# Dieren

*Exported from [Holy-Writings.com](https://www.holy-writings.com/) on 2026-06-18 — 1 clipping.*

---

> Dieren
>               
>             Wees vriendelijk voor dieren
>             Het Bahá'í-geloof leert dat dieren vriendelijk behandeld moeten 
>             worden, en dat dit heel belangrijk is. Bahá'u'lláh beschouwde het 
>             vriendelijk zijn voor dieren als een van de eigenschappen die 
>             eenieder die God zoekt zich eigen zou moeten maken. Met andere 
>             woorden: geestelijke ontwikkeling vereist een liefdevolle en 
>             respectvolle houding ten opzichte van alle schepselen, menselijke of 
>             anderszins. 
>             De gehele schepping is onderling afhankelijk, en de bewustwording 
>             van het éénzijn van al het leven is fundamenteel in de bahá'í-visie. 
>             Abdu'l-Bahá, de zoon van Bahá'u'lláh, zei: 
>             'Tenzij gij niet anders kunt, 
>             Verwondt geen slang of rund, 
>             En zeker geen vrouw of man, 
>             En als het kan, 
>             Verstoor een mier het leven niet, 
>             En doe uw broeder geen verdriet.' 
>             De noodzaak voor de mens om zijn houding tegenover dieren te 
>             veranderen kan nauwelijks sterker worden uitgedrukt dan het wordt 
>             gedaan in de bahá'í-geschriften: 
>             'Aan dieren moet de grootste vriendelijkheid worden betoond, hoe 
>             groter hoe beter. Tederheid en liefdevolle bejegening zijn 
>             basisprincipes in God's hemelse Koninkrijk. Deze zaak verdient uw 
>             grootste aandacht.' 
>             Vergelijk deze houding eens met de manier waarop levende dieren 
>             onder onmenselijke omstandigheden worden vervoerd naar het 
>             slachthuis, of hoe ze in kratten van tropische landen naar onze 
>             dierenwinkels worden gebracht; hoe ze worden gevangen of hoe op ze 
>             gejaagd wordt, allemaal voor ons plezier; hoe ze in laboratoria 
>             worden gebruikt om medicijnen of cosmetica te testen; of hoe ze 
>             worden gefokt voor kledingstukken die alleen maar dienen als 
>             statussymbool. 
>             De rang van dieren
>             De bahá'í-geschriften verdelen de wereld van de schepping in vier 
>             categoriën: het mineralenrijk, het plantenrijk, het dierenrijk en 
>             het mensenrijk, daarbij rekening houdend met hun specifieke 
>             eigenschappen: 
>             'Ten eerste de mineralen, d.w.z. materie die in verschillende vormen 
>             van samenstelling voorkomt. Ten tweede de planten, die alle 
>             eigenschappen van de mineralen bezitten plus het vermogen zich te 
>             vermeerderen of te groeien. Dit geeft aan dat ze op een hoger en 
>             gespecialiseerder plan staan dan de mineralen. Ten derde de dieren, 
>             die alle eigenschappen van de mineralen en de planten bezitten plus 
>             het vermogen van zintuiglijke waarneming. Ten vierde de mensen, het 
>             hoogst gespecialiseerde organisme in de zichtbare schepping. De mens 
>             belichaamt alle eigenschappen van de mineralen, planten en dieren en 
>             bezit bovendien een gave die absoluut afwezig is in alle lagere 
>             rijken - het creatieve vermogen van verstandelijk onderzoek naar de 
>             geheimen van de uiterlijke verschijnselen.' 
>             Dit vermogen van onderzoek geeft de mens, tot op zekere hoogte, 
>             controle over de natuur. De mens heeft het vermogen om te bouwen en 
>             het vermogen om te vernietigen. Hij kan vriendelijk en zachtaardig 
>             zijn maar ook wreed en zelfzuchtig. De mens heeft daardoor een 
>             verantwoordelijkheid tegenover de rest van de natuur en er wordt dan 
>             ook van hem verwacht dat hij deze verantwoordelijkheid neemt. 
>             Aangezien dieren dit vermogen niet bezitten hebben ze ook deze 
>             verantwoordelijkheid niet. Bepaalde aspecten van het menselijke 
>             leven vind je dus niet in de dierenwereld: 
>             'Zoals het dier edeler is dan de plant en de delfstoffen, zo is de 
>             mens verheven boven het dier. Het dier bezit geen creatief vermogen, 
>             m.a.w. het is een gevangene van de natuur en heeft geen voeling met 
>             hetgeen in en boven de natuur is; het besit geen geestelijke 
>             ontvankelijkheid, is verstoken van de vreugde bewust te leven, is 
>             niet bewust van de wereld van God en kan niet afwijken van de wetten 
>             van de natuur. Met de mens is dit anders. In de mens is het vermogen 
>             van bewustzijn gelegd; hij bezit een waarnemingsvermogen, kan 
>             creatief denken en is in staat de geheimen van het heelal te 
>             ontdekken.' 
>             Dierlijke vermogens
>             Hoewel de dieren niet het menselijke vermogen van geestelijke 
>             ontwikkeling of van bewuste vernietiging bezitten, hebben ze wel, 
>             net als de mens, zintuigen. Soms zijn deze zintuigen beter 
>             ontwikkeld als die van de emns, zoals bv. het gehoor van een hond of 
>             het gezichtsvermogen van een roofvogel; ze hebben emotie, zoals 
>             liefde, angst en ze hebben vaak hoog-ontwikkelde, sterke 
>             gemeenschapsbanden: 
>             'Voor wat betreft de zintuigen zoals het gehoor, het gezicht, de 
>             smaak, de reuk en de tastzin, en in sommige gevallen zelf een 
>             innerlijk vermogen zoals het geheugen, is het dier begaafder dan de 
>             mens.' 
>             'Neem bijvoorbeeld het geheugen. Als u een postduif van hier naar 
>             een ver land brengt en het daar vrij laat, dan zal het terugkeren, 
>             want het kan zich de weg herinneren. Als je een hond van hier (het 
>             Midden Oosten) naar Centraal Azië brengt en het daar vrij laat dan 
>             zal het terugkomen zonder ook maar één keer te verdwalen. Zo is het 
>             ook met andere vermogens zoals het gehoor, het gezicht, de reuk, de 
>             smaak en de tastzin.' 
>             'Het dierenrijk bezit behalve de eigenschappen van het delfstoffen- 
>             en plantenrijk, de vijf zintuigen die in de lagere rijken ontbreken. 
>             Eveneens bestaat het herinneringsvermogen, eigen aan het dier, niet 
>             in de lagere rijken.' 
>             'Kijk eens hoe een dier graast op een veld waar honderdduizend 
>             verschillende soorten kruiden en grassen groeien, en hoe het, met 
>             zijn reukvermogen, de geuren van de planten opsnuift, hoe het ze 
>             proeft met zijn smaak, en die planten opeet die plezierig voor zijn 
>             zintuigen zijn en waar het profijt van heeft. Als de dieren niet tot 
>             deze selectie in staat zouden zijn dan zouden ze binnen een dag 
>             allemaal dood zijn; er bestaan vele giftige planten, en dieren weten 
>             niets van pharmacie. En toch, kijk hoe betrouwbaar hun instrumenten 
>             zijn. Ze weten feilloos het goede van het schadelijke te 
>             onderscheiden.' 
>             Dieren als voedsel
>             In sommige delen van de geïndustialiseerde wereld is de landbouw 
>             'big business' geworden met als doel de markt te voorzien van 
>             produkten met een maximum aan efficiency en winst. Dieren zijn deel 
>             van het productieproces geworden en fabrieksboerderijen zijn heel 
>             normaal. Kippen en kalkoenen, die nooit het daglicht zien, worden op 
>             onnatuurlijke wijze voor de markt vetgemest. Eieren worden 
>             geproduceerd in legbatterijen waar de kippen nauwelijks enige 
>             natuurlijke bewegingsruimte hebben. Dieren worden dicht op elkaar in 
>             vrachtwagens gestouwd, soms drie lagen dik, rijden uren achter 
>             elkaar zonder enig voedsel of water. Deze praktijken staan op 
>             gespannen voet met de bahá'í-leer over de behandeling van dieren. 
>             De bahá'í-geschriften maken duidelijk dat het fokken van dieren voor 
>             menselijke consumptie uiteindelijk onnodig is: 
>             'Naarmate de mensheid zich ontwikkelt zal er steeds minder vlees 
>             gegeten worden, want het gebit van de mens is niet dat van een 
>             carnivoor. een leeuw bijvoorbeeld is uitgerust met een gebit dat 
>             speciaal bedoeld is om vlees te eten en als er geen vlees gevonden 
>             wordt dat sterft de leeuw van de honger. een leeuw kan niet grazen; 
>             zijn tanden hebben een andere vorm. Het spijsverteringssysteem van 
>             de leeuw is zodanig dat hij zich alleen maar kan voeden met vlees. 
>             De adelaar heeft een kromme snavel, het onderste deel is korter dan 
>             het bovenste. Het kan geen graankorrels pikken, het kan niet grazen; 
>             het is daarom gedwongen om vlees te eten. Runderen hebben het gebit 
>             van een herbivoor. Het is zodanig gevormd dat het zijn voedsel, 
>             gras, kan afsnijden. De kiezen van het menselijk gebit zijn gemaakt 
>             om granen te vermalen. De voortanden, de snijtanden, zijn voor fruit 
>             enz. Het is daarom volstrekt duidelijk dat, als je kijkt naar het 
>             gebit van de mens, het menselijke voedsel granen moeten zijn en geen 
>             vlees. Als de mensheid zich vollediger ontwikkeld heeft, zal het 
>             eten van vlees geleidelijk stoppen.' 
>             'Het voedsel zal in de toekomst bestaan uit fruit en graan. De tijd 
>             zal komen dat er geen vlees meer zal worden gegeten... ons 
>             natuurlijk voedsel is plantaardig. De mensen zullen zich geleidelijk 
>             aan hun natuurlijke toestand aanpassen.' 
>             De verantwoordelijkheid van de mens ten opzichte van dieren
>             'De beminden van God moeten niet alleen hun medemensen met 
>             barmhartigheid en mededogen bejegenen, zij moeten integendeel de 
>             uiterste goedertierenheid betonen aan ieder levend schepsel. Want in 
>             alle opzichten op lichamelijk gebied, en waar het de geest van het 
>             dier betreft, worden precies dezelfde gevoelens door mens en dier 
>             gedeeld... De gevoelens zijn precies dezelfde, of gij een mens of 
>             een dier pijn bezorgt. Hierin bestaat geen enkel verschil. En gij 
>             doet er feitelijk meer kwaad mee een dier letsel toe te brengen, 
>             want de mens heeft een taal, hij kan een klacht indienen, hij kan 
>             het uitschreeuwen en jammeren; indien gewond kan hij zijn toevlucht 
>             nemen tot de autoriteiten en deze zullen hem beschermen tegen zijn 
>             aanvaller. Maar het ongelukkige dier kan niet spreken en is niet in 
>             staat zijn letsel onder woorden te brengen of met zijn geval naar de 
>             autoriteiten te gaan... Daarom is het van wezenlijk belang dat gij 
>             de grootste consideratie in acht neemt ten opzichte van het dier, en 
>             dat gij zelfs vriendelijker zijt voor een dier dan voor uw medemens. 
>             Oefen uw kinderen van jongs af aan oneindig zacht en liefdevol voor 
>             dieren te zijn. Is een dier ziek, laten de kinderen trachten het te 
>             genezen, heeft het honger laten zij het te eten geven, heeft het 
>             dorst, laten zij zijn dorst lessen en is het vermoeid, laat hen 
>             ervoor zorgen dat het rust krijgt.' 
>             Als onze kinderen op deze manier worden opgevoed dan zal er een eind 
>             komen aan de wrede behandeling van dieren.
>
> — *Dieren*

