerd is op het begrip dat in onze onderling verbonden wereld, een bedreiging van de een de bedreiging van allen is. Het Bahá’í-geloof voorziet in een systeem van collectieve veiligheid binnen de structuur van een mondiale federatie, een federatie waarin nationale grenzen vast bepaald zijn en omwille van wie alle naties van de wereld bereidwillig afstand zullen doen van alle rechten om wapens te behouden behalve voor het doel om de interne orde te handhaven.[16] Hoewel bekend met de ernstige tekortkomingen van het huidige systeem van collectieve veiligheid, vragen wij de Veiligheidsraad dringend om zijn Resolutie over “Vrouwen, Vrede en Veiligheid,[17] die een mijlpaal is, omdat daarin voor de eerste keer in de geschiedenis de nood van vrouwen en meisjes tijdens conflicten en in situaties na conflicten[18] en hun voortdurende rol bij het bevorderen van vrede erkend worden.
Wij doen de volgende aanbevelingen:
Om zich te richten op het gebrek aan democratie en de aanhoudende politisering van de Veiligheidsraad moet de Verenigde Naties ten gepaste tijde stappen ondernemen voor het aannemen van een procedure die uiteindelijk het permanente lidmaatschap en de macht van het vetorecht elimineert.[19] Naast procedurele hervormingen, zijn ook een wezenlijke verandering in houding en gedrag noodzakelijk. Lidstaten moeten erkennen dat zij, door het hebben van een zetel in de Veiligheidsraad en als ondertekenaars van het Handvest van de Verenigde Naties, een belangrijke morele en wettelijke verplichting hebben om te handelen als gevolmachtigden van de gehele gemeenschap van naties, niet als pleitbezorgers van hun eigen nationale belangen.[20]
Er moet een definitie van terrorisme aangenomen worden. Wij zijn het eens met de Secretaris-Generaal die het terrorisme karakteriseert als om het even welke daad, “die bedoeld is om de dood of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken van burgers of non-combattanten, met het doel een bevolking te intimideren of een Regering of een internationale organisatie te dwingen van een willekeurige handeling af te zien of uit te voeren.” Bovendien, is het noodzakelijk dat problemen zoals terrorisme consequent moeten worden aangepakt in verband met andere kwesties die de samenleving ontwrichten en destabiliseren.[21]
Wij vragen de Verenigde Naties met klem de nodige stappen te ondernemen om de deelname van vrouwen uit te breiden op alle niveaus van besluitvorming van conflictoplossing en vredesprocessen, plaatselijk, nationaal; en internationaal, inclusief het Department of Peacekeeping Operations. [22]
Wij zijn van mening dat de taak om een vreedzame wereld stichten berust bij de leiders van de naties in de wereld vanwege de enorme verantwoordelijkheden die zij nu hebben. Het is nu hun uitdaging om het vertrouwen en het geloof van hun burgers te herstellen in henzelf, hun regering en de instellingen van internationaal bestuur door een verklaring van persoonlijke integriteit, oprechtheid in doelstelling en standvastig engagement aan de hoogste principes van rechtvaardigheid en de noodzakelijke eisen van een wereld die hongert naar eenheid. De grote vrede waarnaar de volkeren en naties van de wereld lang hebben uitgekeken ligt nu binnen ons bereik.
[1] Daar waar de Verenigde Naties een begin heeft gemaakt met het formeel erkennen dat mensenrechten en collectieve veiligheid van elkaar afhankelijk zijn, klonk er in de bijdragen vanuit de organisaties van burgers in de samenleving een zodanig eensluidend toekomstperspectief door, zoals bijvoorbeeld tijdens de Wereldconferenties van de VN, waaronder de Conference on Environment and Development (1992), de World Confrence on Human Rights (1993), World Conference on Population and Development (1994), de Fourth World Conference on Women (1995), de World Summit for Social Development (1995) en de United Nations Conference on Human Settlement (1996)
[2] Bahá’í International Community is, vanaf de oprichting van de Verenigde Naties 1945, in haar hoedanigheid als internationale non-gouvernementele organisatie actief betrokken geweest bij de VN. Ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de VN, overhandigde Bahá’í International Community aan de Secretaris-Generaal haar voorstellen tot herziening van het Handvest, gebaseerd op de erkenning dat “echte soevereiniteit niet langer ligt bij de instituten van de nationale staat omdat de naties van elkaar afhankelijk zijn geworden; dat de bestaande crisis zowel moreel; en geestelijk als politiek is; en dat men de huidige crisis alleen te boven kan komen door het bereiken van een wereldorde die representatief is voor de volkeren in de wereld en de naties van de mensheid. (BIC, “Proposals for Charter Revision Submitted to the United Nations by the Bahá’í International Community” [1955] ,‘The Bahá’í World 1954-1963, Vail-Ballou Press, Inc., Binghamton. New York, 1970). In 1995 gaf de Internationale Bahá’í Gemeenschap een verklaring uit ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de VN, waarin de steeds toenemende onderlinge onafhankelijkheid van de mensheid en de aangeboden voorstellen voor de opleving van de Algemene Vergadering, de ontwikkeling van de uitvoerende taak, versterking van het Internationaal Gerechtshof, het bevorderen van economische en morele ontwikkeling, mensenrechten en de vooruitgang van vrouwen (Bahá’í International Community, Turning Point for All Nations, (Keerpunt voor alle Naties) Bahá’í International Community’s United Nations Office, New York, 1995). Tijdens haar hele geschiedenis van verbondenheid met de Verenigde Naties heeft BIC haar visie en ervaring bijgedragen door suggesties die te maken hebben met o.a. de vooruitgang van vrouwen, mensenrechten, het milieu, welvaart in de wereld en economische ontwikkeling.
[3] Als antwoord op de nalatigheid van de internationale gemeenschap om te bemiddelen, of daadkrachtig in te grijpen, in de ernstige crisistoestanden, zoals in Somalië, Bosnië, Kosovo en Rwanda, stelde de Canadese regering in 2000 een commissie in om zich bezig te houden met de kwesties betreffende de legale, morele, operationele en politieke aspecten van humanitaire interventie. De International Commission on Intervention and State Sovereignty zijn bevindingen en de centrale principes in een rapport van 2001, met de titel, Responsibility to Protect. Het opnieuw nalaten om daadkrachtig in te grijpen in de crisistoestanden in Darfoer, Soedan heeft de dringende behoefte aan de definitie van legale normen en operationele normen voor interventie zelfs nog groter gemaakt.
[4] Bijvoorbeeld, “Promotion of Interreligious dialogue” (A/RES/59/23), de “Promotion of religious and cultural understanding, harmony and cooperation” (A/RES/56/6), de “Elimination of all forms of religious intolerance”(A/RES/59/199) en het rapport van de Directeur-Generaal van UNESCO (A/59/201) aan de 59ste Zitting van de Algemene Vergadering van de VN “Promotion od religious and cultural understanding, harmony an cooperation” (A/RES/58/128)
[5] Hiertoe behoren o.a. religieuze leerstellingen en uitleg ervan, volgelingen van religies, religieuze leiders en instellingen.
[6] Hoewel een gedetailleerde buiten het kader van deze verklaring valt behoren voorbeelden van de heropleving als een zaak van urgent politieke belang ook: wijdverbreid geweld in naam van religie; verspreiding van religieus fundamentalisme en zijn grote invloed op politieke regimes; toenemende spanning tussen religie en het beleid van staten; uitdagingen bij het oprichten van nationale en regionale bestuursstructuren geschikt om te voldoen aan de eisen voor eerlijke vertegenwoordiging vanuit verschillende religieuze groeperingen; sociale, politieke en economische integratie van religieuze minderheidsgroepen; botsingen tussen religieuze en burgerlijke wetten; Invloed van religie in internationale fora voor beleid (bijv. de International Conference on Population and Development, Cairo, 1994; de Fourth World Conference on Women, Beijng, 1995); schending van mensenrechten in naam van religie inclusief het recht om van religie te veranderen. Dergelijke ontwikkelingen worden geplaatst tegenover de toenemende inspanningen op het gebied van de interreligieuze dialoog en de samenwerking tussen religieuze leiders en hun gemeenschappen. De indrukwekkende mondiale netwerken door religie geïnspireerde charitatieve en humanitaire organisaties en bewegingen vestigen de aandacht op de morele aspecten van mondiale economische integratie; de intellectuele en morele erfenis van religies bij het verwoorden van morele principes (bijv. ethiek van de rechtvaardige oorlog); het vermogen van religies om individuen en groepen naar onbaatzuchtigheid, geweldloosheid en verzoening te brengen.
[7] Verscheidene factoren hebben bijgedragen aan de bijna volledige verwerping van religie in concepten van internationale betrekkingen. Ten eerste, de sociale wetenschappen werden gebaseerd op werken van degenen die geloofden dat religie plaats maakte voor rationele en wetenschappelijke denkwijzen, die wat zij zagen als onwetendheid en bijgeloof veroorzaakt door religie, de kop zouden indrukken, daarbij een periode van moderniteit aankondigend. Ten tweede, “niet alleen was de theorie over internationale betrekkingen (zoals andere sociale wetenschappen)gebaseerd op de overtuiging dat religie als een onbelangrijke factor uit de wereld aan het verdwijnen was, er kan ook beweerd worden dat de moderne context voor de betrekkingen tussen staten gebaseerd was op doelbewuste seculiere principes. Het moderne concept voor de territoriale staat, de basis voor moderne internationale betrekkingen, werd verwoord door de Treaty of Westphalia in 1648,”die, was samengesteld om de Dertigjarige Oorlog tussen de protestante en katholieke staten te beëindigen. Door dit te doen werd een vorm ontwikkeld voor betrekkingen tussen staten waarin geen plaats was voor religie.” (Jonathan Fox en Shemuel Sandler (2005), “The Question of Religion and World Politics,” Terrorism and Political Violence, 17:296-298)
[8] Shoghi Effendi, “Het doel van een Nieuwe Wereldorde”[1931], The Worldorder of Bahá’u’lláh (Wilmette, Ill.: Bahá’í Publishing Trust, 1991)
[9] Bahá’í International Community, Freedom to Believe (Bahá’í International Community’s United Nations Office, New York, 2005)
[10] Volgens de Wereldbank, hebben ontwikkelde vrouwen, behalve dat ze productiever zijn op de arbeidsmarkt, kleinere gezinnen, sterven er minder van hun kinderen op kleuterleeftijd en zijn de overlevende kinderen gezonder en beter ontwikkeld. Ontwikkelde vrouwen zijn ook beter uitgerust om betaald werk te gaan doen, wat belangrijk is voor de vele gezinnen in de ontwikkelingslanden waar een vrouw aan het hoofd van het gezin staat. Naties met hogere aantallen vrouwelijke leerlingen vertonen hogere niveaus van productiviteit, lager vruchtbaarheid, lagere kinder- en moedersterfte en een langere levensverwachting dan landen waarin nog geen grotere aantallen meisjes naar school gaan. ( World Bank, “The Benefits of Education for Women (1993), URL: www.worldbank.org/html/extdr/hnp/hddflash/hcnote/hm002.html)
[11] Zie voor een uitgebreide uiteenzetting: Bahá’í International Community, Valuing Spirituality in Development: Initial Considerations Regarding the Creation of Spirituality Based Indicators for Development, een concept geschreven voor de World Faiths Development Dialogue, Lambeth Palace, Londen (The Bahá’ í Publishing Trust: Londen 1998)
[12] The Monterrey Consensus, (A/CONF.198/11)
[13] In de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw boekte de wereld opvallend vooruitgang door de weg vrij te maken voor politieke systemen en de uitbereiding van politieke vrijheden. Meer dan 18 landen zetten belangrijke stappen naar democratie en vandaag de dag worden in 140 van de bijna 200 landen meerpartijenverkiezingen te houden—meer dan ooit tevoren. Gallup International’s Millenium Survey (1990) ontdekte dat van de 50.000 mensen die in 60 landen meededen aan het onderzoek, minder dan eenderde van mening was dat hun land bestuurd werd door de wil van het volk. Slechts 1op de 10 ondervraagden zei dat de regering van hun land beantwoordde aan de wil van het volk.
[14] Gedurende de laatste vijf jaar heeft de Verenigde Naties talrijke voorbeelden voor innovatief besturen ontwikkeld. In 2000 heeft de Economische en Sociale Raad van de VN een Permanent Forum voor Inheemse Zaken opgericht om als adviserend lichaam voor de Raad te dienen bij inheemse zaken die te maken hebben met sociale en economische ontwikkeling, cultuur, het milieu, opvoeding, gezondheid en mensenrechten, als hoogtepunt van een tientallen jaren durende strijd van inheemse volkeren om een plaats terug te krijgen binnen de wereldgemeenschap; in juni 2005 hield de Algemene Vergadering –voor de eerste keer – interactieve hoorzittingen met de burgermaatschappij en de particuliere sector waarin ongeveer 200 non-gouvernementele organisaties hun visies in overweging aan de Lidstaten gaven over de hervorming van de Verenigde Naties als voorbereiding op de United Nations World Summit in 200; in juni 2005 een organiseerde een uit drie partijen bestaande samengekomen groep, bestaande uit een kerngroep van Lidstaten (Argentinië, Banladesh, Duitsland, Ecuador, Filippijnen, Gambia, Indonesië, Iran, Kazakstan, Maleisië, Marokko, Senegal, Spanje, Thailand en Tunesië), burgermaatschappij, de UNESCO (United Nations Educational, Social and Cultural Organzation) en het Deparment of Economic and Social Affairs een conferentie met de titel Interfaith Cooperation for Peace, die tot doel had stof aan te dragen voor de 2005 World Summit over strategieën om interreligieuze samenwerking voor vrede te bevorderen. Het was de eerste keer dat in een door Lidstaten geïnitieerde conferentie werd georganiseerd en geleid en samengewerkt door Lidstaten, de burgermaatschappij en organisaties van de Verenigde Naties. Gezien de interessante problemen biedende aard van het onderwerp, voorzag de organisatorische benadering in een nuttig sjabloon voor gelijksoortige pogingen in de toekomst. Ook vermeldenswaard is dat in 2002 de International Parlementary Union de status van permanent waarnemer bij de Algemene Vergadering kreeg, waarmee nieuwe vormen van samenwerking in beweging werden gezet.
[15] Panel of Eminent Persons on UN-Civil Society Relationships. We the Peoples: Civil Society, the UN and Global Governance: New York, 2004)
[16] Om het systeem tot een succes te maken zijn eenheid, macht, soepelheid, en de publieke mening belangrijk: eenheid in denken en doel onder de permanente leden, macht om de juiste kracht te gebruiken om de werkzaamheid van het systeem veilig te stellen, soepelheid om het systeem de kans te geven te voldoen aan de erkende noden van de gekwelde handhavers en universele publieke mening – die van vrouwen en mannen – om zeker te zijn van gezamenlijke actie.
[17] Security Council Resolution 1325 (S/RES/1325 (2000)
[18] Het is typerend dat oorlogen en conflicten weinig onderscheid maakten tussen strijders en burgers en tussen volwassenen en kinderen. Toch treffen gewapende conflicten vrouwen en meisjes op een andere manier dan mannen en jongens. Zo verhogen verkrachting en seksueel geweld, bedreven door de gewapende strijdkrachten, of ze nu van de regering of andere daders zijn, inclusief de vredesmachten, de verspreiding van HIV/AIDS en andere seksueel overdraagbare ziekten. De meeste slachtoffers van HIV/AIDS in de ontwikkelingslanden zijn vrouwen en meisjes. Ten gevolge van deze ziekte blijven miljoenen wezen achter die in de meeste gevallen verzorgd worden door oudere vrouwen.
[19] Hoewel het vetorecht vaak heeft gediend als een belangrijke bescherming tegen het verpletterende gevoel van meerwaardigheid, heeft het ook daadkrachtige actie belemmerd tegen landen die een bedreiging voor hun buurlanden vormen. Een interim maatregel kan misschien inhouden het vetorecht niet te gebruiken in kwesties als genocide of andere grove bedreigingen van de internationale vrede en veiligheid.
[20] Het Handvest van de Verenigde Naties verklaart: “ Ten einde een doeltreffend optreden van de Verenigde Naties te verzekeren, dragen de Leden de verantwoordelijkheid voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid in de eerste plaats op aan de Veiligheidsraad, en stemmen zij er in toe dat de Veiligheidsraad, bij de uitvoering van de uit die verantwoordelijkheid voortvloeiende taken, in hun naam handelt.”(artikel 24; uitgave van de Verenigde Naties, Afdeling Voorlichting, 1989)
[21] Onder dergelijke ontwrichtende en destabiliserende factoren vallen o.a.: het falen van regeringen om religieuze en etnische minderheden zinvol te integreren, grotere toegankelijkheid tot wapens; de destabilisatie en ineenstorting van regeringen; en een algemeen gevoel van sociale, politieke, economische, culturele crisis – deze dragen alle bij tot heet scheppen van een omgeving die gewelddadige ,radicale ideologieën zou kunnen nodigen om ingeburgerd te raken en tot bloei te komen.
[22] Dit vereist de implementatie van het strategisch actieplan van de Secretaris-Generaal (A/49/587), dat er toe oproept dat vrouwen meer en meer meedoen op het vlak van besluitvorming voor conflictoplossing en vredesprocessen. Lidstaten moeten dit doorvoeren vanwege hun verplichting en tegenover het Internationaal recht volgens Resulutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad.
I
In 1945, the founding of the United Nations gave a war-weary world a vision of what was possible in the arena of international cooperation and set a new standard by which to guide diverse peoples and nations towards a peaceful coexistence. Against the backdrop of the most calamitous war in human history, the creation of a world organization for the protection of the dignity, equal rights, and security of all peoples and nations was an extraordinary feat of statecraft. Sixty years later, the questions that fuelled the San Francisco Conference assert themselves anew: Why have the current systems of governance failed to provide for the security, prosperity, and well-being of the world’s people? What responsibilities do nations have towards their neighbors and their citizens? What fundamental values should guide relationships between and within nations to secure a peaceful future?
In the collective effort to find answers to these questions, a new paradigm is taking hold – that of the interconnected nature of our challenges and our prosperity. Whether the issue is poverty, the proliferation of weapons, the role of women, AIDS, global trade, religion, environmental sustainability, the well-being of children, corruption, or the rights of minority populations – it is clear that none of the problems facing humanity can be adequately addressed in isolation from one another. The blurring of national boundaries in the face of global crises has shown, beyond a doubt, that the body of humankind represents one organic whole.[1] The practical implications of this emergent paradigm for the reform of the United Nations are the focus of the Baha'i International Community’s contribution on the 60th anniversary of this august body.[2]
The processes of United Nations reform must be understood as part of a broader evolutionary course, starting with early forms of international cooperation such as the League of Nations and leading to increasing levels of coherence in the administration of human affairs, facilitated by the creation of the United Nations, the Universal Declaration of Human Rights, the growing body of international law, the emergence and integration of newly independent states, and mechanisms for regional and global cooperation. The last fifteen years alone have seen the establishment of the World Trade Organization, the International Criminal Court, the African Union, the significant expansion of the European Union, the global coordination of civil society campaigns, and the articulation of the Millennium Development Goals – an unprecedented global development framework aimed at the eradication of poverty worldwide. In the course of these developments, the definition of state sovereignty – a cornerstone of the modern system of international relations and a foundational principle of the United Nations Charter – has itself emerged as the object of vigorous debate: what are the limits of traditional notions of sovereignty? What responsibilities do States have towards their citizens and towards each other? How should such responsibilities be enforced?[3] Although uneven and fraught with setbacks, the emergent institutions, movements, and discourse evidence an increasing drive towards unity in world affairs and constitute one of the pervasive features of social organization at the end of the 20th century and in the first years of the new millennium.
Why, then, given the dramatic increase of mechanisms and fora for cooperation is the world so deeply divided against itself? Why the universal affliction, which assails relations between those of different cultures, creeds, religions, political affiliations, economic status, and gender? To answer these questions, we must examine dispassionately the legal standards, political and economic theories, values and religious formulae, which have ceased to promote the welfare of humankind. The advancement of men and boys at the expense of women and girls has sorely limited the creative and material capacities of communities to develop and address their problems; the neglect of cultural and religious minorities has intensified ancient prejudices setting peoples and nations against one another; an unbridled nationalism has trampled the rights and opportunities of citizens in other nations; weak states have erupted in conflict, lawlessness, and massive refugee flows; narrow economic agendas exalting material prosperity have often suffocated the social and moral development required for the equitable and beneficent use of wealth. Such crises have laid bare the limits of traditional approaches to governance and put before the United Nations the inescapable question of values: which values are capable of guiding the nations and peoples of the world out of the chaos of competing interests and ideologies towards a world community capable of inculcating the principles of justice and equity at all levels of human society?
The question of values and their inextricable link to systems of religion and belief has emerged on the world stage as a subject of consuming global importance, which the United Nations cannot afford to ignore. While the General Assembly has passed a number of resolutions addressing the role of religion in the promotion of peace and calling for the elimination of religious intolerance,[4] it struggles to grasp fully both the constructive role that religion can play in creating a peaceful global order and the destructive impact that religious fanaticism can have on the stability and progress of the world. A growing number of leaders and deliberative bodies acknowledge that such considerations must move from the periphery to the center of debate – recognizing that the full impact of religion-related variables[5] on governance, diplomacy, human rights, development, notions of justice and collective security must be better understood.6] Neither political leaders nor academics foresaw such a widespread re-emergence of religion in the public sphere, nor did the practice of international relations develop the conceptual tools to address religion in a meaningful way.[7] Our inherited notions of religion as an irrelevant and obstructionist voice in the international public sphere offer no help in resolving the complex problems before the leaders of the world’s nations. In fact, the appropriate role of religion in the public sphere is one of the most pressing issues of our time.
That religions have been manipulated and used for the accomplishment of narrow ends cannot be denied. Yet, a careful historical analysis reveals that the periods of greatest advancement in human civilization have been those where both faith and reason were permitted to work together, drawing on the resources of the totality of human insight and experience. For example, during the height of Muslim civilization, sciences, philosophy, and the arts flourished; a vibrant culture of learning propelled the human imagination to new heights, providing, among others, the mathematical basis for many of today’s technological innovations. Among humanity’s diverse civilizations, religion has provided the framework for new moral codes and legal standards, which have transformed vast regions of the globe from brutish and often anarchical systems to more sophisticated forms of governance. The existing debate about religion in the public sphere, however, has been driven by the voices and actions of extreme proponents on both sides – those who impose their religious ideology by force, whose most visible expression is terrorism – and those who deny any place for expressions of faith or belief in the public sphere. Yet neither extreme is representative of the majority of humankind and neither promotes a sustainable peace.
At this juncture of our evolution as a global community, the search for shared values – beyond the clash of extremes – is paramount for effective action. A concern with exclusively material considerations will fail to appreciate the degree to which religious, ideological, and cultural variables shape diplomacy and decision-making. In an effort to move beyond a community of nations bound by primarily economic relationships to one with shared responsibilities for one another’s well-being and security, the question of values must take a central place in deliberations, be articulated and made explicit. While the United Nations has repeatedly emphasized the need for multilateralism, such efforts alone, while a step in the right direction, will not provide a sufficient basis for community building between nations; collaboration alone does not confer legitimacy or ensure benevolent outcomes for the greater good. In order to fulfill the promises of the United Nations Charter, the Universal Declaration of Human Rights and subsequent treaties and resolutions, we can no longer be content with a passive tolerance of each other’s worldviews; what is required is an active search for those common values and moral principles which will lift up the condition of every woman, man, and child, regardless of race, class, religion or political opinion.
We assert that the emerging global order, and the processes of globalization that define it, must be founded on the principle of the oneness of humankind. This principle, accepted and affirmed as a common understanding, provides the practical basis for the organization of relationships between all states and nations. The increasingly apparent interconnectedness of development, security and human rights on a global scale confirms that peace and prosperity are indivisible – that no sustainable benefit can be conferred on a nation or community if the welfare of the nations as a whole is ignored or neglected. The principle of the oneness of humankind does not seek to undermine national autonomy or suppress the cultural and intellectual diversity of the peoples and nations of the world. Rather, it seeks to broaden the basis of the existing foundations of society by calling for a wider loyalty, a greater aspiration than any that has animated the human race. Indeed, it provides the moral impetus needed to remold the institutions of governance in a manner consistent with the needs of an ever-changing world.
From the teachings of the Baha'i Faith, we offer the following vision, in the realization of which the members of the worldwide Baha'i community across 191 nations are engaged:
“A world community in which all economic barriers will have been permanently demolished and the interdependence of capital and labour definitely recognized; in which the clamor of religious fanaticism and strife will have been forever stilled; in which the flame of racial animosity will have been finally extinguished; in which a single code of international law—the product of the considered judgment of the world’s federated representatives—shall have as its sanction the instant and coercive intervention of the combined forces of the federated units; and finally a world community in which the fury of a capricious and militant nationalism will have been transmuted into an abiding consciousness of world citizenship…”[8]
II
In light of the foregoing analysis and the areas currently under consideration by the United Nations, we offer the following recommendations as concrete steps towards the realization of a more just and effective United Nations system. Our recommendations address human rights and the rule of law, development, democracy, and collective security.
Human Rights and the Rule of Law
No effective and peaceful international order can be founded and sustained unless it is firmly grounded in the principles of justice and the rule of law. An adherence to such principles provides the requisite stability and legitimacy required to gain the support of peoples and nations that the system aims to serve. We offer the following recommendations:
The grave threats posed by religious extremism, intolerance and discrimination require the United Nations to address this issue openly and earnestly. We call on the United Nations to affirm unequivocally an individual’s right to change his or her religion under international law. The General Assembly may request the International Court of Justice, under Article 96 of the United Nations Charter, to issue an advisory opinion on the issue of freedom of religion or belief. Specifically, the Court could be asked whether the principle of freedom of religion or belief has attained the status of jus cogens, customary international law, or is merely left to the interpretation of each state. Such a clarification would help to remove fallacious interpretations of this right and lend moral force to the condemnation of policies and practices that violate the principle of non-discrimination in matters of religion or belief.[9]
Beyond the ongoing structural and functional reforms of the United Nations human rights machinery, the legitimacy of this machinery must be restored through its consistent adherence to the highest principles of justice, including those elaborated in the Charter of the United Nations and the Universal Declaration of Human Rights. Only in this way, will it secure the legitimacy and trust of Member States and their citizens required for it to exercise its mandate.
The General Assembly should consider setting a timeline for the universal ratification of international human rights treaties.
The Office of the High Commissioner of Human Rights, bolstered by the requisite moral, intellectual, and material resources, must now become the standard-bearer in the field of human rights and an effective tool in alleviating the suffering of individuals and groups whose rights are denied.
As one of the most effective instruments for the protection of human rights, Special Procedures should receive adequate budgetary and administrative support. Government cooperation with Special Procedures should not only be limited to access to the country in question but, equally important, should include full consideration of subsequent recommendations. These should be reflected in the interactive dialogues between the Rapporteur and Member States.
The Public Information section of the Office of the High Commissioner should be developed in order to allow resolutions of the Commission on Human Rights/Human Rights Council, recommendations of the Special Procedures and concluding observations of the treaty monitoring bodies to be accorded more prominence in the media. This could include, for example, the translation of documents into relevant national languages in order to generate more publicity.
The Office of the High Commissioner, along with the Council, should continue its productive engagement with non-governmental organizations, which, since its inception, has contributed positively both to the work of the Office and to the development of non-governmental organizations’ capacity to interact meaningfully in this context.
Development
At the heart of human development must be the understanding that people are irreplaceable resources in a self-sustaining process of change. The challenge is to find methods that allow them to fully express this potential in all its dimensions. Development defined in terms of certain patterns of “modernization,” however, seems to refer exactly to those processes, which promote the domination of people’s material ambitions over their spiritual goals. While the search of a scientific and technologically modern society is a central goal of human development, it must base its educational, economic, political, and cultural structures on the concept of the spiritual nature of the human being and not only on his or her material needs. We offer the following recommendations:
The capacity of people to participate in the generation and application of knowledge is an essential component of human development. As such, priority must be given to the education of girls and boys, women and men in order to enable them to set the path of their own development and to apply their knowledge in the service of the greater community. The United Nations should consider that in terms of economic investment, the education of girls may well yield the highest return of all investments available in developing countries considering both private benefits, as well as returns to family members and the greater community.[10]
We submit for the consideration of the United Nations five spiritual principles, which may serve as a basis for the creation of indicators of human development, to be used alongside existing measures of development. These principles include: unity in diversity, equity and justice, equality of the sexes, trustworthiness and moral leadership, and the freedom of conscience, thought, and religion.[11]
The rich countries of the world have a moral obligation to remove export and trade distorting measures that bar the entry of countries struggling to participate in the global market. The Monterrey Consensus, which recognizes the importance of creating a ‘more open, rule-based, non-discriminatory and equitable’ system of trade is a step in the right direction.[12]
Alongside reform in systems of trade, countries must facilitate the flow of labor and address the dehumanizing impact of trafficking in persons, which leads to widespread economic and sexual exploitation of people seeking a better life.
Democracy
We commend the international community for its commitment to democracy and to a freely elected government as a universal value. However, the standard of deliberation and truth-seeking required for the realization of goals set by the United Nations needs to go far beyond the patterns of partisanship, protest, and compromise that tend to characterize present day discussions of human affairs. What is needed is a consultative process – at all levels of governance – in which individual participants strive to transcend their respective points of view, in order to function as members of one body with its own interests and goals. Through participation and unity of purpose, consultation becomes the operating expression of justice in human affairs. Without this principled anchor, democracy falls prey to the excesses of individualism and nationalism, which tear at the fabric of the community - both nationally and globally.
Beyond the administration of material affairs, governance is a moral exercise. It is the expression of a trusteeship – a responsibility to protect and to serve the members of the social polity. Indeed, the exercise of democracy will succeed to the extent that it is governed by the moral principles that are in harmony with the evolving interests of a rapidly maturing human race. These include: trustworthiness and integrity needed to win the respect and support of the governed; transparency; consultation with those affected by decisions being arrived at; objective assessment of needs and aspirations of communities being served; and the appropriate use of scientific and moral resources.[13] We offer the following recommendations:
To secure the legitimacy, confidence, and support needed for the realization of its goals, the United Nations needs to address the democratic deficits in its own agencies and deliberations.
Thorough deliberation of the pressing issues of the day requires the United Nations to develop modes for constructive and systematic engagement with organizations of civil society (including businesses and religious organizations) as well as members of national parliaments. The relationship between civil society organizations, parliamentarians and the traditional diplomatic processes of the United Nations need not be one of competition but rather complementarity, rooted in the recognition that the relative strengths of all three constituencies are necessary for effective decision-making and subsequent implementation.[xii] We urge the United Nations to give serious consideration to the proposals put forth in the Report of the Panel of Eminent Persons on UN-Civil Society Relationships.[xiii]
A healthy democracy must be founded on the principle of the equality of men and women and equal recognition of their contribution to the establishment of a just society. In its efforts to promote democracy, the Member States of the United Nations must vigilantly work for the inclusion of women in all facets of governance in their respective countries. This is not a privilege but a practical necessity for the achievement of the high-minded and complex goals before the Organization today.
The meaningful integration of minority groups in democratic processes is of critical importance – both to shield minorities from the abuses of the past and to encourage their participation and responsibility for the well-being of society. We urge Member States, in their work to promote democracy, to strive for the full inclusion of minorities – belonging to any faith, race, or class – in the processes of goal-setting and deliberation. As the cultural make-up of states becomes increasingly fluid and diverse, no one cultural or religious group can lay claim to an adequate definition of the national interest.
Collective Security
We welcome the United Nations’ efforts to articulate a more comprehensive vision of collective security, based on the understanding that in our interconnected world, a threat to one is a threat to all. The Baha'i Faith envisions a system of collective security within a framework of a global federation, a federation in which national borders have been conclusively defined, and in whose favor all the nations of the world will have willingly ceded all rights to maintain armaments except for purposes of maintaining internal order.[16] While cognizant of the grave shortfalls of the current system of collective security, we commend the Security Council for its landmark Resolution on “Women, Peace, and Security,”[17] recognizing for the first time in its history the needs of women and girls in conflict and post-conflict situations[18] and their enduring role in the promotion of peace. We offer the following recommendations:
To address the democracy deficit and relentless politicization of the Security Council, the United Nations must in due course move towards adopting a procedure for eventually eliminating permanent membership and veto power.[19] Alongside procedural reforms, a critical change in the attitude and conduct are needed. Member States must recognize that in holding seats on the Security Council and as signatories to the Charter of the United Nations, they have a solemn moral and legal obligation to act as trustees for the entire community of nations, not as advocates of their national interests.[20]
A definition of terrorism must be adopted. We agree with the Secretary-General’s characterization of terrorism as any action, “intended to cause death or serious bodily harm to civilians or non-combatants with the purpose of intimidating a population or compelling a Government or an international organization to do or abstain from doing any act.” Moreover, it is imperative that problems such as terrorism be consistently addressed within the context of other issues that disrupt and destabilize society.[21]
We urge the United Nations to take the necessary steps to increase the participation of women at all levels of decision-making in conflict resolution and peace processes, locally, nationally and internationally, including the Department of Peacekeeping Operations.[22]
We believe the task of establishing a peaceful world is now in the hands of the leaders of the nations of the world, by virtue of the tremendous responsibilities with which they have been entrusted. Their challenge now is to restore the trust and confidence of their citizens in themselves, their government, and the institutions of the international order through a record of personal integrity, sincerity of purpose, and unwavering commitment to the highest principles of justice and the imperatives of a world hungering for unity. The great peace long envisioned by the peoples and nations of the world is well within our grasp.
[1] While the United Nations has begun to formally recognize the interdependence of human rights, development, and collective security, such a holistic perspective has been echoed throughout the contributions of civil society organizations to the work of the United Nations, as, for example at the global United Nations conferences including the Conference on Environment and Development (1992), the World Conference on Human Rights (1993), World Conference on Population and Development (1994), the Fourth World Conference on Women (1995), the World Summit for Social Development (1995), and the United Nations Conference on Human Settlements (1996).
[2] The Baha'i International Community, in its capacity as an international nongovernmental organization, has been actively involved with the United Nations since its founding conference in 1945. On the occasion of the United Nations’ 10th anniversary, the Baha'i International Community submitted its proposals for Charter Revision to the Secretary-General based on the recognition that “real sovereignty is no longer vested in the institutions of the national state because the nations have become interdependent; that the existing crisis is moral and spiritual as well as political; and that the existing crisis can only be surmounted by the achievement of a world order representative of the peoples as well as the nations of mankind (Baha'i International Community, “Proposals for Charter Revision Submitted to the United Nations by the Baha'i International Community [1955],” The Baha'i World 1954 – 1963, Vail-Ballou Press, Inc., Binghamton, New York, 1970). In 1995, the Baha'i International Community released a statement on the 50th anniversary of the United Nations, which highlighted the trend toward the ever-increasing interdependence of humanity and presented proposals for the resuscitation of the General Assembly, development of the executive function, strengthening the world court, promoting economic and moral development, human rights and the advancement of women (Baha'i International Community, Turning Point for All Nations, Baha'i International Community’s United Nations Office, New York, 1995.) Throughout its history of association with the United Nations, the Baha'i International Community has contributed its vision and experience through submissions dealing with the advancement of women, human rights, the environment, global prosperity, and economic development, among others.
In 1945, the founding of the United Nations gave a war-weary world a vision of what was possible in the arena of international cooperation and set a new standard by which to guide diverse peoples and nations towards a peaceful coexistence. Against the backdrop of the most calamitous war in human history, the creation of a world organization for the protection of the dignity, equal rights, and security of all peoples and nations was an extraordinary feat of statecraft. Sixty years later, the questions that fuelled the San Francisco Conference assert themselves anew: Why have the current systems of governance failed to provide for the security, prosperity, and well-being of the world’s people? What responsibilities do nations have towards their neighbors and their citizens? What fundamental values should guide relationships between and within nations to secure a peaceful future?
In the collective effort to find answers to these questions, a new paradigm is taking hold – that of the interconnected nature of our challenges and our prosperity. Whether the issue is poverty, the proliferation of weapons, the role of women, AIDS, global trade, religion, environmental sustainability, the well-being of children, corruption, or the rights of minority populations – it is clear that none of the problems facing humanity can be adequately addressed in isolation from one another. The blurring of national boundaries in the face of global crises has shown, beyond a doubt, that the body of humankind represents one organic whole.[1] The practical implications of this emergent paradigm for the reform of the United Nations are the focus of the Baha'i International Community’s contribution on the 60th anniversary of this august body.[2]
The processes of United Nations reform must be understood as part of a broader evolutionary course, starting with early forms of international cooperation such as the League of Nations and leading to increasing levels of coherence in the administration of human affairs, facilitated by the creation of the United Nations, the Universal Declaration of Human Rights, the growing body of international law, the emergence and integration of newly independent states, and mechanisms for regional and global cooperation. The last fifteen years alone have seen the establishment of the World Trade Organization, the International Criminal Court, the African Union, the significant expansion of the European Union, the global coordination of civil society campaigns, and the articulation of the Millennium Development Goals – an unprecedented global development framework aimed at the eradication of poverty worldwide. In the course of these developments, the definition of state sovereignty – a cornerstone of the modern system of international relations and a foundational principle of the United Nations Charter – has itself emerged as the object of vigorous debate: what are the limits of traditional notions of sovereignty? What responsibilities do States have towards their citizens and towards each other? How should such responsibilities be enforced?[3] Although uneven and fraught with setbacks, the emergent institutions, movements, and discourse evidence an increasing drive towards unity in world affairs and constitute one of the pervasive features of social organization at the end of the 20th century and in the first years of the new millennium.
Why, then, given the dramatic increase of mechanisms and fora for cooperation is the world so deeply divided against itself? Why the universal affliction, which assails relations between those of different cultures, creeds, religions, political affiliations, economic status, and gender? To answer these questions, we must examine dispassionately the legal standards, political and economic theories, values and religious formulae, which have ceased to promote the welfare of humankind. The advancement of men and boys at the expense of women and girls has sorely limited the creative and material capacities of communities to develop and address their problems; the neglect of cultural and religious minorities has intensified ancient prejudices setting peoples and nations against one another; an unbridled nationalism has trampled the rights and opportunities of citizens in other nations; weak states have erupted in conflict, lawlessness, and massive refugee flows; narrow economic agendas exalting material prosperity have often suffocated the social and moral development required for the equitable and beneficent use of wealth. Such crises have laid bare the limits of traditional approaches to governance and put before the United Nations the inescapable question of values: which values are capable of guiding the nations and peoples of the world out of the chaos of competing interests and ideologies towards a world community capable of inculcating the principles of justice and equity at all levels of human society?
The question of values and their inextricable link to systems of religion and belief has emerged on the world stage as a subject of consuming global importance, which the United Nations cannot afford to ignore. While the General Assembly has passed a number of resolutions addressing the role of religion in the promotion of peace and calling for the elimination of religious intolerance,[4] it struggles to grasp fully both the constructive role that religion can play in creating a peaceful global order and the destructive impact that religious fanaticism can have on the stability and progress of the world. A growing number of leaders and deliberative bodies acknowledge that such considerations must move from the periphery to the center of debate – recognizing that the full impact of religion-related variables[5] on governance, diplomacy, human rights, development, notions of justice and collective security must be better understood.6] Neither political leaders nor academics foresaw such a widespread re-emergence of religion in the public sphere, nor did the practice of international relations develop the conceptual tools to address religion in a meaningful way.[7] Our inherited notions of religion as an irrelevant and obstructionist voice in the international public sphere offer no help in resolving the complex problems before the leaders of the world’s nations. In fact, the appropriate role of religion in the public sphere is one of the most pressing issues of our time.
That religions have been manipulated and used for the accomplishment of narrow ends cannot be denied. Yet, a careful historical analysis reveals that the periods of greatest advancement in human civilization have been those where both faith and reason were permitted to work together, drawing on the resources of the totality of human insight and experience. For example, during the height of Muslim civilization, sciences, philosophy, and the arts flourished; a vibrant culture of learning propelled the human imagination to new heights, providing, among others, the mathematical basis for many of today’s technological innovations. Among humanity’s diverse civilizations, religion has provided the framework for new moral codes and legal standards, which have transformed vast regions of the globe from brutish and often anarchical systems to more sophisticated forms of governance. The existing debate about religion in the public sphere, however, has been driven by the voices and actions of extreme proponents on both sides – those who impose their religious ideology by force, whose most visible expression is terrorism – and those who deny any place for expressions of faith or belief in the public sphere. Yet neither extreme is representative of the majority of humankind and neither promotes a sustainable peace.
At this juncture of our evolution as a global community, the search for shared values – beyond the clash of extremes – is paramount for effective action. A concern with exclusively material considerations will fail to appreciate the degree to which religious, ideological, and cultural variables shape diplomacy and decision-making. In an effort to move beyond a community of nations bound by primarily economic relationships to one with shared responsibilities for one another’s well-being and security, the question of values must take a central place in deliberations, be articulated and made explicit. While the United Nations has repeatedly emphasized the need for multilateralism, such efforts alone, while a step in the right direction, will not provide a sufficient basis for community building between nations; collaboration alone does not confer legitimacy or ensure benevolent outcomes for the greater good. In order to fulfill the promises of the United Nations Charter, the Universal Declaration of Human Rights and subsequent treaties and resolutions, we can no longer be content with a passive tolerance of each other’s worldviews; what is required is an active search for those common values and moral principles which will lift up the condition of every woman, man, and child, regardless of race, class, religion or political opinion.
We assert that the emerging global order, and the processes of globalization that define it, must be founded on the principle of the oneness of humankind. This principle, accepted and affirmed as a common understanding, provides the practical basis for the organization of relationships between all states and nations. The increasingly apparent interconnectedness of development, security and human rights on a global scale confirms that peace and prosperity are indivisible – that no sustainable benefit can be conferred on a nation or community if the welfare of the nations as a whole is ignored or neglected. The principle of the oneness of humankind does not seek to undermine national autonomy or suppress the cultural and intellectual diversity of the peoples and nations of the world. Rather, it seeks to broaden the basis of the existing foundations of society by calling for a wider loyalty, a greater aspiration than any that has animated the human race. Indeed, it provides the moral impetus needed to remold the institutions of governance in a manner consistent with the needs of an ever-changing world.
From the teachings of the Baha'i Faith, we offer the following vision, in the realization of which the members of the worldwide Baha'i community across 191 nations are engaged:
“A world community in which all economic barriers will have been permanently demolished and the interdependence of capital and labour definitely recognized; in which the clamor of religious fanaticism and strife will have been forever stilled; in which the flame of racial animosity will have been finally extinguished; in which a single code of international law—the product of the considered judgment of the world’s federated representatives—shall have as its sanction the instant and coercive intervention of the combined forces of the federated units; and finally a world community in which the fury of a capricious and militant nationalism will have been transmuted into an abiding consciousness of world citizenship…”[8]
II
In light of the foregoing analysis and the areas currently under consideration by the United Nations, we offer the following recommendations as concrete steps towards the realization of a more just and effective United Nations system. Our recommendations address human rights and the rule of law, development, democracy, and collective security.
Human Rights and the Rule of Law
No effective and peaceful international order can be founded and sustained unless it is firmly grounded in the principles of justice and the rule of law. An adherence to such principles provides the requisite stability and legitimacy required to gain the support of peoples and nations that the system aims to serve. We offer the following recommendations:
The grave threats posed by religious extremism, intolerance and discrimination require the United Nations to address this issue openly and earnestly. We call on the United Nations to affirm unequivocally an individual’s right to change his or her religion under international law. The General Assembly may request the International Court of Justice, under Article 96 of the United Nations Charter, to issue an advisory opinion on the issue of freedom of religion or belief. Specifically, the Court could be asked whether the principle of freedom of religion or belief has attained the status of jus cogens, customary international law, or is merely left to the interpretation of each state. Such a clarification would help to remove fallacious interpretations of this right and lend moral force to the condemnation of policies and practices that violate the principle of non-discrimination in matters of religion or belief.[9]
Beyond the ongoing structural and functional reforms of the United Nations human rights machinery, the legitimacy of this machinery must be restored through its consistent adherence to the highest principles of justice, including those elaborated in the Charter of the United Nations and the Universal Declaration of Human Rights. Only in this way, will it secure the legitimacy and trust of Member States and their citizens required for it to exercise its mandate.
The General Assembly should consider setting a timeline for the universal ratification of international human rights treaties.
The Office of the High Commissioner of Human Rights, bolstered by the requisite moral, intellectual, and material resources, must now become the standard-bearer in the field of human rights and an effective tool in alleviating the suffering of individuals and groups whose rights are denied.
As one of the most effective instruments for the protection of human rights, Special Procedures should receive adequate budgetary and administrative support. Government cooperation with Special Procedures should not only be limited to access to the country in question but, equally important, should include full consideration of subsequent recommendations. These should be reflected in the interactive dialogues between the Rapporteur and Member States.
The Public Information section of the Office of the High Commissioner should be developed in order to allow resolutions of the Commission on Human Rights/Human Rights Council, recommendations of the Special Procedures and concluding observations of the treaty monitoring bodies to be accorded more prominence in the media. This could include, for example, the translation of documents into relevant national languages in order to generate more publicity.
The Office of the High Commissioner, along with the Council, should continue its productive engagement with non-governmental organizations, which, since its inception, has contributed positively both to the work of the Office and to the development of non-governmental organizations’ capacity to interact meaningfully in this context.
Development
At the heart of human development must be the understanding that people are irreplaceable resources in a self-sustaining process of change. The challenge is to find methods that allow them to fully express this potential in all its dimensions. Development defined in terms of certain patterns of “modernization,” however, seems to refer exactly to those processes, which promote the domination of people’s material ambitions over their spiritual goals. While the search of a scientific and technologically modern society is a central goal of human development, it must base its educational, economic, political, and cultural structures on the concept of the spiritual nature of the human being and not only on his or her material needs. We offer the following recommendations:
The capacity of people to participate in the generation and application of knowledge is an essential component of human development. As such, priority must be given to the education of girls and boys, women and men in order to enable them to set the path of their own development and to apply their knowledge in the service of the greater community. The United Nations should consider that in terms of economic investment, the education of girls may well yield the highest return of all investments available in developing countries considering both private benefits, as well as returns to family members and the greater community.[10]
We submit for the consideration of the United Nations five spiritual principles, which may serve as a basis for the creation of indicators of human development, to be used alongside existing measures of development. These principles include: unity in diversity, equity and justice, equality of the sexes, trustworthiness and moral leadership, and the freedom of conscience, thought, and religion.[11]
The rich countries of the world have a moral obligation to remove export and trade distorting measures that bar the entry of countries struggling to participate in the global market. The Monterrey Consensus, which recognizes the importance of creating a ‘more open, rule-based, non-discriminatory and equitable’ system of trade is a step in the right direction.[12]
Alongside reform in systems of trade, countries must facilitate the flow of labor and address the dehumanizing impact of trafficking in persons, which leads to widespread economic and sexual exploitation of people seeking a better life.
Democracy
We commend the international community for its commitment to democracy and to a freely elected government as a universal value. However, the standard of deliberation and truth-seeking required for the realization of goals set by the United Nations needs to go far beyond the patterns of partisanship, protest, and compromise that tend to characterize present day discussions of human affairs. What is needed is a consultative process – at all levels of governance – in which individual participants strive to transcend their respective points of view, in order to function as members of one body with its own interests and goals. Through participation and unity of purpose, consultation becomes the operating expression of justice in human affairs. Without this principled anchor, democracy falls prey to the excesses of individualism and nationalism, which tear at the fabric of the community - both nationally and globally.
Beyond the administration of material affairs, governance is a moral exercise. It is the expression of a trusteeship – a responsibility to protect and to serve the members of the social polity. Indeed, the exercise of democracy will succeed to the extent that it is governed by the moral principles that are in harmony with the evolving interests of a rapidly maturing human race. These include: trustworthiness and integrity needed to win the respect and support of the governed; transparency; consultation with those affected by decisions being arrived at; objective assessment of needs and aspirations of communities being served; and the appropriate use of scientific and moral resources.[13] We offer the following recommendations:
To secure the legitimacy, confidence, and support needed for the realization of its goals, the United Nations needs to address the democratic deficits in its own agencies and deliberations.
Thorough deliberation of the pressing issues of the day requires the United Nations to develop modes for constructive and systematic engagement with organizations of civil society (including businesses and religious organizations) as well as members of national parliaments. The relationship between civil society organizations, parliamentarians and the traditional diplomatic processes of the United Nations need not be one of competition but rather complementarity, rooted in the recognition that the relative strengths of all three constituencies are necessary for effective decision-making and subsequent implementation.[xii] We urge the United Nations to give serious consideration to the proposals put forth in the Report of the Panel of Eminent Persons on UN-Civil Society Relationships.[xiii]
A healthy democracy must be founded on the principle of the equality of men and women and equal recognition of their contribution to the establishment of a just society. In its efforts to promote democracy, the Member States of the United Nations must vigilantly work for the inclusion of women in all facets of governance in their respective countries. This is not a privilege but a practical necessity for the achievement of the high-minded and complex goals before the Organization today.
The meaningful integration of minority groups in democratic processes is of critical importance – both to shield minorities from the abuses of the past and to encourage their participation and responsibility for the well-being of society. We urge Member States, in their work to promote democracy, to strive for the full inclusion of minorities – belonging to any faith, race, or class – in the processes of goal-setting and deliberation. As the cultural make-up of states becomes increasingly fluid and diverse, no one cultural or religious group can lay claim to an adequate definition of the national interest.
Collective Security
We welcome the United Nations’ efforts to articulate a more comprehensive vision of collective security, based on the understanding that in our interconnected world, a threat to one is a threat to all. The Baha'i Faith envisions a system of collective security within a framework of a global federation, a federation in which national borders have been conclusively defined, and in whose favor all the nations of the world will have willingly ceded all rights to maintain armaments except for purposes of maintaining internal order.[16] While cognizant of the grave shortfalls of the current system of collective security, we commend the Security Council for its landmark Resolution on “Women, Peace, and Security,”[17] recognizing for the first time in its history the needs of women and girls in conflict and post-conflict situations[18] and their enduring role in the promotion of peace. We offer the following recommendations:
To address the democracy deficit and relentless politicization of the Security Council, the United Nations must in due course move towards adopting a procedure for eventually eliminating permanent membership and veto power.[19] Alongside procedural reforms, a critical change in the attitude and conduct are needed. Member States must recognize that in holding seats on the Security Council and as signatories to the Charter of the United Nations, they have a solemn moral and legal obligation to act as trustees for the entire community of nations, not as advocates of their national interests.[20]
A definition of terrorism must be adopted. We agree with the Secretary-General’s characterization of terrorism as any action, “intended to cause death or serious bodily harm to civilians or non-combatants with the purpose of intimidating a population or compelling a Government or an international organization to do or abstain from doing any act.” Moreover, it is imperative that problems such as terrorism be consistently addressed within the context of other issues that disrupt and destabilize society.[21]
We urge the United Nations to take the necessary steps to increase the participation of women at all levels of decision-making in conflict resolution and peace processes, locally, nationally and internationally, including the Department of Peacekeeping Operations.[22]
We believe the task of establishing a peaceful world is now in the hands of the leaders of the nations of the world, by virtue of the tremendous responsibilities with which they have been entrusted. Their challenge now is to restore the trust and confidence of their citizens in themselves, their government, and the institutions of the international order through a record of personal integrity, sincerity of purpose, and unwavering commitment to the highest principles of justice and the imperatives of a world hungering for unity. The great peace long envisioned by the peoples and nations of the world is well within our grasp.
[1] While the United Nations has begun to formally recognize the interdependence of human rights, development, and collective security, such a holistic perspective has been echoed throughout the contributions of civil society organizations to the work of the United Nations, as, for example at the global United Nations conferences including the Conference on Environment and Development (1992), the World Conference on Human Rights (1993), World Conference on Population and Development (1994), the Fourth World Conference on Women (1995), the World Summit for Social Development (1995), and the United Nations Conference on Human Settlements (1996).
[2] The Baha'i International Community, in its capacity as an international nongovernmental organization, has been actively involved with the United Nations since its founding conference in 1945. On the occasion of the United Nations’ 10th anniversary, the Baha'i International Community submitted its proposals for Charter Revision to the Secretary-General based on the recognition that “real sovereignty is no longer vested in the institutions of the national state because the nations have become interdependent; that the existing crisis is moral and spiritual as well as political; and that the existing crisis can only be surmounted by the achievement of a world order representative of the peoples as well as the nations of mankind (Baha'i International Community, “Proposals for Charter Revision Submitted to the United Nations by the Baha'i International Community [1955],” The Baha'i World 1954 – 1963, Vail-Ballou Press, Inc., Binghamton, New York, 1970). In 1995, the Baha'i International Community released a statement on the 50th anniversary of the United Nations, which highlighted the trend toward the ever-increasing interdependence of humanity and presented proposals for the resuscitation of the General Assembly, development of the executive function, strengthening the world court, promoting economic and moral development, human rights and the advancement of women (Baha'i International Community, Turning Point for All Nations, Baha'i International Community’s United Nations Office, New York, 1995.) Throughout its history of association with the United Nations, the Baha'i International Community has contributed its vision and experience through submissions dealing with the advancement of women, human rights, the environment, global prosperity, and economic development, among others.
Choose another text
parallels: