# Basisvertrouwen

*Exported from [Holy-Writings.com](https://www.holy-writings.com/) on 2026-06-19 — 1 clipping.*

---

> Source: Bahá'í Library Online (bahai-library.com), curated by Jonah Winters. Used by permission of the curator. Original citation: Phyllis K. Peterson, Basisvertrouwen, bahai-library.com.
> ──────────────────────────────────────────────────────────────────────
> 
> BASISVERTROUWEN,
> zowel binnen de gemeenschap als tegenover de “zoeker”.
> Phyllis K. Peterson, 1998
> 
> Vertaling: Wil van der Kooij
> Revisie: Adrie Gloudemans en Jan de Jongh, 18 maart 2021
> 
> VOORWOORD
> 
> Het onderrichten van de zaak van God is afhankelijk van drie voorwaarden: kennis van de sociale
> vaardig- heden, zuiver handelen en een aangename manier van spreken. Ik hoop dat ieder van u met
> deze drie vermogens bekrachtigd mag worden.
> (‘Abdu’l-Bahá, Star of the West, Vol.XII, nr.11, p.177)
> 
> Phyllis Peterson heeft zich verdiept in de vraag hoe wij in de Bahá’í-gemeenschap de sfeer van
> basisvertrouwen kunnen scheppen. Wat is basisvertrouwen, wat zijn de voorwaarden voor het ontstaan
> ervan en waarom is het nodig? Ze beschrijft de aanleiding voor haar onderzoek als volgt:
> 
> In zijn lezing van mei 1994,op de Louhelen Bahá’í-school (Ver.Staten), vertelde Raadgever Billy Roberts dat
> enkele leden van het Universele Huis van Gerechtigheid hem hadden gezegd dat we voor goede
> onderrichtsresultaten een sfeer van vertrouwen moeten scheppen. Zij zeiden dat de mensheid op het
> ogenblik hunkert naar vriendschap en vertrouwen.
> Ik wilde meer weten over vertrouwen en waarom de mensheid ernaar hunkert, aangezien het een
> hoofdbestanddeel van onderricht is. Wat nu volgt is het resultaat van mijn zoektocht om dit te begrijpen.
> 
> INLEIDING
> 
> Identiteit, vertrouwelijkheid, zelfonthulling.
> 
> Het woord identiteit heeft meerdere, soms verwarrende betekenissen. In dit stuk wordt het woord gebruikt in
> de betekenis van het-zelf, iemands eigenheid, individualiteit.
> 
> Voor de ontwikkeling van onze identiteit zijn drie dingen nodig:
> 1. geaccepteerd worden door de mensen die belangrijk voor ons zijn
> 2. onszelf kunnen zijn, d.w.z. authentiek, onvolmaakt en onontwikkeld
> 3. leren dat onze identiteit (wat we denken, voelen, verlangen of kiezen) gehoorzaam moet zijn aan het
> Verbond van God.
> 
> Door vertrouwelijkheid wordt in deze drie behoeften voorzien. Wij hunkeren naar vertrouwelijkheid. In een
> sfeer van echte vertrouwelijkheid, in de aanwezigheid van iemand die ons accepteert, kan onze ziel tot rust
> komen. Dat is waar de mensheid naar hongert. En dat is de behoefte die alleen door onze gehoorzaamheid
> aan de boodschap van Bahá’u’lláh vervuld kan worden.
> 
> Erik Erikson en de Capucijner priester Keith Clark definiëren vertrouwelijkheid als het samensmelten van
> twee of meer mensen en het samenklinken van persoonlijkheden door zelf-besef, zelf-onthulling en het
> vermogen om te luisteren. Een persoon die zich van iets bewust is brengt dat naar de ander over door zelf-
> onthulling. De ander krijgt, door het beluisteren van dat verhaal, meer zelfbesef en toont dat op zoek naar
> samenklank. En als hij die persoon vertrouwt, onthult hij eveneens iets over zichzelf. Dan is de
> vertrouwelijkheid geschapen.
> 
> Het begrip vertrouwelijkheid is nu gedefinieerd maar wat wordt bedoeld met zelf-onthulling?
> Het is gecommuniceerde, persoonlijke zelfkennis, het tonen van de onvolmaakte en onontwikkelde identiteit;
> het laten zien van je eigen werkelijkheid. Onze werkelijkheid is gebaseerd op wat wij voor echt houden, ons
> idee over hoe de dingen echt zijn, hoe wijzelf en de wereld in elkaar zitten. Het bevat ook ons
> waardensysteem: wat we denken dat juist of verkeerd is, goed of slecht, en de waarden die we zo
> belangrijk vinden dat we menen dat iedereen die zou moeten hanteren.
> 
> Van God uit gezien, betekent zelf-onthulling openbaring. In wezen heeft God door de eeuwen heen zich zelf
> onthuld door het zenden van de Manifestaties, die niet alleen kennis over God hebben geopenbaard maar
> ook kennis en waarheid over de mensheid. Het past ons, als Zijn schepselen, om Gods Openbaring te
> erkennen en Hem te dienen door het onderrichten van Zijn zaak.
> 
> ‘Weet dat hij waarlijk geleerd is die Mijn Openbaring heeft erkend, en heeft gedronken uit de Oceaan
> van Mijn kennis, en heeft gevlogen in de sfeer van Mijn liefde, en alles buiten Mij heeft verworpen, en
> zich stevig heeft vastgehouden aan hetgeen werd neergezonden uit het Koninkrijk van Mijn wonderbare
> woorden. Hij is waarlijk gelijk een oog voor de mensheid, en gelijk de geest des levens voor het
> lichaam van al het geschapene. Verheerlijkt zij de Albarmhartige Die hem heeft verlicht en hem deed
> opstaan om Zijn grote en machtige Zaak te dienen. Waarlijk, díe mens is gezegend door de Schare in
> den hoge, en door hen die verblijven binnen het Tabernakel van Grootheid, die in Mijn Naam, de
> Alvermogende, de Almachtige, heeft gedronken van Mijn uitgelezen Wijn.
> (Tafelen van Bahá’u’lláh geopenbaard na de Kitáb-i-Aqdas, Hoofdstuk 14, Lawḥ-i-Burhán, blz.89)
> 
> Dit citaat is een voorbeeld van de poëzie van God’s Openbaring door Bahá’u’lláh. Het is niet verwonderlijk
> dat God er voor koos om zich via dichterlijke taal te openbaren; want poëzie is de taal van de
> vertrouwelijkheid. Poëzie verwijdert de sluiers die de Werkelijkheid of de Identiteit van de Schepper/Dichter
> verbergen. Degenen die open staan voor het Woord van God en gevoelig zijn voor ware schoonheid zullen
> in God’s Openbaring, achter de woorden de sfeer van vertrouwelijkheid voelen waarmee God ons aantrekt
> en Hij dringt er bij ons op aan om daar binnen te treden.
> 
> Er zijn in ons land maar relatief weinig poëzie-lezers. Wat zegt dat over onze samenleving? In een
> materialistische maatschappij is vertrouwelijkheid schaars. We zijn meer op bezit gericht dan op
> vertrouwelijke relaties. Als we echter zien hoe miljoenen mensen via de geschriften van alle grote
> wereldreligies door God’s poëzie worden aangetrokken, dan wordt het duidelijk dat de volgelingen van al
> deze disciplines waarachtig pogen om een vertrouwelijke verbinding met de Geliefde te krijgen, net als de
> Scharen in den hoge en degenen die in de Tabernakel van Grootheid verblijven, zoals in het citaat wordt
> gezegd.
> 
> De Ware Dichter schrijft met overgave en nodigt ons uit om te delen in een staat van verrukking. Als we met
> overgave lezen, ontmoeten we de ware Geliefde. Dat is beangstigend en het brengt je van je stuk. We lopen
> het gevaar om onze ziel te verliezen in de zaligheid van het één zijn, want dat is een staat van
> machteloosheid. We moeten kwetsbaar en hulpeloos worden om tot een vertrouwelijke relatie met de dichter
> te komen. Als in een vertrouwensverhouding de angst de kop opsteekt, zijn we van nature geneigd om het
> evenwicht in hart en hoofd weer te herstellen door terug te gaan naar onze zekerheden - verdediging en
> kritisch denken. Dan voelen we ons weer op ons gemak en niet meer zo kwetsbaar.
> 
> Als we de vertrouwelijkheid echter tegemoet treden met de bedoeling om te leren en het vreemde en
> onstabiele te ervaren, bereid om te beven in onze hulpeloosheid en kwetsbaarheid, dan zullen we beseffen
> dat er in een revolutie van liefde geen plaats is voor rigiditeit, kritiek, roddel en zelfbescherming. Als we daar
> van afzien, zullen we ervaren hoe onze ziel wordt herschapen door de werkelijkheid van de Dichter. Want
> dichter zijn betekent: je identiteit voortdurend vernieuwen en daarbij anderen de kans geven om hun identiteit
> te vernieuwen door de vertrouwelijkheid van het gedicht.
> 
> Ik wil in dit werkstuk onderzoeken hoe vertrouwelijkheid, zelf-onthulling, erkenning en identiteit
> allemaal van invloed zijn op het bereiken van meer eenheid in onze gemeenschap en met de zoeker. Het is
> nodig dat we ons bewuster worden van het begrip vertrouwelijkheid om de behoeften te kunnen
> onderzoeken die uit onwetendheid onvervuld blijven.
> 
> Hoofdstuk 1
> 
> Vijf niveaus/aspecten van vertrouwelijkheid.
> 
> Volgens Keith Clark zijn er vijf niveaus van vertrouwelijkheid te onderscheiden.
> 1. Het laagste niveau is informatie. “Ik woon in Rotterdam en ik ben geboren in 1941. Ik hou van de
> kleur blauw.” Door dit soort informatie ontdekken we wel dingen van elkaar maar leren elkaar niet echt
> kennen.
> 2. Het volgende niveau van vertrouwelijkheid is het delen van elkaars meningen. Deze uitwisseling kan
> ook onpersoonlijk zijn. Ik kan een mening over abortus hebben die ik niet kan delen met iemand die
> absoluut anti-abortus is. Dan kom ik met die persoon niet verder dan het eerste niveau. Ik zou er dan
> op moeten vertrouwen dat ik niet veroordeeld word.
> 3. Het derde niveau is het delen van gevoelens. Als ik aanvoel dat het iemand weinig kan schelen wat ik
> voel, kan ik denken: “Wat zal ik me druk maken” en geen poging ondernemen. Het is belangrijk om te
> onthouden dat iemands onbekwaamheid om gevoelens te delen kan wijzen op een onontwikkelde
> identiteit.
> 
> 4. Het vierde niveau is het delen van mijn houding. Dit is een behoorlijk hoog vertrouwensniveau. Ik stel
> me dan bloot aan het oordeel en de kritiek van de ander, speciaal in het geval van een autoritaire
> werkgever bijvoorbeeld.
> 5. Het vijfde en hoogste niveau van vertrouwelijkheid is het delen van het persoonlijke, spirituele niveau
> van mijn geloof, de dingen die mij hoop, inzicht en vrijheid geven en daar horen ook mijn geestelijke
> kwetsbaarheid of machteloosheid bij.
> 
> Bedenk wel dat dit maar één manier is, één van de vele middelen om te beschrijven hoe we elkaar op
> verschillende vertrouwensniveaus leren kennen. Andere mensen zien vertrouwelijkheid niet zozeer als een
> opbouw met verschillende niveaus maar als een begrip met verschillende aspecten. Je werkt dan met een
> continuüm dat loopt van “geen vertrouwen” tot “volledig vertrouwen”. Angst en misbruik kunnen veel invloed
> uitoefenen op de plaatsing van de aspecten in het continuüm.
> Sommige mensen in Japan bijvoorbeeld maken hun huisadres niet graag bekend vanwege oude
> cultuurgebonden vooroordelen; zij voelen zich kwetsbaar bij het geven van informatie die een Amerikaan vrijelijk
> zou geven. Dus wat voor culturele ervaring je ook hebt, je kunt deze aspecten vanuit dat standpunt
> onderzoeken. Hoe we het ook onderzoeken of definiëren, geestelijke kwetsbaarheid is toch het diepste of
> hoogste niveau van vertrouwelijkheid, waarvoor we het grootste vertrouwen moeten tonen.
> Om kort te gaan, we scheppen een sfeer van vertrouwen door het proces waarin we, via deze aspecten van
> vertrouwelijkheid, onze identiteit aan een ander mens onthullen; en zij tonen ons op hun beurt hun identiteit.
> Wij bahá’ís willen natuurlijk het hoogste niveau van vertrouwelijkheid met elkaar bereiken, trots zijn op elkaar’s
> prestaties en de schoonheid van elkaars ziel kennen. Dit is de kern van Bahá’u’lláh’s zending om de wereld te
> verenigen. ‘Abdu’l-Bahá zei: “Als onder de gelovigen de ene ziel een andere ontmoet, moet het zijn alsof
> een dorstige de fontein met levenswater heeft gevonden, of een minnaar zijn ware geliefde heeft
> ontmoet.” Want één van de diepste wijsheden aangaande het verschijnen van de Manifestatie is dit: “De
> zielen moeten elkaar leren kennen en vertrouwelijk met elkaar om gaan.”
> 
> Bahá’ís hebben tientallen jaren gespendeerd om een basis te leggen door proclamatie, consolidatie,
> onderricht en firesides. We zijn lid geworden van elke club, organisatie en stichting die de principes van ons
> geliefde geloof ondersteunt. In een organisatie is er altijd een zekere afstand tussen bestuursleden en
> deelnemers, dat is praktisch en nodig voor de structuur en de doelstelling. We vinden hier echter geen echte
> vertrouwelijkheid. Die vinden we ook niet vaak in de bahá’í-gemeenschap. Shoghi Effendi instrueert de
> volgelingen van Bahá’u’lláh :” Laat hen in hun onderlinge relaties als gelovigen niet tevreden zijn met het
> uitsluitend uitwisselen van kille en lege formaliteiten die vaak te maken hebben met het organiseren van
> diners, recepties, vergaderingen en lezingen. Laat hen liever, als gelijkwaardige deelgenoten aan de
> geestelijke gaven die hen door Bahá’u’lláh worden gegeven, opstaan en met de hulp en raad van hun
> plaatselijke en nationale vertegenwoordigers, deze officiële functies verrijken met het soort kansen die alleen
> kunnen ontstaan door een warme en vertrouwelijke sociale omgang.”
> 
> De obstakels van de oude wereldorde die vertrouwelijkheid in de weg staan.
> 
> Macht.
> Onze maatschappij is een vreemde, versnipperde mengelmoes van nog niet geheel uitgeroeide autoritaire,
> totalitaire en autocratische overtuigingen, vermengd met een onvolwassen democratie. Dit maakt
> vertrouwelijkheid onmogelijk. We zijn altijd bezig om onszelf te verdedigen of anderen te beoordelen volgens
> die overtuigingen, systemen en waarden van de oude wereld. Vertrouwelijkheid is onmogelijk, omdat er een
> scheiding bestaat tussen hen die de macht bezitten en degenen die geregeerd worden en geen macht
> hebben. Er bestaat ook een scheiding tussen degenen die macht en gezag met geweld hanteren. Dit is een
> paradox omdat, hoewel er een scheiding is, de grenzen nooit werden gerespecteerd of geëerd door deze
> dominerende systemen.
> 
> Vertrouwelijkheid is het vermogen om met anderen in verbinding te treden zonder vrees voor dominantie of
> de wens om te domineren. Het is de morele integriteit om je gezamenlijk in te zetten voor eenheid van
> identiteit zonder de angst om de macht over jezelf of je identiteit te verliezen.
> 
> Omdat onze identiteit is gevormd door gezag dat niet rechtvaardig was, zijn we nog steeds bang voor
> overheersing. Een geschiedenis vol macht, racisme, seksisme, nationalisme en oorlog heeft er voor gezorgd
> dat we vertrouwelijkheid en kracht wantrouwen. En eigenlijk heeft, tot aan Bahá’u’lláh’s Openbaring, geen
> Profeet ooit de krachten van de mensheid gedefinieerd. Het is nu onze uitdaging om deze krachten, de
> hulpbronnen van de verheven Talisman, te gebruiken zonder macht, vertrouwelijkheid te scheppen zonder
> dat macht onze pogingen blokkeert, terwijl we langzaam en soms met pijn een paradigma van dominantie of
> vermeende dominantie verlaten.
> 
> We moeten in staat zijn om de nuances van het gebruik van macht, waaraan allen zich onbewust schuldig
> maken, duidelijk te zien. Want deze nuances ondermijnen onze pogingen tot vertrouwelijkheid. “Kracht als
> hulpbron”, in plaats van “kracht als macht”, dat moet ons voorgedaan worden. We vinden dat voorbeeld in
> het leven van Bahá’u’lláh en in verhalen van ‘Abdu’l-Bahá en Bahiyyih Khanum. Dit boek onderzoekt dat
> model in het licht van Bahá’u’lláh’s leringen, in de hoop dat ieder van ons zich bewust zal worden van zijn
> verdedigingsmechanismen en het pad naar vertrouwelijkheid in de gemeenschap en met de zoekende zal
> ontdekken.
> 
> Liefde.
> We moeten ook leren wat het betekent om consequent “lief te hebben”. Rabbi Chaim Potok schreef een
> boek getiteld: “Het stof der aarde". Het verhaal speelt zich af tijdens de oorlog in Korea. Het is een prachtige
> illustratie van wat wordt bedoeld met inconsequente liefde.
> Een gewonde jongen wordt door een kinderloos echtpaar op leeftijd opgevangen. Zij lopen met nog duizenden
> anderen het gevaar te verhongeren omdat ze gedwongen hun huizen hebben moeten verlaten. De vrouw redt
> het kind het leven, maar elke bladzijde van het verhaal is gevuld met het onvermogen van haar man om zich
> helemaal in te zetten voor het verzorgen en lief hebben van het kind. Hij vindt het kind een last,
> een vreemde die hun voedsel uit de mond steelt; ze zouden zonder hem beter af zijn; ze zouden hem
> moeten achterlaten om de sterven. Dan, in de loop van het verhaal, ziet de man een voordeel in het redden
> van zijn leven, maar bij elke tegenslag die zich voordoet, wenst hij dat de jongen verdwijnt. De jongen kan
> niets goed doen. Als hij opgroeit wordt het duidelijk dat hij een begaafd dichter zal worden, iets wat totaal
> nutteloos is en geen brood op de plank brengt, vindt de man. Hij bekritiseert en belastert de jongen
> onophoudelijk, niet van zins om een echte band met hem aan te gaan.
> 
> Dan begint zijn haat langzaam aan te verminderen. Nu ziet hij soms, in een paragraaf, dat de jongen iets
> goeds heeft, maar op de volgende bladzijde is dat weer over en verwijt hij hem weer dat hij hun leven extra
> zwaar heeft gemaakt. Potok beschrijft bladzijde na bladzijde het conflict in het hart van de man tot
> tenslotte, aan het eind van het boek, de oude man ontdekt dat hij treurt over het feit dat dit kind, dat hij na de
> dood van zijn vrouw alleen heeft opgevoed, hem verlaat om literatuur te gaan studeren. Hij heeft zich helemaal
> aan de liefde voor de jongeman overgegeven en hij voelt een echt verlies nu hij er niet is.
> 
> Dit verhaal laat uitstekend zien hoe moeilijk het is om je totaal in te zetten voor de vertrouwelijke relatie met
> de buitengesloten, de verdrukte en de verworpen mens. Het is moeilijk om van hen te houden omdat ze zo’n
> hevige behoefte hebben. Ze zijn “anders dan wij”; en de ark waarin we nu varen zal spoedig de plaats worden
> waar de kracht en de diepte van onze inzet worden getest. Zou het kunnen dat Bahá’u’lláh dit bedoelt als Hij
> in de Tafel van de Heilige Zeevaarder zegt: ”Waarin de ark van de Zaak bewegingloos blijft ook al
> worden aan haar bewoners alle goddelijke eigenschappen toegeschreven.” ? 5
> 
> Je inzetten voor vertrouwelijkheid is moeilijk als we denken dat mensen “onbeminbaar” zijn omdat ze
> vijandig, immoreel en onopgevoed zijn. Een verhaal over ‘Abdu’l-Bahá laat een effect zien dat tegengesteld
> is aan dat van Rabbi Potok. Dit verhaal komt uit: “Abbas Effendi: His Life en Teachings” “Toen de Meester
> naar Akka kwam, woonde er een zekere man uit Afghanistan, een strenge en onbuigzame moslim. Hij zag de
> Meester als een ketter. Hij koesterde een grote vijandschap jegens de Meester en stookte anderen tegen
> hem op. Als hij de kans kreeg op een plaats waar veel mensen bij elkaar waren, b.v. in de moskee,
> beschuldigde hij Hem met bittere woorden. “ Deze man” zei hij tegen de aanwezigen “ is een bedrieger.
> Waarom spreken jullie tegen hem?” En als hij de Meester op straat passeerde hield hij altijd zijn mantel voor
> zijn gezicht zodat zijn uitzicht niet bedorven zou worden.
> 
> “ Zo deed de Afghaan. Maar de Meester deed het volgende: De Afghaan was arm en woonde in een
> moskee; hij had vaak gebrek aan eten of kleding. De Meester stuurde het allebei. Hij nam dat aan, maar
> zonder te bedanken. Hij werd ziek. De Meester bracht hem een dokter, medicijnen, geld. Dit aanvaardde hij
> ook; maar als hij z’n ene hand uitstak zodat de dokter zijn pols kon voelen dan hield hij met de andere hand
> zijn mantel voor zijn gezicht zodat hij niet naar de Meester kon kijken. Tweeëntwintig jaar lang was de
> Meester vriendelijk voor hem en bleef de Afghaan vijandig. Uiteindelijk kwam de Afghaan aan de deur van de
> Meester en viel berouwvol en huilend aan Zijn voeten.
> 
> “Vergeef me meneer” riep hij. “ Ik heb u tweeëntwintig jaar kwaad gedaan. Tweeëntwintig jaar bent u goed
> voor me geweest. Nu weet ik dat ik het verkeerd heb gedaan.” De Meester vroeg hem om op te staan en ze
> werden vrienden.
> 
> Als we deze twee verhalen goed bekijken zien we dat het hart van de oude man in Korea en het hart van de
> Afghaan het vermogen om lief te hebben op een inconsequente en lukrake manier ontwikkelden totdat ze er
> achter kwamen dat hun vermogen om lief te hebben volledig werd geblokkeerd door hun vijandigheid. Ik
> 
> weet dat ik in mijn hart ook vijandige restanten meedraag van beiden oude mannen. Ik hou mijn vijandige
> gedachten elke dag in de gaten. Ze zijn dicht onder de oppervlakte aanwezig; en als ik niet alert blijf kunnen
> ze me verhinderen om me kwetsbaar en vertrouwelijk op te stellen.
> 
> We moeten op de een of andere manier oog krijgen voor het feit dat:
> - vijandigheid wordt geboren uit woede over onrechtvaardigheid
> - dat de grondoorzaak van immoraliteit onwetendheid is
> - dat onverzadigbare behoefte vooraf is gegaan door extreem gemis
> Als we dat weten kunnen we rustig doorgaan met het opbouwen van een kwetsbare vertrouwelijkheid,
> welbewust dat we pijn, afwijzing, vijandigheid of een aanval te verduren kunnen krijgen. Er is geen andere
> manier. “Gij ziet de harten vervuld van haat en het is aan U om dit te verhullen, o Gij Verheler van de
> zonden der werelden. Als de zwaarden flitsen, ga voorwaarts! Als de pijlen vliegen, ruk op! O Gij
> Offer der werelden!”7,8
> 
> Vertrouwelijkheid en identiteit.
> 
> Vertrouwelijkheid is de diepste persoonlijke behoefte die we kennen en het is een geestelijke behoefte.
> Wij verlangen ernaar om op zo’n manier met anderen samen te zijn dat onze geesten elkaar aanraken en
> onze identiteiten samensmelten zonder in elkaar op te lossen. In vertrouwelijkheid wordt de ruimte, die ons
> van elk ander menselijk wezen gescheiden houdt, overbrugd. Dan zijn de gevoelens van gescheiden zijn,
> van onbekwaamheid en behoeftigheid, die we vanaf onze geboorte hebben, voor een poosje verdwenen.
> 
> Als vertrouwelijkheid een belangrijk bestanddeel is van het onderrichten van het Geloof, dan geldt dat ook voor
> het begrijpen van wat identiteit is. Want we kunnen geen vertrouwelijkheid scheppen zonder onze eigenheid te
> laten zien. Eén van de definities van het woord “integriteit” luidt: het krachtig vasthouden aan een morele
> gedragscode, en dit is speciaal van toepassing op het vermogen van identiteit, het vermogen om jezelf te zijn..
> Eenheid van identiteit betekent dat je in staat bent om alle samenstellende delen van de identiteit te integreren,
> tot een geheel te maken: je denkt, voelt, gelooft, fantaseert, zegt, verlangt en doet, in gehoorzaamheid aan
> het Verbond van Bahá’u’lláh dat over al deze delen regeert.
> 
> Identiteitsstoornissen die obstakels vormen.
> 
> Een rigide identiteit, een meervoudige identiteit, een identiteitsconflict en een ontmoedigde identiteit zijn de
> eerste vier obstakels.
> Sommige mensen denken dat hun identiteit vaststaat. Die veronderstelling is onbewust en het verhindert hen
> om zich zelf echt open te stellen, niet alleen voor vreemdelingen in onze eigen cultuur maar ook voor mensen
> van een andere culturele of religieuze achtergrond. Als we echter begrijpen dat de identiteit of het zelf een
> vermogen van de ziel is, dan kunnen we hieruit afleiden dat zij zich zal kunnen blijven ontwikkelen in deze
> wereld en in de volgende. “Wat is het verschil tussen “eenheid van identiteit” en een “vaste (rigide)
> identiteit”? Een rigide identiteit staat niet open voor meerdere gezichtspunten en gelooft vaak dat je
> identiteitszelfmoord pleegt als je zelfs maar een andere cultuur onderzoekt.
> Blinde trouw aan tradities, die niet onderzocht en bevraagd worden, levert een rigide identiteit op. Gesloten
> groepen en religies, exclusieve organisaties hebben rigide identiteiten.
> 
> Het rigide, onveranderlijke zelf dat stabiel en duurzaam is, heeft geen behoefte aan verdraagzaamheid omdat
> hij of zij geen gemeenschapsleven of relaties aangaat die buiten de grenzen van het traditionele en
> goedgekeurde vallen. Zo iemand heeft een levenslang gegarandeerde identiteit en een totale stabiliteit want
> die identiteit staat vast. Hij of zij kan echter heel boos en haatdragend zijn en manipuleren en controleren om
> de stabiliteit te handhaven.
> Bij eenheid van identiteit wordt het zelf gezien als een proces dat nieuwe inzichten, nieuwe ervaringen en
> gelegenheden om in relaties verdraagzaamheid en flexibiliteit te oefenen nodig heeft en verwelkomt. Het laat
> ook meerdere gezichtspunten toe.
> 
> Een ander obstakel voor vertrouwelijkheid, zowel binnen als buiten het Geloof, is dat heel veel mensen
> opereren van uit meerdere identiteiten. Ik heb het dan niet over ”Multiple Personality Disorder”, maar over de
> neiging om de identiteit van iemand anders te observeren en klakkeloos over te nemen of een denkbeeldige
> identiteit te spelen.
> 
> ‘Abdu’l-Bahá stelt: ”Moge allen bevrijd worden van de veelsoortige identiteiten die voortkomen uit
> hartstocht en begeerte en een nieuw leven vinden in de eenheid van hun liefde voor God” 10 Eén
> interpretatie van wat ‘Abdu’l-Bahá hier zegt is dat deze “veelsoortige identiteiten” met hun veelsoortige
> verlangens en hartstochten zich met hun innerlijke ware zelf moeten vastklemmen aan Bahá’u’lláh’s
> Openbaring om eenheid van vorm en doel te vinden.
> 
> Individuele bahá’ís worden nog door een overvloed van identiteiten bevolkt die elk hun eigen conflicterende
> emoties, hartstochten en doelen hebben. Omdat we het vermogen bezitten om alles wat we voor ons zien te
> weerspiegelen, inclusief andere identiteiten van de televisie, uit boeken of uit het echte leven, is het mogelijk
> om meerdere identiteiten te hebben. In een autoritaire maatschappij spiegelen we kritiekloos en worden
> traditionalistische robots omdat de macht om te kiezen in handen van een extern gezag was. In de
> democratische maatschappij dachten we dat democratie betekende dat we de vrijheid hadden om carte
> blanche te weerspiegelen en elke aanleg die we hadden, zonder onderscheid, te ontwikkelen. Maar aanleg en
> gaven brengen verantwoordelijkheden met zich mee.
> 
> Het hoort bij mens zijn om dit te doen. Kinderen doen het, op die manier leren ze. Op drie jarige leeftijd slaan
> ze een cape om en plotseling zijn ze Superman. Dat kan gevaarlijk zijn: mijn neefje van drie deed een cape om
> en sprong van de tweede etage omdat hij echt dacht dat hij Superman was. Hij had de identiteit van kind, van
> Superman, van Mighty Mouse en van elke televisie of sprookjesboek figuur die hij ooit had gezien. Hij had ook
> een gebroken been!
> 
> Teenagers doen dit ook. Kijk maar naar de Madonna rage van een paar jaar geleden; en naar de volgelin-
> gen van een willekeurige goeroe die bereid zijn om desnoods van het dak te springen, omdat ze zich van het
> ene op het andere moment een unieke en opwindende identiteit willen aanmeten. Ik heb dit verschijnsel
> beschreven als het ”spiegelprincipe” in mijn werk getiteld: ”De rol van het Spiegelprincipe en het Woord van
> God bij het genezingsproces van mensen die in hun jeugd misbruikt zijn”.
> 
> En nu zijn er ook allerlei reclames die uitnodigen om “eens iemand anders te zijn”, om eens uit je vertrouwde
> sleur te breken en opwindende andere identiteit aan te schaffen.
> Maar als we over vertrouwelijkheid praten moeten we beseffen dat we alleen vertrouwelijk kunnen zijn met
> het ware zelf dat zich diep in onze ziel bevindt.
> 
> De persoon die in de oude wereldorde veel identiteiten heeft ontwikkeld stort uiteindelijk in en wordt
> verscheurd door dat hij in vele richtingen wordt getrokken. Het innerlijke evenwicht tussen macht en machte-
> loosheid is verstoord geraakt. Maar het “zelf-in-proces” ,dat een eenheid van identiteit is geworden, heeft
> echter een houvast dat “dienstbaarheid” heet en dat de kracht van het individu kan stabiliseren en in balans
> brengen.
> 
> Bahá’u’lláh heeft ons weer onze wilskracht teruggegeven. Laten we ons niet vergissen, alle delen van een
> meervoudige identiteit hebben het vermogen tot emotie, redeneren, verlangen, evaluatie, kritiek en oordeel.
> De inconsistentie van onze handelingen en ons gedrag komt voort uit het feit dat onze krachten versnipperd
> en verward zijn; omdat we geen duidelijke, onbewolkte visie hebben waarop we ons
> onderscheidingsvermogen kunnen baseren en vervolgens onze wilskracht gebruiken. Geen wonder dat er
> zoveel gebeden voor onthechting in ons gebedenboek staan.
> 
> Hoe meer we eenheid van identiteit zoeken door ons diepgaander met de Geschriften bezig te houden, door
> gebed en dagelijks rekenschap af te leggen aan onszelf, hoe meer van onze veelvoudige identiteiten uit de
> weg geruimd worden. Het waren in feite de enige identiteiten die we kenden, wat ze ook waren:
> geseksualiseerd, afhankelijk/passief, frivool, brutaal, grenzeloos avontuurlijk, mateloos materieel, voortdurend
> op jacht naar zelfverwezenlijking, gewelddadig, slachtoffer, of in de war over je sekse.
> Onze ware identiteit, ons diepste ware zelf wordt hervormd, opnieuw opgebouwd, hersteld en zal bekrachtigd
> worden om de eenheid met anderen tegemoet te gaan.
> 
> Het ware zelf was tot de rand toe gevuld met die naar hartstocht smachtende en op hartstocht gerichte
> identiteiten. Het kan dan niet consequent werken aan de ontwikkeling van de talenten die belangrijk zijn voor
> de maatschappij en voor een immer voortschrijdende beschaving.
> 
> Bahá’u’lláh spoort ons krachtig aan: “ Scheur in Mijn Naam de sluiers vaneen die u het zien ernstig
> belemmeren en vernietig door de kracht die uit uw geloof in de eenheid van God is geboren, de
> afgoden van nutteloze verbeelding. Treedt dan het heilige paradijs van het welbehagen van de
> Algenadige binnen. Heilig uw ziel van al hetgeen niet van God is en smaakt de zoetheid der rust in de
> schoot van Zijn onmetelijke en machtige Openbaring en onder de schaduw van Zijn oppermachtig en
> onfeilbaar gezag. Laat u niet in de dichte sluiers van zelfzuchtige begeerten wikkelen, aangezien Ik in
> een ieder van u Mijn schepping heb volmaakt, opdat de voortreffelijkheid van Mijn werk volledig aan
> de mensen kan worden geopenbaard”. 11 (bloemlezing pag. 88, LXXV)
> We kunnen de zoetheid van de rust alleen smaken in een staat van eenheid. ‘Abdu’l-Bahá roept ons op om
> daarvoor te bidden: “O God! Maak de tekenen van uw eenheid zichtbaar die in alle werkelijkheden van
> het leven gelegd zijn” 12
> Dit is het tegengif voor de veelvoudige identiteiten waardoor we onszelf uitputten.
> 
> De dienaar of dienares die met liefde voor God is bezield, geeft niet meer toe aan de vele en verwarrende
> verlangens die de individuele, razende dans van het “zelf” vormen en gaat, met hemelse aanvaarding, op in
> de grotere dans van de gemeenschap, terwijl hij de eigen talenten en schatten van zijn ziel koestert. Dit is
> een voorbeeld van hoe de individualiteit van het Westen integreert met het collectivisme van het Oosten.
> 
> Een niet geïntegreerde identiteit kan ons verhinderen om doelmatig te onderrichten en om degenen, waarmee
> we de leringen van Bahá’u’lláh willen delen, te helpen met het helen van hun identiteit. Een niet geïntegreerde
> identiteit kan ook een identiteitsconflict genoemd worden, het derde obstakel voor vertrouwelijkheid:
> -ons gedrag is in strijd met onze overtuigingen;
> -onze overtuigingen zijn in strijd met onze gevoelens;
> -onze verlangens zijn in strijd met wat we met onze woorden belijden;
> -onze fantasieën zijn in strijd met de principes van het bahá’í-geloof.
> We leven werkelijk in een identiteitsconflict omdat er geen fundamentele overeenstemming is, in de vorm van
> een stabiliserende code van morele waarden, tussen al deze van elkaar afhankelijke en verschillende
> onderdelen van onze identiteit. Met andere woorden, we kunnen onszelf niet als een geheel beschouwen
> voordat alle samenstellende delen van onze identiteit stevig verenigt zijn rond een code van morele waar-
> den. Daarin ligt een andere betekenis of een ander niveau van het eenheidsprincipe dat heel Bahá’u’lláh’s
> openbaring doortrekt. Wanneer we individueel een verenigde, integere identiteit bezitten, dan kunnen we
> collectief een eenheid bereiken die ons in staat stelt om ons op een doel, bedoeling of handeling te
> concentreren, zowel in onszelf als in gemeenschap met anderen. En dit geeft ons de mogelijkheid om tot die
> sfeer van vertrouwelijkheid te komen die van ons gevraagd wordt.
> 
> Het vierde obstakel voor vertrouwelijkheid is een ontmoedigde identiteit. We zijn bang om iets van onszelf te
> verliezen en dat geheimzinnige, ongrijpbare iets is macht, en daarmee evenwicht. Ons psychologische
> evenwicht wordt in stand gehouden door onze macht, onze autonomie. Als we bijvoorbeeld in een relatie
> afstand doen van onze wilskracht, dan wordt de relatie onevenwichtig en eenzijdig. Als we afzien van ons
> denkvermogen of van het vermogen tot verstandelijk onderzoek van de waarheid, krijgen we een relatie
> waarin we niet kunnen groeien en ontwikkelen.
> 
> Het hoogste niveau van vertrouwelijkheid - geestelijke kwetsbaarheid- is onmogelijk als we geen kracht meer
> hebben. Elke poging tot eenheid en vertrouwelijkheid zou uitlopen op het afstand doen of het ontkennen van
> onze eigen vermogens. Wat een tragisch risico! We zouden geen vertrouwen meer hebben. Het zelf zou
> zich terugtrekken en in isolement en vervreemding terecht komen.
> 
> Kritiek: het vijfde obstakel.
> 
> We kunnen macht kwijt raken door kritiek op ons ware zelf. Kritiek vernietigt of fragmenteert de identiteit van
> het individu. Ik geloof ook dat kritiek een van de hoofdoorzaken is van rigide, meervoudige en conflicterende
> identiteiten.
> 
> Kritiek veroorzaakt nog iets anders. Kritiek vernietigt het relationele, de gemeenschap. Dit betekent dat
> kritiek eigenlijk bijdraagt aan de vorming van de “individualist” die zou kunnen zeggen: “Ik bied mezelf aan
> zoals ik ben, het enige wat ik heb. Als je mijn echte ik afwijst door er kritiek op uit te oefenen, heb ik alleen
> nog maar een gefantaseerd of een vals ik voor je, en daarmee trek ik mijn ware wezen uit de gemeenschap
> terug en verberg het. Maar als ik me uit de gemeenschap terug trek moet ik wel waarden en regels voor me
> zelf scheppen of waarden aannemen die individualistisch in plaats van collectief zijn. Ik moet wel waarden en
> regels voor me zelf scheppen omdat de geest van nature behoefte heeft aan regels.”
> 
> Als we een “relatie in eenheid” definiëren als:
> Een principe waarbij twee of meer personen als één en dezelfde worden herkend of beschouwd;
> of als een verbinding tussen mensen die voorkomt uit de natuurlijke band van de eenheid der mensheid,
> dan is kritiek een breuk in die eenheid; het verbreekt de band die verbindt.
> 
> Bahá’u’lláh verbiedt ons om andere religies te bekritiseren omdat kritiek een breuk is in het verbond van
> eenheid. ”Wij hebben eertijds verklaart - en Ons Woord is de Waarheid - “Verkeer met de
> volgelingen van alle religies in een geest van vriendelijkheid en kameraadschap”. “Al hetgeen de
> 
> mensenkinderen ertoe geleid heeft om elkaar te schuwen en wat onenigheid en scheiding tussen
> hen heeft veroorzaakt is door de openbaring van deze woorden afgeschaft en teniet gedaan”. 13
> 
> We moeten de delen van onze identiteit en die van de gemeenschap, die bekritiseert werden in plaats van
> bekrachtigd, genezen om vertrouwelijkheid te kunnen bereiken. Daarom is het belangrijk om het begrip
> identiteit goed te vatten en het is de reden waarom ik doordringende, beschrijvende taal heb gebruikt om het
> begrip identiteit te definiëren. We moeten de kritiekfactoren uitroeien, ons bewust worden van onze kritiek op
> onszelf en anderen, zodat ons ware zelf, onze identiteit die naar God’s beeld gemaakt is, de zetel van onze
> talenten, tot nieuw leven zal komen en zich onbevreesd in dienst van Zijn Zaak zal stellen. Als we bijvoor-
> beeld een ander mens bekritiseren handelen we in strijd met de leringen van Bahá’u’lláh en staan we
> vertrouwelijkheid in de weg. Misschien kleineren we in ons ongeduld het authentieke niveau van ontwikkeling
> van mensen; onze kritiek wordt onze mening over de ander; en dan hebben we eerder gevoelens gekwetst
> en vervreemding veroorzaakt dan dat we hen in onze kring van intieme vrienden hebben binnen- gehaald.
> 
> Tijdens een verdiepingscursus over het Onderzoek van de Werkelijkheid te Green Acre, werden de volgende
> vijf stappen voorgesteld voor de verbetering van moeilijke relaties:
> 1. Bid oprecht voor de persoon waar het om gaat
> 2. Zie je zelf als een dienaar van God - bid voor die ander.
> 3. Zie de andere persoon als een dienaar van God en blijf bidden voor die ander, als een dienaar van
> die dienaar van God.
> 4. Verricht welgemeende daden van dienstbaarheid ten behoeve van die persoon, voor hem of haar of
> uit naam van hem of haar, openlijk of in stilte.
> 5. Als je, nadat je deze stappen hebt gezet, voelt dat het goed is om met de ander open te praten over
> een oplossing van jullie moeilijkheden, dan is de weg geplaveid. In veel gevallen zullen de problemen
> zich al van zelf hebben opgelost. In andere gevallen kan het meer tijd kosten om zover te komen.
> “Wees geduldig, want Uw Heer is geduldig”.
> 
> We kunnen de ander niet bekritiseren en dienen tegelijk. We kunnen hen niet bekritiseren en ons Geloof met
> hen delen en dan verwachten dat ze de geestelijke kwetsbaarheid van het hoogste niveau van
> vertrouwelijkheid zullen bereiken. Die twee soorten gedrag staan haaks op elkaar. Dan is ons gedrag in strijd
> met onze overtuigingen. Kritiek verjaagt vertrouwelijkheid. Andere mensen als “anders” beschouwen ook. En
> als je iemands levenservaring of werkelijkheid kleineert door er geen aandacht aan te schenken, dan verjaag
> je de vertrouwelijkheid ook.
> 
> Om de bahá’í-gemeenschap te laten groeien moeten we naar een nieuw niveau van vertrouwelijkheid en
> een beter en omvattender begrip van wat kritiek is. Omdat kritiek leidt tot het schuil houden van het zelf.
> Onze kritiek op mensen die zoekend zijn veroorzaakt dat zij hun wezen niet openen. Kritiek is vaak sociaal
> geaccepteerd, als zorgvuldig gerechtvaardigde kwaadwilligheid die een levenslang smeulende wrok en
> bitterheid camoufleert die nooit in het bewustzijn is toegelaten. We zien het gedrag van anderen door de
> mentale filter van onze bitterheid, wrok en vooroordeel en we bekritiseren hen. Kritiek is een sluier, een
> mentale filter die ons afsluit van de schoonheid van God’s dienaren.
> 
> Als wij, als geestelijk volwassen bahá’ís denken dat wij daar niet aan mee doen, dan hoeven we alleen maar
> eens naar ons zelf te kijken als we achter het stuur van onze auto zitten. Kritiek leveren op de bestuurder van
> een andere auto is sociaal geaccepteerd. We kunnen bijvoorbeeld onverwacht woedend worden op de
> persoon die zijn haar zit te kammen in plaats van door te rijden als het licht op groen springt. Of we worden
> bijzonder ongeduldig als de auto vóór ons langzamer gaat rijden zonder dat we kunnen ontdekken waarom.
> Kritiek komt ogenblikkelijk , zonder na te denken. Net als passieve agressiviteit, maskeert deze kritiek ons
> onbewuste verlangen naar wraak of genoegdoening voor een onrechtvaardigheid uit het verleden. Ook
> opbouwende kritiek kan gebruikt worden om onze verborgen motieven te rechtvaardigen.
> 
> Maar Bahá’u’lláh roept ons op tot ”Hoor geen kwaad en zie geen kwaad, verlaag uzelf niet, noch zucht
> en ween. Spreek geen kwaad, opdat het niet tegen u gesproken wordt en overdrijf niet de fouten van
> anderen, opdat uw eigen fouten niet groot lijken. Wens niet de vernedering van een ander, opdat uw
> eigen vernedering niet blootgelegd wordt. Leef dus de dagen van uw leven , die korter zijn dan een
> vluchtig ogenblik, vlekkeloos van geest, rein van hart, met zuiver gedachten en een geheiligde
> aard......”14
> 
> We moeten weerstand bieden aan de natuurlijke neiging om onze aandacht op fouten te richten. Ieder van
> ons is onmetelijk ver van “volmaakt zoals onze hemelse vader volmaakt is” en de taak om ons leven en
> karakter te vervolmaken vereist al onze aandacht, wilskracht en energie. Als we onze aandacht en energie in
> beslag laten nemen door pogingen om anderen op het rechte pad te houden en hun fouten te herstellen dan
> verknoeien we kostbare tijd.
> 
> De oorzaken van kritiek.
> 
> Wat weten we van kritiek af? We weten dat het verbonden is met negativiteit. Het is het letten op en het
> veroordelen van andermans fouten; het komt voort uit de hiërarchische systemen van autocratisch en
> autoritair gezag, waarin de onderdaan of de mindere wordt beoordeeld door de meerdere. Degene die de
> kritiek uitoefent heeft een hogere status dan degene die de kritiek krijgt. 16
> 
> Als je in een milieu bent opgegroeid waarin in iemand met gezag jou op een van de volgende 10 manieren
> heeft bekritiseerd, dan begrijp je wel dat mensen die onderdrukt werden hun innerlijk niet tonen. 17. Je zult
> ook je eigen sterke verlangen om je te verschuilen en vertrouwelijkheid te vermijden begrijpen.
> 1. Het alles-of- niets denken. Je ouders zeiden : “jij moet alles zijn wat ik van een kind verwacht, anders
> ben ik een mislukking en jij bent opstandig en ongehoorzaam” Dit is perfectionisme. Het is onterechte
> kritiek want elk mens heeft het recht op zijn of haar eigen identiteit, de zetel van de talenten waarmee hij
> is begiftigd.
> 2. Te veel generalisaties: De persoon met gezag zei: “Jij verzet je altijd! Je luistert nooit naar me! Door dit
> soort kritiek schoot je altijd in de verdediging want je wist dat je je niet altijd verzette en dat je soms wel
> luisterde. Dit was onterechte kritiek. Wees alert op de keren dat je zelf ook dingen over het gedrag van
> anderen zegt als “ hij altijd” , “zij nooit”.
> 3. Geen waarde hechten aan het positieve: de gezagspersoon hecht geen waarde aan alle positieve
> eigenschappen van je gedrag en je karakter. Dit soort kritiek leerde je zelfkritiek.
> 4. Overhaaste conclusies trekken: Het was de gewoonte van je ouders om overhaaste conclusies te
> trekken zonder de feiten te kennen als ze jou keuzes en gedrag bekritiseerden. Dit gebeurde al
> generaties lang in jullie familie waarin aan de leden altijd het recht om onafhankelijk de werkelijkheid te
> onder- zoeken was onthouden.
> 5. Mentale filter: Jouw ouder had een mentale filter waardoor het beeld van zijn of haar eigen negatieve
> levenservaring over jouw echte identiteit en karakter werd heen gelegd. Hij of zij bekritiseerde je onte-
> recht omdat ze karaktertrekken in je zagen die je gewoonweg niet had. Het waren projecties van hun
> eigen onbewuste, onverwerkte en onopgeloste zaken.6. Overdrijven en kleineren / Er een ramp van
> maken: Jouw ouder overdreef je fouten altijd en als hij of zij je bekritiseerde was het alsof je nauwelijks
> goede eigenschappen bezat. Ze voorspelden ook altijd het allerergste als je een fout maakte. Je hebt
> daardoor misschien de neiging om altijd het ergste te verwachten als je iets nieuws probeert, en je hebt
> dan voortdurend kritiek op jezelf. Wij hebben ook kritiek op de beslissingen van de Plaatselijke Geestelijke
> Raad en verwachten vaak een rampzalige afloop.
> 7. Moetens: De gezagsfiguur bekritiseert je door je te vertellen dat “je een betere zoon of dochter zou
> moeten zijn omdat ik alles voor je heb gedaan”. Je “zou moeten” en “je moet “ gebruiken we vaak als we
> kritiek op onszelf hebben. En natuurlijk gebruiken we die termen ook naar de andere bahá’ís toe.
> 8. Emotioneel redeneren: De gezagsfiguur bevorderde emotioneel redeneren door je voor schut te zetten
> en de schuld te geven als hij je bekritiseerde. Het gevolg is dat je je nu schuldig kunt voelen om iets wat
> onmogelijk jouw fout kan zi jn, want je gelooft dat het eigenlijk door jouw gevoelens is veroorzaakt. Je
> redeneert met je gevoelens.
> 9 Etiketteren: Jouw ouder bekritiseerde je door je een negatief etiket op te plakken. “ Je bent dik, lui,
> ondankbaar, achterlijk, stom, opstandig, ongehoorzaam, waardeloos, egoïstisch, sloom, enz.
> 10 Subjectieveren: Een ouder stelde jou altijd verantwoordelijk voor hun woede aanval, voor het uiteen
> vallen van de familie, voor hun ziekte, hun echtscheiding, hun verlies aan prestige, dus kreeg jij de schuld
> voor alles wat fout ging. Dat is de reden dat jij altijd kritiek op jezelf hebt en jezelf overal de schuld van
> geeft. Zo ligt de gewoonte om dat ook bij anderen te doen voor de hand.
> 
> Deze cognitieve vervormingen, overgenomen in aangepaste vorm uit het boek van Dr. David Burns “Je goed
> voelen: De nieuwe stemmingstherapie” zijn de oorzaken waardoor velen kritiek op zichzelf en op anderen
> hebben. We moeten ons bewust worden van de herkomst van die kritische gedachten om ons ervan te
> kunnen bevrijden. Aangezien de meerderheid van ons wel op één van die tien manieren is bekritiseerd, is
> het begrijpelijk dat er spanning en angst bij ons opkomt als we kritiek krijgen. We voelen het aan als
> onterecht en dat is het ook, omdat het een verdraaiing van de waarheid is. Telkens als we onszelf de
> vrijheid geven om te zeggen wat wij van iets vinden en we doen dat zonder liefdevol inzicht, hebben we te
> maken met zowel een gebrek aan liefde als ook een gebrek aan waarheid.
> Omdat het hele beeld altijd groter is allerlei variabelen en nuances bevat, van zowel bekwaamheid als
> onbekwaamheid, ontwikkeling , gebrek aan ontwikkeling, familietrekjes, gebrek aan geweten, jeugd, leeftijd,
> 
> gezondheid, innerlijk voornemen en God’s wil, veel meer dan alleen maar een plaatje van goed of verkeerd.
> Eigenlijk is de waarheid niet altijd zichtbaar. Soms is hij verborgen en kan alleen worden ontdekt door
> vriendelijkheid, liefde, hoffelijkheid en wijsheid in een sfeer van vertrouwen met degenen die we zouden
> willen bekritiseren.
> 
> Het zesde obstakel: Kritiek: de wortels van roddel en achterklap.
> 
> Het spreekt vanzelf dat als we geen kritiek op anderen leverden, we niets zouden hebben om over te
> roddelen. De Nationale Geestelijke Raad van Canada besprak het onderwerp roddel en kritiek in een brief
> van 1969:
> 
> “Wij willen deze maand met u over een onderwerp spreken dat, ondanks de negatieve aspecten, van zeer
> groot belang is voor de bahá’í-gemeenschap. Dit onderwerp is de wijdverspreide sociale ziekte die
> Bahá’u’lláh “achterklap” noemt..
> 
> De grote moeilijkheid in al dit soort kwesties is dat we dienen te kijken “met Zijn ogen” en niet met die van ons.
> Als de Geneesheer van de ziel herschept de Manifestatie van God niet alleen morele waarden, maar plaatst
> deze waarden ook in een nieuwe volgorde van belangrijkheid die overeenkomt met onze diepste geestelijke
> behoeften. Het is te verwachten dat deze waardeschaal verschilt van de waarden waarin de niet- bahá’í
> samenleving ons persoonlijke geweten heeft getraind. Onze geestelijke ontwikkeling hangt af van
> onze bereidheid om onszelf geleidelijk aan los te maken van de maatstaven van het verleden, hoe eeuwig of
> “juist” deze ook mogen lijken, en de nieuwe maatstaf in ons wezen op te nemen.
> 
> De meesten van ons kennen de uiterst strenge bewoordingen waarin Bahá’u’lláh het roddelen verbiedt. Hij
> zegt dat het een geestelijk kwaad is dat “ het licht van het hart dooft en het leven van de ziel uitblust”.
> Er zijn slechts één of twee andere onderwerpen waarover Hij ook zó streng sprak We moeten in gedachten
> houden dat deze woorden geen dreiging betekenen; ze vormen eerder een dringend advies van de Goddelijke
> Geneesheer Die alleen “de ziekte waarneemt en het geneesmiddel voorschrijft”. Hij vertelt ons dat, wat
> voor geestelijke ziekten onze tijd ook kent, er enkele ziekten fataal zijn en dat onwetendheid het grootste
> gevaar voor ons betekent.
> 
> Niet alleen het individu wordt bedreigd door roddel. In een samenleving zoals de bahá’í-gemeenschap, die
> gebaseerd is op eenheid, heeft voortdurende kritiek op anderen tot gevolg dat het wezen van het gemeen-
> schapsleven vernietigd wordt. De kracht van de bahá’í Zaak ligt er juist in dat we, uit liefde voor Bahá’u’lláh,
> gewillig ons diepgeworteld wantrouwen jegens onze medemensen opgeven. Door dat te doen, staan we onze
> medegelovigen toe om de geestelijke wezens te worden die ze in werkelijkheid zijn. Dit proces wordt door
> roddel aangetast. Net als bepaalde drugs die, naar men zegt, de genetische code in de lichaamscellen
> aantasten, verdwijnt door roddel het wederzijdse vertrouwen waar het gemeenschapsleven op rust.
> De schadelijkste van alle vormen waarin roddel zich voordoet is misschien wel het bekritiseren van de
> bahá’í-instellingen. Het vertrouwen van de gelovigen in hun Nationale en Plaatselijke Raden is de levens-
> adem voor deze centrale organen van de gemeenschap. Uiteindelijk zal ons succes in de vestiging van
> Bahá’u’lláh’s Koninkrijk op aarde afhangen van ons vermogen om ons met hart en ziel aan de beslissingen
> van deze goddelijk-geleide instellingen toe te vertrouwen.
> 
> Kennelijk kunnen we niet verwachten dat we onszelf van de ene op de andere dag genezen, zeker niet in de
> huidige maatschappij. De oplossing is ook niet te vinden in een algemene censuur campagne. We worden
> eerder opgeroepen om te beginnen met de training van ons persoonlijk geweten, vriendelijk, geduldig,
> liefdevol maar wel krachtig en volhardend.
> 
> In wezen is roddel het bekritiseren van anderen. Het is niet relevant of de kritiek wel of niet waar is. Het is
> ook niet relevant of de kritiek gemeen bedoeld was. De kritiek zelf veroorzaakt de schade.” 19
> 
> Aangezien de tien cognitieve stoornissen de basis vormen van de negatieve kritiek die ons is aangeleerd,
> kunnen we redelijkerwijs veronderstellen dat we nog niet alle sporen ervan uit ons denken en uit ons
> overtuigingensysteem hebben gewist, als het gaat om de manier waarop we anderen beoordelen. ‘Abdu’l-
> Bahá zei: “ De mensen moeten daarom volkomen bevrijd worden van hun oude denkgewoonten opdat al hun
> aandacht op deze nieuwe principes gericht kan zijn, want deze zijn het licht van deze tijd en de geest van
> deze eeuw.” 20
> 
> Wij moeten het overtuigingssysteem van kritiek uit ons wezen uitroeien; onze hoop om nieuwe zoekers aan te
> trekken rust er op. Kritiek leveren mag in veel samenlevingen normaal zijn maar het is niet ‘Abdu’l-Bahá.’s
> manier. We hebben een duidelijk beeld nodig van wat we ervoor in de plaats kunnen doen.
> 
> De kritiekvervangers van de Nieuwe Wereld Orde.
> 
> Kritiek wordt op een oude-wereldorde - manier gedefinieerd en is een oude- wereldorde- ervaring. We
> hebben een nieuwe manier nodig om anderen te helpen in hun transformatie, om kinderen te corrigeren
> zonder angst op te roepen en te ontmoedigen. Komt er een nieuwe manier uit de bahá’í-geschriften naar
> voren?
> 
> Tijdens mijn onderzoek ontdekte ik dat het woord “kritiek “ van het Griekse woord “ kritikos” komt, dat weer
> afstamt van het woord “kritane”, wat onderscheiden betekent. En hierbij had ik een “Aha Erlebnis”. Het
> onderscheidingsvermogen, één van de vermogens van de verheven Talisman, wordt in de bahá’í-geschriften
> genoemd.
> Ik definieer onderscheidingsvermogen als:
> het in staat zijn om het verschil op te merken tussen goed en kwaad, tussen graden van volmaaktheid en
> onvolmaaktheid, tussen licht en duisternis en tussen waarheid en dwaling,
> en dit onderscheid kunnen aanwenden om keuzes te maken die geestelijke waarden of het Verbond van
> Bahá’u’lláh weerspiegelen.
> ‘Abdu’l-Bahá bevestigt dit concept: “....de hulpeloze massa’s die niets van religie weten of van haar
> wetten en grondprincipes en daardoor geen onderscheidingsvermogen bezitten” 21
> 
> Als je verkeerde informatie krijgt, of je krijgt de feiten niet te horen, of anderen maken voor jou de keus, dan
> kun je je onderscheidingsvermogen niet ontwikkelen. Scherpzinnigheid moet in de kindertijd worden
> aangemoedigd, geleid en voorgeleefd, totdat dit vermogen aan ons wordt overgedragen als we volwassen
> geworden zijn. We maken ons het vermogen tot onderscheid eigen door overdenking en wilskracht en vaak
> met vallen en opstaan. Dan wordt het een innerlijk vermogen of proces.
> 
> Om het oude wereldorde concept van bekritiseren te vervangen stel ik het gebruik van “het
> onderscheidingsvermogen“ voor, in combinatie met deze zes componenten:
> 1. Het onderscheidingsvermogen
> 2. Zelfonthulling
> 3. De werkelijkheid van de ander binnentreden: zonder macht en met hoffelijkheid en ver
> 4. Luisteren- opnieuw inkaderen- grootmoedig
> 5. Bevestiging
> 6. Gerechtvaardigde lof
> 7. Een dienaar voor de ander worden: zorgen voor groei ervaringen.
> Het onderscheidingsvermogenWat doet het onderscheidingsvermogen voor ons? Het schept een rustig
> besef in de toehoorder, omdat het opgemerkte met waardering wordt aangeboden in plaats van met
> veroordeling of afkeuring. Het bevestigt ons op onze eigen weg omdat het ons help om ons te richten op de
> innerlijke intentie die met onze gaven is verbonden. Het erkent de vaardigheid die zichtbaar is om bewust te
> worden van de vaardigheid die verborgen is. Het kijkt naar de behoefte die zich uit in onbewust
> zelfvernietigend gedrag om het vermogen dat verborgen of onontwikkeld is bewust te maken. Het is de
> bemoediging van inherente, maar verborgen, vermogens en krachten. Het schept een ruimer bewustzijn en
> neemt angst weg.
> 
> Ik herinner me dat een lid van het Universele Huis van Gerechtigheid me schreef over een manuscript wat ik
> nog aan het ontwikkelen was. Ik was niet bang voor zijn onderzoek van een concept dat duidelijk nog eens
> opnieuw doordacht moest worden! Hij gaf geen afbrekende kritiek. Ik voelde dankbaarheid in plaats van
> schaamte. Ik zag in welke richting ik mijn energie en gedachten kon leiden en had niet het gevoel alsof ik de
> boot en daarmee het applaus had gemist. Wanneer iemand zijn onderscheidingsvermogen voor ons inzet
> dan werkt dat bemoedigend en bekrachtigend, het geeft energie. Het resulteert in zekerheid. Het scheid met
> kennis van zaken en met hoffelijkheid het authentieke, maar nog in ontwikkeling achtergebleven, gedrag van
> iemand van de voortreffelijkheid die in die persoon verborgen ligt. Daarin ligt de kans om anderen te helpen
> om hun inherente goedheid zichtbaar te maken en te versterken. (Ik ben niet mijn gedrag. Ik ben meer dan
> dat.)
> 
> Denk maar eens aan twee soorten coaches. De ene is de stereotiepe coach die zijn jonge speler uitscheldt,
> hem vernedert en elke positieve actie van hem kleineert en zijn fouten overdrijft, omdat hijzelf persoonlijk
> geïnteresseerd is in competitie en winnen en een alles of niets mentaliteit heeft die zegt “Als je niet wint heb
> je gefaald”
> 
> Stel je nu het type coach voor die echt in dienst staat van de atleet. De dienaar/coach prijst de speler en
> gebruikt zijn scherpzinnigheid om een groter bewustzijn te bewerkstelligen van elke beweging van de hand of
> de voet, elke positieve vaardigheid te erkennen, de aandacht van de atlete te richten op elke positieve
> 
> kracht omdat hij weet dat het voor haar de juiste houding is om zicht te kunnen concentreren en te herhalen.
> Zij weet waar ze aan moet werken. Zij rent en springt en beweegt met aanmoediging.
> 
> Een jonge bahá’í-vriend van me heeft een maandelijkse uitkering omdat hij gehandicapt is. Hij staat rood bij
> de bank. Stel je zijn ongeloof en wanhoop voor als hij ontdekt dat de cheque, die hij op vrijdag na drieën
> heeft gebracht, niet meer voor maandag op zijn rekening is bijgeschreven. Als hij de bank om uitleg vraagt
> wordt hem gezegd dat hij zijn rekening beter moet bijhouden, wat inhoudt dat de fout helemaal bij hem ligt. De
> bankbediende kon ook zeggen dat “ de regels en procedures van de bank soms onrechtvaardig kunnen
> lijken, maar dat we u graag willen helpen om ze beter te begrijpen bij de volgende transacties” Of “ dit
> overkomt andere mensen ook en dit kunt u doen om het de volgende keer te voorkomen”.
> 
> In plaats daarvan wordt hij bekritiseerd en aangepakt; hij is kwaad en kan het niet aan zijn familie vertellen
> omdat in het verleden een paar familieleden hebben geprobeerd om hem in een inrichting te krijgen om dat ze
> hem achterlijk en onbekwaam vonden. Dit is duidelijk ten onrechte; we kunnen deze bahá’í dienen door de
> onrechtvaardigheid en zijn boosheid te erkennen. We kunnen hem helpen met de onthulling van het feit dat dit
> ook gebeurt bij mensen die niet gehandicapt zijn, dat het ons ook overkomt! We kunnen hem
> onvoorwaardelijk prijzen voor de moeite die hij doet om zijn rekening op orde te houden.
> 
> Hoewel, naast ons aarzelende verlangen om te bevestigen, om zijn werkelijkheid te betreden, onszelf aan
> hem te onthullen en hem dienstbaar te zijn, kunnen ons tegelijk gedachten door het hoofd schieten als: “Zou ik
> borg voor hem moeten staan? Is hij echt competent? Hij zou toch in elk geval naar zijn familie moeten gaan;
> zo erg zullen ze toch niet zijn? Dit is eigenlijk mijn verantwoordelijkheid niet. Hij zou niet zoveel geld uit moeten
> geven.” Onze identiteit is duidelijk verdeeld tussen een overtuigingensysteem dat gebaseerd is op oude
> wereld principes van kritiseren en voor schut zetten versus het dienstbaar zijn door middel van bevestiging,
> zelfonthulling, lof en onderscheidingsvermogen.
> Als we een ander eerlijk de hand toesteken in gehoorzaamheid aan het Verbond, is dat niet meer een
> superieur gebaar. We verwerven een identiteit als dienaar van God. Dit wordt door ‘Abdu’l-Bahá bevestigd in
> het volgende citaat: “Mijn naam is ‘Abdu’l-Bahá. Mijn werkelijkheid is ‘Abdu’l-Bahá. Mijn identiteit is
> ‘Abdu’l- Bahá. Mijn verdienste is ‘Abdu’l-Bahá. Mijn eer is ‘Abdu’l-Bahá. Volkomen dienstbaarheid aan
> de Gezegende Schoonheid is mijn luisterrijke en stralende diadeem en dienstbaarheid aan het hele
> mensenras is mijn eeuwigdurende religie” ( Worldorder of Bahá’u’lláh, p. 139) En opnieuw spoort Hij aan
> om “het voorbeeld van‘Abdu’l-Bahá te volgen in dienstbaarheid aan de Heilige en verheven Drempel”
> (Tablets of ‘Abdu’l-Bahá, p. 164) En wie kan de intense kracht negeren of vergeten van het lied “Look at me,
> follow me, be as I am”.
> 
> Zelf onthulling, een stap in de richting van vertrouwelijkheid.
> 
> Zelfonthulling is een noodzakelijke stap naar eenheid en vertrouwelijkheid omdat het zelfbesef schept in
> zowel de luisteraar als de spreker. Bahá’ís moeten het licht van Bahá’u’lláh’s Boodschap meer gaan delen
> door middel van zelfonthulling, in de wetenschap dat dit ook tot onthulling leidt. Het betekent dat we ons
> laten zien zoals we echt zijn terwijl we voortdurend in dialoog blijven, waardoor vertrouwen ontstaat. Ik
> vertelde bijvoorbeeld een persoonlijk verhaal aan een bahá’í die zich, als hij bij zijn familie is, heel erg
> kwetsbaar voelt. Tijdens zijn bezoeken in de vakantie voelt hij hoe hij in een ongezonde sfeer wordt gezo-
> gen; hij is boos dat hij automatisch in oude gedragspatronen vervalt; hij begrijpt niet hoe dat komt.
> 
> Ik vertelde hem dat het in mijn jeugd heel gewoon was om kinderen te manipuleren. Ik had dat nooit gedaan
> met mijn kleinzoon Hunter, niet één keer in al die jaren dat ik voor hem had gezorgd. Tot ik met kerstmis
> samen met hem bij mijn familie op bezoek was en hij niet met me mee wilde gaan om de familie van zijn
> moeder te gaan bezoeken. Ik was omringd door familieleden en de familiegrapjes, had mijn plaats weer
> ingenomen. In een moment van onbewuste ontspanning werd ik in het familiepatroon getrokken.
> 
> Hunter had als kerstcadeau een zwaard gekregen waar hij heel trots op was. Ik zei: “Hunter, misschien krijg
> je bij Nana ook wel een zwaard”. Hij wilde onmiddellijk zijn jas aan. Ik hield
> hem voor de gek en manipuleerde hem en ik schaamde me dood. Ik was ontzet door mijn eigen gedrag. Ik
> vertelde dit verhaal aan mijn vriend omdat ik hem wou laten zien dat iemand waar hij om geeft en die hij
> waardeert hetzelfde is overkomen.
> 
> We moeten bereid zijn om ons te laten zien met al onze gebreken en onvolkomenheden, in plaats van onze
> tekortkomingen te verbergen. Als bahá’ís hun authentieke woede of onvolwassenheid verbergen voor de
> genen waar ze vertrouwelijk mee willen omgaan, dan blokkeren ze in werkelijkheid juist het proces. We
> moeten gewoon ophouden met onszelf als bovenmenselijke voor te doen. Ons als minder dan menselijk
> voor doen is ook niet de oplossing. We kunnen ons wezen niet verstoppen. Als we vertrouwelijk willen
> worden met iemand is het een noodzakelijke voorwaarde dat de bahá’í zich spontaan laat zien zoals hij is,
> zodat de ander ook authentiek kan zijn. Als wij geen fouten hebben of een gelijksoortige ervaring of
> werkelijkheid kunnen onthullen dan plaatsen we ons in een superieure positie en kun je er op rekenen dat
> de anderen, die op zoek zijn naar een beter leven, zich de mindere gaan voelen.
> 
> Zelfonthulling opent in de ander de deur van inzicht. Zij horen over onze werkelijkheid en dat maakt hen
> bewuster. En als de deur van inzicht is geopend, durven ze voor een moment te geloven dat hun stem
> belangrijk is en gehoord zal worden; dat hun identiteit aanvaard zal worden in plaats van gekleineerd,
> genegeerd of ontkracht.
> 
> Als we als kind niet geaccepteerd werden, vervreemden we van onze identiteit, ons diepste zelf. Uit behoefte
> aan zelfbescherming verbergen we ons innerlijk en blijven geïsoleerd, ook in het gezelschap van anderen.
> Zelfonthulling in de aanwezigheid van iemand die je vertrouwt en die jou aanvaardt, schept een zelfbesef dat
> vroeger niet toegestaan of gekleineerd werd
> Als het nieuwe zelfbewustzijn door anderen en door de Geschriften wordt erkend en bevestigd vormt het
> een brug naar een bewust willen ervaren en helen van onze identiteit; het is in werkelijkheid de integratie
> van haar uit elkaar geslagen delen. Het vormt ook een brug over de kloof die ons scheidt van het diepste
> innerlijk van de ander. Onderrichten/delen met vertrouwelijkheid, echte vertrouwelijkheid is daardoor een
> helende en transformerende ervaring.
> 
> Zonder dat zelfbesef dat voorkomt uit zelfonthulling, wat de bewustzijnsverruiming is waar ‘Abdu’l-Bahá ons
> toe oproept, blijven we geïsoleerd, zelfs als we het Geloof onderrichten of in een Plaatselijke Geestelijke
> Raad zitten. Er bestaat geen bewustzijnsverruiming zonder het spraakvermogen.
> 
> Wat vraagt het van me om het geheim van mijn identiteit of werkelijkheid aan jou te onthullen en voor jou om
> jouw geheim aan mij te onthullen? Het is risicovol. Dit hoogste niveau van vertrouwelijkheid kan de omgang
> op zielsniveau inhouden.
> 
> Het kan zijn dat we als kind geleerd hebben om onze behoeften, verlangens, overtuigingen of onze ware
> identiteit, onze gevoelens en gedachten te verbergen, uit angst dat onze werkelijkheid zal worden
> gekleineerd, bekritiseerd of verworpen. We kunnen elkaar echter niet begrijpen als we onze
> levenservaringen buiten beschouwing laten. We moeten weten dat onze werkelijkheid vaak verkwanseld is
> voor een lonende conformiteit, waardoor we leerden om onverschillig te zijn t.a.v. onze identiteit, onze
> innerlijke intentie en onze behoeften.
> 
> De moeilijkheid van het Geloof “onderrichten” is dat we dan in feite bezig zijn om onze identiteit te
> verbergen. Als we het Geloof met elkaar “delen” zijn we bezig met zelfonthulling. Een Perzische vrouw
> heeft me verteld dat het Perzische woord voor onderrichten qua betekenis meer gaat in de richting van
> ons woord “delen”. Wij onderrichten geen levenservaringen. Maar we delen hoe onze levenservaring
> verrijkt is door de leringen van God, door middel van Bahá’u’lláh’s Openbaring, via God’s eigen
> zelfonthulling.
> Wat voor soort zelfonthulling schept zelfbesef in de ander?
> 
> -   aantonen hoe jij verschilt van de anderen zoals je ouders, de partner, kinderen of vrienden, door jouw
> eigenschappen.
> -   laten zien wat voor jou als aparte identiteit met jouw innerlijk intentie belangrijk is
> -   je ware ik laten zien zonder schijnheiligheid of geremdheid en aanvaard worden om wat je bent en niet
> om wat je voor de ander kunt doen.
> -   laten zien wie je bent en waar jouw plek in deze wereld is door te vertellen over je verwachtingen, dromen
> en doelen , over geleden verdriet, over je overtuigingen, de kennis die je hebt gezocht, die vragen die je
> hebt over het leven in deze en de volgende wereld en de geestelijke waarheden die je hebt ontdekt.
> -   je kunt de lessen in gehoorzaamheid die je hebt geleerd delen, wat jou pijn doet, wat je dankbaar stemt,
> wat je kwaad maakt en hoe je met die kwaadheid omgaat.
> -   je kunt zelfs aan een vertrouwde vriend vertellen over fouten waar je spijt van hebt zolang het maar niet
> een soort zelfvernedering wordt.
> -   je kunt met de zoeker de resultaten delen van je eigen zoektocht naar bewustzijnsverruiming en naar een
> voller leven.
> -   je kunt delen hoe Bahá’u’lláh’s Openbaring het leven voor jou meer betekenis geeft.
> -   je kunt delen hoe deze de beperkte opvatting van de wereld als geheel heeft vernietigd en hoe de
> openbaring je uitdaagt om boven je sociale en culturele opvoeding uit te stijgen om mensen van andere
> culturen, kleuren en religies te verwelkomen; dat je vanuit God’s nieuwe openbaring manieren hebt ge-
> vonden om je identiteit opnieuw te ontdekken en leiding om deze nieuwe ontdekking waar te maken.
> -  je kunt delen hoe elke bewustzijnsuitbreiding leidde tot een opnieuw bezien van alle principes, waarheden
> en kennis die je tot aan dat moment had verworven. Zodat je je dan opnieuw moest afvragen: hoe wil ik
> leven, hoe wil ik zijn, hoe wil ik mijn tijd gebruiken? Hoe kan ik stoppen met deelnemen aan een gevestigde
> klassestructuur die zich verzet tegen verandering? Hoe kan ik me bevrijden van gewoonte, culturele druk
> en het verleden; van maar één manier om anderen te bekijken en te ervaren en mijn identiteit uit te
> drukken.
> - je doet veel als je vertelt over het kritieke moment van ontdekking dat jouw perspectief totaal verschillend
> is van dat van iemand anders en van nog weer een ander; en dat er in alle drie de perspectieven
> waarheid schuilt, wat betekent dat ze alle drie, geëerd, gerespecteerd en erkend moeten worden. Dit is
> alle- maal zelfonthulling die de ander tot een groter zelfbesef kan brengen als hij of zij zijn of haar eigen
> identiteit en ervaringen onderzoekt.
> Omdat God, onze Schepper, zich Zelf door de mensen wilde laten kennen, hebben wij, als zijn schepping,
> gemaakt naar Zijn beeld, ook het dwingende verlangen om ons aan de ander bekend te maken. Wij doen dit
> door middel van ons spraakvermogen dat ons identiteitsvermogen tot groei en ontwikkeling brengt. Wij
> onthullen informatie over onszelf, onze meningen, gevoelens en houdingen en Geloof (de 5 niveaus van
> vertrouwelijkheid); en door die zelfonthulling ontdekken we het mysterie dat we zijn. “Beschouw de mens
> als een mijn, rijk aan edelstenen van onschatbare waarde. Alleen opvoeding kan de schatten ervan
> aan het licht doen komen en de mensheid in staat stellen daarvan profijt te trekken. “(Bloemlezing van
> Bahá’u’lláh, p 155) Degenen die zich niet willen laten kennen blijven verstoken van het geheim dat in hen
> verborgen ligt. Ze zijn van zichzelf vervreemd. Bedenk hoe krachtig God heeft geprobeerd om zich te laten
> kennen door de Openbaring van Bahá’u’lláh en die van de andere Profeten die Hij vroeger heeft gezonden.
> 
> Hoe krachtig de bahá’í-geschriften ook zijn en hoe belangrijk ook als middel om de zoeker aan te trekken,
> we kunnen geen vertrouwelijkheid scheppen zonder zelfonthulling. Zelfonthulling voedt het zelfbesef in de
> ander als in jouw gedrag totale toewijding te zien is. Anders bied je niet genoeg veiligheid om het zelfbesef
> te ondersteunen. Zelfbesef betekent de waarheid van ons “zelf” zien, onze identiteit, onontwikkeld en
> onvolmaakt. Dat is nogal eng als je samen met iemand bent die niet om je geeft, je niet toegewijd is en die
> de levenservaring van anderen in jouw aanwezigheid kleineert.
> 
> Er is wel een voorwaarde voor onthulling en dat is dat anderen onze privacy respecteren totdat we besluiten
> wanneer, waar en aan wie we meer van onze authentieke werkelijkheid willen laten zien.
> 
> De werkelijkheid van de ander betreden: het derde bestanddeel van vertrouwelijkheid.
> 
> Vaak sluiten we mensen die niet zo vaardig zijn in het praten buiten, omdat we niet weten hoe we hun
> werkelijkheid kunnen binnengaan. We schrijven hun gebrek aan ontvankelijkheid toe aan het feit dat “ zij” er
> nog niet aan toe zijn, of we zeggen dat het “ een test voor hen” is, in plaats van naar ons zelf te kijken en te
> zien hoe ongevoelig we zijn. Bahá’ís zijn geweldige sprekers maar onze spreekvaardigheid kan anderen
> overdonderen. Als we hun werkelijkheid binnen gaan, voorgeprogrammeerd met onze eigen agenda, hun
> unieke levenservaring en culturele achtergrond negeren en hen met citaten bestoken, dan negeren we ook
> hun essentiële emotionele behoeften.
> 
> Wij moeten het geestelijke drama begrijpen dat zich afspeelt in het leven van alle zoekers die bij het Geloof
> aankloppen, of ze nu onderdrukt zijn of in crisis verkeren. We moeten bereid zijn om deel te nemen aan dat
> drama, hun werkelijkheid met het bijbehorende overtuigingensysteem, zonder deze te bekritiseren of te
> veroordelen. Dit overtuigingensysteem zal niet zomaar verdwijnen doordat ze bidden en de Geschriften
> lezen. Daar is dagelijks vertrouwelijkheid voor nodig, dagelijks contact, dagelijks het vertrouwen bevestigen,
> dagelijks risico nemen, dagelijks voortzetten, dagelijks toewijding, dagelijks bevestiging van hun innerlijke
> waarde.
> Als we een poging doen om tot eenheid te komen en vervolgens uit het geestelijke drama weglopen omdat
> we het eerlijke en brede, oncontroleerbare spectrum van levenservaringen van zeer uiteenlopende volken,
> culturen, tijden en plaatsen veroordelen, dan blijven we vasthouden aan onze onwetendheid, gewoonten en
> tradities die bestonden voor de kennis van God en van de mensheid. En dan zijn we degenen die arm zijn.
> 
> Hier volgt wat ik bedoel met het brede, oncontroleerbaar spectrum van werkelijkheden. Beantwoordt de
> volgende vragen:
> 1. Kun je de werkelijkheid betreden van iemand met een handicap zonder hem te beledigen?
> 2. Kun je de werkelijkheid betreden van een man of een vrouw die prostitutie heeft gekozen om
> het drama van zijn of haar kindertijd uit te spelen?
> 3. Kun de werkelijkheid betreden van iemand die seksueel misbruikt is?
> 4. Van iemand die onder rassendiscriminatie heeft geleden?
> 5. Van iemand die aan verslaving lijdt zoals alcohol, drugs, seks, werk, sport of geld?
> 6. Kun je de werkelijkheid betreden van iemand die zijn woede passief/ agressief uit?
> 7. Weet je hoe je een grens moet trekken bij iemand die passief/agressief is als je de neiging
> voelt om het op te geven en hem of haar in de steek te laten?
> 8. Weet je hoe je de werkelijkheid kan binnengaan van iemand die kwaad is zonder dat je een
> defensieve of bekerende houding aanneemt, een oplossing aandraagt of de zaak geheel
> logisch gaat aanpakken om de situatie onder controle te krijgen zodat je de ander “helpt” om te
> veranderen.
> 9. Weet je hoe je kunt luisteren naar iemand die het elke keer weer over zijn levenslange grieven
> heeft zonder je geduld te verliezen?
> 10. Weet je hoe je iemand onmiddellijk kunt helpen om zijn gezicht te redden?
> 11. Kun je vriendelijk blijven bij oneerbiedig gedrag, of gedrag dat minder eerbiedig is dan dat van
> jou, of wanordelijk eerbiedig gedrag, of een absolute onwetendheid wat aanbidding betreft.
> 12. Kun je bij een Negentiendaagsfeest of een Fireside buiten zitten met iemand die doodsbang is
> voor gemeenschappelijkheid en die niet verder durft dan het portiek.
> 13. Kun je hun hyper waakzame houding opmerken en discreet vragen “Wat is er aan de hand?
> “Hoe kan ik je op dit moment helpen?” “Wat heb je op dit moment nodig?” in plaats van hun
> angst te negeren.
> 14. Kun je vragen “Hoe ben je tot die overtuiging gekomen?” en dan een uur lang luisteren zonder
> dat je een andere overtuiging aanbiedt?
> 15. Kun je het verdragen dat iemand heel inconsequent is en elk kwartier van gedachten verandert
> zodat je nooit van tevoren weet hoe je zult worden ontvangen als je die persoon ophaalt voor
> een Negentiendaagsfeest?
> 16. Zou je bereid zijn om hem of haar onmiddellijk naar huis te brengen als hij, een kwartier na
> aankomst op het Negentiendaagsfeest of een fireside, weer van gedachten verandert?
> 17. Kun je, tien jaar lang, kwalijke lichaamsgeur, slechte adem en onaangename huisgeur ruiken
> zonder er iets van te zeggen?
> 
> Er bestaat geen kant en klare formule die een oplossing geeft voor alle behoeften die schuilgaan achter de
> vragen die ik heb gesteld. Maar elke gemeenschap zou toch over dit soort vragen moeten consulteren, zodat
> we voorbereid zijn op het oncontroleerbare spectrum van levenservaring dat spoedig onze gemeenschap zal
> binnenkomen.
> 
> Ik las dit voor aan een bahá’í die geneigd is tot vervreemding. Hij begon me te vertellen over hoe hij werd
> buitengesloten en lamgelegd door leden van onze gemeenschap die hem veroordeelden en bekritiseerden
> zonder dat ze ooit de vertrouwelijkheid schiepen waarin ze hem hadden kunnen leren kennen. Wat hij te
> zeggen had is, geloof ik, belangrijk voor onze voorbereiding op een gestadige toestroom van gelovigen. Hij
> sprak met de stem en de levenservaring van iemand die vanwege zijn handicap een trauma heeft, die door
> een aantal familieleden werd behandeld alsof hij de schandvlek van de familie was, en die tot aan zijn
> dertigste nooit zelf had mogen kiezen.
> “Toen ik bahá’í werd had dit een kalmerende invloed op me. Ik voelde me tot deze liefdevolle gemeenschap
> aangetrokken. Ze hadden aandacht voor me; mijn hart vloeide over van trots en dankbaarheid dat ik eindelijk
> geaccepteerd werd. Dat waren de wittebroodsweken. Ik had een aantal problemen die de leden van mijn
> gemeenschap nog niet eerder hadden mee gemaakt, net zoals duizenden andere mensen die er op wachten
> om bahá’í te worden. Ik had nooit een andere dan de “basketbal/voetbal/sport” identiteit ontwikkeld die door
> mijn familie wordt aanvaard en goedgekeurd. Ik kon over sport praten; ik kon in woede uitbarsten; ik had
> zeker een woordenschat tot m’n beschikking maar ik was zwaar ontmoedigd, kende m’n ware identiteit niet
> en was doodsbenauwd voor zelfonthulling. Dus kon ik me alleen maar indirect en symbolisch (onbewust)
> 
> uitdrukken uit angst dat ik bekritiseerd, gestraft, genadeloos gepest, uitgelachen en overheerst zou worden.
> Ik uitte me indirect en ontwijkend om conflict te vermijden.
> 
> Ik kan niet goed tegen leiding en ik heb een koppig trekje waar ik me meestal voor schaam, totdat ik ontdek-
> te dat mijn koppigheid direct gekoppeld was aan het feit dat ik sterk overheerst werd. Ik werd alleen door mijn
> familie geaccepteerd als ik me als een exacte kopie van mijn broers en zussen gedroeg. Ik kon dit zelfs niet
> verstandelijk begrijpen of onder woorden brengen voordat ik zo’n zes of zeven jaar bahá’í was. Ik ontdekte al
> gauw dat mijn unieke problemen niet begrepen werden en voelde dat ze niet welkom waren in mijn
> gemeenschap. Ik begreep dat ik een kopie van de andere bahá’ís moest worden en dat ik moest opschieten
> en veranderen, opschieten en geestelijk volwassen worden, zodat ik de gemeenschap niet meer in
> verlegenheid kon brengen. Ik begon de bijeenkomsten te vermijden, omdat ik me overdonderd voelde
> door het feit dat mijn emotionele en mentale ontwikkeling achter lag en dat iedereen in de gemeenschap
> geestelijk zover vooruit leek te zijn.
> Gezien het feit dat ik altijd conflicten uit de weg ga, dat ik regelmatig herinneringen had aan mijn
> mishandeling, plus vreselijke nachtmerries, plus dat ik voortdurend op mijn gemeenschapsleden projecteerde
> dat ze mij misbruikten en dat ik een mentale filter had die mij alleen mijn eigen verwarde standpunt en oordeel
> liet zien, verbaast het me dat ik het bahá’í-zijn al 13 jaar heb volgehouden. Dat was alleen mogelijk dankzij
> de grote betrokkenheid van minstens drie leden van mijn gemeenschap die mij hebben geholpen om verbaal
> vaardig te worden, een identiteit te ontwikkelen op basis van mijn eigen aanleg en te leren hoe ik mijn
> grenzen moet stellen en aan anderen eerlijk vertellen wat ik nodig heb. In dat proces zat een creatieve
> spanning waarvan ik voorheen dacht dat het een negatieve spanning was. Ik ben nu in staat om te zien dat
> er iets ongelofelijk goeds zat in dat wat ik als alleen slecht had gezien. Als die paar bahá’ís, die mij hun visie
> lieten zien en me hielpen om mijn bewustzijn te verruimen, er niet waren geweest dan had ik het geloof
> verlaten en was nooit teruggekeerd. Zo defensief en geïsoleerd was ik.
> 
> Bij elke stap vooruit viel ik terug in een diepe depressie, niet in staat om mijn geestesgesteldheid of mijn
> emoties onder woorden te brengen. Er waren jaren dat ik niet geloofde en niet kon zien dat ik ook maar
> beetje vooruitging. Hoewel ik hunkerde naar vertrouwelijkheid was ik er doodsbenauwd voor.
> Vertrouwelijkheid betekende alleen maar conflict voor me. In mijn familie hield vertrouwelijkheid in dat ik
> mijn identiteit kwijt raakte dat mijn identiteit overheerst werd door gezag. Omdat mijn eigen mening en
> identiteit nooit waren gevoed, erkend of bevestigd wist ik ook niet hoe ik dat bij iemand anders moest doen.
> Ik kon me er
> ook niet bij neerleggen dat twee of meer verschillende gezichtspunten waar konden zijn. Elk moment van het
> gemeenschapsleven was voor mij conflictueus. Ik leed vreselijk onder elke vergissing die ik meende te
> hebben gemaakt uit angst dat ik in de steek gelaten zou worden. Als dit het bahá’í-leven inhield wilde ik er
> geen deel van uit maken. Maar waar kon ik heen? Ik was hulpeloos, machteloos en verward en ik wist het.
> Het gemeenschapsleven betekende ondraaglijke pijn en tegelijkertijd was het mijn redding.
> 
> Ik zal een voorbeeld geven: ik heb een probleem met zien en ik lees langzaam, met veel inspanning. Ik ben
> uiterst gevoelig voor kritiek dus ik voel me ontzettend bekeken als ik in publiek hardop moet lezen. Toch
> vond ik de moed om de Geschriften hardop te lezen tijdens een verdiepingsbijeenkomst. Mijn ogen sprongen
> van regel naar regel en ik deed mijn best. Maar hoe lees je Huquq’u’lláh of andere Perzische woorden als je
> ze nog nooit gehoord of gezien hebt? Ik kreeg kritiek. Er werd me gezegd dat ik maar naar huis moest gaan
> en leren lezen voor ik terug kwam. Als die persoon zich in mijn werkelijkheid had verplaatst en mijn lees-
> vaardigheid vanuit mijn standpunt en levenservaringen had bekeken zou hij nooit kritiek op me geuit hebben.
> Maar hij wist niet hoe hij iets van zichzelf moest onthullen of hoe hij een sfeer van veiligheid kon scheppen,
> en ik ben gauw ontmoedigd. Ik wilde uit het Geloof stappen! Maar dat kon ik niet doen omdat ik in Bahá’u’lláh
> geloof; ik geloofde alleen niet dat bahá’ís zich oprecht, onvoorwaardelijk en totaal voor mij in
> zouden zetten.
> Ik heb ook kritiek gekregen op mijn schoenen toen ik gids was in het Huis van Aanbidding, hoewel ik met
> krukken loop en met één voet sleep. En iemand bekritiseerde me bij verschillende gelegenheden en zei me
> dan dat ik in bad moest, m’n kleren moest wassen en m’n tanden poetsen.22
> 
> Mensen die in dat soort onderdrukking hebben geleefd, hebben alleen het uiterste einde van het uitgestrekte
> continuüm van mogelijkheden ervaren - de uiterste mentale, geestelijke of materiele verlatenheid; de meest
> extreme emoties; de diepste depressie, het ergste verlies van geloof of identiteit, de ergste vormen van
> negativiteit en zelfbestraffing, van misbruik, ontmoediging, grensschendingen en de ergste vorm van isolatie
> en scheiding.
> 
> En, hoewel dat erg zwaar klinkt, in Bahá’u’lláh’s Openbaring vind je het tegenovergestelde, dat de zoeker of
> de nieuwe gelovige kan aantrekken tot het andere einde van het continuüm, “het tehuis van eeuwige
> hereniging” Van de bladzijden van Het Boek van Zekerheid komt ons een ander voorbeeld van verwijderd
> zijn en scheiding tegemoet: “ .....dat hopelijk de dorstige in de wildernis van veraf zijn de oceaan van
> goddelijke aanwezigheid mag bereiken en dat zij die wegkwijnen op de vlakten van het gescheiden
> zijn geleid mogen worden naar het tehuis van eeuwige hereniging. Opdat de nevels van dwaling
> zullen verdwijnen en het alom schitterende licht van goddelijke leiding boven de horizon van het
> menselijk hart zal dagen.” 23
> 
> Veraf zijn en hereniging vormen ongelooflijke tegenstellingen! God onderwijst ons door tegenstellingen. Hij is
> daar een meester in: licht en duisternis, goed en kwaad, volmaakt en onvolmaakt. We moeten dit weten om te
> kunnen begrijpen waarom Bahá’u’lláh ons oproept tot daden. Leraren weten tegenwoordig een hoop over de
> verschillende leerstijlen. Sommige mensen leren door rekenen, muziek en kunst, anderen leren door kijken,
> luisteren of bewegen. Maar ik zou zeggen dat de leerstijl die het meest doeltreffend is voor de onderdrukten, die
> van de “tegengestelde leerervaring” is. Terwijl wij liefde niet als een uiterste zien, is dat voor de onderdrukte
> mensen wel zo. En als zij zich uitrekken om dat uiterste eind te pakken, verliezen zij hun evenwicht. Hun
> werkelijkheid is in gevaar, een werkelijkheid die gebaseerd is op verdediging, bescherming en isolatie. Alles
> waarin zij geloofden wordt te grabbel gegooid. Eenheid is voor hen angstwekkend en uitdagend tegelijk.
> 
> Daarom moet onze liefde zo helder schijnen en zo constant waaien dat deze de tegengestelde leerervaring
> oplevert die er voor zorgt dat zij zich naar de bahá’í-openbaring richten en geloven dat Bahá’u’lláh het
> Goddelijk Elixer voor hun lijden heeft. Daarom zegt Hij ons,
> “ Laat daden, niet woorden, u sieren” en “ Het geven van leiding geschiedde steeds met woorden, nu
> geschiedt dit door daden” 24. Wat voor daden? Heilige daden, geen daden die gericht zijn op bekeren,
> veranderen, beheersen, vastleggen - heilige daden van het erkennen van een werkelijkheid waarvan we niet
> weten hoe hij ontstond of hoe hij hersteld moet worden. Daden van vertrouwen geven en geen macht
> uitoefenen, die hun wezen zullen aantrekken, eerst naar de liefde in ons hart, dan naar de liefde van God in
> de Geschriften.
> 
> Hier volgt een voorbeeld van hoe machtsloos we moeten worden als we de werkelijkheid van een ander
> betreden:
> “Dank je dat je jouw werkelijkheid met mij wil delen. Ik heb daar respect voor. Ik zal hem niet onteren door er
> over te discussiëren, door voor mijn eigen werkelijkheid op te komen via woorden en begrippen die jou
> vreemd zijn. Ik kan je mijn werkelijkheid alleen aanbieden via daden van dienstbaarheid. Ik respecteer jouw
> werkelijkheid. Ik zal daar geen afbreuk aan doen door jouw werkelijkheid een plaatsje in mijn hart te weigeren
> omdat ik me er innerlijk voor schaam, of haar kleineer, bekritiseer, afkeur, of haar keur op zijn waarde en
> verdienste. Ik wil alleen jouw werkelijkheid in mijn hart ervaren door de liefde van God, als Zijn dienaar- het
> verschil erkennen zonder te kleineren, haar aanwezigheid erkennen zonder de redelijkheid ervan te
> betwisten, de ontwikkeling ervan erkennen zonder die ontwikkeling te beheersen, in jouw werkelijkheid
> dienstbaar zijn zonder je de wet voor te schrijven, er van leren zonder er iets aan te veranderen, jouw
> geschiedenis en levenservaring accepteren zonder tegenspreken.”
> 
> Al het andere is een sluier van ijdele waan, die de oorzaak is van onze vermoeidheid en zorg in de
> aanwezigheid van de onderdrukten. Als we onszelf bevrijden van deze ijdele verbeeldingen treden we niet
> alleen de werkelijkheid van de verdrukten binnen maar ook de hof van God met de geest van verlichting die
> waait
> in de Sinaï van ons hart. “ O mensenzoon! Het licht straalt vanaf de kim van de heilige Berg op u en de
> geest van verlichting ademt in de Sinaï van uw hart. Bevrijd u daarom van de sluiers van ijdele
> verbeelding en treedt Mijn voorhof binnen, opdat gij geschikt zijt voor het eeuwige leven en waard Mij
> te ontmoeten. Dan kan dood noch afmatting of zorg u deren.” 25
> 
> “O zoon van stof! De wijzen zijn zij die niet spreken, tenzij ze gehoor vinden, gelijk de schenker zijn
> beker niet aanbiedt aleer hij een dorstende vindt, en de minnaar niet uit het diepst van zijn hart roept
> tot hij de schoonheid van zijn geliefde aanschouwt. Zaai daarom het zaad van wijsheid en kennis in de
> zuiver grond van het hart en houd het verborgen, tot de hyacinten van goddelijke wijsheid opbloeien
> uit het hart en niet uit modder en leem.” 26
> 
> Durven we tot de verdrukten te spreken voordat we werkelijk van hen houden? Durven we hen iets aan te
> bieden dat opbloeit uit modder en leem voordat we de heilige wijsheid van hun lijden diep in ons hart hebben
> geplant?
> 
> “Het spraakvermogen van de mens is een essentie die er naar streeft invloed uit te oefenen en die
> matiging behoeft. Wat de invloed ervan betreft, die is afhankelijk van verfijning en deze is op haar beurt
> weer afhankelijk van harten die zuiver en onthecht zijn.” 27
> “O Mijn Naam! Spreken moet een doordringende kracht hebben. Als het dit vermogen niet bezit zal
> het geen invloed uitoefenen. En deze doordringende invloed is afhankelijk van een zuivere geest en
> een zuiver hart. Hij moet ook gematigd worden anders zal de toehoorder het niet kunnen verdragen
> en zelfs vanaf het begin weerstand tonen. Matiging wordt bereikt door het spreken te combineren
> met de tekenen van goddelijke wijsheid die in de heilige Boeken en Tafels zijn opgetekend. Als dan
> het wezen van iemands uitspraken aan deze twee vereisten voldoet zullen ze zeer werkzaam zijn en
> de belangrijkste factor in het transformatieproces van de zielen der mensen. Dit is de rang van
> hoogste overwinning en hemelse heerschappij. Wie dat bereikt is bekleed met het vermogen om de
> Zaak van God te onderrichten en hart en geest van de mensen te winnen.” 28
> 
> Als wij een zoeker aantrekken en we beteugelen niet ons verlangen om te bekeren, te veranderen en te
> beheersen, wat in wezen het uitoefenen van macht is, dan zal hij tegenstand bieden. Angst en boosheid
> over kritiek en overheersing kan een stuk van zijn levenservaring zijn. Zelfs het lezen van de Geschriften kan
> aanvoelen als de kritiek van God. We moeten het Woord van God verbinden met zijn of haar
> levenservaringen.
> Als we de werkelijkheid van de zoeker, en van elkaar, niet binnengaan om te leren wat hij voelt, wat zij
> meemaakte, wat hij over religie denkt, wat de oorzaak is van het feit dat zij haar vertrouwen in georganiseer-
> de religie kwijtraakte, wat hij gelooft over God, dan kleineren we zijn werkelijkheid, zijn identiteit en haar
> visie. Er is geen manier om verbinding met hem te krijgen tenzij we ons verbinden met zijn visie, en deze
> erkennen en respecteren, zelfs als deze van de onze verschilt. Om de dingen vanuit zijn standpunt te zien
> betekent niet dat we ons geloof moeten opgeven. Erkennen dat zijn zienswijze op dit punt van zijn leven,
> waar toe God hem heeft geleid, juist is, dat is ziele grootheid - edelmoedigheid- en dan ben je een ware
> dienaar van zijn transformatieproces.
> 
> We moeten radicaal afzien van evaluatie, kritiek en beoordeling van zijn werkelijkheid. Beoordeling en kritiek
> zouden een echte ingang naar zijn werkelijkheid blokkeren, aangezien we haar zouden afkeuren door ons
> eigen incomplete begrip van wat spiritualiteit is. We zouden zijn werkelijkheid veroordelen omdat die niet
> overeenkomt met de ontwikkeling die wij voor hem willen. Hiermee laten we zien dat we niets begrijpen van
> het ontwikkelingsproces, het creatieve en evolutionaire proces dat onvervreemdbaar tot de vermogens van
> de mensheid behoort.
> 
> We kunnen hem niet van zijn overtuiging ontdoen, omdat zijn levenservaring alles is wat hij heeft. We
> kunnen hem zijn identiteit niet afnemen omdat zij zich anders ontwikkelde dan die van ons. Om te overleven
> kan hij, op jonge leeftijd, gedwongen zijn geweest om te liegen om zijn identiteit tegen dreigende aanvallen te
> beschermen. Door te liegen en zich niet bloot te geven bleef hij geestelijk gezond. We moeten dat facet van
> zijn, in zijn ontwikkeling vertraagde zelf, erkennen en verdedigen zonder beoordeling en er op vertrouwen
> dat tijd, veiligheid en de verbinding met de Geschriften hem zullen helpen om zijn gedrag te corrigeren of dat
> God een gelegenheid voor hem zal scheppen om zich er van bewust te worden. Wij kunnen niets forceren,
> regelen, beheersen of te schande maken.
> 
> Wij kunnen zijn zienswijze of overtuiging niet scheef noemen omdat hij verschilt van de onze. Het is zijn
> waarheid, het is een kostbare werkelijkheid en een onthulling waarop we langzaam een relatie kunnen
> bouwen en vertrouwelijkheid scheppen. Dat zal hem in veiligheid brengen als we zien dat hij in gevaar
> verkeert. Dat zal hem in de gemeenschap brengen als we zien dat hij geïsoleerd is.
> 
> Hier volgen een paar voorbeelden van hoe je de werkelijkheid van een ander binnentreedt. Op een dag gaf ik
> les aan een kunstklas in een buurthuis. De meisjes in de klas waren in de leeftijd van 7 tot 9 jaar en konden
> heel plotseling omslaan van aardig naar vijandig. We waren druk bezig met het kunstproject toen ineens een
> kind het werktuig van een ander afpakte. De eigenaar van het werktuig sloeg de dief, de vriendin van de dief
> sloeg de eigenaar, diens vriendin sloeg de vriendin van de dief en even later rende de hele klas als een
> lange trein achter elkaar aan.
> 
> Ik schreeuw niet en ik dwing niet. Ik riep hen rustig terug naar de tafel. Ze kwamen niet. Ze lachten
> uitgelaten naar me! Om me niet te laten kennen stond ik op en begon heel erg snel te rennen! Ik nam de
> leiding en zij begonnen me met, met een blik vol ongeloof, te volgen en ik lachte uitgelaten. We renden een
> minuut of vijf. Toen gingen we als kameraden, uitgeput door onze gezamenlijke energie uitbarsting, rustig
> zitten en maakten ons kunstproject af. Ik was hun werkelijkheid binnen gegaan. Ik had hen niet bekritiseerd.
> Ik had hun behoefte om stoom af te blazen niet gekleineerd. Ik had de energie van boosheid en jeugd
> gerespecteerd zonder hen te veroordelen of te dwingen. En het belangrijkste was dat ik niet tegen hen
> geschreeuwd had en hen gedwongen had.
> 
> Een tweede voorbeeld van het binnentreden in de werkelijkheid van een ander: stel je hun gedachten,
> waarden en overtuigingen voor als meubilair in hun geest. Als je in het huis van je vrienden bent respecteer
> je hun meubels en bezittingen omdat ze niet van jou zijn. Je zou hun meubels niet gaan verplaatsen. Je zou
> geen meubels uit hun huis halen. Je zo u hen niet dwingen om nieuwe meubels te halen of ze voor hen
> meebrengen uit een meubelzaak. Je zou hun recht om de meubels op hun manier te gebruiken, respecteren.
> Je zou vinden dat hun recht als eigenaars onschendbaar is.
> 
> Zo is het ook met “het meubilair” van de geest. Als hun gedachten, waarden en overtuigingen anders zijn dan
> de jouwe zou je ze niet zomaar weghalen of hen vragen om ze weg te doen. Je zou ook niet je eigen
> gedachten in hun geest naar binnen brengen. Als je met zorg, respect en waardering een plekje in hun leven
> hebt verworven als een intieme vriend , zou je hun werkelijkheid binnengaan, met eerbied en hoffelijkheid de
> tijd nemen om te weten te komen hoe hun overtuigingensysteem tot stand kwam. Dan zouden ze je
> misschien toestaan om je eigen visie te introduceren.
> 
> De werkelijkheid van een ander mens binnengaan is heilig en beangstigend tegelijk. We tonen respect voor
> de heiligheid van hun werkelijkheid door in hun aanwezigheid machtsloos te blijven. Het is een heilige
> verantwoordelijkheid, want het houdt toewijding aan het welzijn en de groei in mens-zijn in. En hier ligt het
> centrum van onze angst: als de zoeker eenmaal zijn of haar werkelijkheid onthult, hebben we een heilige
> verantwoordelijkheid en worden we opgeroepen tot zelfopoffering. Onze vrees voor vertrouwelijkheid, wat
> inhoudt dat we ons betrokken voelen inclusief de verantwoordelijkheid die daaraan verbonden is, dat is de
> geestelijke en emotionele onvolwassenheid die de groei van de Zaak kan vertragen.
> 
> Dit vraagt om een nieuwe manier van leven. De intensiteit van vertrouwelijkheid vereist heel veel
> zelfbewustzijn, bewust risico durven nemen, wat ik geestelijke kwetsbaarheid noem; bewuste planning,
> oprechtheid en opoffering. Het vraagt dat je persoonlijke ambities, die je van de gemeenschap wegvoeren,
> opzij zet. Het leidt ons naar de taak om rust te brengen aan de ziel van de uitgestotene, de onderontwikkelde,
> de getraumatiseerde, buitengesloten en verdrukte mens.
> 
> “ Welke “verdrukking” is erger dan wanneer een ziel de waarheid zoekt en er naar verlangt om de
> kennis van God te verwerven en niet weet waar en bij wie hij moet zoeken?” 29
> ....met verdrukking wordt bedoeld: het gebrek aan bekwaamheid om geestelijk kennis te verwerven
> en het Woord van God te begrijpen. Er is mee bedoeld dat, wanneer de Dagster van Waarheid is
> ondergegaan en de spiegels die Zijn licht weerkaatsen zijn heengegaan, de mensheid zal worden
> bezocht met “verdrukking’ en ontbering, niet wetend waarheen zich te wenden voor leiding.” 30
> 
> “Laat niemand zich inbeelden dat opportunisme het werkelijke motief is dat dit gevoel van urgentie oproept.
> De allerbelangrijkste reden is namelijk de jammerlijke toestand van grote delen van de mensheid, lijdend en
> in verwarring, hunkerend naar rechtvaardigheid, maar “verstoken van het vermogen God met eigen oog
> te zien of met eigen oor Zijn melodie te horen”. Zij moeten gevoed worden. Er moet uitzicht worden
> geboden waar de hoop verloren is gegaan, er moet vertrouwen worden opgebouwd waar twijfel en
> verwarring heersen”. 31
> 
> Dit is de oorzaak waardoor de mensheid nu verhongert. Wie wil, in deze individualistische maatschappij die
> ons geleerd heeft kleine, aparte eilanden te zijn in de zee van de mensheid, verantwoordelijkheid nemen
> voor de honger van een ander? Maar relaties gaan samen met verantwoordelijkheden. We kunnen geen
> eenheid hebben tenzij we relaties hebben. En daarom moeten we ons bewustzijn verruimen met betrekking
> tot het soort voedende ervaringen waarnaar de mensheid hongert, bewustzijn van de heiligheid van
> vertrouwelijkheid.
> 
> ‘Abdu’l-Bahá toonde eerbied voor de heiligheid van iemands werkelijkheid. Hij eerbiedigde de ziel achter de
> werkelijkheid, of die nu waar was of niet. “Onverschillig welk onderwerp naar voren werd gebracht, hij was er
> volmaakt in thuis, maar altijd met een ondertoon van bescheidenheid en liefdevolle aandacht voor de
> meningen van anderen. Ik heb al eerder over Zijn nooit aflatende hoffelijkheid gesproken. Dat hield echt
> meer in dan wat de term gewoonlijk hier in het Westen betekent. Het Perzische woord betekent zowel
> eerbied als hoffelijkheid. Hij zag het gelaat van Zijn Vader in elk gezicht en hij eerde de ziel achter dat
> gezicht. Hoe kan iemand onhoffelijk zijn als ‘Abdu’l-Bahá jegens iedereen zo’n houding aannam! 32
> 
> Wij hebben eerbied voor het heilige! Eerbiedig zijn betekent dat je ervan wordt weerhouden om iets te doen,
> vanuit een gevoel van respect. Eerbied is een diep respect voor iemand alsof hij een verheven, goddelijk en
> heilig karakter heeft. ‘Abdu’l-Bahá toonde in al zijn handelingen dat hetgeen heilig is, beschermd is tegen
> schending, overtreding en aantasting; het heilige wordt niet zomaar verstoord of gemanipuleerd.
> 
> In deze verklaring is nog een derde voorbeeld te vinden van het binnentreden in de werkelijkheid van een
> ander: Als je me wilt begrijpen nodig ik je uit om mijn wereld binnen te komen en me te zien vanuit mijn
> ervaring in plaats van uit de jouwe. Verruim jouw zienswijze om de mijne te kunnen delen. Als je me een
> moment kunt geloven, dan zullen de waarheden die ik koester aan je onthuld worden. Jij hoeft mijn
> overtuigingen niet te behouden- maar neem ze maar even over totdat de waarde ervan je duidelijk wordt. Ik
> heb de waarheid van mijn ervaring onderzocht en ben tot de conclusie gekomen dat ik mezelf mag
> liefhebben. Als jij mij bekijkt met de liefdevolle blik waarmee ik naar mezelf kijk dan zal ik me voor jou openen
> en ben ik niet bang om in jouw aanwezigheid te laten zien wie ik ben. Als je dat niet doet blijf ik onbevreesd
> en liefdevol in mijzelf.
> 
> Het volgende verhaal uit “Portals to Freedom” is een levendige illustratie van het feit dat ‘Abdu’l-Bahá de
> werkelijkheid van de persoon waar hij mee omging respecteerde.
> 
> “ En hij sprak natuurlijk nooit tegen. Hij legde ook nooit ergens de nadruk op. Hij liet iemand vrij. Er was
> nooit een zweem van autoriteit, Hij was eerder altijd de nederigheid in persoon. Hij onderrichtte alsof hij een
> geschenk aan een koning gaf. Hij vertelde me nooit wat ik zou moeten doen buiten de opmerking dat wat ik
> deed goed was. Hij maakte Waarheid en Liefde zo mooi en koninklijk dat het hart vanzelf eerbiedig werd. Hij
> toonde me door Zijn stem, manieren, gedrag, glimlach, hoe ik diende te zijn, wetend dat uit de zuivere aarde
> van het hart de goede vruchten van daden en woorden zeker te voorschijn zouden komen”
> 
> “ Er was een vreemde, ontzagwekkende mengeling van nederigheid en majesteit, ontspanning en kracht in
> het kleinste woord of gebaar van Hem, die me deed verlangen naar het begrip van de bron van dit alles. Wat
> maakte Hem zo anders, zo onmetelijk superieur aan elke andere man die ik ooit had ontmoet?” 33
> Dit is een prachtig voorbeeld van respect voor de gevoelige werkelijkheid van een ander mens. We zien het
> feit dat Hij de ander bevestigde zonder hem te vertellen wat hij moest geloven. ‘Abdu’l-Bahá demonstreert
> hier Bahá’u’lláh’s uitspraak dat wij dezelfde nederigheid en onderdanigheid moeten tonen als de aarde : ”Zie
> hoe nederig ik ben, ondanks de mij verleende eer en de ontelbare bewijzen van mijn rijkdom - een
> rijkdom die in de behoeften van de gehele schepping voorziet- en aanschouw met welk een volkomen
> onderwerping ik mij door de voeten van de mensen laat vertreden.....” 34
> 
> “Betoon elkaar verdraagzaamheid , welwillendheid en liefde. Mocht iemand onder u niet bij machte zijn een
> bepaalde waarheid te vatten en zich inspannen om deze te begrijpen, leg dan in uw gesprek met hem een
> geest van uiterste vriendelijkheid en welwillendheid aan de dag. Help hem de waarheid te zien en te
> erkennen zonder uzelf in het minst superieur of in het bezit van grotere gaven te achten” 35
> 
> Mr Ives vertelde ook hoe ‘Abdu’l-Bahá de “werkelijkheid”, de ziel van ieder die hij ontmoette zocht: “ Bij alle
> gelegenheden waarin ik ‘Abdu’l-Bahá ontmoette, met Hem sprak of naar Hem luisterde kwam ik steeds meer
> onder de indruk van zijn methode om zielen te onderrichten. Dat is het juiste woord. Hij probeerde niet
> alleen de geest te bereiken maar hij zocht de ziel, de werkelijkheid van iedereen die hij ontmoette. Oh, Hij kon
> heel logisch zijn , zelfs wetenschappelijk in de presentatie van een argument, zoals Hij voortdurend liet zien in
> de vele toespraken die ik van hem hoorde en in een nog groter aantal die ik heb gelezen. Maar het was niet
> de logica van de schoolmeester, noch die van het klaslokaal. Zijn eenvoudigste uitspraak, Zijn geringste
> verbinding met een ziel was doorweven met een lichtende helderheid die het hart van de luisteraar naar een
> hoger niveau van bewustzijn voerde. Als Hij sprak stonden onze harten in vuur en vlam.” 36
> In de levendigste beschrijving van de ontmoeting van twee zielen van heel verschillende culturen en talen,
> vertelt dhr. Ives over de aangrijpende ontdekking dat ‘Abdu’l-Bahá volkomen tegemoet kwam aan zijn
> behoeften:....” toen ik de deur naderde waar Hij nog stond, gebaarde Hij de anderen om weg te gaan en hij
> stak me Zijn hand toe alsof Hij me altijd gekend had. Toen onze rechterhanden elkaar ontmoetten, gaf Hij
> met zijn linkerhand aan dat alle anderen de kamer moesten verlaten. Hij trok me naar binnen en sloot de
> deur.
> 
> Mijn hand vast houdend liep ‘Abdu’l-Bahá door de kamer naar het raam waar twee stoelen klaar stonden.
> Zelfs op dat moment maakte zijn majestueuze manier van lopen indruk op me en ik voelde me als een kind
> dat door zijn vader, een meer dan aardse vader, meegenomen wordt naar een troostende gesprek. Zijn hand
> omvatte de mijne nog steeds en zijn greep werd steeds een beetje vaster en warmer. En toen zei Hij voor
> het eerst iets en nog wel in mijn eigen taal: zachtjes klonk zijn verzekering dat ik Zijn zeer geliefde zoon was.
> 
> Toen zaten we in de stoelen bij het raam, knie aan knie en oog in oog. Tenslotte keek Hij recht bij me naar
> binnen. Het was voor het eerst sinds onze ogen elkaar hadden ontmoet bij zijn eerste wenkende gebaar dat
> dit gebeurde. En nu stond er niets meer in de weg tussen mij en Hem en Hij keek naar me. Hij keek naar
> me! Het leek alsof tot nu toe nog nooit iemand mij werkelijk had gezien. Ik ervoer de vreugde van eindelijk
> thuis te zijn, en degene die mij tot in mijn diepste innerlijk kende, mijn Vader, was alleen met mij.
> 
> Hij bracht zijn duimen bij mijn ogen en wiste de tranen van mijn gezicht, vermaande me niet te huilen, een
> mens moest altijd gelukkig zijn. En Hij lachte.
> 
> Ik kon niet praten. We zaten beiden in volmaakte stilte. Het leek een lange tijd te duren en geleidelijk aan
> daalde er een diepe vrede in me. Toen legde ‘Abdu’l-Bahá Zijn hand op mijn borst en zei dat het hart had
> gesproken.
> 
> Plotseling sprong Hij overeind en lachte weer alsof hij een hemelse vreugde voelde. Zich omdraaiend greep
> Hij me onder de ellebogen en trok me omhoog en nam me in Zijn armen. Het was niet zo maar een
> omhelzing. Mijn ribben kraakten. Hij kuste me op beide wangen, sloeg Zijn arm om mijn schouder en bracht
> me naar de deur. Dat was alles. Maar het leven is daarna voor mij nooit meer het zelfde geweest.” 37
> 
> Wij kunnen dat ongetwijfeld ook, stil zijn in elkaars aanwezigheid of in die van de zoeker, de tijd nemen om
> de vreugde te voelen in de omhelzing van de eenheid van werkelijkheid. Het ligt binnen ons bereik als we
> 
> onze identiteit willen loslaten in grote vreugde, haar natuurlijke staat. We krijgen een besef van hoe eenvoudig
> en zuiver ‘Abdu’l-Bahá leefde -de zoetheid van rust, de vreugde die hij ontving als Dienaar van de Glorie. Het
> is de bedoeling dat bahá’ís elkaars levenservaring met vreugde delen, dat ze zorgen op zij zetten en
> zich in elkaars gezelschap en werkelijkheid verheugen.
> 
> Het laatste voorbeeld van het binnengaan in iemands werkelijkheid leert ons meer over de eerbied die nodig
> is als een zoeker zijn of haar levenservaringen aan ons onthult. Het delen van een levenservaring is net als
> een geestelijk drama dat zich op het toneel van een theater voor je ontvouwd en langzaam duidelijk wordt.
> Het is niet iets waar je wat aan moet doen. Je verandert niets aan een theaterstuk, Alleen de Maker en de
> Regisseur van het stuk mogen er iets aan veranderen. De bedoeling van het drama is ons dichter naar de
> waarheid te brengen zodat we een gedeelde werkelijkheid bereiken. De mensen in die levenservaring zijn net
> als de karakters van het stuk. De opeenvolgende gebeurtenissen vormen samen het toneel waarop het
> drama wordt uitgespeeld. En de eigenschappen en emoties die je worden getoond, vormen de dynamiek van
> het stuk.
> 
> Er bestaat weerklank tussen de persoon die het geestelijke drama onthuld en degene die luistert. Het drama
> weerklinkt in het hart van de luisteraar en als hij zijn objectiviteit op zij kan zetten, zullen liefde en verdriet,
> vreugde en empathie in zijn ziel opbloeien. Op dat moment is het ultieme doel van het drama bereikt - de
> acteur deelt zijn werkelijkheid en wordt een bron van kennis voor de toehoorder. Als we het geestelijke drama
> dat zich voor ons afspeelt respecteren als een bron van kennis, dan kunnen we zeggen dat we de
> werkelijkheid van het drama hebben betreden en dat we kunnen erkennen wat het ons heeft geleerd.! Zo
> brengt de Maker / Regisseur ons in eenheid samen.
> 
> Als we de unieke werkelijkheid van elk lid van de gemeenschap en elke zoeker eerbiedigen, machteloos
> blijven bij zijn of haar geestelijke drama in plaats van druk uit te oefenen, dan ontdekken we misschien iets
> wat ‘Abdu’l-Bahá de sleutel tot kennis noemde: “ Dat wil zeggen, er bestaat een sleutel tot kennis die
> elke deur zal openen en ons de kans geven om naar binnen te gaan met de boodschap van Waarheid.
> Dit klinkt misschien moeilijk maar het is makkelijk te bewijzen als je die sleutel bezit. Je dient de
> zoeker naar het juiste pad te leiden, dan hoeft hij alleen maar recht door te lopen.” 38
> 
> Ik vraag me af of we ook een glimp van deze “sleutel van kennis” te zien krijgen in de Bloemlezing waar
> Bahá’u’lláh openbaart dat “ De mens die trouw bleef aan de Zaak van God en onwrikbaar vast stond in
> Zijn Pad, zal na zijn verscheiden zulk een kracht bezitten dat alle werelden die de Almachtige heeft
> geschapen door hem vooruit kunnen komen. Zulk een ziel verschaft -op het bevel van de volmaakte
> Koning en goddelijke Opvoeder - de zuivere zuurdesem die de bestaanswereld doortrekt en van het
> vermogen voorziet waardoor de kunsten en de wetenschappen der wereld zichtbaar worden.
> Bedenk dat meel zuurdesem nodig heeft om te rijzen. De zielen die de zinnebeelden van onthechting
> zijn, vormen het zuurdesem van de wereld. Denk hierover na en behoort tot de dankbaren.” 39
> 
> Gist is de dienaar van de werkelijkheid van het meel. Het onthecht zich van zijn eigen macht en eigenschap-
> pen: en offert zich op aan het geheel, het meel. Het is het middel waardoor het geheel zijn bestemming kan
> bereiken. Zielen die in staat zijn om zich los te maken van de beperkingen van hun eigen werkelijkheid,
> kunnen één worden met de werkelijkheid van anderen en daarbij, net als gist, de werkelijkheid van anderen
> doortrekken met een transformerende invloed. Door, onthecht aan je eigen werkelijkheid, het geheel te
> dienen wordt waarheid onthuld, worden mysteries opgehelderd en geheimen ontrafeld.
> 
> ‘Abdu’l-Bahá leerde ons bidden: “ O God, help Uw geliefden om kennis te verwerven en wetenschappen
> en kunsten te beoefenen, en om de geheimen te ontrafelen die in het binnenste van al het geschapene
> verborgen liggen. Laat hen de verborgen waarheden horen die geschreven zijn en vastgelegd in de
> kern van al wat bestaat.” 40
> 
> Hoe kunnen we dit doen, als anderen zich door onze “overheersende werkelijkheid” niet veilig genoeg
> voelen om te laten zien welke storende invloed de schatten en waarheden blokkeert die in hun innerlijke
> werkelijkheid verborgen liggen? Het is dan alsof gist probeert om het meel in gist te veranderen. Erkenning
> geeft hen de veiligheid om hun werkelijkheid te onthullen; dus wat je kunt doen is prijzen, herkaderen,
> onderscheidingsvermogen gebruiken, vertrouwen hebben en machteloos blijven.
> 
> Als je deze middelen op een liefdevolle, oprechte manier gebruikt, fungeer je als het gist dat een
> transformerende invloed uitoefent. Het is een grotere prestatie om de werkelijkheid van anderen te erkennen
> en te dienen dan die van jezelf. Dit is de ware zelfverloochening. “ O Zoon van geest! Breek uw kooi open
> en wiek, gelijk de feniks der liefde omhoog naar het firmament van heiligheid. Verloochen uzelf en
> verblijf, vervuld van de geest van genade, in het rijk van hemelse heiligheid.” 41
> 
> Om een echte dienaar te zijn moet je onthecht zijn van je werkelijkheid met inbegrip van je identiteit, je
> aangeboren en verworven kennis en je culturele achtergrond; omdat deze zaken allemaal als een filter
> werken en je afhouden van de grotere realisatie van eenheid, “ hemelse soevereiniteit”.
> Als je bereid bent om je zó op te stellen dat jouw individuele werkelijkheid geen macht uitoefent ( behalve het
> handelen als liefdevol gist dat het geheel doortrekt met vreugde, geloof, hoffelijkheid en
> onderscheidingsvermogen), dan zul je in staat zijn om rustig om te gaan met een gestage stroom van
> vreemdelingen in je leven zonder uit evenwicht te raken. Je zult accepteren dat de Firesides en
> Negentiendaagsfeesten anders en nogal onvoorspelbaar verlopen. En zo zal het gaan en moet het gaan in
> alle bahá’í-gemeenschappen waar het proces van onderricht in versnelling raakt; totdat we een bepaald
> niveau bereiken en de Onderrichtsinstituten en de individuele verdieping het geheel stabiliseren.
> 
> Luisteren met grootmoedigheid.
> 
> Parafraseren en herkaderen.
> We kunnen de ander bevestigen en erkennen via het parafraseren en herkaderen van wat zij zeggen zonder
> een oordeel, een interpretatie, een vaststelling, een evaluatie of een kruisverhoor. Dit soort reacties bij het
> luisteren hebben op zichzelf al iets van dominantie en ze hebben het vermogen om de verteller het gevoel te
> geven dat hij zich moet verdedigen of in een ongelijkwaardige positie zit. Deze manieren van luisteren kunnen
> ruzies opleveren, omdat ze het vermogen van de spreker om zich bewust te worden van zijn of haar
> werkelijkheid belemmeren. Bovendien, als ik het toelaat dat de ander mij advies geeft, me overtuigt of mijn
> woorden voor me interpreteert, dan doe ik afstand van mijn vermogens en blijft de ontmoediging die in mijn
> kindertijd begon voorduren. Ik ben dan medeschuldig aan een onrechtvaardigheid jegens mezelf, omdat
> deze manieren van reageren me niet de kans geven om mezelf met mijn eigen ogen te zien en met mijn
> eigen oren te horen. Het zijn de manieren van het gezag, dat heeft geprobeerd me te ontkrachten. Het zijn
> de onschuldige en verborgen manieren waarop ik werd gedwongen om via de werkelijkheid van een ander
> te denken in plaats van me bewust te worden van mijn eigen werkelijkheid. Dit is grensoverschrijding.
> 
> Dus wat doen we als we horen hoe ze zich schamen, het zichzelf verwijten en zich zelf de schuld geven? We
> kunnen hun schaamte in een ander kader plaatsen, hun schuld en zelfverwijt tegen een andere achter-
> grond laten zien zodat ze niet langer in een schadelijk perspectief gevangen zitten, een schadelijke
> werkelijkheid waarin ze blind zijn voor de vermogens die door de schaamte, het zelfverwijt en de
> schuldgevoelens worden versluierd. Hier is grootmoedigheid voor nodig, de eigenschap die door ‘Abdu’l-
> Bahá in de Tafelen van het Goddelijk Plan steeds opnieuw wordt benadrukt. Grootmoedigheid betekent
> edelmoedigheid van hart en geest, royaal met vergeving, boven wraak of wrok staan, onzelfzuchtigheid,
> genadigheid en ziele- grootheid. Een paar voorbeelden van royale en grootmoedige herkadering volgen
> hier:
> 
> * Ik ben een uitzonderlijk koppig iemand. Daarom heb ik deze problemen. Daarvoor wordt ik door God
> gestraft.
> Herkaderende reactie: Wist je dat als je je aldoor koppig voelt of gedraagt, het zou kunnen zijn omdat
> anderen je teveel proberen te overheersen?
> 
> * In maak altijd fouten.
> Herkaderende reactie: Wist je dat iemand zichzelf de kans moet geven om fouten te maken zoveel als hij wil
> als hij met iets nieuws bezig is, of met iets dat vreemd voor hem is?
> 
> * Ik ben erg egoïstisch.
> Herkaderende reactie: Ik vind het fijn als je dingen met me deelt; maar ik vind het ook fijn als je bepaalde
> dingen voor je zelf houdt. Ik denk dat dat belangrijk is.
> 
> * Niemand wil veel tijd besteden aan iemand die zo depressief is als ik.
> Herkaderende reactie: ik vind het fijn om bij je te zijn als je gelukkig bent; en ik ben er om ook de verdrietige
> momenten met je te delen.
> 
> * Ik vertrouw mensen niet. Ik denk dat ik nooit iemand zal kunnen vertrouwen.
> Herkaderende reactie: het is in orde om mensen te vertrouwen die jouw grenzen respecteren; ik wil ook dat
> je duidelijk je grens stelt als ik iets doe dat tegen jouw normen indruist.
> 
> * Ik ben te hebzuchtig.
> Herkaderende reactie: om meer vragen hoeft nog geen hebzucht te betekenen. Het zou alleen kunnen
> aangeven dat jouw behoeften erg groot zijn en dat je vaak groot gebrek hebt geleden. Het is in orde als je
> aan je behoeften voldoet.
> 
> * Ik ben schijnheilig.
> Herkaderende reactie: Wist je dat de grondoorzaak van schijnheiligheid is dat je een erg onrechtvaardige
> behandeling hebt ondergaan; en dat je, zelfs terwijl je de hoop op rechtvaardigheid hebt opgegeven, je er
> toch heel erg naar verlangt?
> 
> * Ik heb elke relatie die ik had kapot gemaakt door mijn jaloezie.
> Herkaderende reactie: Wist je dat achter jaloezie de behoefte aan erkenning verborgen zit? En dat
> systematische erkenning door anderen ons eigenlijk helpt om verantwoordelijk te willen zijn voor onze
> jaloezie? De na lang en wanhopig verlangen bereikte erkenning en lof is de vergoeding van de
> onrechtvaardigheid die ons oorspronkelijk was aangedaan. God verlangt erkenning en lof voor zijn
> schepselen.
> 
> Hier is een voorbeeld uit het leven van Bahá’u’lláh: “Hij naderde die gevangenis (de Siyah - Chal), en een
> oude, haveloze vrouw kwam uit het midden van de menigte naar voren met een steen in haar hand, vol
> verlangen om hem in Bahá’u’lláh’s gezicht te gooien. Haar ogen gloeiden met een vastberadenheid en
> fanatisme waar weinig vrouwen van haar leeftijd nog toe in staat zouden zijn. Haar hele lichaam schokte van
> razernij toen ze naar voren stapte en haar hand ophief om haar projectiel op Hem af te vuren. “ Ik smeek jullie
> bij de Siyyidu’sh-Shuhada (De Imam Husayn) pleitte ze, rennend om de degenen aan wie Bahá’u’lláh was
> overgeleverd in te halen, “geef me een kans om mijn steen in zijn gezicht te smijten!” “ Stel deze vrouw niet
> teleur” klonken Bahá’u’lláh’s woorden tegen Zijn bewakers toen Hij haar achter zich aan zag haasten. “
> Ontzeg haar niet wat zij als een verdienstelijke daad in de ogen van God beschouwt” 42
> 
> Bahá’u’lláh erkende de identiteit, de visie, overtuigingen en werkelijkheid van deze vrouw. Hij liet haar
> verlangen en haar daad ook zien tegen een andere achtergrond. Kun jij dat met de volgende verklaringen,
> waarbij je dan een positieve kant laat zien en de prijzenswaardigheid ervan?
> 
> * Ik ben mijn hele leven al een zeur geweest
> * Ik praat te veel
> * Ik ben een workaholic
> * Niemand wil dat ik verander
> * Ik ben bang om mezelf te zijn. Stel dat ik mezelf niet mag?
> * Ik vind de Geschriften autoritair.
> * Ik ben een geboren treuzelaar.
> 
> Of de persoon die voortdurend gericht is op wat men noemt “ fouten”, “karaktergebreken” en
> “tekortkomingen”? Misschien heeft de negatieve beoordeling van zijn gedrag herkadering nodig, zodat hij zich
> kan richten op zijn vermogens in plaats van op zijn gebreken. Het zou bijvoorbeeld zo kunnen klinken: Dit is
> theorie en theologie van de oude wereldorde die gebaseerd is op de kritiek van een externe autoriteit die
> ons heeft ontmoedigd. Wij moeten ons richten op de kracht van de verheven Talisman in plaats van op de
> kritiek die we van binnenuit en van buitenaf hebben ervaren. We hebben veel van die karaktergebreken
> ontwikkeld doordat onze macht van ons werd afgenomen en dat belemmerde onze ontwikkeling. Als aan
> kinderen
> kracht wordt toegekend, en deze wordt gekoesterd, gevormd, geëerd en gerespecteerd, dan worden veel
> van die tekortkomingen voorkomen. Kijk bijvoorbeeld eens naar die persoon uit een alcoholistisch gezin die
> een “geboren treuzelaar” is. Wijst dat niet op de ontmoediging van de kracht om te kiezen, het willen en de
> wilskracht?
> 
> Deze persoon werd nooit toegestaan of aangemoedigd om te handelen of te kiezen, omdat hij geen voor-
> beeld kreeg. De alcoholistische vader of moeder moedigden het niet aan, respecteerden, eerden of wensten
> het gebruik van hun eigen wilskracht niet. Ze kozen liever voor de fles dan voor hun wilskracht - de daad-
> kracht om verandering in hun leven te brengen. We moeten ons in dit geval niet meer op het karaktergebrek
> te richten maar het in een nieuw kader plaatsen, dat van het gezag over je zelf en de persoonlijke kracht van
> het individu.
> 
> Hoe kunnen we onszelf bekrachtigen en het juiste vermogen onderscheiden dat we moeten ontwikkelen, in
> plaats van onszelf en anderen te bekritiseren over de gebreken die we hebben? Dit werpt een heel ander
> licht op de zaak. Het antwoord is dat we onszelf niet kunnen bekrachtigen; we zijn afhankelijk van
> Bahá’u’lláh’s Openbaring om onze vermogens te identificeren en te definiëren, om de vermogens van de
> mens te bevestigen zodat de verheven Talisman van het Goddelijke Elixer gebruik kan maken om te
> genezen.
> Dat is de taak van de bahá’í onderrichter:
> 
> •   om zichzelf te onthullen, te luisteren, te herkaderen en te weerspiegelen.
> •   om het onderscheidingsvermogen te gebruiken om de aandacht te richten op de krachten die
> verborgen zijn;
> •   om te erkennen, te prijzen en de bahá’í-geschriften te citeren.
> •   om anderen te leiden naar de krachten die zich in de Geschriften bevinden en nooit bekritiseren,
> nooit aandacht besteden aan de karaktergebreken of de tekortkomingen of de fouten die in het
> gedrag van de zoeker of de bahá’í te zien zijn.
> 
> Volgens John Bradshaw, de auteur van “ Healing the Shame that Binds”, heeft de mens een kern die op
> schaamtegevoel is gebaseerd. Volgens Bahá’u’lláh, is de kern van de mens, de ziel van de mens zijn
> geboorterecht kwijtgeraakt: de macht over zich zelf.
> “De macht over het zelf verwijst naar onze bekwaamheid om ongeveer twintig vermogens, eigenschappen en
> krachten te besturen waarvan we ons bewust zijn. Het aantal andere deugden die ons bekrachtigen is te
> groot om op te noemen. De woorden “kracht” , vermogen, eigenschap, gave, deugd, worden in de
> geschriften van het bahá’í-geloof veelvuldig gebruikt om macht aan te duiden. We kunnen redelijkerwijs
> aannemen dat de meeste onderdrukte volkeren op de wereld nog niet de macht over zich zelf hebben
> ontwikkeld. Ze hebben misschien hun eigen gevoel van beheersing van deze krachten en gaven, die aan
> hen als behorend bij hun mens-zijn werden toevertrouwd, nog niet herkend of ontwikkeld. We kunnen er
> zeker van zijn dat diegenen van ons die getraumatiseerd zijn door lichamelijke, emotionele, seksuele,
> mentale en geestelijke mishandeling ook nog veel van de onderdelen van die bekwaamheid moeten
> ontwikkelen.
> De macht over zichzelf kan worden gedefinieerd als de vrijheid en het vermogen om gebruik te maken van
> de ons door God gegeven mentale eigenschappen om verstandelijke en morele keuzen te maken.; zelf
> regulering van de emoties; het recht of de toestemming om onafhankelijk te handelen met dien verstande
> dat men zijn persoonlijke grenzen heeft. Om een volledig begrip te krijgen van de reikwijdte van onze
> krachten en onze macht om ze te gebruiken, moeten we onze grenzen volledig kennen en onze eigen
> verkeerde overtuigingen en ijdele denkbeelden over wie we zijn, waarom we hier zijn en hoe we het best met
> onze wereld omgaan, overwinnen.
> 
> Hoe meer vermogens we in de consultatie kunnen gebruiken, hoe groter ons begrip wordt. Hoe meer we
> elkaar kunnen helpen om het begripsvermogen te ontwikkelen, hoe meer we de wilskracht en het reactie-
> vermogen kunnen helpen vrijkomen. We moeten de mentale filters ontdekken die de spreker verhinderen om
> zijn vermogen tot nadenken en ontdekken te gebruiken en zijn vermogen om Hem te erkennen. Hoe kunnen
> we de juiste citaten onderscheiden die de mentale filters zullen verwijderen? Hoe kunnen we zien wat we
> moeten weten over hoe zij ontmoedigd werden?
> 
> Hun werkelijkheid is vol met allerlei onbewuste boodschappen waardoor ze ontmoedigd zijn. Die kunnen
> bijvoorbeeld zo klinken
> 
> Niet denken. Niet praten. Niet kiezen. Niet voorop lopen. Niet anders zijn. Niet bewust zijn. Niet intelligent
> zijn. Geen vragen stellen. Niet intiem zijn. Niet iets nodig hebben. Wees geen kind. Wees niet zwak. Niet
> veranderen. Niet gelukkig zijn Niet kijken. Geen grenzen stellen. Niet vertrouwen, Niet jezelf zijn. Niet
> proberen. Niet jezelf kennen. Er niet zijn. Niet voor jezelf zorgen. Niet jezelf aardig vinden. Niet
> ongehoorzaam zijn of het gezag uitdagen.
> 
> Dit zijn de middelen waarmee autoritaire, totalitaire en autocratische families, instellingen en samenlevingen
> met tirannieke overtuigingensystemen nog steeds, openlijk of bedekt, de macht over je zelf in de kindertijd
> en in de volwassenheid ondermijnen. Zij veroorzaken onze mentale filters waardoor we ons zelf, de wereld
> en onze relaties bekijken.
> 
> Dit zijn de boodschappen die ons overtuigingensysteem hebben gevormd en die onze pogingen tot intimiteit
> blokkeren. Zolang de zoeker in ons gedrag, in ons onderricht en de manier waarop we de Geschriften van
> Bahá’u’lláh presenteren deze onderliggende boodschappen waarneemt, zal hij ons en Bahá’u’lláh verwerpen.
> 
> Hoe komen we achter de mentale filters van de mensen die deze boodschappen in de Geschriften zien? Het
> eerste wat we moeten doen is de verborgen boodschap proberen te ontdekken die de mentale filter beheerst.
> Je zult je redeneringsvermogen moeten gebruiken om de boodschappen bloot te leggen en dan iets over
> jezelf onthullen wat met dat onderwerp te maken heeft om hun zelfbesef aan te moedigen. Als zij besluiten om
> 
> niets over zichzelf te vertellen zullen ze toch wel een innerlijke onthulling ervaren. Je zult ze op z’n minst
> achterlaten met iets om over na te denken en een mate van zelf bewustzijn, zelfs als ze zich niet dapper of
> vertrouwd genoeg voelden om naar buiten toe iets te onthullen.
> 
> Het tweede is vertrouwen scheppen me t de Vijf Vrijheden. Wat schept zoveel vertrouwen zodat veiligheid
> kan ontstaan, zowel met de verdrukte als de getraumatiseerde persoon? De ander moet uit onze
> handelingen kunnen zien dat we hem de Vijf Vrijheden van Virginia Satir zullen schenken. Wijlen Virginia
> Satir was een pionier in de familiesysteemtheorie en ze was ervan overtuigd dat elk lid van de familie het
> volgende moest hebben:
> * De vrijheid om te denken wat je denkt i.p.v. wat je zou moeten denken.
> * De vrijheid om te voelen wat je voelt i.p.v. wat je zou moeten voelen.,
> * De vrijheid om te willen (verlangen) en te kiezen wat je wil i.p.v. wat je zou moeten willen
> * De vrijheid om bezig te zijn met je zelfverwerkelijking, i.p.v. een vaste rol te vervullen of altijd op zeker te
> spelen.
> 
> Deze vijf vrijheden komen overeen met deze uitspraak van ‘Abdu’l-Bahá:
> “Volgens de leringen van Bahá’u’lláh moet het gezin, als menselijk geheel, opgevoed worden in
> overeenstemming met de wetten van heiligheid. Alle deugden moeten aan het gezin onderwezen
> worden. De integriteit van de familieband moet voortdurend bewaakt worden en de rechten van de
> individuele leden mogen niet worden geschonden. De rechten van de zoon, de vader, de moeder- op
> geen van deze rechten mag inbreuk gemaakt worden, en geen er van moet willekeurig zijn. Net zoals
> de zoon bepaalde plichten heeft jegens zijn vader, heeft de vader evenzo verplichtingen jegens zijn
> zoon. De moeder, de zuster en andere leden van de huishouding hebben hun bepaalde voorrechten.
> Al deze rechten en privileges dienen in stand gehouden te worden, en toch moet de eenheid van het
> gezin worden behouden. De kwetsuur van een gezinslid betekent dat allen gekwetst zijn; het welzijn
> van de één betekent welzijn van allen; de eer van één familielid betekent eer van allen.” 44
> 
> Dit betekent duidelijke steun voor de autonome identiteit in een collectieve omgeving. De zoeker moet er
> gerust op kunnen zijn dat hij of zij hun identiteit niet zullen verliezen in het proces van eenwording.
> Autonome identiteit plus wederzijdse en wederkerige zelfonthulling van onze werkelijkheid kunnen leiden tot
> de
> wederzijdse erkenning van de ander, wat een collectieve identiteit schept, waaruit intimiteit voortkomt en rust
> voor de ziel.
> 
> Erkenning- de vijfde component van vertrouwelijkheid.
> 
> Erkenning van wat de ander zegt schept een verbinding met hem. Net zoals we, in de intimiteit van ons
> gebed tot God, Zijn macht en eigenschappen erkennen, zo moeten we ook de kracht, de identiteit, de
> werkelijkheid van degene waar we mee spreken erkennen. En er op vertrouwen dat hun werkelijkheid op
> een wonderbaarlijke manier herschapen zal worden als ze in verbinding treden met de Openbaring van
> Bahá’u’lláh, net zoals dat bij ons is gebeurd. In het Lange Verplichte Gebed heeft Bahá’u’lláh geschreven
> over de vertrouwdste inwoners van het allerhoogste Paradijs: “Ik getuig o mijn God hetgeen Uw
> uitverkorenen getuigen, en erken hetgeen de bewoners van het allerhoogste Paradijs en zij die Uw
> machtige troon omringen getuigen. De koninkrijken van hemel en aarde zijn de Uwe, o Heer der
> werelden!” We weten dat er een wijsheid zit in de erkenning van de aanspraken, de Openbaring en het
> Gezag van Bahá’u’lláh; maar welke wijsheid vinden we als we de onthulling van de identiteit en de
> werkelijkheid van een individu erkennen?
> 
> En wat houdt erkenning in? Het betekent dat je even de tijd neemt om mondeling of schriftelijk je waardering
> en respect kenbaar te maken voor het feit dat je de ontvanger bent van de eerlijke onthulling van de
> identiteit, gedachten, gevoelens, behoeften en verwachtingen van de ander. Erkenning is de werkelijkheid
> van de ander binnengaan terwijl je de grenzen, die hun vrijheid en privacy beschermen, in de gaten houdt en
> respecteert.
> 
> Er zijn mensen die hun identiteit en voortreffelijkheid verbergen achter angst- en schaamtegevoelens,
> afstandelijkheid, hopeloosheid, uiterste waakzaamheid en wantrouwen; zij vertrouwen hun identiteit nooit aan
> iemand toe. Iemand buiten de gemeenschap , een kind of een partner, kan de betekenis, de richting en de
> bedoeling van de bahá’í-openbaring niet ontdekken totdat hij of zij het zelfbewustzijn en de bewustzijns-
> verruiming heeft ervaren die voortkomen uit het horen van de eigen stem, die zichzelf onthult aan een ander
> 
> mens. Als de bahá’í naar die stem luistert en hem erkent, dan deelt en erkent hij of zij het juweel in de ander,
> het pand van God. Dat betekent dat hij de identiteit van de ander ervaart. Dat is iets heiligs. En dat is wat
> we missen als onze agenda de plaats van vertrouwelijkheid heeft ingenomen.
> 
> Vertrouwelijkheid schept nieuwe inzichten en zelfbewustzijn. Als we niet erkennen wat de ander zegt, zelfs
> of juist als we het er niet mee eens zijn, kennen we geen waarde toe aan hun werkelijkheid en missen we
> een noodzakelijke en belangrijke stap op de weg naar vertrouwelijkheid. Eigenlijk kleineren we dan hun
> levenservaring.
> 
> Voorbeelden van erkenning
> 
> * Ik besef dat deze overtuiging, dit idee, dat inzicht heel belangrijk voor je is. Dit ben ik me nu bewust,
> omdat je het me hebt verteld. Ik heb zoiets nooit eerder ervaren of bedacht en ik ben dankbaar dat je het
> met me hebt gedeeld.
> * Ik waardeer je inzichten. Het helpt me om je beter te begrijpen.
> * Help me om jouw ervaringen te begrijpen door het nog eens op een andere manier te zeggen.
> * Dat klinkt alsof het heel belangrijk voor je is en dan is het ook belangrijk voor mij. Kun je het nog eens
> vertellen op een manier waardoor ik je beter kan begrijpen?
> * Naar jouw mening luisteren helpt mij om mezelf beter te begrijpen. Ik accepteer de verschillen tussen ons
> en ik kan ook de overeenkomsten zien. Dank je dat je het me verteld hebt.
> 
> Onze zoekers kunnen een gevoel voor rechtvaardigheid hebben dat nooit eerder door iemand is erkend.
> Hun mening is misschien nooit gewaardeerd of bevestigd. Het wonder en de schoonheid van hun individualiteit
> kan onbegrepen gebleven zijn in het ongezonde familiesysteem waar in ze opgroeiden. Wij kunnen het ons niet
> permitteren om deze kansen te missen. Wat doet het er toe als we geen waardering terug krijgen? Als
> zelfonthulling ook zelfonthulling aanmoedigt, dan wordt erkenning ook geleidelijk aan beantwoord met erkenning
> en wordt het een van de grondslagen voor vertrouwelijkheid en vrijgevigheid.
> 
> Het is mogelijk dat zij zelf of anderen nooit hun aangeboren gaven hebben herkend. Hun op
> rechtvaardigheid gebaseerde overtuigingen en houding, hun zuivere hart en ontvankelijkheid voor
> geestelijke waarheid die bij zelfonthulling opduikt, kan mogelijk niet door henzelf of door anderen ontdekt zijn.
> Wij kunnen deze talenten erkennen. Als ze het Geloof niet aanvaarden hebben we er in elk geval toe bij
> gedragen dat ze zich zelf een beetje beter kennen.
> “ O zoon van geest! Gij zijn Mijn lamp en Mijn licht is in u. Wordt hierdoor verlicht en zoek geen ander
> dan Mij. Want Ik schiep u rijk en stortte overvloedig Mijn gunst over u uit” 45
> We missen het stralende licht in de ander als we niet genieten van het moment van vertrouwelijkheid. We
> gaan vaak te snel verder en vergeten om het licht dat ze misschien schuchter hebben laten zien, te weer-
> spiegelen. Als we van hen houden om hen zelf dan nemen we de tijd om hun goedheid te erkennen, het licht
> dat ze ons hebben laten zien.
> 
> Deze eenvoudige daad van erkenning houdt de waardering, de hoffelijkheid en het respect in, die in onze
> prestatiegerichte samenleving ontbreken. In de huidige maatschappij moet je bewijzen dat je de slimste en
> de beste bent. Mensen met verborgen agenda’s kunnen de werkelijkheid en de identiteit van een ander niet
> erkennen. Ze zijn bezig om te bedenken wat ze zullen terugzeggen tegen de persoon die hen iets vertelt.
> 
> Zoals God Zich aan ons bekend wilde maken, zo willen de zoekers ook hun identiteit door zelfonthulling
> laten zien; en dan is het verlangen naar erkenning er ook. Formules voor “onderricht” beperken het
> vermogen van de bahá’ís om die eerste stap naar vertrouwelijkheid te zetten die dialoog heet. ‘Abdu’l-Bahá
> zei, “Hoe kan ik weten wat ik moet onderrichten voor ik de mensen heb gezien?” 46 We kunnen ook
> vragen, “Hoe weten we wat we kunnen delen of erkennen voordat we hebben gehoord waar ze behoefte
> aan hebben?”
> 
> Als je niet erkent wat ze hebben gezegd, dan ben je niet binnen gegaan in hun werkelijkheid zoals die op dat
> moment is; je hebt hun werkelijkheid die uit hun levenservaring is voortgekomen niet gerespecteerd. Als je
> een werkelijkheid, die van de jouwe verschilt, niet via erkenning binnen gaat, dan neem je hem niet serieus.
> 
> Dit is één van de bedoelingen van consultatie. Consultatie is de dialoog tussen gedeelde werkelijkheden.
> Autoritaire, totalitaire en autocratische denk- en regeringssystemen staan niet toe dat mensen hun
> werkelijkheid met elkaar delen. Daar bestaat slechts eenzijdige communicatie. Wij kunnen het Geloof niet
> verspreiden via eenzijdige communicatie. Wij moeten bij elke gelegenheid die we hebben om het Geloof te
> delen consultatie bevorderen, vorm geven en creëren, voor ieder uniek mens die het Geloof zoekt. Soms, of
> vaak, zullen we hen moeten voorgaan in het delen van hun werkelijkheid in consultatie.
> 
> Oprecht prijzen.
> 
> Wij weten door het lezen in de Geschriften, ons gebedenboek en “Bahá’u’lláh’s Prayers and Meditations” dat
> wij God moeten prijzen. God wil dat wij Hem kennen, erkennen, loven en dat we Zijn geboden gehoorzamen.
> Omdat we naar Zijn beeld zijn geschapen hebben wij ook behoefte aan lof. Maar in de autoritaire, totalitaire
> en autocratische systemen waarin we zijn opgevoed werd lof door anderen gebruikt om ons te manipuleren
> en te overheersen.
> 
> Wij moeten bij onze lof aan anderen net zo machteloos blijven als bij onze lof aan God. We moeten oprecht
> prijzen, zodat we geen passiviteit , ongezonde gewoonten en volgzaamheid aanmoedigen en anderen er
> toe aan zetten om ons te willen dienen en behagen. Onze lof en onderscheiding moet hun innerlijke doel en
> talenten ten dienste staan en niet onze bedoeling, verwachtingen en wensen. Alleen dan mag je het
> oprechte lof noemen. Dit zijn de grenzen van prijzen. En hier is weer een paradox: Prijzen is een krachtige
> manier om de innerlijke bedoelingen van hun gaven te bekrachtigen of zichtbaar te maken; maar we moeten
> daarbij geen macht uit oefenen ( er geen eigen belang bij hebben).
> 
> “Door hun zuivere adem moeten zij de steen in een schitterende robijn veranderen en de schelp in
> een parel. Als de wolk met voorjaarsregen moeten ze de zwarte aarde in een rozentuin en een
> boomgaard veranderen. Zij moeten de blinden ziende en de doven horende maken, de uitgebluste
> mens weer in gloed zetten en de doden tot leven wekken” 47 Een zuivere ademtocht met oprechte lof
> werkt als een lenteregen die de aarde van hun hart transformeert. Dat kan door lof maar ook door het
> volgende middel: verzorging.
> 
> Verzorgen: wordt hun dienaar
> 
> Veel van de zoekers met wie we de leringen van Bahá’u’lláh willen delen zijn ernstig gewond. Om de
> verdrukte niet te bezeren door dat je niet bekend bent met hun overtuigingensysteem dat anders gevormd is
> dan het jouwe, volgt hier wat je zou moeten weten over hun overtuigingen systeem. Veel mensen reageren
> vanuit de één van de volgende werkelijkheden:
> 
> 1. Ik ben slecht. Ik moet me van de mensheid isoleren, dan zal mijn ziel zeker wegkwijnen.
> 2. Ik ben onwaardig. Ik mo et met minder genoegen nemen of ik moet zo grandioos zijn dat ik mijn
> onwaardigheid niet voel.
> 3. Ik ben niet goed genoeg. Ik moet een overweldigend goede daad stellen voor de hele wereld om te
> bewijzen dat ik iets waard ben.
> 4. Ik ben machteloos. Ik kan geen beslissingen nemen, ik kan niet assertief zijn of mijn eigen weg
> kiezen. Of ik moet de baas zijn. Of ik moet slachtoffer zijn. Of ik kan niets riskeren. Of ik moet
> afhankelijk zijn.
> 5. Ik word altijd tegengewerkt. Waarom zou ik iets proberen? Of ik mo et steeds aan zelfmoord denken
> omdat het leven te hard is voor mij. Of ik moet agressief zijn.
> 6. Ik ben onvolmaakt. Ik moet volmaakt zijn. Ik mag geen fouten maken. Of ik moet altijd anderen op
> hun fouten wijzen.
> 7. Ik ben verdoemd. Ik moet mezelf veroordelen en straffen als ik een fout maak. Ik moet mijn fouten
> voortdurend ontkennen zodat ik niet door externe of interne kritiek veroordeeld word.
> 8. Ik ben immoreel. Ik moet heel erg rigide moralistisch zijn en uiterst waakzaam dat ik mezelf niet
> verbaal of non verbaal verraad. Of ik moet promiscue zijn om te bewijzen hoe slecht ik ben. Ze
> haten me. Ik moet mezelf haten. Of ik moet anderen er toe brengen om me te haten. Of ik moet
> anderen haten.
> 9. Ik ben me nergens van bewust. Ik moet deze slachtoffer rol blijven spelen totdat ik of anderen er
> zich van bewust worden. Ik moet de werkelijkheid of de waarheid ontkennen.
> 10. Ik kom tekort. Ik moet steeds iets van anderen nemen, of ik moet voortdurend hamsteren. Of ik moet
> voortdurend gerust gesteld worden.
> 11. Ik ben jij. Ik moet voor jou zorgen en jou behagen omdat ik niet weet wie ik zelf ben.
> 
> Dit overtuigingensysteem, dat de eigen grootheid ontkent, is nauw verweven met de manier waarop men
> met zichzelf omgaat; en daar dit hun werkelijkheid is verwachten ze ook zo behandeld te worden en lokken
> dat zelfs vaak uit.
> 
> Nu komen er verschillende draden bij elkaar om de belangrijkste reden te onthullen waardoor de bahá’í
> gemeenschap er niet in geslaagd is om eendrachtig en vertrouwelijk met elkaar om te gaan. Nu we de angst
> hebben onderzocht die zich in een gestoord overtuigingensysteem verschanst en weten dat hij voortkomt uit
> kritiek, is de volgende stap het bewust worden van het feit dat deze vrees voor kritiek ons er toe drijft om
> onszelf te verbergen om vertrouwelijkheid te vermijden - zelfs wanneer we niet worden bekritiseerd.
> 
> De bovenstaande twaalf punten illustreren dat zelfkritiek deel uitmaakt van ons overtuigingen systeem. De
> meerderheid van ons werd onderdrukt door kritiek die een onjuiste weergave van de werkelijkheid was toen
> we nog kinderen waren. Voordat we de verstandelijke vaardigheden hadden om vast te stellen dat het niet
> rechtvaardig was, om ons met woorden te verdedigen, of voor ons zelf op te komen. Misschien hadden we
> ook nooit iemand die voor ons op kwam. Daardoor namen we al heel vroeg de beslissing, misschien al toen
> we drie of vier jaar oud waren, om vertrouwelijkheid te vermijden en onszelf schuil te houden, daar we
> vertrouwelijkheid vereenzelvigen met kritiek.
> Ervaren dat je gekoesterd en verzorgd word helpt vertrouwen op te bouwen. het helpt ons om te stoppen
> met wegkruipen en te beginnen met het nemen van risico’s in de omgang met elkaar. Hoe kunnen we het
> soort ervaringen creëren dat vertrouwen opbouwt en de ziel rust geeft, zowel bij de zoeker als in de bahá’í-
> gemeenschap?
> 
> •   Door hen de verzekering te geven dat we hun identiteit erkennen en respecteren zoals die nu is en
> ook wanneer ze in het veranderingsproces zitten waarin ze hun vermogen om keuzes te maken
> gaan gebruiken in overstemming met de Geschriften en zodoende hun identiteit opnieuw ontdekken
> of een nieuwe vorm geven.
> •   Als we hun identiteit erkennen en respecteren zullen ze voelen dat er met begrip naar hen
> geluisterd is. Dit kalmeert hun ziel en bevordert en vermeerdert de ontwikkeling van de identiteit en
> het vermogen om te spreken en na te denken.
> •   Door erkenning met mededogen in plaats van het kleineren van de levenservaring die de identiteit
> van de zoeker heeft helpen vormen, zo als het erkennen van de homoseksuele levenservaring. We
> kunnen ons niet alleen maar richten op het overbrengen van de Geschriften die homoseksualiteit
> veroordelen als onnatuur- lijk. We moeten meer doen dan dat.
> •   Als we de zorg voor hun wezen en de bescherming van hun waardigheid op een consistente
> manier doorzetten of zij of jij nu partner, ouders, leraar, werkgever of vriend bent.
> •   We zorgen voor hen door hen door hen via onze daden duidelijk te laten merken dat ze belangrijk
> en waardevol zijn.
> •   Ze zullen zich ook verzorgd voelen als iemand die belangrijk voor hen is naar hen luistert en begrip
> toont.
> •   We zorgen voor hen door hen te helpen zich te realiseren dat Bahá’u’lláh’s Openbaring hen de
> vrijheid geeft om hun innerlijke vermogens en talenten aan te boren die belangrijk zijn om de
> geheimen van het universum te ontdekken teneinde aan de behoeften van een steeds
> voortschrijdende beschaving te kunnen voldoen.
> •   We zorgen voor hen door altijd aandacht te besteden aan hun persoonlijke mening en bedoeling.
> •   We zorgen voor hen als we onmiddellijk vriendelijkheid en geduld tonen op een pijnlijk of lastig
> moment.
> •   We zorgen voor hen door hen aan te moedigen om zinvolle doelen te ontwikkelen die hen uit het
> verleden halen en hun aandacht op de toekomst richten.
> •   Door hen te helpen om hun innerlijke waarde, waarvan ze zich misschien niet bewust zijn, te
> herkennen
> •   Door hen te helpen de vrijheid te ervaren om hun identiteit te verruimen met het doel mensen van
> andere rassen en godsdiensten te verwelkomen.
> •   Door gelegenheden voor hen te scheppen waar aan hun behoefte aan liefde, veiligheid en respect
> wordt tegemoet gekomen.
> •   Door hen ervaringen te laten opdoen die het bewustzijn van hun unieke opvattingen, gaven en
> goedheid vrijmaken, ontplooien en activeren.
> •   Door te zorgen voor de veiligheid die hen aanmoedigt om hun fouten zonder schaamte te
> erkennen, zelfs al is het alleen maar aan zichzelf.
> •   Door hen te verzekeren dat de enige bedoeling van schuldgevoel is hen er opmerkzaam op te
> maken dat ze hun koers moeten wijzigen of hun gedrag veranderen. Schuldgevoel moet alleen
> maar voor dat verbazingwekkende doel gebruikt worden en niet voor allerlei vormen van
> zelfbestraffing.
> 
> Hieruit moet onze verborgen agenda bestaan. We moeten zorgvuldig de voeding en erkenning van hun
> werkelijkheid plannen i.p.v. de kritiek, het negeren, de minachting en de veroordeling ervan die zo
> gebruikelijk is in de oude wereld orde. Dit is de geestelijke volwassenheid die Bahá’u’lláh en het Universele
> Huis van Gerechtigheid ons vragen te ontwikkelen zodat we de zoekers zullen aantrekken.
> 
> “ Kort gezegd, de instorting van de huidige wereldorde brengt chaos en verwarring in ieder leven. Het is geen
> wonder dat men overal om zich heen conflict en verdriet ziet, levens vol moeilijke beproevingen en
> hartverscheurende worstelingen” “ Misschien is de moeilijkste test die voor ons ligt om liefdevol en vriendelijk
> zijn zonder onderscheid te maken, vergevingsgezind en bemoedigend voor elk mens in een samenleving
> van mensen die er prat op gaan dat ze scherp kritisch zijn met het doel hun conflicten met anderen te
> rechtvaardigen” “ Misschien komt het allemaal op het volgende neer: het belangrijkste werk van een bahá’í is
> om te leren liefhebben in een wereld vol haat, om dat geleerde met anderen te delen, en hen te vertellen
> Wie ons geleerd heeft om weer lief te hebben. We moeten iedereen liefhebben - onze vijanden, degenen
> die anders zijn dan wij, degenen die niet beminnenswaardig lijken te zijn. Liefde is de onveranderlijke
> voorwaarde voor het Goddelijk Plan, het geschenk dat bahá’ís moeten geven aan een wereld die totaal
> verdeeld is door zorgvuldig gerechtvaardigd conflict. De wereld wacht en lijdt onder dit wachten.” 48
> 
> We moeten ophouden om de conflicten goed te praten die ons weerhouden van een voortdurende toewijding
> aan intimiteit. Op het moment dat we kritiek leveren in plaats van te zorgen voor een voedende ervaring zoals
> ik hierboven heb beschreven, voelt de zoeker of de nieuwe bahá’í zich niet beminnenswaardig. “ O metgezel
> van Mijn troon! Spreek geen kwaad, opdat het niet tegen u gesproken wordt en overdrijf niet de fouten van
> anderen, opdat uw eigen fouten niet groot lijken. Wens niet de vernedering van een ander, opdat uw eigen
> vernedering niet blootgelegd wordt.” 49
> 
> ‘Abdu’l-Bahá richtte de aandacht niet op de fouten van anderen. Hij keek alleen naar de goedheid van
> anderen. Hij zag geen kwaad in hen en daarmee gaf hij hen de mogelijkheid om het goede in zichzelf te
> zien. Hij geloofde in hen en maakte dat ze in zichzelf geloofden. Hij was een Meester in het verschaffen van
> voedende ervaringen, zelfs aan degenen die zich tegen Hem en de Zaak van God keerden. Wat een
> contrast: de werkelijkheid erkennen dat een mens zijn hoogste mogelijkheden kan waarmaken tegenover de
> visie en het oordeel dat mensen vanwege het kwaad niet in staat zijn tot vooruitgang.
> 
> Hier volgt het tweede deel van dat Verborgen Woord: “Leef dus de dagen van uw leven, die korter zijn dan
> een vluchtig ogenblik, vlekkeloos van geest, rein van hart, met zuivere gedachten en een geheiligde aard,
> dat gij in staat zult zijn vrij en tevreden dit stoffelijk omhulsel af te leggen, u naar het mystieke paradijs te
> begeven en voor immer in het eeuwige koninkrijk te verwijlen.” 50 Als we het Geloof delen met een
> vlekkeloze geest, ons hart niet bezoedeld door veroordeling en afkeuring, de behoefte om te bekeren, te
> veranderen of vast te houden, onze geheime gedachten zuiver zonder de overdrijving van de fouten van
> andere bahá’ís of zoekers, en met een geheiligde aard ( geheiligd van onze gerechtvaardigde vervreemding
> en geslotenheid), zullen we vooruitgang boeken doordat we een sterke aantrekkingskracht uitstralen. We
> moeten elke haat in liefde
> 
> transformeren, elke irritatie in aanvaarding en onderwerping aan de Wil van God en stralende
> gehoorzaamheid aan de Openbaring van Bahá’u’lláh. Daardoor stellen we een werkelijk intieme en
> verzorgende gemeenschap tegenover de verwarring en chaos van de huidige maatschappij. Er is geen
> andere weg! Omdat we , als we hen vriendschap onthouden en kansen om elkaar te helpen verdiepen, als we
> hen verzorging onthouden en het soort intimiteit dat de buitenstaander in de binnencirkel van vriendschap
> trekt, dan onthouden we hen in wezen een hoofdbestanddeel van hun transformatie, terwijl we daar in feite
> wel in staat zijn om het te geven.
> 
> Veel therapeuten hebben een liefdevol hart en het vermogen om te begeleiden, te bemoedigen, bevestigen
> en ondersteunen op een wijze die een weg tot genezing voor ons opent. De veiligheid die ze scheppen door
> de kwaliteit van hun luisteren en het feit dat ze ons nooit bekritiseren, maakt het voor ons mogelijk om de
> herinneringen naar buiten te brengen waar we ons voor schamen en waardoor onze wonden in het donker
> blijven etteren. Het is het liefdevolle luisteren, het opschorten van kritiek en veroordeling waardoor de
> uitzonderlijke veilige plek wordt geschapen waar we kunnen genezen. Om uitbreiding van het Geloof op
> grote schaal te bereiken moeten wij allemaal liefdevolle en tedere harten ontwikkelen en het vermogen om te
> luisteren met de gevoeligheid en hoffelijkheid van ‘Abdu’l-Bahá.
> 
> Hoffelijkheid.
> 
> Hoffelijkheid wordt de prins der deugden genoemd en aangeduid met het woord “mantel of kleed”. Een
> mantel bedekt alle nutteloze oplossingen, oordelen, verwachtingen, evaluaties, claims en geforceerdheid die
> wij mensen in onze onvolmaaktheid geneigd zijn te verzinnen.
> 
> Deze soort gedachten zijn onbelangrijk voor het geestelijke drama dat wij voor ons te zien krijgen. Ons wordt
> geleerd dat mensen behoefte hebben aan liefde. Onze mantel van hoffelijkheid verbergt alles wat de liefde
> zou kunnen uitdoven. ‘Abdu’l-Bahá is ons grote voorbeeld wat hoffelijkheid betreft. Het is niet zo dat Hij de
> onvolmaaktheid niet zag. Hij plaatste het met Zijn hoffelijkheid tegen een nieuwe achtergrond zodat de
> verborgen krachten in de aanwezigheid van zijn acceptatie, veilig uit het bewustzijn van iemand te voorschijn
> konden komen. Misschien wel met de Verborgen Woorden van Bahá’u’lláh “ Hoor geen kwaad en zie geen
> kwaad ....” in Zijn achterhoofd, verborg Hij achter de mantel van hoffelijkheid elke gedachte die een beletsel
> zou kunnen vormen voor de liefde en vriendelijkheid die Hij aan de dienaar van God voor Hem wilde
> betonen.
> 
> “ O volk van God! Ik roep u op om hoffelijkheid te betrachten want dit is boven alles de prins der
> deugden. Wel gaat het hem die verlicht wordt met het licht van hoffelijkheid en gekleed is in het kleed
> van oprechtheid. Wie met hoffelijkheid begiftigd is heeft waarlijk een hoge staat bereikt. Wij hopen dat
> deze Verguisde en alle anderen in staat worden gesteld om hoffelijkheid te verwerven, er aan vast te
> houden, het in acht te nemen, en de blik erop te vestigen. Dit is een bindend gebod dat uit de Pen van
> de Allergrootste Naam is voort gestroomd.” 51
> 
> “ Zeg: Laat betrouwbaarheid en hoffelijkheid uw sieraad zijn. Laat u niet verstoken blijven van het
> kleed van verdraagzaamheid en rechtvaardigheid, zodat de zoete geuren van heiligheid vanuit uw
> hart over al het geschapene mogen zweven” 52
> 
> En dit is de kern van hoffelijkheid: Bahá’u’lláh roept ons op om onmiddellijk soepel en geestelijk kwetsbaar te
> zijn als we aangevallen worden, in plaats van perfectionistisch, schijnheilig ( aardig tegen iemand doen maar
> achter zijn rug om roddelen) te zijn en iemand voor schut te zetten. In wezen is de perfectionistische,
> schijnheilige mens bang om gekwetst te worden en de vrees voor eerlijkheid weerhoudt hem ervan om open
> te zijn. In deze zin is het tegengestelde van perfectionisme niet onvolmaaktheid maar soepelheid. Ons
> perfectionisme dat voortkomt uit de angst voor kritiek en schande wordt opgeheven door flexibiliteit. Als we
> soepel voor onszelf kunnen zijn leggen we het innerlijke stemmetje van de kritiek het zwijgen op. Als we
> soepel voor anderen zijn brengen we onze eigen innerlijke kritische roddelstem ook tot zwijgen. Dat is
> machteloosheid! Innerlijk kunnen zeggen: Ik heb geen verdediging tegen deze persoon die zelf onderdrukt
> werd en nu mij onderdrukt. En de enige manier waarop ik mijn werkelijkheid van helende liefde kan delen
> met iemand die zo gewond is als hij, is door soepel om te gaan met zijn onwetendheid of wraakzucht. En
> zeker niet gaan beoordelen of evalueren.
> 
> Het woord “ontwapening” heeft een grote aantrekkingskracht op mij. Onszelf ontwapenen bekent dat we
> eerst de achterdocht en vijandigheid uit ons eigen hart verwijderen, want achterdocht en vijandigheid zijn
> verdedigingswapens. Om “hen” te ontwapenen neem je je vermogen om lief te hebben en geeft het vrijelijk
> aan hen waardoor je jezelf machteloos maakt. Wij hebben het lichamelijke Taikwondo en Tai Chi niet nodig.
> Die sporten vormen een metafoor voor het mentale en emotionele ontwijken van een mondelinge klap, de
> bedoeling er van afbuigen en gebruiken om aanval, de wond, de steek in een ander kader te plaatsen, om
> de verdediger te worden die jouw “tegenstander” nooit had, in plaats van kwaadspreken, bekritiseren,
> terugslaan, veroordelen enz. Dat is machteloosheid! Dat is kracht! En dat vormt dan een paradox.
> 
> Dit is ook de betekenis van het Korte verplichte gebed: “ Ik getuig o mijn God dat Gij mij hebt geschapen
> om U te kennen en te aanbidden. Ik betuig op dit ogenblik mijn machteloosheid en Uw macht.” 53 Wij
> worden gevraagd om Zijn macht te tonen door zachtmoedigheid bij dwang. Onze kracht ligt in geestelijke
> kwetsbaarheid, ongewapend zijn, het risico aangaan om gewond te worden. Als anderen de kracht van de
> liefde die wij hen aanreikten herkennen dan neemt dat hun verdediging weg en zij worden op hun beurt
> onverdedigd en geestelijk kwetsbaar, ontvankelijk voor liefde, hongerig naar meer, hongerig naar de echte
> intimiteit die hen is onthouden en de verborgen kracht van de liefde in hen begint te groeien en te
> ontwikkelen. Onthoud dat we met hoffelijkheid en geestelijke kwetsbaarheid heel veel kracht hebben en elke
> dag krachtiger worden.
> Eenheid, mededogen en onthechting geven ons ook kracht, volgens Dr. Jane Faily in haar toespraak te
> Louhelen, omdat ze ons een keus geven die verbitterde mensen niet hebben. “ Eenheid is de enige
> genezende kracht, de enige transformerende kracht. Onderdrukte mensen zijn gewond. Ik ben dat en jij ook.
> Wij hebben elkaar om te genezen. We hebben pijn gehad. Daar zou mededogen uit moeten ontstaan. Ik voel
> dat onderdrukking ons een keus geeft. Als je naar onderdrukte mensen kijkt zie je gezichten die vertrokken zijn
> van woede, koud van bitterheid, dood van de apathie, of, en dit is de keus: stralend van mededogen, krachtig
> door onthechting. Uiteindelijk leer je door pijn en teleurstelling dat het leven een reis is. Je hebt geen huis, er
> is geen totaal vervullende ervaring. Je leert van fouten die je niet meer goed kunt maken en de bedoeling van
> alles is spirituele groei. Als je dat gelooft zul je stralen, als je het niet gelooft zul je wanhopig zijn.” 54
> 
> De verleiding bestaat om je geloof te verliezen, je bij de lustelozen, de cynici en de critici te voegen en in
> opstand te komen tegen zowel de onderdrukker als tegen het redelijk gezag- om het sprankje hoop te
> verliezen dat we als kinderen of jongeren hadden- in open rebellie de kritiek te tonen die ons omringt en die
> een deel van ons innerlijk is geworden. Als we dat doen zal het kwaadspreken niet alleen het licht in het hart
> van anderen doven maar ook dat in ons eigen hart. Het zwaard van opstandigheid velt de boom van onze
> hoop.
> 
> “ Die zoeker moet ook kwaadspreken als een ernstige dwaling beschouwen en zich er verre van
> houden, daar kwaadspreken het licht van het hart dooft en het leven van de ziel uitblust” 55
> 
> Het is noodzakelijk dat de kern van ons onvermogen om intimiteit te bereiken blootgelegd wordt, zodat we als
> gemeenschap in dialoog en consultatie kunnen gaan over onze pijn door kritiek, onze vrees voor kritiek. Als
> voorbereiding voor uitbreiding op grote schaal moeten we het vermogen ontwikkelen om onze angst en pijn
> te uiten teneinde ons te bevrijden van de onbewuste motieven voor roddel. Deze onbewuste motivatie is een
> deel van ons verdedigingsmechanisme dat op heel jonge leeftijd ontstond. We kunnen daar niet meer van af.
> Dus maak je er geen zorgen over dat je last blijft houden van die onzuivere negatieve kritische gedachten.
> We kunnen ons alleen van deze gedachten bewust worden en ze in de gaten houden zodat we keuzes
> kunnen maken als de veroordelingen en emoties opkomen. Onze zichtbare, doelbewuste liefde, ongeacht de
> verleiding om de altijd aanwezige kritische gedachten te uiten, is de reiniging, de zuivering, de verfijning en de
> rechtschapenheid waartoe de Geschriften en de gebeden ons oproepen.
> 
> Als je de werkelijkheid van een zoeker binnengaat, bedenk dan dat deze bestraffend, arm en onderdrukt kan
> zijn. Terwijl jouw werkelijkheid bevoorrecht is met me er stabiliteit en kansen, kan zijn of haar geestelijke
> ontwikkeling groter zijn dan de jouwe. Bedenk ook dat jouw werkelijkheid onevenwichtig gaat worden omdat
> zijn werkelijkheid tegen jou aan zal duwen, niet zozeer tot aan de grens van vertrouwen maar meer tot aan
> de grenzen van je liefde. Zijn werkelijkheid gaat je naar het niveau van ‘Abdu’l-Bahá’s liefde duwen. “
> Daarom moeten de geliefden van God zowel met vriend als met vreemdeling in hartelijke kameraadschap
> omgaan, en allen de uiterste liefdevolle vriendelijkheid betonen, ongeacht de mate van hun vermogens,
> nooit vragend of zij die liefde verdienen. Laten de vrienden op elk moment voorkomend en oneindig
> vriendelijk zijn. Laten ze zich nooit uit het veld laten slaan door het kwaad van mensen, door hun agressie en
> haat, hoe erg ook. Als anderen hun pijlen op je richten, biedt hen op jou beurt melk en honing aan; als ze
> jouw leven vergiftigen, verlicht dan hun ziel; als zij je kwetsen, leer hen dan hoe je moet troosten; als ze je
> een wond toebrengen, wees dan een balsem voor hun pijn; als ze je steken, breng dan een verfrissende
> dronk naar hun lippen.” 56
> 
> Dit geeft een voorbeeld van ‘Abdu’l-Bahá’s oneindige geduld en grenzeloze begrip. Net als de oude man in
> Rabbi Potok’s boek “ Het stof der aarde” die zich niet volledig aan de liefde kon wijden als de Hand van God
> niet op elk moment van elke dag al zijn gedachten en beslissingen opnieuw vormde, wachten de handen van
> ‘Abdu’l-Bahá erop om ons om te vormen in een instrument dat altijd gereed is om melk en honing uit te delen
> om hun leven te verzachten. Elke keer als we een gedachte waarnemen die zegt;” Ik geeft het op. Ik kan me
> niet onvoorwaardelijk aan deze persoon wijden” moeten we teruggaan naar de Geschriften van de Meester
> om onze blik te verhelderen en onze toewijding om te verzorgen, te aanvaarden en lief te hebben te
> versterken.
> 
> “ Haast je om lief te hebben! Haast je om vertrouwen te hebben! Haast je om te geven! Kom om
> leiding te ontvangen! Kom tot de harmonie! Om de Dagster te zien! Kom hier om vriendelijkheid te
> ontvangen, om tot rust te komen! Kom hier voor vriendschap en vrede! Kom en leg je wapens van
> gramschap af totdat de eenheid is bereikt! Kom en laat op de weg van de Heer iedereen elkaar
> helpen.” 57 Kritiek is een verbaal wapen van gramschap, het gebruik van geweld om, of iemand tot
> verandering te dwingen, of hem met woorden te verwonden.
> 
> “ Tijdens de laatste middag van het bezoek van de True’s moedigde ‘Abdu’l-Bahá mvr. True aan om dezelfde
> houding te ontwikkelen. Hij nam haar hand zachtjes in de Zijne en beschreef haar het soort liefde, een soort
> universele liefde, dat verder gaat dan een paar persoonlijke vriendschappen en dat de hele mensheid
> omarmt. Hij zei dat het leek op een minnaar die een brief van zijn geliefde ontvangt en de brief komt
> gescheurd, bemodderd en bijna helemaal kapot aan maar hij is oneindig waardevol omdat hij van zijn
> geliefde is. Dat is de manier waarop je naar iedereen moet kijken, wat er ook gebeurt. Je hebt hen lief
> omdat ze Gods schepselen zijn” 58
> 
> Hier is een artikel dat de afwezigheid van kritiek bij Bahiyyih Khanum beschrijft: “..... het zou niet voldoende
> zijn om haar met de term moederlijk te beschrijven. Dat is te beperkt. Moederliefde omarmt en houd je vast;
> het heeft iets bezitterigs, iets dat om een antwoord vraagt op de gegeven liefde. In haar genegenheid was
> hier geen spoor van te vinden. Zij liet lichaam en geest geheel vrij en vroeg niets van degenen die ze liefhad.
> Ze leek hen totaal te vrijwaren van enige liefdesverplichting. Haar aanraking was zo licht dat ze geen gevoel
> van verplichting of bewuste dankbaarheid in hen opriep. Zelfs als ze troostte was haar streling vederlicht,
> want ze wist dat een mens in diepe nood door de lichtste aanraking van mededogen kan worden gekwetst.
> Zij gaf de balsem zelf en voegde er geen gewicht van haar eigen hand aan toe; zodat genezing en troost
> kwamen als een magisch geschenk Ze keek niet eerst wat je waard was om de dan naar je verdienste te
> belonen; ze lette er ook niet op of je pijn door jou zelf was veroorzaakt of opgeroepen, alsof ze wist dat lijden
> op zichzelf iets heiligs is. Ze veroordeelde nooit iemand en hield zich niet bezig met het scheiden van de
> bokken en de schapen. Ze onderscheidde niet alleen de zwarte schapen niet van de witte in de kudde maar
> ook in de innerlijke kudde van je eigen aard noemde ze de fout niet zwart noch zag ze een goede daad. als
> het blanke lammetje. Ze gebruikte geen kritiek en censuur. Als je met je duisternis bij haar kwam stak ze een
> kaars aan. Als je iets verkeerds gedaan had of niet in je poging geslaagd was of er zelfs niet in geslaagd
> was om een poging te doen, hield ze des te meer van je omdat ze besefte dat je verdriet had om je mislukking;
> ze had medelijden met je vanwege je zwakheid en verslagenheid, en ze had ook medelijden met je als je niet
> leed en je niet schaamde voor je fout.
> 
> Je wist zeker dat als iemand probeerde om haar te kwetsen dat ze hem zou willen troosten om zijn eigen
> wreedheid. Want haar liefde was onvoorwaardelijk, kon door een vermomming heen dringen en de honger
> zien achter het masker van woede en ze wist dat het wreedste karakter eigenlijk toch vriendelijkheid hoopt te
> vinden in een ander. Zij bezat die zeldzame moed van het hart, die de gevoelige kern van elke behoefte wist
> te onthullen. En haar begrip was zo groot dat ze alle ellende van het menselijk hart kon peilen en de
> betekenis ervan lezen en zowel het slachtoffer als de pijn zegende.
> 
> .....Haar lasten leken licht omdat ze er niet onder gebukt ging en ze grote taken schijnbaar zonder moeite
> aanpakte. Ze scheen nooit te zoeken of te streven omdat ze nooit een spoor van spanning of inspanning
> vertoonde. In haar leven had ze nooit die hete, stoffige momenten van worsteling gekend, noch hun
> ademloze, kleine successen, maar ze was zonder aarzeling voorwaarts gegaan met het hart rustig naar de
> hemel gericht, om een opeenvolging van moeilijke dagen tegemoet te treden.”
> 
> [ De schuingedrukte passage herinnert me aan dat moment dat een halve hartslag duurt en dat onmiddellijk
> perfectionisme verandert in soepelheid, kritiek in liefdevolle aanvaarding, “ vrees in rust”, boosheid in humor,
> gehoorzaamheid en stralende instemming met Bahá’u’lláh’s model van onvoorwaardelijke liefde in minder
> dan een hartslag. De verdrukten zijn zo overgevoelig voor onderdrukking dat ze ons ook maar een hartslag
> de tijd geven om te op de juiste manier te reageren. Daarom zegt Bahá’u’lláh om “geen haarbreedte van de
> Wet af te wijken”, niet alleen voor onze vooruitgang maar ook voor de vooruitgang van de verdrukten die
> altijd naar veiligheid zoeken relatie, gemeenschap en intimiteit.]
> 
> Om verder te gaan met de passage over Bahiyyih Khanum: “ In de omgang met wreedheid en beperkingen in
> haar leven toonde ze iets dat meer was dan vergeving. Het is heilig als je gekwetst wordt en je schenkt
> vergeving maar het vermogen om te begrijpen en niet gekwetst te zijn is hier ver boven verheven. En dat
> vermogen had ze. Het woord mazlum wat betekent: zonder klagen aanvaarden, is met haar naam verbonden
> geraakt. Men hoorde haar nooit klagen of jammeren. Dat was niet omdat ze er maar het beste van maakte
> maar omdat ze in alles, zelfs in rampspoed, de sporen van eeuwige wijsheid ontdekte. Ze bood geen
> weerstand tegen schokken en ging niet tegen belemmeringen in. Ze was nooit ongeduldig. Ze was net zomin
> in staat tot ongeduld als tot protest. Maar dit was niet zozeer uithoudingsvermogen als wel een kalm bewust-
> zijn van de krachten die werken in de uren van wachten en inactiviteit.
> 
> Zij bewoog altijd mee met het grotere ritme, de wijdere boog naar het uiteindelijke doel. Zeker en vol
> vertrouwen volgde ze de loop van haar baan om de Zon van haar bestaan, in de volkomen aanvaarding, de
> volmaakte harmonie die de basis van geloof vormt.” 59
> 
> Voor het geval dat je je schaamt omdat niet aan deze mate van volmaaktheid kunt tippen, probeer dan te
> begrijpen dat Bahiyyih Khanum werd grootgebracht met het voorbeeld van
> voortreffelijkheid en volmaaktheid voor zich. Ze bezat een compleet overtuigingensysteem dat zich zo kon
> vormen omdat ze geen kritiek en kwaadsprekerij te verduren had van haar Vader, die in haar leven de enige
> belangrijkste relatie was.
> 
> Het is niet zozeer omdat we mens zijn en we ons daardoor onmogelijk met haar kunnen meten. Want zij was
> ook een mens.! Het verschil is dat de meerderheid van ons in de jaren waarin we gevormd werd voorgedaan
> hoe we moeten bekritiseren, schelden, slaan en kwaadspreken. ‘Abdu’l-Bahá beschermde Shoghi Effendi
> tegen afkeuring en kritiek. Hij wilde niet dat iemand Shoghi Effendi’s karakter zou bederven tijdens zijn
> jeugd. Hij waakte met de grootste zorg over hem. Wij werden niet met de grootste zorg bewaakt. Aan ons
> werd het voorbeeld van voortreffelijkheid niet voorgeleefd. We weerspiegelen kritiekloos wat we in onze
> 
> jeugd in ons milieu waarnemen voordat we het vermogen om te kiezen hebben ontwikkeld of toestemming
> hebben
> om het te gebruiken.
> 
> Kritiek is sociaal geaccepteerd. We maken allerlei televisieprogramma’s die niets anders zijn dan kritiek in
> een jasje van humor. Kritiek uitoefenen is amusement geworden. We gaan er prat op hoe ad rem we zijn.
> We moeten het feit onder ogen zien dat kritiek een authentiek onderdeel van ons overtuigingensysteem
> vormt omdat het ons is aangeleerd en steeds weer opnieuw kijken naar wat Bahá’u’lláh’s Geschriften over
> hoffelijkheid zeggen, naar ‘Abdu’l-Bahá’s voorbeeld van liefdevolle vriendelijkheid en naar Bahiyyih
> Khanum’s gebrek aan kritiek. We moeten ons niet schamen over onze voortdurende aandrang om kritiek te
> leveren op anderen, maar onze verwonding aanvaarden, als we proberen om onze reactie op anderen die
> hun verwonding op ons botvieren in een ander licht te zien.
> Er bestaat een studie van wounded- acting out- behaviour. En dat is niet voor niets. Dit gedrag is diep
> geworteld in een onbewuste rivier die buiten de oevers van discipline en grenzen dreigt te treden.
> 
> Neem bijvoorbeeld onverdraagzaamheid en fanatisme. Wist je dat dit een verdedigingsmechanisme is? Het
> is veiliger om een hele groep mensen aan te vallen dan openlijk en eerlijk je woede te uiten tegen die
> bepaalde persoon, ouder, leraar, dominee, werkgever die jou verwond heeft! Daar duikt de angst voor kritiek
> weer op.
> 
> Ook schijnheiligheid is een verdedigingsmechanisme van een ernstig gewond mens. Het is de
> behoefte, de honger naar gerechtigheid. Om schijnheiligheid te kunnen begrijpen moet je iets afweten van
> geslotenheid. De hypocriet verbergt zijn of haar eigen onvolmaaktheid uit angst voor kritiek. We verbergen
> authentieke onvolwassenheid en ontwikkelingsachterstand, onze fouten; we veinzen perfectie en kwaliteiten
> die we niet bezitten om te ontsnappen aan kritiek en afkeuring. We wijzen op de fouten van anderen om de
> aandacht van onze eigen fouten af te leiden, net als een kind dat zich bij dreigend gevaar en vreselijke
> schaamte wil verstoppen. Dit is de onderliggende angst van een hypocriet die is ontstaan toen ze de
> onderdrukking en mishandeling van anderen meemaakten. Voelen we niet allemaal die angst? Kunnen we
> die honger naar veiligheid, rechtvaardigheid en acceptatie niet met begrip stillen?
> 
> Toch waarschuwt Bahá’u’lláh ons: “ O zoon van geest! Weet voorzeker dat wie de mensen tot
> gerechtigheid maant en zelf onrecht pleegt, niet één van de Mijnen is , ook al draagt hij Mijn naam.”
> 60 VWA 28 Dit is een voorbeeld van de hypocriet die rechtvaardigheid zoekt.
> 
> En hier is Zijn verbod op kritiek: “O zoon van het bestaan! Hoe kunt gij uw eigen fouten vergeten en u
> met de fouten van anderen inlaten? Wie zo handel wordt door Mij vervloekt.” 60 VWA 26 “ O
> mensenzoon! Gewaag niet van de zonden van anderen zolang gij zelf een zondaar zijt. Indien gij dit
> gebod schendt, zult gij verworpen worden, dit betuig Ik u” 62 VWA 27
> “O gij uitgewekenen! De tong heb Ik bestemd om van Mij te gewagen, bezoedelt haar niet met laster.
> Als het vuur van uw eigenliefde u overmeestert, herinnert u dan uw eigen fouten en niet de fouten van
> Mijn schepselen, daar een ieder van u zichzelf beter kent dan hij anderen kent.” 63 VWP 66 Laster is
> het zwartmaken, kleineren en aantasten van een ander. Kleineren is een poging om iemand zijn waardigheid
> af te nemen door kritiek en bagatelliseren. In de opvoeding van onze kinderen komt een periode waarin ze
> hevige kritiek op ons hebben. En waarom zouden ze ook niet? Ze hebben bij ons op schoot geleerd om
> kritisch en gesloten te zijn. Omdat ze verder ontwikkeld zijn dan wij op die leeftijd weten ze meer en weten dat
> het niet terecht was.
> 
> Kritiek is de keerzijde van onderscheiding, het vermogen om de niveaus van goed en kwaad, van
> volmaaktheid en onvolmaaktheid te onderscheiden. Sommige mensen hebben een scherp onderscheidings-
> en denkvermogen. Ze kunnen zo goed alles in hun milieu waarnemen en overdenken dat dit vermogen, als ze
> niet consequent en rechtvaardig worden opgevoed, verandert in een verdedigingswapen n.l. bekritiseren!
> Het middel hiertegen is het richten op het positieve aspect van het aanwezige onderscheidingsvermogen, in
> de wetenschap dat liefde het ontbrekende bestanddeel van dat vermogen is. En raadt eens wie in dit
> ontbrekende ingrediënt kan voorzien?
> 
> “O mensenzoon! De ware minnaar hunkert naar beproeving, gelijk de opstandige naar vergiffenis en
> de zondaar naar genade.” 64 BWA 49
> “ O mensenzoon! Als tegenspoed u niet op Mijn weg treft, hoe kunt gij dan de weg bewandelen van
> hen die tevreden zijn met Mijn welbehagen? Als beproevingen u niet kwellen in uw verlangen Mij te
> ontmoeten, hoe wilt gij dan het licht bereiken in uw liefde voor Mijn schoonheid?” 65 BWA 50
> 
> De ware minnaar hunkert naar beproeving in gemeenschap met de gewonden, zodat hij of zij de gewonden,
> de verlorenen en de verwarden eenvoudigweg kan liefhebben en naar de veiligheid kan brengen. Om dit te
> kunnen doen moeten we lijden, ellende en beproevingen welkom heten, omdat de gewonden, de verlorenen
> en de radelozen misschien niet in staat zijn om liefdevol op onze vriendelijkheid te reageren. En als er
> kritische gedachten in je opkomen, wat vaak gebeurt bij beproevingen en testen, dan kun je tegen jezelf
> zeggen: “ Daar komt mijn eigen verwonding weer naar de oppervlakte. Daar steekt mijn honger naar
> gerechtigheid de kop weer op! Daar komt mijn onderscheidingsvermogen weer op de proppen! ( Het gevoel
> voor goed en kwaad, volmaakt en onvolmaakt, dat zich op een onvolwassen, onvolgroeide manier uitdrukt)
> Ik zal zorgvuldig liefde door mijn onderscheidingsvermogen weven naar het voorbeeld van ‘Abdu’l-Bahá en
> Bahiyyih Khanum, zodat ik mijn onderscheidingsvermogen niet gebruik als een instrument van kritiek in mijn
> reactie en wisselwerking met anderen.”
> 
> ‘Abdu’l-Bahá wist dat kritiek en muggenzifterij de gemeenschap vernietigde en de groei van de jonge bahá’í-
> gemeenschap in Amerika belemmerde. Hij kreeg talloze verzoeken om naar Amerika te komen hij liet zijn
> bezoek afhangen van hun liefde voor elkaar. “ Als jullie er naar verlangen om mij te ontmoeten en als je
> werkelijk mijn bezoek wenst dan moeten jullie de deur van meningsverschillen sluiten en de poorten
> van genegenheid, liefde en vriendschap openen. Jullie moeten als één hart kloppen en als één geest
> vibreren.....”
> 
> “Waarlijk, waarlijk, ik zeg u dat als die meningsverschillen tussen u er niet waren, zouden de
> bewoners van al die streken van Amerika nu al tot het Koninkrijk van God zijn aangetrokken en ze
> zouden jullie helpers en assistenten zijn. Is het gepast dat u deze aller heerlijkste Gunst opoffert voor
> waardeloze denkbeelden? Nee, bij God! Als u een ogenblik hier rustig over na zou denken, zou u in
> staat zijn om onmiddellijk de oorzaak van deze onenigheid uit de weg te ruimen door te stoppen met
> onderlinge roddel en muggenzifterij .
> Sier de gelukzalige samenkomst met liefde en harmonie, breng een vreugdevolle ontmoeting tot
> stand, richt een banket aan van de eenheid der mensheid, gebruik uw tong om elkaar te prijzen en zie
> dan de aanwezigheid van ‘Abdu’l-Bahá in uw midden tegemoet” 66 Hier zien we dat woord prijzen weer
> terugkomen.
> 
> De bahá’í-gemeenschap kan, in haar huidige staat van ontwikkeling, niet tegemoet komen aan de behoefte
> aan intimiteit van honderden mensen tegelijk. Dat is onmogelijk! Maar het Woord van God, Bahá’u’lláh’s
> Openbaring heeft dat vermogen. Daarom is het zo belangrijk om de zoeker en de nieuwe bahá’í in verbinding
> te brengen met de Geschriften. Daarom is het zo belangrijk om de Geschriften uit het hoofd te leren en te
> citeren. Zij raken een gevoelige snaar in het hart van de toehoorder. Die snaar is het vermogen om Hem te
> herkennen die in de ziel van ieder van ons woont. In sommigen is dit vermogen meer ontwikkeld dan in
> anderen:
> 
> “Genadige God! Het was de bedoeling dat in de tijd van de manifestatie van de Ene ware God het
> vermogen om Hem te herkennen ontwikkeld en volwassen zou zijn en het hoogtepunt bereikt zou
> hebben. Het is nu echter duidelijk aangetoond dat de dit vermogen in de ongelovigen onontwikkeld is
> gebleven en zelfs is gedegenereerd.” 67
> 
> Als dit “vermogen” eenmaal in contact is gekomen met de “ Oceaan van Zijn Woorden”, dorst het naar meer.
> Denk nog eens aan de tijd toen je zoekende was of pas bahá’í en waarin je urenlang, volslagen
> geabsorbeerd en geboeid, zin na zin en boek na boek las? Dat kwam door de honger- honger naar de
> intimiteit met onze Heer.
> 
> “ De uitdaging voor de bahá’ís is die duizenden zoekende zielen zo snel mogelijk te voorzien van het
> geestelijke voedsel waar ze naar hunkeren.” 68 Toen wij in contact kwamen met dit “geestelijke voedsel”
> geloofden we, erkenden de waarheid van Zijn Woorden en we verklaarden in wezen: “ Geprezen zijt Gij, o
> Heer onze God, daar Gij ons in staat hebt gesteld om Uw meest verheven en alglorierijke Zelf te
> erkennen. Wij zullen, door Uw genade, u aanhangen en ons onthechten van een ieder buiten U. Wij
> zijn ons ervan bewust geworden dat Gij de Beloofde van de werelden zijt en de Schepper van hemel
> en aarde!” 69
> 
> Zo zullen ook de wachtende massa’s Zijn Woord gretig opnemen; en het vermogen om Hem te herkennen
> zal bij het horen van die melodieën beven van extase en vervoering, krachtiger worden door iedere passage
> en elk gebed dat ze lezen. Zo zullen ze in verbinding komen met dat waar ze jaren naar gehongerd hebben!
> 
> “ Degenen die zich bahá’í verklaren zullen verrukt worden door de schoonheid van de leringen en geraakt
> worden door de liefde van Bahá’u’lláh. Ze hoeven niet alle bewijzen, geschiedenissen, wetten en principes
> van het Geloof te kennen, maar tijdens het proces waarin ze hun geloof verklaren moeten ze ook
> 
> basisinformatie ontvangen over de Centrale Figuren van het Geloof en over de wetten die zij dienen te
> volgen en het bestuursstelsel dat zij dienen te gehoorzamen.” 70
> 
> Ons verdiepingswerk heeft een directe link met de groei en de ontwikkeling van het vermogen om Hem te
> herkennen. “ Verdieping is een even essentieel deel van het onderrichtswerk als verspreiding. Het is het
> aspect van onderricht dat de gelovigen helpt om hun kennis en begrip van de leringen te verdiepen en de
> vlam van hun toewijding aan Bahá’u’lláh en Zijn Zaak aan te wakkeren. Zodat ze, vanuit hun eigen kracht, het
> proces van hun geestelijke ontwikkeling voortzetten, het onderrichtswerk bevorderen en de werking van hun
> bestuursinstellingen versterken. Goede verdieping is essentieel voor het behoud van de geestelijke
> gezondheid van de gemeenschap, voor de bescherming van haar belangen, voor het hoog houden van haar
> goede naam en uiteindelijk voor de voortzetting van het onderrichtswerk zelf” 71
> Verdieping wordt daarom ook gesteund door ons vermogen om een sfeer van intimiteit te scheppen.
> 
> “ Het is niet voldoende om de bahá’í-boodschap te verkondigen, hoe essentieel dat ook is. Het is niet
> genoeg om de bahá’í-ledenlijst uit te breiden, hoe belangrijk dat ook is. Er moeten zielen getransformeerd
> worden, gemeenschappen daarom verdiept worden, nieuwe levenspatronen opgebouwd. Transformatie is
> het wezenlijke doel van de Zaak van Bahá’u’lláh maar dit hangt af van de wil en de inspanning van de
> persoon die dit wil bereiken in gehoorzaamheid aan het Verbond. Voor de voortgang van deze levenslange
> transformatie is kennis nodig van de wil en de bedoeling van God, kennis die je kunt verkrijgen door regel-
> matig het Heilige Woord van God te lezen en te bestuderen.” 72
> 
> Hartstochtelijk met het Woord van God verbonden zijn is het hoogste niveau van intimiteit dat wij ooit in deze
> wereld kunnen bereiken. Transformatie is een dans, soms onbeholpen, soms heel mooi, die zich afspeelt
> tussen het hart van de verheven Talisman en God; het met gratie en eenheid leren dansen hangt toch nog af
> van ieder van ons in de grotere bahá’í-gemeenschap waar je de vaardigheden van intimiteit ontwikkelt. En
> wat een prachtige, intieme dans is het als je liefdevolle partners jouw gratie erkennen, je onbeholpenheid in
> een ander licht laten zien, je inspanning prijzen en de schoonheid en kracht van je innerlijk zien.
> 
> Als we machteloos blijven in elkaars omarming, zullen onze zielen misschien “ de geur van
> kameraadschap en liefde inademen” en rust vinden. En “ieder begrijpen hart zal de betekenis van
> ware vrijheid bevatten en het geheim van ongestoorde vrede en absolute kalmte ontdekken. Zou de
> wereld deze staat deelachtig worden en verhelderd met het licht ervan, dan zou met recht gezegd
> kunnen worden: “ Gij zult in haar geen diepten of opwaarts glooiende heuvels zien” 73 Bl .l blz. 155
> 
> Onderstaande bronverwijzingen verwijzen naar de Engelstalige bronnen.
> 
> 1. Tablets of Bahá'u'lláh, p. 207
> 2. Tablets of the Divine Plan, pp. 52-53
> 3. 12 April 11927 to the National Spiritual Assembly of the United States and Canada, in Baha'I Administration:
> Selected Messages 1922-1932, pp. 130-131
> 4. Authority of self is loosely defined as permission to use all of our personal powers in deference to the
> Covenant of Bahá'u'lláh. For a complete description, see "Assisting the Traumatized Soul: Healing the
> Wounded Talisman."
> 5. Baha'I Prayers, p. 222
> 6. Myron H. Phelps, Abbas Effendi: His Life and Teachings, 1903, p. 9-10
> 7. Fire Tablet, BP, p. 219-220
> 8. This does not apply to a person being battered by their spouse. He/she needs firm boundaries, distance and
> protection. There are always going to be exceptions to this. This is actually a test of our spiritual and
> psychological maturity. Those who act out sexually, rage, batter or use intimacy seductively cannot allow this
> behavior to be triggered by themselves or the situation they've entered into. That would be irresponsible. We
> all have certain limitations. Entering into intimacy is going to reveal those limitations.
> 9. Capuchin Priest Keith Clark, Being Sexual and Celibate
> 10. Selections from the Writings of 'Abdu'l-Bahá, p. 76
> 11. Gleanings, LXXV, p. 143
> 12. BP, p. 111
> 13. Gleanings, p. 95
> 14. Hidden Words, Persian, #44
> 15. Shoghi Effendi, 1974, cited in Living the Life, p. 3
> 16. Please bear in mind that this is not a discussion of just authority or institutions, which may have to mete our
> disapproval of errant behavior. It is a discussion of old world order authority.
> 17. Oppression can include anything from physical, emotional, sexual and spiritual abuse to racism, sexism
> and religious intolerance.
> 18. Dr. David Burns, Feeling Good: The New Mood Therapy, William Morrow and Company, New York, 1980,
> p. 40
> 19. National Spiritual Assembly of Canada, August 1, 1969
> 20. SWAB, p. 253
> 21. SDC, p. 12
> 22. Adapted with permission during consultation with Ken Heral
> 23. Bahá'u'lláh, Kitab'i'Iqan, p. 19
> 24. HWP #76
> 25. Bahá'u'lláh, HWA # 63
> 26. HWP #36
> 27. Tablets of Bahá'u'lláh, p. 198
> 28. TAB, p. 198-199
> 29. Bahá'u'lláh, KI, p. 31
> 30. Bahá'u'lláh, KI, p. 32
> 31. Ridvan 1988 message written by the Universal House of Justice to the Baha'is of the world.
> 32. Howard Colby Ives, Portals to Freedom, page 116
> 33. Portals to Freedom, p. 39-40
> 34. Gleanings, p. 8
> 35. Gleanings, p. 8
> 36. Portals to Freedom, p. 39
> 37. Howard Colby Ives, Portals to Freedom, p. 31-33
> 38. 'Abdu'l-Bahá quoted by Julia Grundy in Ten Days in the Light of 'Akka, p. 90
> 39. Gleanings, p. 161
> 40. Baha'I Prayers, p. 103
> 41. Bahá'u'lláh, HWP #38
> 42. Nabil's Narrative, The Dawn-Breakers, pages 607-608
> 43. From Assisting the Traumatized Soul, p. 98
> 44. PUP, p. 168
> 45. Bahá'u'lláh, HWA #11
> 46. FIND THE SOURCE
> 47. 'Abdu'l-Bahá, Tablets of the Divine Plan, p. 88
> 48. National Spiritual Assembly of the United States, Feast Letter, December 31, 1994
> 49. Bahá'u'lláh, HWP #44
> 50. HWP #44
> 51. Tablets of Bahá'u'lláh, p. 88
> 52. Gleanings from the Writings of Bahá'u'lláh, p. 305
> 53. Baha'i Prayers, p. 4
> 54. Dr. Jane Faily, Address at Louhelen
> 55. Bahá'u'lláh, Kitab-I-Iqan, p. 193
> 56. Selections from the Writings of 'Abdu'l-Bahá, p. 24
> 57. Selections from the Writings of 'Abdu'l-Bahá, p. 273
> 58. Edna M. True, interview with author, Wilmette, Ill., September 1975; Corrine True, "Memories of
> 'Abdu'l-Bahá," tape recording, 30 April 1951, personal papers of Edna M. True.
> 59. A description of Bahiyyih Khahnum, Bahá'u'lláh's daughter, by Marjorie Morton, Baha'i World Volume.
> 60. HWA #28
> 61. HWA #26
> 62. HWA #27
> 63. HWP #68
> 64. HWA #49
> 65. HWA #50
> 66. ['Abdu'l-Bahá], "Tablet to the American Friends from 'Abdu'l-Bahá," Star of the West, 2, no. 4 (17 May
> 1911),7.)
> 67. Bahá'u'lláh, TB, p. 52-53
> 68. 27 July 1980, written by the Universal House of Justice to a National Spiritual Assembly
> 69. Bahá'u'lláh, Prayers and Meditations, LXI
> 70. Universal House of Justice, Wellspring of Guidance, p. 32
> 71. 17 April 1981, written on behalf of the Universal House of Justice to all National Spiritual Assemblies
> 72. Ridvan 1989 message written by the Universal House of Justice to the Baha'is of the world
> 73. Gleanings from the Writings of Bahá'u'lláh, p. 260
>
> — *Basisvertrouwen (Used by permission of the curator)*

