01 Mattheus
1:1 Dit is het boek des geslachts van Jezus Christus, den zoon van David, den zoon van Abraham. -
1:2 Abraham verwekte Isaäk, Isaäk verwekte Jakob; Jakob verwekte Juda en zijne broeders
1:3 Juda verwekte Peres en Zerah bij Tamar; Peres verwekte Hesron; Hesron verwekte Ram
1:4 Ram verwekte Amminadab; Amminadab verwekte Nahesson; Nahesson verwekte Salmon
1:5 Salmon verwekte Boas bij Rachab; Boas verwekte Obed bij Ruth; Obed verwekte Isaï
1:6 Isaï verwekte Koning David. --Koning David verwekte Salomo bij Uría's huisvrouw
1:7 Salomo verwekte Rehabeam; Rehabeam verwekte Abía; Abía verwekte Asa
1:8 Asa verwekte Josafat; Josafat verwekte Joram; Joram verwekte Uzzía
1:9 Uzzía verwekte Jotham; Jotham verwekte Achas; Achas verwekte Hiskía
1:10 Hiskía verwekte Manasse; Manasse verwekte Amon; Amon verwekte Josía
1:11 Josía verwekte Jechonja en zijne broeders, omtrent den tijd der Babylonische gevangenschap
1:12 Na de Babylonische gevangenschap verwekte Jechonja Sealtiël; Sealtiël verwekte Zerubbabel
1:13 Zerubbabel verwekte Abiud; Abiud verwekte Eljakim; Eljakim verwekte Azor
1:14 Azor verwekte Zadok; Zadok verwekte Achim; Achim verwekte Eliud
1:15 Eliud verwekte Eleazar; Eleazar verwekte Matthan; Matthan verwekte Jakob
1:16 Jakob verwekte Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is Jezus, genaamd Christus
1:17 Al de geslachten van Abraham tot op David zijn veertien geslachten en van David tot op de Babylonische gevangenschap zijn veertien geslachten, en van de Babylonische gevangenschap tot op Christus zijn óók veertien geslachten
1:18 De geboorte nu van Jezus Christus was aldus: Toen Maria, zijne moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer hij. haar tot zich nam, bevond men, dat zij zwanger was van den Heiligen Geest
1:19 Maar Jozef, haar man, was rechtvaardig, en haar niet willende te schande maken, besloot hij haar heimelijk te verlaten
1:20 Toen hij dat nu alzo bij zichzelven overdacht, zie, toen verscheen hem een Engel des Heren in den droom, en sprak: Jozef, zoon van David, vrees niet Maria, uwe vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar geboren is, dat is van den Heiligen Geest
1:21 en zij zal een zoon baren; diens naam zult gij Jezus noemen, want hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden
1:22 En dit alles is geschied, opdat vervuld werd hetgeen de Heer gesproken heeft door den profeet, die zegt
1:23 "Zie, ene maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en zij zullen zijnen naam noemen Immanuël", hetwelk vertaald is: "God met ons"
1:24 Toen nu Jozef uit den slaap wakker werd, deed hij zoals de Engel des Heren hem bevolen had, en nam zijne vrouw tot zich
1:25 en hij bekende haar niet, totdat zij haren eerstgeboren zoon gebaard had; en hij noemde zijnen naam Jezus. Mattheus
2:1 Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem in Judéa, in de dagen van koning Herodes, zie, toen kwamen er Wijzen uit het Oosten te Jeruzalem
2:2 en zeiden: Waar is de [nieuw] -geboren koning der Joden? Wij hebben zijne ster gezien in het Oosten, en zijn gekomen om hem te aanbidden
2:3 Toen nu koning Herodes dat hoorde, ontstelde hij, en met hem geheel Jeruzalem
2:4 en hij liet vergaderen alle Hogepriesters en Schriftgeleerden des volks, en vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden
2:5 En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem in Judéa; want aldus staat geschreven door den profeet
2:6 "En gij, Bethlehem, in het land van Juda, gij zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal een heerser voortkomen, die mijn volk Israël weiden zal"
2:7 Toen ontbood Herodes de Wijzen heimelijk tot zich, en onderzocht nauwkeurig van hen den tijd, wanneer de ster verschenen was
2:8 En hij zond hen naar Bethlehem, en zeide: Gaat heen en vraagt nauwkeurig naar het kind; en als gij het vindt, zo zegt het mij weder, opdat ik ook kome en het aanbidde
2:9 Toen zij nu den koning gehoord hadden, trokken zij heen. En zie, de ster, die zij in het Oosten gezien hadden, ging voor hen uit, totdat zij kwam en stond boven [de plaats], waar het kind was
2:10 Toen zij nu de ster zagen, werden zij zeer verblijd
2:11 en zij gingen in het huis, en vonden het kind met Maria, zijne moeder, en zij vielen neder en aanbaden het, en deden hunne schatten open, en schonken hem goud, wierook en mirre
2:12 En God beval hun in een droom, dat zij tot Herodes niet zouden wederkeren; en zij togen langs een anderen weg weder naar hun land
2:13 Toen zij nu weggereisd waren, zie, toen verscheen een Engel des Heren aan Jozef in een droom, en zeide: Sta op, en neem het kind en zijne moeder tot u, en vlied naar Egypte, en blijf aldaar, totdat Ik het u zeg; want het is ophanden, dat Herodes het kind zal zoeken om het te doden
2:14 En hij stond op, en nam het kind en zijne moeder tot zich in den nacht, en ontweek naar Egypte
2:15 en bleef aldaar tot na den dood van Herodes, opdat vervuld zou worden hetgeen de Heer gesproken heeft door den profeet, zeggende: "Uit Egypte heb Ik mijnen Zoon geroepen"
2:16 Toen Herodes nu zag, dat hij door de Wijzen bedrogen was, werd hij zeer toornig, en zond uit en liet alle kinderen doden te Bethlehem en binnen al deszelfs landpalen, van twee jaren en daaronder, naar den tijd dien hij nauwkeurig van de Wijzen onderzocht had
2:17 Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende
2:18 "Een gejammer is in Rama gehoord, veel geklag, geween en gekerm: Rachel beweende hare kinderen, en wilde zich niet laten troosten, omdat zij niet meer waren"
2:19 Toen nu Herodes gestorven was, zie, toen verscheen een Engel des Heren aan Jozef in een droom in Egypte
2:20 en zeide: Sta op, en neem het kind en zijne moeder tot u, en trek heen naar het land van Israël; want zij zijn gestorven, die naar het leven van het kind stonden
2:21 En hij stond op, en nam het kind en zijne moeder tot zich, en kwam in het land van Israël
2:22 Maar toen hij hoorde, dat Archelaüs in Judéa koning was, in de plaats van zijnen vader Herodes, vreesde hij derwaarts te komen; en in een droom kreeg hij een bevel van God, en trok naar het landschap Galiléa
2:23 En hij kwam en woonde in ene stad, genaamd Nazareth, opdat vervuld zou worden hetgeen gezegd is door de profeten: "Hij zal Nazarener heten". Mattheus
3:1 In dien tijd kwam Johannes de Doper en predikte in de woestijn van Judéa
3:2 en hij zeide: Doet boete, want het hemelrijk is nabij gekomen
3:3 En hij is het, van wien de profeet Jesaja gesproken heeft, en gezegd: "Er is ene stem eens predikers in de woestijn: Bereidt voor den Heer den weg, en maakt Zijne paden recht"
3:4 En hij Johannes, had een kleed van kemelshaar, en een lederen gordel om zijne lende; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig
3:5 Toen ging uit tot hem Jeruzalem en geheel Judéa en de gehele omstreek van den Jordaan
3:6 en zij lieten zich in den Jordaan door hem dopen en bekenden hunne zonden
3:7 Toen hij nu vele Farizeën en Sadduceën tot zijnen doop zag komen, zeide hij tot hen: Gij addergebroedsels, wie heeft u getoond, dat gij den toekomenden toorn ontvlieden zult
3:8 Ziet toe, brengt oprechte vruchten der boete voort
3:9 en denkt niet bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader, want ik zeg u, dat God ook uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken
3:10 De bijl is reeds aan den wortel der bomen gelegd; elke boom derhalve, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen
3:11 Ik doop u met water tot boete; maar die na mij komen zal is sterker dan ik, wiens schoenen ik niet waardig ben aan te dragen; die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen
3:12 En hij heeft zijne wan in de hand; hij zal zijnen dorsvloer vegen, en de tarwe in zijne schuur vergaderen, maar het kaf zal hij verbranden met onuitbluschbaar vuur
3:13 Te dien tijde kwam Jezus uit Galiléa naar den Jordaan tot Johannes, om zich door hem te laten dopen
3:14 Maar Johannes weigerde het hem, en zeide: Ik heb nodig door u gedoopt te worden, en gij komt tot mij
3:15 Maar Jezus antwoordde en zeide tot hem: Laat het nu zo zijn; want dus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij het hem toe
3:16 En toen Jezus gedoopt was, klom hij terstond op uit het water; en zie, toen opende de hemel zich boven hem, en hij [Johannes] zag den Geest Gods gelijk ene duif nederdalen en op hem komen
3:17 En zie, ene stem uit den hemel zeide: Deze is mijn geliefde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb. Mattheus
4:1 Toen werd Jezus door den Geest heengeleid in de woestijn, om door den duivel verzocht te worden
4:2 En toen hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde hem
4:3 En de verzoeker trad tot hem en zeide: Zijt gij Gods Zoon, zo zeg, dat deze stenen brood worden
4:4 Doch hij antwoordde en zeide: Er staat geschreven: "De mens leeft niet van brood alleen, maar van elk woord dat door den mond Gods uitgaat"
4:5 Toen voerde de duivel hem met zich in de heilige stad, en stelde hem op de tinne des tempels
4:6 en zeide tot hem: Zijt gij Gods Zoon, zo werp u nederwaarts; want er staat geschreven: "Hij zal wegens u zijn Engelen bevelen, en zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uwen voet niet aan een steen stoot"
4:7 Doch Jezus zeide tot hem: Wederom staat er geschreven: "Gij zult God, uwen Heer, niet verzoeken"
4:8 Wederom voerde de duivel hem met zich op een zeer hogen berg, en toonde hem al de koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheid
4:9 en zeide tot hem: Dit alles zal ik u geven, indien gij nedervalt en mij aanbidt
4:10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg van mij, satan! want er staat geschreven: "Gij zult God, uwen Heer, aanbidden en Hem alleen dienen"
4:11 Toen verliet hem de duivel; en zie, toen traden Engelen tot hem en dienden hem
4:12 Toen nu Jezus hoorde, dat Johannes overgeleverd was, vertrok hij naar Galiléa
4:13 en verliet de stad Nazaret, en kwam en woonde te Kapernaüm, hetwelk ligt aan de zee, binnen de landpalen van Zebulon en Naftali
4:14 opdat vervuld werd hetgeen gezegd is door den profeet Jesaja, zeggende
4:15 "Het land Zebulon en het land Naftali, aan den weg der zee, aan gene zijde van den Jordaan, het heidense Galiléa
4:16 het volk, dat in de duisternis zat, heeft een groot licht gezien, en hun, die in de landstreek en schaduw des doods zaten, is een licht opgegaan"
4:17 Van dien tijd af begon Jezus te prediken, en te zeggen: Doet boete, het hemelrijk is nabij gekomen
4:18 Toen nu Jezus aan de Galilese zee wandelde, zag hij twee broeders, Simon, genaamd Petrus, en Andréas, zijnen broeder, die hun net in zee uitwierpen, want zij waren visschers
4:19 En hij zeide tot hen: Volgt mij; ík zal u tot mensenvissers maken
4:20 En terstond verlieten zij hunne netten en volgden hem
4:21 En toen hij van daar voortging, zag hij twee andere broeders, Jakobus, den zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijnen broeder, in het schip met hunnen vader Zebedeüs hunne netten verstellende; en hij riep hen
4:22 Terstond verlieten zij het schip en hunnen vader, en volgden hem
4:23 En Jezus ging alom in geheel Galiléa en leerde in hunne synagogen, en predikte het evangelie van het rijk, en genas allerlei ziekte en kwaal onder het volk
4:24 En het gerucht van hem verspreidde zich in geheel Syrië; en zij brachten tot hem allerlei kranken, met menigerlei ziekten en kwalen bezocht, bezetenen, maanzuchtigen, en verlamden; en hij genas hen
4:25 En veel volk volgde hem uit Galiléa, uit Dekápolis, uit Jeruzalem, uit Judéa, en van gene zijde van den Jordaan. Mattheus
5:1 Toen hij nu het volk zag, ging hij op een berg en zette zich neder; en zijne jongeren traden tot hem
5:2 En hij deed zijnen mond open, en leerde hen en zeide
5:3 Zalig zijn de geestelijk armen, want hunner is het hemelrijk
5:4 Zalig zijn wie rouwdragen, want zij zullen getroost worden
5:5 Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven
5:6 Zalig zijn wie hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden
5:7 Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid vinden
5:8 Zalig zijn de reinen van harte, want zij zullen God zien
5:9 Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen heten
5:10 Zalig zijn wie om de gerechtigheid vervolgd worden, want hunner is het hemelrijk
5:11 Zalig zijt gij, als de mensen u om mijnentwil smaden en vervolgen, en allerlei kwaad tegen u spreken, maar daarin liegen
5:12 Zijt vrolijk en blijmoedig, omdat uw loon groot zal zijn in den hemel; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die Vóór u geweest zijn
5:13 Gij zijt het zout der aarde. Zo nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal men het zouten? Het deugt verder nergens meer toe, dan om naar buiten geworpen en door de mensen vertreden te worden
5:14 Gij zijt het licht der wereld. Ene stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven
5:15 Men steekt ook geen licht aan en zet het onder een korenmaat, maar op een kandelaar; zo schijnt het voor allen, die in het huis zijn
5:16 Laat Alzó uw licht lichten voor de mensen, opdat zij uwe goede werken zien, en uwen Vader in den hemel prijzen
5:17 Gij moet niet menen, dat ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden: ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen
5:18 Want voorwaar ik zeg u: Totdat hemel en aarde voorbijgaan, zal niet de kleinste letter noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal geschied zijn
5:19 Wie nu één der kleinste geboden ontbindt, en den mensen alzo leert, die zal de kleinste zijn in het hemelrijk; maar wie ze doet en leert, die zal groot heten in het hemelrijk
5:20 Want ik zeg u: Tenzij uwe gerechtigheid beter zij dan die der schriftgeleerden en Farizeën, zult gij niet in het hemelrijk komen
5:21 Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: "Gij zult niet doden; maar wie doodt, zal voor het gericht schuldig zijn"
5:22 Doch ík zeg u: Wie op zijnen broeder toornig is, is voor het gericht schuldig; en wie tot zijnen broeder zegt: Raka! is voor den raad schuldig; maar wie zegt: Gij dwaas! die verdient het helse vuur
5:23 Daarom, als gij uwe gave op het altaar offert, en aldaar indachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft
5:24 zo laat uwe gave aldaar voor het altaar, en ga heen en verzoen u eerst met uwen broeder, en kom dàn en offer uwe gave
5:25 Versta u tijdig met uw tegenpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt, opdat uw tegenpartij u niet misschien overlevere aan den rechter, en de rechter u overlevere aan den dienaar en gij in den kerker geworpen wordt
5:26 Voorwaar, ik zeg u: Gij zult daar niet uitkomen, totdat gij zelfs den laatsten penning zult betaald hebben
5:27 Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: "Gij zult geen overspel doen"
5:28 Maar ík zeg u: Wie ene vrouw aanziet om haar te begeren, heeft alreeds overspel met haar bedreven in zijn hart
5:29 Indien uw rechteroog u ergert, zo trek het uit en werp het van u. Het is u beter, dat één uwer leden verderft, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen wordt
5:30 En indien uw rechterhand u ergert, zo houw ze af en werp ze van u. Het is u beter, dat één uwer leden verderft, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen wordt
5:31 Er is ook gezegd: "Wie zich van zijne vrouw afscheidt, zal haar een scheidbrief geven"
5:32 Maar ík zeg u: Wie zich van zijne vrouw afscheidt, tenzij dan om overspel, die maakt, dat zij overspel doet; en wie ene gescheidene vrouw trouwt, die doet overspel
5:33 Voorts hebt gij gehoord, dat tot de ouden gezegd is: "Gij zult niet trouweloos zweren, maar gij zult den Heer uwen eed houden"
5:34 Maar ík zeg u: Zweert in het geheel niet; noch bij den hemel, want hij is Gods troon
5:35 noch bij de aarde, want zij is zijne voetbank; noch bij Jeruzalem, want zij is de stad des groten Konings
5:36 ook zult gij niet zweren bij uw hoofd, want gij vermoogt niet één haar wit of zwart te maken
5:37 Maar uw woord zij: ja, ja; neen, neen: wat daarboven gaat is van den boze
5:38 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: "Oog om oog, tand om tand"
5:39 Maar ík zeg u: Gij zult den bozen [mens] niet wederstaan; maar zo iemand u een slag geeft op uwe rechter wang, bied dien ook de andere
5:40 en zo iemand met u wil rechten en uwen rok nemen, laat dien ook den mantel
5:41 en zo iemand u dwingt om ééne mijl te gaan, zo ga er twee met hem
5:42 Geef dengeen die u bidt, en keer u niet af van dengeen die van u lenen wil
5:43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: "Gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand haten"
5:44 Maar ík zeg u: Hebt uwe vijanden lief, zegent die u vloeken, doet wèl dengenen die u haten, bidt voor degenen die u leed aandoen en u vervolgen
5:45 opdat gij kinderen zijt uws Vaders in den hemel; want Hij laat zijne zon opgaan over bozen en goeden, en laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen
5:46 Want indien gij liefhebt die u liefhebben, wat loon zult gij hebben? Doen niet ook de tollenaars hetzelfde
5:47 En indien gij u jegens uwe broeders alleen vriendelijk toont, wat doet gij buitengewoons? Doen niet ook de heidenen alzo
5:48 Daarom weest gij volkomen, gelijk uw Vader in den hemel volkomen is. Mattheus
6:1 Hebt acht, dat gij uwe gerechtigheid niet doet voor de mensen om door hen gezien te worden; anders hebt gij geen loon bij uwen Vader in den hemel
6:2 Wanneer gij dan ene aalmoes geeft, zo zult gij niet voor u laten trompetten, gelijk de huichelaars doen in de synagogen en op de straten, opdat zij door de mensen geprezen worden. Voorwaar, ik zeg u: Zij hebben hun loon weg
6:3 Maar als gij ene aalmoes geeft, zo laat uwe linkerhand niet weten wat uwe rechterhand doet
6:4 opdat uwe aalmoes verborgen zij; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden
6:5 En als gij bidt, zo zult gij niet zijn als de huichelaars, die gaarne staande bidden in de synagogen en aan de hoeken der straten, opdat zij door de mensen gezien worden. Voorwaar ik zeg u: Zij hebben hun loon weg
6:6 Maar als gij bidt, zo gaat in uwe binnenkamer, en sluit de deur toe, en bidt tot uwen Vader in het verborgen; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden
6:7 En als gij bidt, zo zult gij niet vele ijdele woorden maken, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij verhoord worden, als zij vele woorden maken
6:8 Wordt hun niet gelijk; want uw Vader weet dat gij behoeft, eer gij Hem bidt
6:9 Gij dan, bidt aldus: Onze Vader in den hemel! Uw naam worde geheiligd
6:10 Uw rijk kome! Uw wil geschiede op de aarde als in den hemel
6:11 Geef ons heden ons dagelijks brood
6:12 En vergeef ons onze schulden, gelijk wij onzen schuldenaren vergeven
6:13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den kwade! Want U is het rijk en de kracht en de heerlijkheid, in eeuwigheid. Amen
6:14 Want indien gij den mensen hunne feilen vergeeft, zo zal uw hemelse Vader u ook vergeven
6:15 maar indien gij den mensen hunne feilen niet vergeeft, zo zal uw Vader u ook uwe feilen niet vergeven
6:16 Desgelijks als gij vast, zo ziet niet treurig, gelijk de huichelaars; want zij mismaken hun aangezicht, opdat zij door de mensen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, ik zeg u: Zij hebben hun loon weg
6:17 Maar als gij vast, zo zalf uw hoofd en was uw aangezicht
6:18 opdat het door de mensen niet gezien worde, als gij vast, maar door uwen Vader, die in het verborgen is; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden
6:19 Vergadert u geen schatten op de aarde, waar de motten en de roest ze eten, en waar de dieven graven en stelen
6:20 maar vergadert u schatten in den hemel, waar noch motten noch roest ze eten, en waar de dieven niet graven noch stelen
6:21 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn
6:22 De lamp des lichaams is het oog. Indien nu uw oog gezond is, zo zal uw gehele lichaam licht zijn
6:23 maar indien uw oog krank is, zo zal uw gehele lichaam duister zijn. Indien dus het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal dan de duisternis zijn
6:24 Niemand kan twee heren dienen; want hij zal òf den éénen haten en den anderen liefhebben, òf den éénen aanhangen en den anderen verachten. Gij kunt niet God dienen en den Mammon
6:25 Daarom zeg ik u, weest niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten en drinken zult, noch voor uw lichaam, wat gij aantrekken zult. Is het leven niet meer dan de spijs, en het lichaam niet meer dan de kleeding
6:26 Aanschouwt de vogelen des hemels: zij zaaien niet, zij maaien niet, zij vergaderen niet in schuren, en uw hemelse Vader voedt ze nochtans; zijt gij niet veel meer dan zij
6:27 Wie onder u kan door te zorgen aan zijne lengte ééne el toevoegen
6:28 En wat zijt gij bezorgd voor de kleeding? Aanschouwt de leliën op het veld, hoe zij groeien: zij arbeiden niet, en spinnen niet
6:29 en ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijne heerlijkheid niet bekleed is geweest als een van deze
6:30 Indien dan God het gras op het veld alzo kleedt, dat nochtans heden staat en morgen in den oven geworpen wordt, zou hij dat niet veel meer u doen, gij kleingelovigen
6:31 Daarom weest niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, wat zullen wij drinken, waarmede zullen wij ons kleden
6:32 Want naar dit alles trachten de heidenen; uw Hemelschevader toch weet, dat gij dit alles behoeft
6:33 Maar tracht eerst naar het rijk Gods en zijne gerechtigheid, zo zal u dit alles toegevoegd worden
6:34 Daarom weest niet bezorgd voor den volgenden morgen; want de dag van morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen plaag. Mattheus
7:1 Oordeelt niet, opdat gij niet geoor deeld wordt
7:2 Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke maat gij meet, zal u wedergemeten worden
7:3 En wat ziet gij den splinter in uws broeders oog, en wordt den balk niet gewaar, die in uw eigen oog is
7:4 Of hoe durft gij zeggen tot uwen broeder: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog trekke; en zie, er is een balk in uw oog
7:5 Gij huichelaar, trek eerst den balk uit uw oog, en zie dan, hoe gij den splinter uit uws broeders oog zult trekken
7:6 Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uwe paarlen voor de zwijnen, opdat zij die niet vertreden met hunne voeten, en zich omkeren en u verscheuren
7:7 Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt aan, en u zal opengedaan worden
7:8 Want wie bidt, die ontvangt; en wie zoekt, die vindt; en wie aanklopt, dien zal opengedaan worden
7:9 Of welk mens is er onder u, die, als zijn zoon hem bidt om brood, hem een steen zou geven
7:10 of als hij hem bidt om een vis, hem een slang zou geven
7:11 Indien dan gij, die boos zijt, nochtans aan uwe kinderen goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal uw Vader in den hemel goede [gaven] geven dengenen, die Hem daarom bidden
7:12 Alles dus, wat gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun dat ook; want dit is de Wet en de Profeten
7:13 Gaat in door de enge poort. Want de poort is wijd en de weg is breed, die ten verderve leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan
7:14 En de poort is eng en de weg is smal, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden
7:15 Wacht u voor de valse profeten, die in schaapsklederen tot u komen, maar inwendig roofzuchtige wolven zijn
7:16 Aan hunne vruchten zult gij ze kennen. Kan men ook druiven lezen van doornen, of vijgen van distels
7:17 Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, en een kwade boom brengt kwade vruchten voort
7:18 Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen
7:19 Elke boom, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen
7:20 Daarom, aan hunne vruchten zult gij ze kennen
7:21 Niet allen, die tot mij zeggen: Heere, Heere! zullen in het hemelrijk komen, maar die den wil doen van mijnen Vader in den hemel
7:22 Velen zullen te dien dage tot mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, hebben wij niet in uwen naam duivelen uitgedreven, hebben wij niet in uwen naam vele krachtige daden gedaan
7:23 En dan zal ik hun ronduit zeggen: Ik heb u nooit gekend; maakt u weg van mij, gij kwaaddoeners
7:24 Al wie nu deze mijne woorden hoort en er naar doet, dien vergelijk ik bij een wijs man, die zijn huis op ene steenrots gebouwd heeft
7:25 Toen nu een slagregen viel, en een waterstroom kwam, en de winden waaiden en tegen dat huis stieten, viel het echter niet, want het was op ene steenrots gegrond
7:26 Maar wie deze mijne woorden hoort en er niet naar doet, die is gelijk een dwaas man, die zijn huis op zand gebouwd heeft
7:27 Toen nu een slagregen viel, en een waterstroom kwam, en de winden waaiden en tegen dat huis stieten, toen viel het om, en deed een groten val
7:28 En het geschiedde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat het volk zich ontzette over zijne leer
7:29 want hij predikte als machthebbende, en niet gelijk de schriftgeleerden. Mattheus
8:1 Toen hij nu van den berg afging, volgde hem veel volk na
8:2 En zie, een melaatse kwam en viel voor hem neder, en zeide: Heer, indien gij wilt, zo kunt gij mij reinigen
8:3 En Jezus strekte zijne hand uit en raakte hem aan, en zeide: Ik wil het doen, wees gereinigd! En terstond werd hij rein van zijne melaatschheid
8:4 En Jezus sprak tot hem: Zie toe, dat gij het niemand zegt; maar ga heen en toon u den priester, en offer de gave, die Mozes bevolen heeft, tot een bewijs voor hen
8:5 Toen nu Jezus te Kapérnaüm inging, trad een hoofdman tot hem, die hem bad
8:6 zeggende: Heer, mijn knecht ligt te huis en is verlamd, en heeft grote kwalen
8:7 En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem gezond maken
8:8 De hoofdman antwoordde en zeide: Heer, ik ben niet waardig, dat gij onder mijn dak komt; maar spreekt alleenlijk een woord, zo zal mijn knecht gezond worden
8:9 Want ook ik ben een mens aan de overheid onderdanig, en heb krijgsknechten onder mij; en wanneer ik zeg tot den een: Ga heen, zo gaat hij; en tot den ander: Kom herwaarts, zo komt hij; en tot mijnen knecht: Doe dit, zo doet hij het
8:10 Toen Jezus dit hoorde, verwonderde hij zich, en zeide tot degenen die hem volgden: Voorwaar, ik zeg u, zulk een geloof heb ik zelfs in Israël niet gevonden
8:11 Maar ik zeg u, dat velen zullen komen van het Oosten en van het Westen, en met Abraham en Isaäk en Jakob in het hemelrijk zitten
8:12 maar de kinderen van het rijk zullen uitgeworpen worden in de uiterste duisternis; daar zal geween zijn en geknars der tanden
8:13 En Jezus zeide tot den hoofdman: Ga heen, u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht werd gezond terzelfder ure
8:14 En Jezus kwam in het huis van Petrus, en zag, dat diens schoonmoeder te bed lag en de koorts had
8:15 Toen greep hij hare hand, en de koorts verliet haar; en zij stond op en diende hen
8:16 Toen het nu avond was, brachten zij vele bezetenen tot hem, en hij dreef de geesten uit door zijn woord en maakte allerlei kranken gezond
8:17 opdat vervuld werd hetgeen gezegd is door den profeet Jesaja, zeggende: "Hij heeft onze zwakheden op zich genomen, en onze krankheden gedragen"
8:18 En toen Jezus veel volk rondom zich zag, gebood hij, dat men zou overvaren naar de andere zijde der zee
8:19 En een Schriftgeleerde kwam tot hem, en zeide tot hem: Meester, ik zal u volgen, waar gij ook heengaat
8:20 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels hebben nesten; maar des Mensen Zoon heeft niet, waar hij zijn hoofd kan nederleggen
8:21 En een ander van zijne jongeren zeide tot hem: Heer, vergun mij, dat ik eerst heenga en mijnen vader begrave
8:22 Maar Jezus zeide tot hem: Volg mij, en laat de doden hunne doden begraven
8:23 En hij trad in het schip, en zijne jongeren volgden hem
8:24 En zie, er ontstond grote onstuimigheid in de zee, zodat het scheepje met golven bedekt werd; doch hij sliep
8:25 En de jongeren traden tot hem en wekten hem op, en zeiden: Heer, help ons, wij vergaan
8:26 Toen zeide hij tot hen: Gij kleingelovigen, hoe zijt gij zo bevreesd? En hij stond op en bedreigde den wind en de zee; toen kwam er grote stilte
8:27 En de mensen verwonderden zich, en zeiden: Wat man is deze, dat wind en zee hem gehoorzaam zijn
8:28 En toen hij kwam aan de andere zijde der zee, in het landschap der Gadarenen, liepen hem twee bezetenen te gemoet; die kwamen uit de graven, en waren zeer woedend, zodat niemand langs dien weg kon voorbijgaan
8:29 En zie, zij riepen, zeggende: Ach Jezus, gij Zoon Gods, wat hebben wij met u te doen? Zijt gij hier gekomen, om ons te kwellen Vóór den tijd
8:30 Verre van hen nu was ene grote kudde zwijnen op de weide
8:31 Toen baden de duivelen hem en zeiden: Wilt gij ons uitdrijven, zo vergun ons in die kudde zwijnen te varen
8:32 En hij zeide tot hen: Vaart heen! Toen voeren zij uit, en voeren in de kudde zwijnen. En zie, de gehele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in het water
8:33 En de hoeders vloden, en gingen heen in de stad, en verhaalden alles, en hoe het met de bezetenen was toegegaan
8:34 En zie, toen ging de gehele stad uit, Jezus te gemoet; en toen zij hem zagen, baden zij hem, dat hij van hunne grenzen wilde wijken. Mattheus
9:1 Toen trad hij in het schip, en voer weder over en kwam in zijne stad. En zie, toen brachten zij tot hem een verlamde, die op een bed lag
9:2 En toen Jezus hun geloof zag, zeide hij tot den verlamde: Heb goeden moed, mijn zoon, uwe zonden zijn u vergeven
9:3 En zie, enigen van de Schriftgeleerden zeiden bij zichzelven: Deze lastert God
9:4 Toen nu Jezus hunne gedachten zag, zeide hij: Waarom denkt gij zo kwaad in uwe harten
9:5 Wat is lichter, te zeggen: Uwe zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel
9:6 Maar opdat gij weet, dat des Mensen Zoon macht heeft op aarde zonden te vergeven, [zo zeide hij tot den verlamde]: Sta op, neem uw bed op, en ga naar uw huis
9:7 En hij stond op en ging naar zijn huis
9:8 Toen het volk dat zag, verwonderden zij zich, en prezen God, die zulk ene macht den mensen gegeven had
9:9 En toen Jezus van daar ging, zag hij een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheüs, en zeide tot hem: Volg mij. En hij stond op en volgde hem
9:10 En het geschiedde, toen hij aan tafel zat in het huis, zie, toen kwamen vele tollenaars en zondaars en zaten mede aan tafel met Jezus en zijne jongeren
9:11 Toen de Farizeën dat zagen, zeiden zij tot zijne jongeren: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en zondaren
9:12 Toen nu Jezus dit hoorde, zeide hij tot hen: De gezonden behoeven den geneesmeester niet, maar de kranken
9:13 Doch gaat heen en leert wat dit zegt: "lk heb een welbehagen aan barmhartigheid, en niet aan offerande". Want ik ben niet gekomen om rechtvaardigen, maar om zondaars te roepen
9:14 Toen kwamen de jongeren van Johannes tot hem, en zeiden: Waarom vasten wij en de Farizeën zoveel, en uwe jongeren vasten niet
9:15 En Jezus zeide tot hen: Hoe kunnen de bruiloftslieden rouw dragen zolang de bruidegom bij hen is? Maar de tijd zal komen, dat de bruidegom van hen genomen zal worden; dan zullen zij vasten
9:16 Niemand lapt een oud kleed met een lap niet-gekrompen laken; want de lap scheurt weder af van het kleed, en de scheur wordt erger
9:17 Men doet ook geen jongen wijn in oude lederen zakken; anders bersten de lederen zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven; maar men doet jongen wijn in nieuwe lederen zakken; dan worden zij beide te zamen behouden
9:18 Toen hij dit met hen sprak, zie, toen kwam een der oversten en viel voor hem neder, en zeide: Heer, mijne dochter is zo even gestorven; maar kom en leg uwe hand op haar, en zij zal weder leven
9:19 En Jezus stond op en volgde hem, en zijne jongeren
9:20 En zie, ene vrouw, die twaalf jaren aan bloedvloeïng geleden had, trad van achteren tot hem, en raakte den zoom zijns kleeds aan
9:21 Want, zeide zij bij zichzelve: Indien ik slechts zijn kleed aanraak, zal ik gezond worden
9:22 Toen keerde Jezus zich om en zag haar, en zeide: Heb goeden moed, mijne dochter, uw geloof heeft u geholpen. En de vrouw werd gezond van deze ure af
9:23 En toen hij in het huis des oversten kwam, en zag de fluitspelers en het misbaar van het volk
9:24 zeide hij tot hen: Vertrekt, want het meisje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten hem
9:25 Doch toen het volk uitgedreven was, ging hij binnen, en greep haar bij de hand; toen stond het meisje op
9:26 En het gerucht hiervan ging uit in dat gehele land
9:27 En toen Jezus van daar voortging, volgden hem twee blinden, die riepen en zeiden: Ach, gij zoon Davids, ontferm u over ons
9:28 En toen hij in huis kwam, traden de blinden tot hem; en Jezus zeide tot hen: Gelooft gij, dat ik dit doen kan? Zij zeiden tot hem: Ja, Heer
9:29 Toen raakte hij hunne ogen aan, en zeide: U geschiede naar uw geloof
9:30 En hunne ogen werden geopend. En Jezus gebood hun ernstig en zeide: Ziet toe, dat niemand het verneme
9:31 Maar zij gingen uit en maakten hem bekend in dat gehele land
9:32 Toen dezen nu uitgegaan waren, zie, toen brachten zij tot hem een stommen mens, die bezeten was
9:33 En toen de duivel uitgedreven was, sprak de stomme. En het volk verwonderde zich, en zeide: Zo iets is nog nooit in Israël gezien
9:34 Maar de Farizeën zeiden: Hij drijft de duivelen uit door den overste der duivelen
9:35 En Jezus ging overal om, in alle steden en vlekken, en leerde in hunne synagogen, en predikte het evangelie van het rijk; en hij genas allerlei ziekte en alle kwalen onder het volk
9:36 En toen hij het volk zag, jammerde het hem; want zij waren versmacht en verstrooid, gelijk schapen, die geen herder hebben
9:37 Toen zeide hij tot zijne jongeren: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinigen
9:38 Bidt dan den Heer des oogstes, dat hij arbeiders in zijnen oogst zende. Mattheus 1
10:1 En hij riep zijne twaalf jongeren tot zich, en gaf hun macht over de onreine geesten, om ze uit te drijven, en allerlei ziekte en allerlei kwaal te genezen
10:2 De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: De eerste Simon, genaamd Petrus, en Andréas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder
10:3 Filippus en Bartholomeüs, Thomas en Mattheüs de tollenaar, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, met den toenaam Thaddeüs
10:4 Simon van Kana, en Judas Iskariot, die hem verried
10:5 Deze twaalf zond Jezus uit, en gebood hun en zeide: Gaat niet op den weg der heidenen, en trekt niet in de steden der Samaritanen
10:6 maar gaat in de eerste plaats tot de verloren schapen van het huis Israëls
10:7 En gaat heen en predikt, zeggende: Het hemelrijk is nabij gekomen
10:8 Maakt de kranken gezond, reinigt de melaatsen, wekt de doden op, drijft de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het ook om niet
10:9 Gij zult geen goud, noch zilver, noch koper in uwe gordels hebben
10:10 geen reiszak op den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijne spijs waardig
10:11 En in wat stad of vlek gij komt, zo onderzoekt of iemand aldaar het waardig is, en blijft bij dien, tot gij van daar trekt
10:12 En als gij in een huis gaat, zo groet het
10:13 En indien dat huis het waardig is, zo zal uw vrede daarover komen; maar indien 't het niet waardig is, zo zal uw vrede weder tot u keren
10:14 En indien iemand u niet zal aannemen, noch naar uwe woorden horen, zo gaat uit dat huis of uit die stad, en schudt het stof van uwe voeten
10:15 Voorwaar, ik zeg u: Het zal het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn ten dage des oordeels dan die stad
10:16 Zie, ik zend u als schapen midden onder de wolven; daarom zijt voorzichtig gelijk de slangen, en zonder, valschheid gelijk de duiven
10:17 Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren aan hunne rechtbanken, en zullen u geeselen in hunne synagogen
10:18 en men zal u voor vorsten en koningen leiden om mijnentwil, hun en den heidenen tot ene getuigenis
10:19 Doch wanneer zij u overleveren, zo weest niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden, wat gij spreken zult
10:20 want gij zijt het niet die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, die door u spreekt
10:21 En de ene broeder zal den anderen tot den dood overleveren, en de vader den zoon; en de kinderen zullen opstaan tegen hunne ouders, en hen ter dood brengen
10:22 En gij zult gehaat worden door iedereen om mijns naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zal zalig worden
10:23 Wanneer zij u dan in de ene stad vervolgen, zo vliedt naar de andere. Voorwaar, ik zeg u: Gij zult met de steden van Israël niet ten einde wezen, als des Mensen Zoon zal gekomen zijn
10:24 De jonger is niet boven zijnen meester, noch de knecht boven zijnen heer
10:25 Het zij den jonger genoeg, dat hij gelijk zijn meester, en den knecht, dat hij gelijk zijn heer is. Hebben zij den huisvader Beëlzebub geheten, hoeveel temeerzullen zij zijne huisgenoten zo noemen
10:26 Daarom, vreest niet voor hen; want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden, en niets geheim, dat men niet weten zal
10:27 Hetgeen ik u zeg in de duisternis, zegt dat in het licht; en wat gij hoort in het oor, predikt dat op de daken
10:28 En vreest niet voor degenen die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veelmeer voor hem, die beide, lichaam en ziel, verderven kan in de hel
10:29 Worden niet twee mussen voor één penning verkocht? Nochtans valt er geen van deze op de aarde zonder uwen Vader
10:30 Maar zelfs uwe haren op het hoofd zijn alle geteld
10:31 Daarom, vreest niet! Gij zijt meer dan vele mussen
10:32 Een ieder dan, die mij belijden zal voor de mensen, dien zal ik ook belijden voor mijnen hemelsen Vader
10:33 maar wie mij verloochent voor de mensen, dien zal ik ook verloochenen voor mijnen hemelsen Vader
10:34 Denkt niet dat ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard
10:35 Want ik ben gekomen om verdeeldheid te brengen tussen den mens en zijnen vader, en tussen de dochter en hare moeder, en tussen de schoondochter en hare schoonmoeder
10:36 en des mensen vijanden zullen zijn eigen huisgenoten zijn
10:37 Wie vader of moeder meer liefheeft dan mij, die is mijns niet waardig; en wie zoon of dochter meer liefheeft dan mij, die is mijns niet waardig
10:38 en wie zijn kruis niet op zich neemt en mij volgt, die is mijns niet waardig
10:39 Wie zijn leven vindt, die zal het verliezen; en wie zijn leven verliest om mijnentwil, die zal het vinden
10:40 Wie u aanneemt, die neemt mij aan; en wie mij aanneemt, die neemt hem aan, die mij gezonden heeft
10:41 Wie een profeet aanneemt om zijnen naam als profeet, die zal het loon eens profeten ontvangen; wie een rechtvaardige aanneemt om zijnen naam als rechtvaardige, die zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen
10:42 En al wie één van deze kleinen slechts een beker koud water te drinken geeft om zijnen naam als jonger, voorwaar, ik zeg u, het zal hem niet onbeloond blijven. Mattheus 1
11:1 En het geschiedde, toen Jezus die geboden aan zijne twaalf jongeren geëindigd had, dat hij van daar voortging, om te leren en te prediken in hunne steden
11:2 Toen nu Johannes in de gevangenis van de werken van Christus hoorde, zond hij twee van zijne jongeren
11:3 en liet aan hem zeggen: Zijt gij het, die komen zal, of moeten wij een ander verwachten
11:4 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en zegt aan Johannes weder hetgeen gij ziet en hoort
11:5 de blinden worden ziende en de lammen gaan, de melaatsen worden rein en de doven horen, de doden staan op en den armen wordt het evangelie gepredikt
11:6 en zalig is hij, die aan mij geen aanstoot neemt
11:7 Toen nu dezen heengingen, begon Jezus tot het volk aangaande Johannes te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn om te aanschouwen? Een riet, dat door den wind heen en weder bewogen wordt
11:8 Of wat zijt gij uitgegaan om te aanschouwen? Een mens, in zachte klederen gekleed? Zie, die zachte klederen dragen, zijn in de huizen der koningen
11:9 Of wat zijt gij uitgegaan om te zien? Een profeet? Ja, ik zeg u: Veel meer dan een profeet
11:10 Want deze is het, van wien geschreven staat: "Zie, ik zend mijnen Engel voor u uit, die uwen weg voor u uit bereiden zal"
11:11 Voorwaar, ik zeg u: Onder allen, die van vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper; maar wie de kleinste is in het hemelrijk, is groter dan hij
11:12 Maar van de dagen van Johannes den Doper af tot nu toe lijdt het hemelrijk geweld; en die het geweld aandoen, trekken het tot zich
11:13 Want alle Profeten en de Wet hebben geprofeteerd tot op Johannes
11:14 En zo gij het wilt aannemen, hij is Elia, die komen zou
11:15 Wie oren heeft om te horen, die hore
11:16 Maar bij wien zal ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen, die op de markt zitten en hunnen gezellen toeroepen
11:17 zeggende: Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij wildet niet dansen; wij hebben u klaagliederen voorgezongen en gij wildet niet wenen
11:18 Johannes is gekomen en at en dronk niet; zo zeggen zij: Hij heeft een bozen geest
11:19 Des Mensen Zoon is gekomen en eet en drinkt; zo zeggen zij: Zie, wat vraat en wijnzuiper is die mens, een metgezel van tollenaren en zondaren. Doch de wijsheid is gerechtvaardigd door hare kinderen
11:20 Toen begon hij de steden te verwijten, in welke zijne meeste daden geschied waren, en die zich nochtans niet bekeerd hadden
11:21 Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda! Want indien te Tyrus en Sidon die daden gedaan waren, die in u geschied zijn, zij zouden eertijds in zak en as boete gedaan hebben
11:22 Doch ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon draaglijker zijn ten dage des oordeels dan ulieden
11:23 En gij Kapérnaüm, dat tot den hemel toe verheven zijt, gij zult tot in de hel nedergestoten worden; want indien te Sodom die daden geschied waren, die bij u geschied zijn, het zou heden nog staan
11:24 Doch ik zeg u: Het zal het land van Sodom draaglijker zijn ten dage des oordeels dan ulieden
11:25 Op dien tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank u, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat gij dit den wijzen en schranderen verborgen hebt, en het den onmondigen hebt geopenbaard
11:26 Ja, Vader, want zo is het welbehaaglijk geweest voor u
11:27 Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijnen Vader; en niemand kent den Zoon dan alleen de Vader, en niemand kent den Vader dan de Zoon, en wien de Zoon het wil openbaren
11:28 Komt herwaarts tot mij, gij allen die vermoeid en beladen zijt; ik zal u rust geven
11:29 Neemt mijn juk op u, en leert van mij; want ik ben zachtmoedig en van harte ootmoedig; zo zult gij rust vinden voor uwe zielen
11:30 Want mijn juk is zacht en mijn last is licht. Mattheus 1
12:1 In dien tijd ging Jezus door het koren op een sabbat, en zijne jongeren waren hongerig, en begonnen aren te plukken en te eten
12:2 Toen de Farizeën dit zagen, zeiden zij tot hem: Zie, uwe jongeren doen hetgeen niet betamelijk is op den sabbat te doen
12:3 Maar hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen wat David deed, toen hem hongerde en dengenen die met hem waren
12:4 hoe hij in het huis Gods ging, en de toonbroden at, van welke het hem toch niet geoorloofd was te eten, noch dengenen die met hem waren, maar alleen den priesters
12:5 Of hebt gij niet gelezen in de Wet, dat de priesters op den sabbat in den tempel den sabbat verbreken, en nochtans zonder schuld zijn
12:6 En ik zeg u, dat hier een is, groter dan de tempel
12:7 Doch zo gij geweten hadt wat het zij: "lk heb een welbehagen aan barmhartigheid, en niet aan offer", gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben
12:8 Want des Mensen Zoon is een Heer ook van den sabbat
12:9 En hij ging van daar voort en kwam in hunne synagoge
12:10 En zie er was een mens, die ene verdorde hand had; en zij vraagden hem en zeiden: Is het ook geoorloofd op sabbatdagen te genezen? --opdat zij ene beschuldiging tegen hem zouden hebben
12:11 Hij nu zeide tot hen: Wie is er onder u, zo hij één schaap heeft, dat op den sabbat in een kuil valt, die het niet zal grijpen en er uithalen
12:12 Hoeveel meer is nu een mens dan een schaap Daarom mag men wel goed doen op de sabbatdagen
12:13 Daarop zeide hij tot den mens: Strek uwe hand uit, en zij werd weder gezond gelijk de andere
12:14 Toen gingen de Farizeën uit, en hielden raad over hem, hoe zij hem doden zouden
12:15 Maar toen Jezus dat vernam, week hij van daar; en hem volgde veel volk na, en hij genas ze allen
12:16 En hij gebood hun ernstig, dat zij hem niet openbaar zouden maken
12:17 opdat vervuld zou worden hetgeen gezegd is door den profeet Jesaja, zeggende
12:18 "Zie, dit is mijn knecht, dien Ik verkoren heb, mijn geliefde, aan wien mijne ziel een welbehagen heeft; Ik zal mijnen Geest op hem leggen, en hij zal den heidenen het oordeel verkondigen
12:19 Hij zal niet twisten noch roepen, en men zal zijne stem niet horen op de straten
12:20 Het gekrookte riet zal hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal hij niet uitblussen, totdat hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning
12:21 En de heidenen zullen op zijnen naam hopen
12:22 Toen werd een bezetene tot hem gebracht, die blind en stom was; en hij genas hem, zodat de blinde en stomme èn sprak èn zag
12:23 En al het volk ontzette zich, en zeide: Is deze niet Davids Zoon
12:24 Maar toen de Farizeën dit hoorden, zeiden zij: Hij drijft de duivelen niet anders uit dan door Beëlzebub, den overste der duivelen
12:25 Doch Jezus verstond hunne gedachten, en zeide tot hen: leder rijk, dat met zichzelf oneens is, wordt verwoest; en iedere stad of huis, dat met zichzelf oneens is, kan niet bestaan
12:26 Indien dus de ene satan den anderen uitdrijft, dan is hij met zichzelven oneens: hoe kan dan zijn rijk bestaan
12:27 Zo ik nu de duivelen door Beëlzebub uitdrijf, door wien drijven dan uwe kinderen ze uit? Daarom zullen zij uwe rechters zijn
12:28 Maar is het, dat ik de duivelen door den Geest Gods uitdrijf, zo is immers het rijk Gods tot u gekomen
12:29 Of hoe kan iemand in het huis eens sterken gaan en hem zijn huisraad ontroven, tenzij hij eerst den sterke binde en alsdan zijn huis berove
12:30 Wie niet met mij is, die is tegen mij; en wie niet met mij vergadert, die verstrooit
12:31 Daarom zeg ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden
12:32 En wie iets spreekt tegen des Mensen Zoon, dien zal het vergeven worden; maar wie iets spreekt tegen den Heiligen Geest, dien zal het niet vergeven worden, noch in deze, noch in de toekomende wereld
12:33 Of zet een goeden boom, zo wordt de vrucht goed; òf zet een kwaden boom, zo wordt de vrucht kwaad; want aan de vrucht kent men den boom
12:34 Gij addergebroedsels, hoe kunt gij goeds spreken, dewijl gij kwaad zijt? Waar het hart vol van is, daar vloeit de mond van over
12:35 Een goed mens brengt het goede voort uit den goeden schat des harten, en een kwaad mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat
12:36 Maar ik zeg u, dat de mensen rekenschap zullen geven ten dage des oordeels van elk onnut woord, dat zij gesproken hebben
12:37 Uit uwe woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uwe woorden zult gij verdoemd worden
12:38 Toen antwoordden enigen van de Schriftgeleerden en Farizeën, zeggende: Meester, wij wilden gaarne een teken van u zien
12:39 En hij antwoordde en zeide tot hen: Dit kwade en overspelige geslacht begeert een teken, en hun zal geen teken gegeven worden dan het teken van den profeet Jona
12:40 Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten in den buik van den groten vis geweest is, zo zal des Mensen Zoon drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn
12:41 De lieden van Ninevé zullen optreden ten dage des oordeels met dit geslacht, en zullen het veroordelen; want zij deden boete op de prediking van Jona--en zie, hier is meer dan Jona
12:42 De koningin van het Zuiden zal optreden ten dage des oordeels met dit geslacht, en zal het veroordelen; want zij kwam van het einde der aarde, om Salomo's wijsheid te horen--en zie, hier is meer dan Salomo
12:43 Wanneer de onreine geest van den mens is uitgevaren, doorwandelt hij dorre plaatsen, en zoekt rust en vindt ze niet
12:44 Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis waaruit ik gegaan ben; en als hij komt, vindt hijhet ledig, met bezemen gekeerd, en versierd
12:45 Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, die erger zijn dan hij zelf is; en als zij daar inkomen, wonen zij aldaar; en het wordt met dien mens naderhand erger dan het te voren was. Alzo zal het ook met dit boze geslacht gaan
12:46 Terwijl hij nog zo sprak tot het volk, zie, toen stonden zijne moeder en zijne broeders daarbuiten, en begeerden hem te spreken
12:47 Toen zeide iemand tot hem: Zie, uwe moeder en uwe broeders staan daarbuiten en willen met u spreken
12:48 Maar hij antwoordde en zeide tot dengeen, die hem dat gezegd had: Wie is mijne moeder, en wie zijn mijne broeders
12:49 En hij strekte zijne hand uit over zijne jongeren, en zeide: Zie, mijne moeder en mijne broeders
12:50 Want wie den wil mijns Vaders in den hemel doet, die is mijn broeder en mijne zuster en moeder. Mattheus 1
13:1 Op dien dag ging Jezus uit het huis, en zette zich neder aan de zee
13:2 En veel volk vergaderde zich tot hem, zodat hij in een schip ging en zich nederzette; en al het volk stond aan den oever
13:3 En hij sprak tot hen menigerlei door gelijkenissen, en zeide: Zie, een zaadzaaier ging uit om te zaaien
13:4 En terwijl hij zaaide, viel een gedeelte bij den weg; toen kwamen de vogels en aten het op
13:5 Een ander deel viel in steenachtigen grond, waar het niet veel aarde had; en het ging spoedig op, omdat het geen diepe aarde had
13:6 maar toen de zon opging, verwelkte het, en omdat het geen wortel had, verdorde het
13:7 Nog een ander deel viel onder de doornen; en de doornen wiesen op en verstikten het
13:8 Maar een gedeelte viel in een goed land, en droeg vrucht, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig
13:9 Wie oren heeft om te horen, die hore
13:10 En de jongeren traden tot hem en zeiden: Waarom spreekt gij tot hen door gelijkenissen
13:11 En hij antwoordde en zeide tot hen: U is het gegeven de verborgenheden des hemelrijks te weten, maar dezen is het niet gegeven
13:12 Want wie heeft, dien wordt gegeven, opdat hij overvloed hebben; maar wie niet heeft, van dien wordt ook genomen hetgeen hij heeft
13:13 Daarom spreek ik tot hen door gelijkenissen; want met ziende ogen zien zij niet, en met horende oren horen zij niet en verstaan het niet
13:14 En aan hen wordt vervuld de profetie van Jesaja, zeggende: "Met de oren zult gij het horen en niet verstaan, en met ziende ogen zult gij het zien en niet bemerken
13:15 Want het hart dezes volks is verstokt en hunne oren horen niet wel, en hunne ogen sluimeren; dat zij niet wellicht met de ogen zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zich bekeren, en ik hen geneze"
13:16 Maar zalig zijn ùwe ogen, omdat zij zien, en ùwe oren, omdat zij horen
13:17 Want voorwaar, ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien, en te horen hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord
13:18 Gijlieden dan, hoort de gelijkenis van den zaadzaaier
13:19 Als iemand het woord van het rijk hoort en niet verstaat, dan komt de boze en rukt weg hetgeen gezaaid is in zijn hart; deze is het, die bij den weg gezaaid is
13:20 Maar die in steenachtigen grond gezaaid is, is degeen, die het woord hoort, en het terstond met vreugde aanneemt
13:21 doch hij heeft geen wortel in zich, maar hij is slechts voor een tijd en wanneer er verdrukking of vervolging ontstaat om des woords wil, ergert hij zich terstond
13:22 En die onder de doornen gezaaid is, is degeen die het woord hoort; en de zorg dezer wereld en het bedrog des rijkdoms verstikt het woord, en het draagt geen vrucht
13:23 Maar die in het goede land gezaaid is, is degeen, die het woord hoort en het verstaat, en dan ook vrucht voortbrengt; en het draagt deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig
13:24 Hij stelde hun ene andere gelijkenis voor, en zeide: Het hemelrijk is gelijk een mens, die goed zaad in zijnen akker zaaide
13:25 Doch terwijl de lieden sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid tussen de tarwe, en ging van daar
13:26 Toen nu het kruid wies en vrucht voortbracht, vond men ook het onkruid
13:27 Toen traden de knechten tot den huisvader en zeiden: Heer, hebt gij niet goed zaad in uwen akker gezaaid? Vanwaar heeft hij dan dit onkruid
13:28 En hij zeide tot hen: Een vijandig mens heeft dit gedaan. Toen zeiden de knechten: Wilt gij dan dat wij heengaan en het uitwieden
13:29 Maar hij zeide: Neen, opdat gij niet misschien de tarwe mede uittrekt, als gij het onkruid uitwiedt
13:30 Laat ze beide te zamen wassen tot den oogst; en ten tijde van den oogst zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst het onkruid en bindt het in bundels, opdat men het verbrande; maar vergadert de tarwe in mijne schuur
13:31 Een andere gelijkenis stelde hij hun voor, en zeide: Het hemelrijk is gelijk een mostaardzaad, dat een mens nam en in zijnen akker zaaide
13:32 hetwelk wel het kleinste is onder alle zaden, maar, als het opwast, het grootste is onder de moeskruiden, en een boom wordt, zodat de vogelen des hemels komen en wonen in zijne takken
13:33 Ene andere gelijkenis sprak hij tot hen: Het hemelrijk is gelijk een zuurdeeg, hetwelk ene vrouw nam en vermengde onder drie maten meel, totdat het geheel gezuurd werd
13:34 Dit alles sprak Jezus door gelijkenissen tot het volk, en zonder gelijkenissen sprak hij niet tot hen
13:35 opdat vervuld werd hetgeen gezegd is door den profeet, zeggende: "lk wil mijnen mond opendoen in gelijkenissen, en wil uitspreken de verborgenheden van het begin der wereld.
13:36 Toen liet Jezus het volk van zich, en ging naar huis. En zijne jongeren traden tot hem, en zeiden: Verklaar ons deze gelijkenis van het onkruid op den akker
13:37 Hij antwoordde en zeide tot hen: Die het goede zaad zaait is des Mensen Zoon
13:38 de akker is de wereld; het goede zaad zijn de kinderen des rijks; het onkruid zijn de kinderen der boosheid
13:39 de vijand, die het zaait, is de duivel; de oogst is het einde der wereld; de maaiers zijn de Engelen
13:40 Gelijk men nu het onkruid uitwiedt en met vuur verbrandt, zo zal het ook zijn op het einde dezer wereld
13:41 Des Mensen Zoon zal zijne Engelen zenden, en zij zullen vergaderen uit zijn rijk alle ergernissen, en degenen die onrecht doen
13:42 en zij zullen ze in den gloeienden oven werpen: daar zal geween zijn en geknars der tanden
13:43 Dan zullen de rechtvaardigen blinken als de zon in huns Vaders rijk. Wie oren heeft om te horen, die hore
13:44 Wederom is het hemelrijk gelijk een verborgen schat in den akker, dien een mens vond en verborg; en van blijdschap daarover ging hij heen, en verkocht al wat hij had, en kocht dien akker
13:45 Wederom is het hemelrijk gelijk een koopman, die schone parelen zocht
13:46 En toen hij ééne kostelijke parel vond, ging hij heen en verkocht al wat hij had, en kocht die
13:47 Wederom is het hemelrijk gelijk een net, dat in zee geworpen is, en waarmede men van allerlei soort vangt
13:48 Als het nu vol is, trekken zij het op aan den oever, en zetten zich neder, en lezen het goede in een vat te zamen, maar het slechte werpen zij weg
13:49 Zo zal het ook zijn op het einde der wereld: de Engelen zullen uitgaan en de bozen van de rechtvaardigen scheiden
13:50 en zij zullen ze in den gloeienden oven werpen; daar zal geween zijn en geknars der tanden
13:51 En Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden: Ja, Heer
13:52 Toen zeide hij tot hen: Daarom is ieder schriftgeleerde, die tot het hemelrijk onderwezen is, gelijk een huisvader, die uit zijnen schat nieuw en oud voortbrengt
13:53 En het geschiedde, toen Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, dat hij van daar ging
13:54 En hij kwam in zijne vaderstad, en leerde hen in hunne synagoge, zodat zij zich ontzetten en zeiden: Hoe komt deze aan zulke wijsheid en zulke wonderkrachten
13:55 Is hij niet des timmermans zoon? Heet zijne moeder niet Maria, en zijne broeders Jakobus en Joses en Simon en Judas
13:56 En zijne zusters, zijn zij niet allen bij ons? Vanwaar komt hij dan aan dit alles
13:57 En zij ergerden zich aan hem. Maar Jezus zeide tot hen: Een profeet geldt nergens minder dan in zijn vaderstad en in zijn huis
13:58 En hij deed aldaar niet vele tekenen vanwege hun ongeloof. Mattheus 1
14:1 In dien tijd kwam het gerucht van Jezus tot den viervorst Herodes
14:2 en hij zeide tot zijne dienaren: Deze is Johannes de Doper; hij is van de doden opgestaan, en daarom werken die wonderkrachten in hem
14:3 Want Herodes had Johannes gegrepen, en hem gebonden en in de gevangenis gezet, vanwege Herodias, de vrouw van zijnen broeder Filippus
14:4 Want Johannes had tot hem gezegd: Het is niet recht, dat gij haar hebt
14:5 En hij had hem gaarne gedood, maar hij vreesde het volk, want zij hielden hem voor een profeet
14:6 Toen nu Herodes zijnen geboortedag vierde, danste de dochter van Herodias voor hen; en zij behaagde aan Herodes
14:7 Daarom beloofde hij haar bij ede, dat hij haar zou geven wat zij ook eisen zou
14:8 En nadat zij te voren door hare moeder onderricht was, zeide zij: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes den Doper
14:9 En de koning werd treurig; doch om den eed en om degenen, die met hem aan tafel zaten, beval hij, dat het haar zou gegeven worden
14:10 En hij zond heen en liet Johannes in de gevangenis onthoofden
14:11 En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en aan het meisje gegeven, en zij bracht het aan hare moeder
14:12 Toen kwamen zijne jongeren en namen zijn lichaam en begroeven het, en zij kwamen en verkondigden dit aan Jezus
14:13 En toen Jezus dit hoorde, week hij van daar te scheep naar ene woestijn alleen. En toen het volk dit hoorde, volgde het hem te voet uit de steden
14:14 En Jezus ging uit en zag ene grote schare; en het jammerde hem van hen, en hij genas hunne kranken
14:15 Des avonds nu traden zijne jongeren tot hem en zeiden: Dit is ene woestijn, en de dag neigt ten einde; laat het volk van u, opdat zij heengaan in de vlekken en voorzichzelven spijs kopen
14:16 Maar Jezus zeide tot hen: Het is niet nodig, dat zij heengaan; geeft gij hun te eten
14:17 Doch zij zeiden tot hem: Wij hebben hier niet dan vijf broden en twee vissen
14:18 En hij zeide: Brengt ze mij hier
14:19 En hij beval het volk neder te zitten op het gras, en nam de vijf broden en de twee vissen, en zag opwaarts naar den hemel en dankte, en brak ze, en gaf de broden aan de jongeren, en de jongeren gaven ze aan het volk
14:20 En zij aten allen en werden verzadigd; en zij namen de overgebleven brokken op, twaalf korven vol
14:21 Die nu gegeten hadden waren vijf duizend mannen, behalve de vrouwen en kinderen
14:22 En [terstond] drong Jezus zijne jongeren om in het schip te treden, en hem vooruit te varen naar de overzijde, terwijl hij het volk van zich zou laten
14:23 En toen hij het volk van zich gelaten had, klom hij op een berg alleen, om te bidden; en des avonds was hij aldaar alleen
14:24 En het schip was alreeds op het midden der zee, en leed nood van de baren, want de wind was hun tegen
14:25 En in de vierde nachtwake kwam Jezus tot hen, en wandelde op de zee
14:26 En toen de jongeren hem op de zee zagen wandelen, verschrikten zij en zeiden: Het is een spook! En zij schreeuwden van vrees
14:27 Maar terstond sprak Jezus hen toe, zeggende: Hebt goeden moed, ik ben het, vreest niet
14:28 En Petrus antwoordde hem en zeide: Heer, zijt gij het, zo beveel mij tot u te komen op het water
14:29 En hij zeide: Kom! En Petrus trad uit het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen
14:30 Maar toen hij den sterken wind zag, verschrikte hij, en begon te zinken, en riep en zeide: Heer, help mij
14:31 En Jezus strekte terstond de hand uit, greep hem, en zeide tot hem: Gij kleingelovige, waarom twijfelt gij
14:32 En zij traden in het schip, en de wind ging liggen
14:33 Zij nu, die in het schip waren, kwamen en vielen voor hem neder, en zeiden: Voorwaar, gij zijt Gods Zoon
14:34 En zij voeren over, en kwamen in het land Gennésaret
14:35 En toen de lieden van die plaats hem gewaar werden, zonden zij uit in het gehele land rondom, en brachten allen die krank waren tot hem
14:36 En zij baden hem, dat zij slechts den zoom zijns kleeds mochten aanraken; en allen, die hem aanraakten, werden gezond. Mattheus 1
15:1 Toen kwamen tot Jezus Schrift geleerden en Farizeën van Jeruzalem, en zeiden
15:2 Waarom overtreden uwe jongeren de instellingen der ouden? Want zij wassen hunne handen niet, als zij brood eten
15:3 Hij antwoordde en zeide tot hen: Waarom overtreedt gij dan Gods gebod door uwe instellingen
15:4 God heeft geboden: "Gij zult vader en moeder eren"; en: "Wie vader of moeder vloekt, zal den dood sterven"
15:5 Maar gij leert: Wie tot zijnen vader of zijne moeder zegt: "Als ik het offer, zo is het u veel nutter", --die doet wèl. Dus zou het geschieden, dat niemand meer zijnen vader of zijne moeder eert
15:6 Alzo hebt gij Gods gebod te niet gedaan door uwe instellingen
15:7 Gij huichelaars! Zeer treffend heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende
15:8 "Dit volk genaakt mij met hunnen mond en eert mij met hunne lippen, maar hun hart is verre van mij
15:9 Doch tevergeefs dienen zij mij, dewijl zij leringen voordragen, die niet dan mensengeboden zijn.
15:10 En hij riep het volk tot zich, en zeide tot hen: Hoort en verstaat het
15:11 Wat den mond ingaat, dat ontreinigt den mens niet; maar wat den mond uitgaat, dàt ontreinigt den den mens
15:12 Toen traden zijne jongeren tot hem en zeiden: Weet gij wel, dat de Farizeën zich ergerden, toen zij dat woord hoorden
15:13 Maar hij antwoordde en zeide: Alle planten, die mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zullen uitgeroeid worden
15:14 Laat ze gaan! Zij zijn blinde leidslieden van blinden. Wanneer nu de ene blinde den anderen leidt, vallen zij beiden in den kuil
15:15 Toen antwoordde Petrus en zeide tot hem: Verklaar ons deze gelijkenis
15:16 En Jezus zeide tot hen: Zijt gij dan ook nog onverstandig
15:17 Merkt gij nog niet, dat al wat den mond ingaat, in den buik komt, en door den natuurlijken weg uitgeworpen wordt
15:18 Maar wat den mond uitgaat, dat komt uit het hart, en dàt ontreinigt den mens
15:19 Want uit het hart komen voort kwade gedachten, moord, overspel, hoererij, dieverij, valse getuigenis, lastering
15:20 Dit zijn de dingen, die den mens ontreinigen; maar met ongewassen handen te eten ontreinigt den mens niet
15:21 En Jezus ging van daar uit, en ontweek in de landstreek van Tyrus en Sidon
15:22 En zie, ene Kananese vrouw uit die landpalen komende, riep hem na en zeide: Ach Heer, gij Zoon Davids, ontferm u over mij! Mijne dochter is deerlijk bezeten
15:23 En hij antwoordde haar geen woord. Toen traden zijne jongeren tot hem, baden hem en zeiden: Laat haar toch van u, want zij roept ons na
15:24 Maar hij antwoordde en zeide: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israëls
15:25 Zij nu kwam en viel voor hem neder, en zeide: Heer, help mij
15:26 Doch hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk den kinderen het brood te ontnemen en het den honden voor te werpen
15:27 Zij zeide: Ja, Heer! maar nochtans eten de honden van de kruimpjes, die van hunner heren tafel vallen
15:28 Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O vrouw, uw geloof is groot; u geschiede gelijk gij wilt. En hare dochter werd gezond van die ure af
15:29 En Jezus ging van daar voort, en kwam aan de Galilese zee, en ging op den berg en zette zich aldaar
15:30 En vele scharen kwamen tot hem, die bij zich hadden kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen; en zij leiden ze neder aan de voeten van Jezus, en hij genas hen
15:31 zodat het volk zich verwonderde, toen zij zagen, dat de stommen spraken, de lammen hersteld waren, de kreupelen gingen en de blinden zagen; en zij prezen den God van Israël
15:32 En Jezus riep zijne jongeren tot zich en zeide: Het jammert mij van het volk; want zij zijn nu drie dagen bij mij gebleven, en hebben niet meer te eten; en ik wil ze niet zonder eten van mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken
15:33 Toen zeiden zijne jongeren tot hem: Vanwaar zullen wij zoveel broden bekomen in de woestijn, dat wij zulk ene grote menigte zouden kunnen verzadigen
15:34 En Jezus zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven, en een weinig visjes
15:35 En hij beval het volk neder te zitten op de aarde
15:36 En hij nam de zeven broden en de vissen, dankte, brak ze, en gaf ze aan zijne jongeren, en de jongeren gaven ze aan het volk
15:37 En zij aten allen en werden verzadigd; en zij namen de overgebleven brokken op, zeven korven vol
15:38 En die gegeten hadden waren vier duizend mannen, behalve de vrouwen en kinderen
15:39 En toen hij het volk van zich gelaten had, trad hij in het schip, en kwam in de landpalen van Magdala. Mattheus 1
16:1 Toen traden de Farizeën en Sadduceën tot hem om hem te verzoeken, en begeerden, dat hij hun een teken uit den hemel zou tonen
16:2 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Des avonds zegt gij: Het zal een schone dag worden, want de hemel is rood
16:3 en des morgens zegt gij: Heden zal er stormweer komen, want de hemel ziet treurig rood. Gij huichelaars, de gedaante des hemels kunt gij beoordelen: waarom ook niet de tekenen der tijden
16:4 Dit boze en overspelige geslacht zoekt een teken, en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van den profeet Jona. En hij verliet hen en ging heen
16:5 En toen zijne jongeren waren overgevaren, hadden zij vergeten brood met zich te nemen
16:6 En Jezus zeide tot hen: ziet toe, en wacht u voor het zuurdeeg der Farizeën en Sadduceën
16:7 Toen dachten zij bij zichzelven en zeiden: Dit zal het zijn, dat wij geen brood hebben medegenomen
16:8 En toen Jezus dit vernam, zeide hij tot hen: Gij kleingelovigen, wat bekommert gij u toch, dat gij geen brood hebt medegenomen
16:9 Verstaat gij nog niet, en denkt gij niet aan de vijf broden onder de vijf duizend, en hoeveel korven gij toen opnaamt
16:10 ook niet aan de zeven broden onder de vier duizend, en hoeveel korven gij toen opnaamt
16:11 Hoe begrijpt gij dan niet, dat ik niet van brood spreek, als ik zeg: Wacht u voor het zuurdeeg der Farizeën en Sadduceën
16:12 Toen verstonden zij, dat hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden voor het zuurdeeg des broods, maar voor de leer der Farizeën en Sadduceën
16:13 Toen kwam Jezus in de landstreek der stad Cesaréa Filippi, en vraagde zijnen jongeren en zeide: Wie zeggen de lieden, dat des Mensen Zoon is
16:14 En zij zeiden: Sommigen zeggen: Johannes de Doper; anderen: Elía; nog anderen: Jeremia, of een der profeten
16:15 Hij zeide tot hen: Maar wie zegt gijlieden, dat ik ben
16:16 Toen antwoordde Simon Petrus en zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods
16:17 En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Jona's zoon! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader in den hemel
16:18 En nu zeg ik u: Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen
16:19 En ik zal u de sleutelen des hemelrijks geven; al wat gij op aarde binden zult, dat zal ook in den hemel gebonden zijn; en al wat gij op aarde ontbinden zult, dat zal ook in den hemel ontbonden zijn
16:20 Toen gebood hij zijnen jongeren, dat zij niemand zeggen zouden, dat hij de Christus was
16:21 Van dien tijd af begon Jezus zijnen jongeren te tonen, dat hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de Oudsten en Hogepriesters en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage weder opstaan
16:22 En Petrus nam hem tot zich, en begon hem ernstig toe te spreken, zeggende: Heer, spaar uzelven; dit kome geenszins over u
16:23 Maar hij keerde zich om en zeide tot Petrus: Ga van mij weg, satan! gij zijt mij een aanstoot; want gij meent niet wat goddelijk, maar wat menselijk is
16:24 Toen zeide Jezus tot zijne jongeren: Wil iemand mij navolgen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge mij
16:25 Want wie zijn leven wil behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest om mijnentwil, die zal het vinden
16:26 Want wat baat het den mens, zo hij de gehele wereld wint, en toch schade lijdt aan zijne ziel? Of wat kan de mens geven om zijne ziel te lossen
16:27 Want het zal immers geschieden, dat des Mensen Zoon zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders met zijne Engelen, en alsdan zal hij een ieder vergelden naar zijne werken
16:28 Voorwaar, ik zeg u: Hier staan sommigen, die den dood niet smaken zullen, totdat zij des Mensen Zoon zullen zien komen in zijn rijk. Mattheus 1
17:1 En na zes dagen nam Jezus met zich Petrus en Jakobus en Johannes, zijnen broeder, en leidde hen op een hogen berg in de eenzaamheid
17:2 En hij werd voor hunne ogen van gedaante veranderd; en zijn aangezicht blonk als de zon, en zijne klederen werden wit als het licht
17:3 En zie, toen verschenen hun Mozes en Elía; die spraken met hem
17:4 En Petrus antwoordde en zeide tot Jezus: Heer, hier is het goed zijn; wilt gij, zo zullen wij hier drie hutten maken, voor u een, voor Mozes een, en voor Elía een
17:5 Terwijl hij nog zo sprak, zie, toen overschaduwde hen ene lichte wolk; en zie, ene stem uit de wolk zeide: Deze is mijn geliefde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb; dien zult gij horen
17:6 En toen de jongeren dat hoorden, vielen zij op hun aangezicht en verschrikten zeer
17:7 Maar Jezus trad tot hen, raakte hen aan en zeide: Staat op en vreest niet
17:8 Toen zij nu hunne ogen ophieven, zagen zij niemand dan Jezus alleen
17:9 En toen zij van den berg afgingen, gebood Jezus hun, zeggende: Gij zult dit gezicht aan niemand zeggen, totdat des Mensen Zoon uit de doden is opgestaan
17:10 En zijne jongeren vraagden hem en zeiden: Wat zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Elía eerst moet komen
17:11 Doch Jezus antwoordde en zeide tot hen: Elía zal wel eerst komen, en alles terechtbrengen
17:12 maar ik zeg u: Elía is alreeds gekomen, en zij hebben hem niet erkend, maar hebben aan hem gedaan wat zij wilden. Alzo zal ook des Mensen Zoon van hen moeten lijden
17:13 Toen verstonden de jongeren, dat hij van Johannes den Doper tot hen gesproken had
17:14 En toen zij bij het volk kwamen, trad een mens tot hem, en viel voor hem neder, en zeide
17:15 Heer, ontferm u over mijnen zoon, want hij is maanzuchtig en heeft veel te lijden; dikwijls valt hij in het vuur, en dikwijls in het water
17:16 en ik heb hem tot uwe jongeren gebracht, maar zij hebben hem niet kunnen genezen
17:17 En Jezus antwoordde en zeide: O gij ongelovig en verkeerd geslacht, hoelang zal ik u verdragen? Brengt hem mij hier
17:18 En Jezus bedreigde hem; en de duivel voer van hem uit, en de jongen werd gezond van die ure af
17:19 Toen traden zijne jongeren tot hem alleen, en zeiden: Waarom konden wij hem niet uitdrijven
17:20 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar, ik zeg u: Zo gij een geloof hebt als een mostaardkorrel, zult gij tot dezen berg kunnen zeggen: Hef u van hier op derwaarts, en hij zal zich opheffen; en niets zal u onmogelijk zijn
17:21 [Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten]
17:22 Toen zij nu in Galiléa vertoefden, zeide Jezus tot hen: Des Mensen Zoon zal overgeleverd worden in de handen der mensen
17:23 en zij zullen hem doden, en ten derden dage zal hij weder opstaan. En zij werden zeer bedroefd
17:24 Toen zij nu te Kapérnaüm kwamen, gingen degenen, die den cijnspenning ontvingen, tot Petrus, en zeiden: Pleegt uw meester den cijnspenning niet te geven
17:25 Hij zeide: Ja. En toen hij in het huis kwam, voorkwam Jezus hem en zeide: Wat dunkt u, Simon? Van wie nemen de koningen der aarde tol of cijns, van hunne zonen of van de vreemdelingen
17:26 Toen zeide Petrus tot hem: Van de vreemdelingen. Jezus zeide tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij
17:27 Maar opdat wij hen niet ergeren, zo ga heen aan de zee, en werp den angel uit; en den eersten vis die opkomt, neem dien; en als gij zijnen mond opendoet, zult gij een stater vinden; neem dien en geef hem aan hen voor mij en u. Mattheus 1
18:1 Terzelfder ure traden de jongeren tot Jezus en zeiden: Wie is toch de grootste in het hemelrijk
18:2 En Jezus riep een kind tot zich, en stelde het in het midden van hen
18:3 en zeide: Voorwaar, ik zeg u: indien gij u niet omkeert en wordt als de kinderen, zo zult gij in het hemelrijk niet komen
18:4 Wie nu zichzelven vernedert gelijk dit kind, die is de grootste in het hemelrijk
18:5 en wie zulk een kind aanneemt in mijnen naam, die neemt mij aan
18:6 Maar wie één van deze kleinen, die in mij geloven, ergert, dien ware het beter, dat een molensteen aan zijnen hals gehangen, en hij verdronken werd in de zee, waar zij het diepst is
18:7 Wee der wereld vanwege de verleidingen! Er moeten wel verleidingen komen; doch wee dien mens, door wien de verleiding komt
18:8 Indien dan uwe hand of uw voet u tot zonde verleidt, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, dat gij lam of kreupel ten leven ingaat, dan dat gij twee handen of twee voeten hebt en in het eeuwige vuur geworpen wordt
18:9 En indien uw oog u tot zonde verleidt, zo trekt het uit en werpt het van u. Het is u beter, dat gij éénoogig ten leven ingaat, dan dat gij twee ogen hebt en in het helse vuur geworpen wordt
18:10 Ziet toe, dat gij niemand van deze kleinen veracht: want ik zeg u: Hunne Engelen in den hemel zien altijd het aangezicht mijns Vaders in den hemel
18:11 Want des Mensen Zoon is gekomen om zalig te maken wat verloren is
18:12 Wat dunkt u? Indien enig mens honderd schapen had, en één van deze afdwaalde, laat hij dan niet de negen en negentig op de bergen, en gaat heen om het verdwaalde te zoeken
18:13 En indien het gebeurt, dat hij het vindt, voorwaar, ik zeg u: Hij verblijdt zich meer daarover dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest
18:14 Alzo is het ook niet de wil uws Vaders in den hemel, dat er iemand van deze kleinen verloren ga
18:15 Maar zondigt uw broeder tegen u, zo ga heen en bestraft hem tussen u en hem alleen. Hoort hij u, dan hebt gij uwen broeder gewonnen
18:16 Hoort hij u niet, zo neem nog één of twee met u, opdat alle zaak besta in den mond van twee of drie getuigen
18:17 Hoort hij die niet, zo zeg het der gemeente. Hoort hij de gemeente niet, zo houdt hem als een heiden en tollenaar
18:18 Voorwaar, ik zeg u: Wat gij op aarde binden zult, dat zal ook in den hemel gebonden zijn; en wat gij op aarde ontbinden zult, dat zal ook in den hemel ontbonden zijn
18:19 Verder zeg ik u: Is het, dat er twee onder u ééns worden op aarde over iets, dat zij bidden willen, het zal hun geschieden van mijnen Vader in den hemel
18:20 want waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben ik midden onder hen
18:21 Toen trad Petrus tot hem en zeide: Heer! hoe dikwijls moet ik dan mijnen broeder, die tegen mij zondigt vergeven? Is het genoeg zevenmaal
18:22 Jezus zeide tot hem: Ik zeg u niet zevenmaal, maar zeventigmaal zevenmaal
18:23 Daarom is het hemelrijk gelijk aan een koning, die met zijne dienstknechten wilde afrekenen
18:24 En toen hij begon af te rekenen, kwam er een Vóór hem, die hem tien duizend talenten schuldig was
18:25 En daar hij nu niet had om te betalen, beval zijn heer hem en zijne vrouw en zijne kinderen en al wat hij had te verkopen, en te betalen
18:26 Toen viel de dienstknecht neder en smeekte hem zeggende: Heer, heb geduld met mij; ik zal u alles betalen
18:27 Toen jammerde het den heer van dezen dienstknecht, en hij liet hem los, en de schuld schold hij hem ook kwijt
18:28 Toen ging deze dienstknecht uit, en vond een zijner mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was; en hij greep hem aan en vatte hem bij de keel, en zeide: Betaal mij wat gij mij schuldig zijt
18:29 Toen viel zijn mededienstknecht neder en bad hem, zeggende: Heb geduld met mij; ik zal u alles betalen
18:30 Doch hij wilde niet, maar ging heen en wierp hem in de gevangenis, totdat hij betaald zou hebben wat hij schuldig was
18:31 Toen nu zijne mededienstknechten dit zagen, werden zij zeer bedroefd, en kwamen en berichtten hunnen heer al wat er geschied was
18:32 Toen ontbood zijn heer hem voor zich, en zeide tot hem: Gij boze dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gebeden hebt
18:33 behoordet gij u dan ook niet te ontfermen over uwen mededienstknecht, gelijk ik mij over u ontfermd heb
18:34 En zijn heer werd toornig en leverde hem aan de pijnigers over, totdat hij betaald zou hebben al wat hij hem schuldig was
18:35 Alzo zal ook mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft, ieder zijnen broeder zijne feilen. Mattheus 1
19:1 En het geschiedde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat hij vertrok uit Galiléa, en kwam binnen de landpalen van Judea, aan gene zijde van den Jordaan
19:2 En veel volk volgde hem na, en hij genas ze aldaar
19:3 Toen traden de Farizeën tot hem, om hem te verzoeken, en zeiden tot hem: Is het ook recht, dat een man zich van zijne vrouw afscheidt om allerlei oorzaak
19:4 Hij nu antwoordde en zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, dat hij, die ze in het begin gemaakt heeft, hen man en vrouw heeft gemaakt
19:5 en gezegd heeft: "Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zijne vrouw aanhangen, en die twee zullen één vlees zijn"
19:6 Zo zijn zij nu niet meer twee. maar één vlees. Wat nu God samengevoegd heeft, dat zal de mens niet scheiden
19:7 Toen zeiden zij tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en zich van haar te scheiden
19:8 Hij zeide tot hen: Mozes heeft u toegelaten te scheiden van uwe vrouwen, vanwege de hardheid uwer harten; maar van den beginne af is het zo niet geweest
19:9 Maar ik zeg u: Wie zich van zijne vrouw afscheidt, tenzij dan om hoererij, en ene andere trouwt, die doet overspel; en wie de gescheidene trouwt, die doet ook overspel
19:10 Toen zeiden de jongeren tot hem: Staat de zaak eens mans met zijne vrouw alzo, dan is het niet goed te trouwen
19:11 En hij zeide tot hen: Allen vatten dit woord niet, maar wien het gegeven is
19:12 Want er zijn gesnedenen, die uit den moederschoot zo geboren zijn; en er zijn gesnedenen, die door mensen gesneden zijn; en er zijn gesnedenen, die zichzelven gesneden hebben om des hemelrijks wil. Wie het vatten kan, die vatte het
19:13 Toen werden er kinderen tot hem gebracht, opdat hij de handen op hen zou leggen, en bidden; maar de jongeren bestraften hen
19:14 Doch Jezus zeide: Laat de kinderen geworden, en belet ze niet tot mij te komen; want derzulken is het hemelrijk
19:15 En hij leide de handen op hen, en trok van daar
19:16 En zie, er trad een tot hem en zeide: Goede Meester, wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven moge hebben
19:17 En hij zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed? Niemand is goed dan de enige God. Maar wilt gij ten leven ingaan, zo houd de geboden
19:18 Toen zeide hij tot hem: Welke? En Jezus zeide: "Gij zult niet doden: gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven
19:19 eer uwen vader en uwe moeder, en gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven"
19:20 Toen zeide de jongeling tot hem: Dit alles heb ik onderhouden van mijne jeugd af; wat ontbreekt mij nog
19:21 Jezus zeide tot hem Wilt gij volkomen zijn, zo ga heen, en verkoop wat gij hebt, en geef het den armen, zo zult gij een schat in den hemel hebben; en kom en volg mij
19:22 Toen nu de jongeling dat woord hoorde, ging hij bedroefd van hem; want hij had vele goederen
19:23 En Jezus zeide tot zijne jongeren: Voorwaar, ik zeg u: Een rijke zal bezwaarlijk in het hemelrijk komen
19:24 En verder zeg ik u: Het is lichter dat een kameel door een naaldenoog gaat, dan dat een rijke in het rijk Gods komt
19:25 Toen zijne jongeren dat hoorden, ontzetten zij zich zeer en zeiden: Wie kan dan zalig worden
19:26 Doch Jezus zag hen aan, en zeide tot hen: Bij de mensen is het onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk
19:27 Toen antwoordde Petrus en zeide tot hem: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd: wat gewordt ons daarvoor
19:28 En Jezus zeide tot hen: Voorwaar, ik zeg u, dat gij, die mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer des Mensen Zoon zal zitten op den troon zijner heerlijkheid, ook zitten zult op twaalf tronen, en oordelen de twaalf geslachten van Israël
19:29 En ieder, die verlaat huizen, of broeders of zusters, of vader of moeder, of vrouw of kinderen, of akkers, om mijns naams wil, zal het honderdvoudig wederontvangen, en het eeuwige leven beërven
19:30 Maar velen, die de eersten zijn, zullen de laatsten, en de laatsten zullen de eersten zijn. Mattheus 2
20:1 Het hemelrijk is gelijk een huisvader, die des morgens vroeg uitging om arbeiders in zijnen wijngaard te huren
20:2 En toen hij het met de arbeiders eens geworden was voor een penning tot dagloon, zond hij hen in zijnen wijngaard
20:3 En hij ging uit omtrent de derde ure, en zag anderen op de markt ledig staan
20:4 en hij zeide tot hen: Gaat gij ook heen in den wijngaard; ik zal u geven wat recht is. En zij gingen heen
20:5 Wederom ging hij uit omtrent de zesde en negende ure; en deed desgelijks
20:6 En omtrent de elfde ure ging hij uit, en vond anderen ledig staan, en zeide tot hen: Wat staat gij hier den gehelen dag ledig
20:7 Zij zeiden tot hem: Niemand heeft ons gehuurd. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en wat recht is zal u geworden
20:8 Toen het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards tot zijnen rentmeester: Roep de arbeiders en geef hun het loon, en begin van de laatsten tot de eersten
20:9 Toen kwamen die omtrent de elfde ure gehuurd waren, en elk ontving een penning
20:10 En toen de eersten kwamen, meenden zij, dat zij meer ontvangen zouden; en zij ontvingen ook elk een penning
20:11 En toen zij dien ontvingen, murmureerden zij tegen den huisvader
20:12 zeggende: Deze laatsten hebben slechts één uur gearbeid, en gij hebt hen óns gelijk gemaakt, óns, die den last en de hitte van den dag gedragen hebben
20:13 Maar hij antwoordde en zeide tot een onder hen: Vriend, ik doe u geen onrecht: zijt gij het niet met mij eens geworden voor een penning
20:14 Neem wat het uwe is en ga heen; ik nu wil dezen laatsten geven gelijk u
20:15 Of heb ik geen recht, om met het mijne te doen wat ik wil? Of ziet uw oog daarom boos, omdat ik goedertieren ben
20:16 Alzo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn; [want velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren]
20:17 En Jezus ging op naar Jeruzalem, en nam tot zich de twaalf jongeren afzonderlijk op den weg, en zeide tot hen
20:18 Ziet wij gaan op naar Jeruzalem, en des Mensen Zoon zal aan de Hogepriesters en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen hem ter dood veroordelen
20:19 en zullen hem overleveren aan de heidenen, om hem te bespotten en te geeselen en te kruisigen; en ten derden dage zal hij weder opstaan
20:20 Toen trad tot hem de moeder der zonen van Zebedeüs met hare zonen, viel voor hem neder en begeerde iets van hem
20:21 En hij zeide tot haar: Wat wilt gij? Zij zeide tot hem: Laat deze mijne twee zonen zitten in uw rijk, de een aan uwe rechter [hand] en de ander aan uwe linkerhand
20:22 Maar Jezus antwoordde en zeide: Gij weet niet wat gij bidt; kunt gij den kelk drinken, dien ik drinken zal, [en u laten dopen met den doop, met welken ik gedoopt word]
20:23 Zij zeiden tot hem: Ja. En hij zeide tot hen: Mijnen kelk zult gij wel drinken, [en met den doop, met welken ik gedoopt word, zult gij gedoopt worden]; maar het zitten aan mijne rechter [hand] en linkerhand staat bij mij niet te geven, maar wien het bereid is door mijnen Vader
20:24 Toen de tien dat hoorden, werden zij op de twee broeders misnoegd
20:25 Doch Jezus riep hen tot zich, en zeide: Gij weet, dat de vorsten der volken over hen heersen, en de groten macht over hen oefenen
20:26 Alzo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot wil zijn, die zij uw dienaar
20:27 en wie onder u de voornaamste wil zijn, die zij uw knecht
20:28 gelijk des Mensen Zoon niet gekomen is om zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven tot een losprijs voor velen
20:29 En toen zij van Jericho uittrokken, volgde hem veel volk
20:30 En zie, twee blinden zaten aan den weg; en toen zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen zij, zeggende: Ach Heer, gij Zoon Davids, ontferm u over ons
20:31 Maar het volk bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; doch zij riepen nog veel meer, zeggende: Ach Heer, gij zoon Davids, ontferm u over ons
20:32 En Jezus stond stil en riep hen, en zeide: Wat wilt gìj, dat ik u doen zal
20:33 Zij zeiden tot hem: Heer, dat onze ogen geopend worden
20:34 En het jammerde Jezus, en hij raakte hunne ogen aan; en terstond werden hunne ogen ziende, en zij volgden hem. Mattheus 2
21:1 Toen zij nu Jeruzalem naderden, en tot aan Bethfagé aan den Olijfberg gekomen waren, zond Jezus twee zijner jongeren, en zeide tot hen
21:2 Gaat heen in het vlek, dat Vóór u ligt, en terstond zult gij ene ezelin aangebonden vinden, en een veulen bij haar: ontbindt ze en brengt ze tot mij
21:3 En zo iemand u iets zeggen mocht, zegt dan: De Heer heeft ze nodig; en terstond zal hij ze u laten
21:4 Dit alles nu geschiedde, opdat vervuld werd hetgeen gesproken is door den profeet, zeggende
21:5 "Zegt aan de dochter van Sion: Zie uw koning komt tot u, zachtmoedig, rijdende op een ezelin, en wel op een veulen, het jong van het lastdier.
21:6 En de jongeren gingen heen en deden gelijk Jezus hun bevolen had
21:7 en brachten de ezelin en het veulen, en leiden hunne klederen daarop, en zetten hem daarop
21:8 En veel volk spreidde de klederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de bomen en strooiden die op den weg
21:9 En het volk, dat vooraan ging en dat volgde, riep en zeide: Hosanna den zone Davids! Geloofd zij, die komt in den naam des Heren! Hosanna in de hoogte
21:10 En toen hij Jeruzalem introk, geraakte de gehele stad in opschudding en zeide: Wie is deze
21:11 En het volk zeide: Deze is Jezus, de profeet van Nazaret in Galiléa
21:12 En Jezus ging in den tempel Gods, en dreef allen uit, die in den tempel verkochten en kochten, en stiet de tafels der wisselaars en de stoelen der duivenkramers om
21:13 en zeide tot hen: Er staat geschreven: "Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden", maar gij hebt het tot een rovershol gemaakt
21:14 En er kwamen blinden en lammen tot hem in den tempel, en hij genas hen
21:15 Maar toen de Hogepriesters en Schriftgeleerden de wonderen zagen, die hij deed, en de kinderen in den tempel, roepende en zeggende: Hosanna den zone Davids! werden zij verstoord
21:16 en zeiden tot hem: Hoort gij wel wat dezen zeggen? En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: "Uit den mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij U lof bereid"
21:17 En hij verliet hen, en ging de stad uit naar Bethanië, en bleef aldaar
21:18 En toen hij des morgens vroeg weder naar de stad ging, hongerde hem
21:19 En hij zag een vijgeboom aan den weg, en ging er naar toe, en vond er niets aan dan alleen bladeren; en hij zeide tot hem: Nu wasse eeuwig geen vrucht meer aan u! En de vijgeboom verdorde terstond
21:20 En toen de jongeren dit zagen, verwonderden zij zich, en zeiden: Hoe is de vijgeboom zo spoedig verdord
21:21 Doch Jezus antwoordde en zeide tot hen: Voorwaar, ik zeg u: Zo gij geloof hebt en niet twijfelt, zult gij dit niet alleen met den vijgeboom doen, maar zo gij zult zeggen tot dezen berg: Hef u op en werp u in de zee! zal het geschieden
21:22 En al wat gij bidt in het gebed, indien gij gelooft, zult gij ontvangen
21:23 En toen Hij in den tempel kwam, traden tot hem, terwijl hij leerde, de Hogepriesters en de Oudsten des volks, en zeiden: Door welke macht doet gij dit, en wie heeft u die macht gegeven
21:24 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Ik zal u ook één woord vragen; indien gij mij dat zegt, zo zal ik u ook zeggen door welke macht ik dit doe
21:25 Vanwaar was de doop van Johannes? Was die van den hemel of van de mensen? Toen dachten zij bij zichzelven en zeiden: Zeggen wij: Hij is van den hemel geweest, dan zal hij tot ons zeggen: Waarom geloofdet gij hem dan niet
21:26 Maar zeggen wij: Hij is van de mensen geweest, dan moeten wij voor het volk vrezen; want zij houden allen Johannes voor een profeet
21:27 En zij antwoordden Jezus en zeiden: Wij weten het niet. Toen zeide hij tot hen: Zo zeg ik u ook niet door welke macht ik dit doe
21:28 Maar wat dunkt u? Een man had twee zonen, en hij ging tot den eersten en zeide: Mijn zoon, ga heen en arbeid heden in mijnen wijngaard
21:29 Maar hij antwoordde en zeide: Ik wil het niet doen. Daarna berouwde het hem en hij ging heen
21:30 En hij ging tot den anderen en zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ja heer; en hij ging niet heen
21:31 Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar, ik zeg u, dat de tollenaars en hoeren eer in het hemelrijk komen dan gij
21:32 Johannes kwam tot u en leerde u den rechten weg, en gij geloofdet hem niet; maar de tollenaars en hoeren geloofden hem; en hoewel gij het zaagt, deedt gij nochtans geen boete om hem daarna ook te geloven
21:33 Hoort ene andere gelijkenis. Er was een huisvader, die plantte een wijngaard, en stelde er ene omtuining omheen, en groef er ene wijnpers in, en bouwde een toren, en verhuurde hem aan wijngaardeniers, en trok buitenslands
21:34 Toen nu de tijd der vruchten kwam, zond hij zijne knechten tot de wijngaardeniers om zijne vruchten te ontvangen
21:35 Toen namen de wijngaardeniers zijne knechten; den een sloegen zij, den ander doodden zij, en den derden stenigden zij
21:36 Wederom zond hij andere knechten, in groter getal dan de eerste; en zij deden hun desgelijks
21:37 Ten laatste zond hij tot hen zijnen zoon, en zeide: Zij zullen mijnen zoon ontzien
21:38 Maar toen de wijngaardeniers den zoon zagen, zeiden zij onder elkander: Deze is de erfgenaam: komt, laat ons hem doden en zijn erfgoed aan ons brengen
21:39 En zij namen hem, stieten hem uit den wijngaard, en doodden hem
21:40 Wanneer nu de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij dezen wijngaardeniers doen
21:41 Zij zeiden tot hem: Hij zal die booswichten jammerlijk ombrengen, en zijnen wijngaard aan andere wijngaardeniers verhuren, die hem de vruchten ter rechter tijd zullen geven
21:42 Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schrift: "De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, is tot een hoeksteen geworden; van den Heer is dat geschied, en het is een wonder in onze ogen"
21:43 Daarom zeg ik u: Het rijk Gods zal van u genomen, en aan een volk gegeven worden, dat zijne vruchten brengt
21:44 [En wie op dezen steen valt, die zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.
21:45 En toen de Hogepriesters en Farizeën zijne gelijkenissen hoorden, begrepen zij, dat hij van hen sprak
21:46 En zij zochten hem te grijpen, maar zij vreesden het volk, want het hield hem voor een profeet. Mattheus 2
22:1 En Jezus antwoordde en sprak wederom door gelijkenissen tot hen, zeggende
22:2 Het hemelrijk: is gelijk een koning, die zijnen zoon ene bruiloft bereidde
22:3 en zijne dienaren uitzond, om de gasten tot de bruiloft te roepen; maar zij wilden niet komen
22:4 Wederom zond hij andere dienaren uit, en zeide: Zegt den gasten: Ziet, mijnen maaltijd heb ik bereid, mijne ossen en mijn mestvee zijn geslacht, en alles is bereid: komt ter bruiloft
22:5 Maar zij verachtten dat en gingen heen, de een op zijnen akker, de ander tot zijne hantering
22:6 en sommigen grepen zijne dienaren, deden hun smaadheid aan, en doodden hen
22:7 Toen nu de koning dit hoorde, werd hij toornig, en zond zijn heir uit, en verdelgde deze moordenaars en stak hunne stad in brand
22:8 Toen zeide hij tot zijne dienaren: De bruiloft is wel bereid, maar de gasten waren het niet waardig
22:9 Daarom gaat heen op de straten, en nodigt tot de bruiloft wie gij vindt
22:10 En de dienaren gingen uit op de straten, en brachten te zamen wie zij vonden, kwaden en goeden; en de tafels werden alle vol
22:11 Toen ging de koning naar binnen om de gasten te bezien; en hij zag aldaar een mens, die geen bruiloftskleed aan had, en zeide tot hem
22:12 Vriend, hoe zijt gij hier ingekomen, en hebt toch geen bruiloftskleed aan? En hij verstomde
22:13 Toen zeide de koning tot zijne dienaren: Bindt hem handen en voeten, en werpt hem in de uiterste duisternis; daar zal geween zijn en geknars der tanden
22:14 Want velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren
22:15 Toen gingen de Farizeën heen en hielden raad, hoe zij hem vangen zouden in zijne rede
22:16 En zij zonden tot hem hunne jongeren met de Herodianen, en zeiden: Meester, wij weten, dat gij waarachtig zijt, en den weg Gods recht leert; en gij vraagt naar niemand, want gij acht het aanzien der mensen niet
22:17 Daarom zeg ons, wat dunkt u, is het recht, den keizer cijns te geven, of niet
22:18 Toen nu Jezus hunne arglistigheid merkte, zeide hij
22:19 Gij huichelaars, wat verzoekt gij mij? Toont mij de cijnsmunt. En zij reikten hem een penning
22:20 En hij zeide tot hen: Wiens is dat beeld en het opschrift
22:21 Zij zeiden tot hem: Des keizers. Toen zeide hij tot hen: Geeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is
22:22 En toen zij dat hoorden, verwonderden zij zich; en zij verlieten hem en gingen hee
22:23 Op dienzelfden dag traden tot hem de Sadduceën, die zeggen dat er geen opstanding is, en vraagden hem
22:24 zeggende: Meester! Mozes heeft gezegd: Zo iemand sterft en geen kinderen heeft, dan zal zijn broeder diens vrouw trouwen en zal zijnen broeder kroost verwekken
22:25 Nu zijn er bij ons zeven broeders geweest; de eerste trouwde, en stierf, en dewijl hij geen kroost had, zo liet hij zijne vrouw aan zijnen broeder na
22:26 Desgelijks de tweede, en de derde, tot den zevenden toe
22:27 Ten laatste na allen stierf ook de vrouw
22:28 Nu, in de opstanding, wiens vrouw zal zij zijn van die zeven? Zij hebben haar immers allen gehad
22:29 Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, en kent de Schrift niet, noch de kracht Gods
22:30 In de opstanding zullen zij niet trouwen noch ten huwelijk uitgegeven worden, maar zij zijn gelijk de Engelen Gods in den hemel
22:31 En hebt gij, aangaande de opstanding der doden, niet gelezen hetgeen door God tot u gesproken is, zeggende
22:32 "lk ben de God van Abraham en de God van Isaäk en de God van Jakob"? Maar nu is God niet een God der doden maar der leven den. -
22:33 En toen het volk dat hoorde, ontzetten zij zich over zijne leer
22:34 Toen nu de Farizeën hoorden, dat hij den Sadduceën den mond gestopt had, vergaderden zij zich
22:35 En een onder hen, een wetgeleerde, vroeg om hem te verzoeken
22:36 Meester, welk is het grootste gebod in de wet
22:37 En Jezus zeide tot hem: "Gij zult God, uwen Heer, liefhebben met uw ganse hart en met uwe ganse ziel en met geheel uw verstand.
22:38 Dit is het eerste en grootste gebod
22:39 Het tweede is daaraan gelijk: "Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.
22:40 Aan deze twee geboden hangt de gehele Wet en de Profeten
22:41 Toen nu de Farizeën bij elkander waren, vraagde Jezus hu
22:42 en zeide: Wat dunkt u van den Christus? Wiens zoon is hij? Zij zeiden: Van David
22:43 Hij zeide tot hen: Hoe noemt hem dan David in den Geest een Heer, zeggende
22:44 "De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer: Zet u aan mijne rechterhand, totdat Ik uwe vijanden leg tot ene voetbank uwer voeten"
22:45 Indien nu David hem een Heer noemt, hoe is hij dan zijn zoon? -
22:46 En niemand kon hem een woord antwoorden, en niemand durfde hem ook van dien dag af meer vragen. Mattheus 2
23:1 Toen sprak Jezus tot het volk en zijne jongeren
23:2 zeggende: Op Mozes' stoel zitten de Schriftgeleerden en Farizeën
23:3 Daarom, alwat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar naar hunne werken moet gij niet doen; zij zeggen het wel, maar doen het niet
23:4 Want zij binden zware en ondraaglijke lasten te zamen, en leggen ze den mensen op de schouders; maar zij willen ze niet met een vinger aanroeren
23:5 Al hunne werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; zij maken hunne gebedsriemen breed, en de franjes aan hunne klederen groot
23:6 Zij zitten gaarne boven aan de tafels en vooraan in de synagogen
23:7 en hebben gaarne, dat zij gegroet worden op de markt, en door de mensen Rabbi genoemd worden
23:8 Maar gij zult u niet Rabbi laten noemen; want één is uw Meester, de Christus, maar gij zijt allen broeders
23:9 En gij zult niemand Vader heten op de aarde, want één is uw Vader, Hij, die in den hemel is
23:10 En gij zult u niet Meester laten noemen; want één is uw Meester, de Christus
23:11 Maar de grootste onder u zal uw dienaar zijn
23:12 Want wie zichzelven verhoogt, die zal vernederd worden; en wie zichzelven vernedert, die zal verhoogd worden
23:13 Wee u, Schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars, gij, die het hemelrijk toesluit voor de mensen! Gij komt er niet in, en wie er in willen, laat gij er niet ingaan
23:14 Wee u, Schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars, gij, die de huizen der weduwen opeet, en dat, terwijl gij voor den schijn lange gebeden doet! Daarom zult gij zwaarder oordeel onwangen
23:15 Wee u, Schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars, gij, die land en water omtrekt, om éénen Jodengenoot te maken; en als hij het geworden is, dan maakt gij van hem een kind der hel, tweevoudig meer dan gij zijt
23:16 Wee u, verblinde leidslieden, gij, die zegt: Wie zweert bij den tempel, dat is niets; maar wie zweert bij het goud aan den tempel, is [aan zijn eed] gebonden
23:17 Gij dwazen en blinden! Wat is groter, het goud of de tempel, die het goud heiligt
23:18 En: Wie zweert bij het altaar, dat is niets; maar wie zweert bij het offer, dat daarop is, is [aan zijn eed] gebonden
23:19 Gij dwazen en blinden! Wat is groter, het offer of het altaar, dat het offer heiligt
23:20 Daarom, wie zweert bij het altaar, die zweert daarbij en bij al wat er op is
23:21 en wie zweert bij den tempel, die zweert bij dezen en bij Hem, die er in woont
23:22 en wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods en bij Hem, die er op zit
23:23 Wee u, Schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars, gij, die de munte en de dille en den komijn vertient, maar het voornaamste in de wet nalaat, de rechtvaardigheid, de barmhartigheid en de trouw. Dit moest men doen, en het andere niet nalaten
23:24 Gij verblinde leidslieden, gij, die de mug uitzift en den kameel inzwelgt
23:25 Wee u, Schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars, gij, die de bekers en schotels van buiten rein houdt, maar van binnen zijn ze vol roof en gulzigheid
23:26 Gij blinde Farizeër, reinig eerst het binnenste van den beker en den schotel, opdat ook het buitenste rein worde
23:27 Wee u, Schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars, gij, die gelijk zijt aan de gewitte graven, welke van buiten schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid
23:28 Alzo ook gij: van buiten schijnt gij voor de mensen rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ondeugd
23:29 Wee u, Schriftgeleerden en Farizeën, gij huichelaars, die de graven der profeten bouwt, en de gedenktekenen der rechtvaardigen versiert
23:30 en zegt: Waren wij in de tijden onzer vaderen geweest, wij zouden met hen geen deel genomen hebben aan het bloed der profeten
23:31 Zo geeft gij immers van uzelven getuigenis, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben
23:32 Welaan, maakt dan ook de maat uwer vaderen vol
23:33 Gij slangen, gij addergebroedsel, hoe zult gij de helse verdoemenis ontvlieden
23:34 Daarom, zie, ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden, en van dezen zult gij sommigen doden en kruisigen, en sommigen van hen zult gij geeselen in uwe synagogen, en zult hen van stad tot stad vervolgen
23:35 opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia, den zoon van Barachia, dien gij gedood hebt tussen den tempel en het altaar
23:36 Voorwaar, ik zeg u, dat dit alles over dit geslacht komen zal
23:37 Jeruzalem! Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb ik uwe kinderen willen vergaderen, gelijk ene hen hare kiekens vergadert onder hare vleugelen; maar gij hebt niet gewild
23:38 Zie, uw huis zal u woest gelaten worden
23:39 Want ik zeg u: Gij zult mij van nu af niet zien, totdat gij zeggen zult: Geloofd zij hij, die komt in den naam des Heren! Mattheus 2
24:1 En Jezus uitgaande vertrok van den tempel; en zijne jongeren traden tot hem, om hem de gebouwen des tempels te tonen
24:2 En Jezus zeide tot hen: Ziet gij dit alles niet? Voorwaar, ik zeg u: Hier zal geen steen op den anderen blijven, die niet in stukken zal gebroken worden
24:3 En toen hij op den Olijfberg zat, traden zijne jongeren tot hem afzonderlijk, en zeiden: Zeg ons, wanneer zal dat geschieden? En welk zal het teken zijn van uwe toekomst en van de voleinding der wereld
24:4 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Ziet toe, dat niemand u misleide
24:5 want velen zullen komen onder mijnen naam, en zeggen: Ik ben de Christus, en zullen velen misleiden
24:6 En gij zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen; ziet toe, en verschrikt niet. Dit alles moet eerst geschieden; maar nog is het einde niet daar
24:7 Want het ene volk zal opstaan tegen het andere, en het ene koninkrijk tegen het andere; en er zullen pestziekten en hongersnoden en aardbevingen zijn, hier en ginds
24:8 Dan zal de nood eerst beginnen
24:9 Alsdan zullen zij u overleveren tot verdrukking, en zullen u doden, en gij zult door alle volken gehaat worden om mijns naams wil
24:10 Dan zullen velen zich ergeren, en elkander verraden en elkander haten
24:11 En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen velen verleiden
24:12 En dewijl de ongerechtigheid de overhand nemen zal, zal de liefde bij velen verkoelen
24:13 Maar wie volhardt tot aan het einde, die zal behouden worden
24:14 En het evangelie van het rijk zal gepredikt worden in de gehele wereld, tot ene getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen
24:15 Wanneer gij nu den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door den profeet Daniël wie het leest, lette daarop, zult zien staan in de heilige plaats
24:16 alsdan vliede op de bergen, wie in Judéa is
24:17 en wie op het dak is, die kome niet af, om iets uit zijn huis te halen
24:18 en wie op het veld is, die kere niet weder terug, om zijne klederen te halen
24:19 Maar wee den zwangeren en zogenden in dien tijd
24:20 Doch bidt, dat uwe vlucht niet geschiede in den winter of op een sabbat
24:21 Want alsdan zal er ene grote verdrukking zijn, hoedanige er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet wezen zal
24:22 En indien deze dagen niet verkort werden, zou er geen mens behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden
24:23 Zo iemand alsdan tot u zeggen zal: Ziet, hier is de Christus, of daar, zo gelooft het niet
24:24 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en grote tekenen en wonderen doen, om, ware het mogelijk, zelfs de uitverkorenen tot dwaling te verleiden
24:25 Ziet, ik heb het u te voren gezegd
24:26 Daarom, als zij tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn, zo gaat niet uit; --ziet, hij is in ene binnenkamer, zo gelooft het niet
24:27 Want gelijk de bliksem uitschiet van het Oosten en schijnt tot het Westen, zo zal ook de toekomst zijn van des Mensen Zoon
24:28 Want waar het aas is, daar zullen zich de arenden vergaderen
24:29 En terstond na de verdrukking van dien tijd zal de zon verduisterd worden, en de maan haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen hevig bewogen worden
24:30 En alsdan zal aan den hemel verschijnen het teken van des Mensen Zoon; en dan zullen al de geslachten der aarde weeklagen, en zullen des Mensen Zoon zien komen op de wolken des hemels met grote kracht en heerlijkheid
24:31 En hij zal zijne Engelen uitzenden met schelklinkende bazuinen, en zij zullen zijne uitverkorenen vergaderen uit de vier winden, van het ene einde des hemels tot het andere
24:32 Leert van den vijgeboom ene gelijkenis: wanneer zijn tak sappig wordt en bladeren krijgt, zo weet gij dat de zomer nabij is
24:33 alzo ook gij, wanneer gij dit alles ziet, zo weet, dat het nabij is, voor de deur
24:34 Voorwaar, ik zeg u: Dit geslacht zal niet vergaan, totdat dit alles zal geschied zijn
24:35 Hemel en aarde zullen vergaan, maar mijne woorden zullen niet vergaan
24:36 Doch van dien dag en van die ure weet niemand, zelfs de Engelen in den hemel niet, dan mijn Vader alleen
24:37 Maar gelijk het in de dagen van Noach was, zo zal ook zijn de toekomst van des Mensen Zoon
24:38 Want gelijk zij waren in de dagen Vóór den zondvloed, zij aten en zij dronken, zij trouwden, en zij lieten zich trouwen, tot den dag toe, dat Noach in de ark ging
24:39 en zij zagen het niet in, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam; --zo zal ook de toekomst zijn van des Mensen Zoon
24:40 Dan zullen er twee op het veld zijn: de een zal aangenomen en de ander verlaten worden
24:41 twee zullen er malen in den molen: de ene zal aangenomen en de andere verlaten worden
24:42 Daarom waakt; want gij weet niet in welke ure uw Heer komen zal
24:43 Maar weet dit: Indien een huisvader wist in welke ure de dief komen zou, hij zou immers waken en niet in zijn huis laten inbreken
24:44 Daarom weest ook gij bereid; want des Mensen Zoon zal komen in ene ure, waarin gij het niet denkt
24:45 En wie is nu de getrouwe en verstandige knecht, dien zijn heer gesteld heeft over zijn huisgezin, om hun spijs te geven ter rechter tijd
24:46 Zalig is die knecht, dien zijn heer, als hij komt, Zó doende vindt
24:47 voorwaar, ik zeg u: hij zal hem over al zijne goederen stellen
24:48 Maar zo gene, de ontrouwe knecht, in zijn hart zal zeggen: Mijn heer komt nog lang niet
24:49 en beginnen zal zijne medeknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards
24:50 zo zal de heer van dien knecht komen ten dage op welken hij het niet vermoedt, en ter ure die hij niet denkt, en hij zal hem in stukken houwen
24:51 en zal hem zijn loon geven met de huichelaars: Dáár zal geween zijn en geknars der tanden. Mattheus 2
25:1 Dan zal het hemelrijk zijn gelijk tien maagden, die hare lampen namen en uitgingen, den bruidegom te gemoet
25:2 En vijf van haar waren wijze en vijf ware dwaze
25:3 De dwaze namen hare lampen, maar namen geen olie mede
25:4 maar de wijze namen olie in hare kruiken, met hare lampen
25:5 Toen nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen slaperig en vielen in slaap
25:6 Maar te middernacht geschiedde er een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem te gemoet
25:7 Toen stonden al die maagden op en bereidden hare lampen
25:8 En de dwaze spraken tot de wijze: Geeft ons van uwe olie, want onze lampen gaan uit
25:9 Toen antwoordden de wijze, zeggende: De olie zou misschien voor ons en voor u niet genoeg zijn, maar gaat liever tot de verkopers en koopt voor uzelven
25:10 En toen zij heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren gingen met hem in ter bruiloft, en de deur werd toegesloten
25:11 Ten laatste kwamen ook de andere maagden, en zeiden: Heer, Heer, doe ons open
25:12 Maar hij antwoordde en zeide: Voorwaar, ik zeg u: Ik ken u niet. -
25:13 Daarom waakt; want gij weet dag noch ure, [waarin des Mensen Zoon komen zal]
25:14 [Het is] gelijk een mens, die buitenslands trok, en zijne dienstknechten riep en hun zijne goederen overgaf
25:15 en den een gaf hij vijf talenten, den ander twee, den derden één, aan ieder naar zijn bekwaamheid en reisde terstond weg
25:16 Die nu vijf talenten ontvangen had, ging heen en handelde daarmede, en won vijf andere talenten
25:17 Desgelijks ook die twee talenten ontvangen had, won ook twee andere
25:18 Maar die er één ontvangen had, ging heen, en maakte een kuil in de aarde, en verborg het geld zijns heren
25:19 Na een langen tijd nu kwam de heer dezer dienstknechten en hield rekenschap met hen
25:20 Toen trad Vóór, die vijf talenten ontvangen had, en bracht nog vijf andere talenten, en zeide: Heer, gij hebt mij vijf talenten gegeven; zie, ik heb er vijf andere talenten mede gewonnen
25:21 Toen zeide zijn heer tot hem: Wèl u, gij goede en getrouwe knecht! Gij zijt over weinig getrouw geweest, ik zal u over veel zeten; ga in tot de vreugde uws heren
25:22 Toen trad ook toe die twee talenten ontvangen had, en zeide: Heer, gij het mij twee talenten gegeven; zie, ik heb er twee andere mede gewonnen
25:23 Zijn heer zeide tot hem: Wèl u, gij goede en getrouwe dienstknecht. Gij zijt over weinig getrouw geweest, ik zal u over veel zetten; ga in tot de vreugde uws heren
25:24 Toen trad ook toe die één talent ontvangen had, en zeide: Heer, ik wist, dat gij een hard man zijt; gij maait waar gij niet gezaaid hebt, en vergadert waar gij niet hebt uitgestrooid
25:25 en ik vreesde, ging heen en verborg uw talent in de aarde. Zie, daar hebt gij het uwe
25:26 Maar zijn heer antwoordde en zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht! Wist gij, dat ik maai waar ik niet gezaaid heb, en vergader waar ik niet gestrooid heb
25:27 dan behoordet gij mijn geld aan de wisselaren gegeven te hebben, en zou ik, als ik gekomen was, het mijne tot mij genomen hebben met winst
25:28 Daarom neem van hem het talent, en geeft het dengeen, die tien talenten heeft
25:29 Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, van dien zal ook genomen worden hetgeen hij heeft
25:30 En werp den onnutten dienstknecht in de uiterste duisternis: daar zal geween zijn en geknars der tanden
25:31 Als nu des Mensen Zoon komen zal in zijne heerlijkheid, en alle heilige Engelen met hem, dan zal hij zitten op den troon zijner heerlijkheid
25:32 en alle volken zullen Vóór hem vergaderd worden, en hij zal hem vanelkander scheiden, gelijk een herder de schapen scheidt van de bokken
25:33 en hij zal de schapen stellen aan zijne rechterhand, en de bokken aan zijne linkerhand
25:34 Dan zal de koning zeggen tot degenen, die aan zijne rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het rijk, dat u bereid is van het begin der wereld
25:35 Want ik ben hongerig geweest, en gij hebt mij gespijsd; ik ben dorstig geweest, en gij hebt mij te drinken gegeven; ik ben een vreemdeling geweest, en gij hebt mij geherbergd
25:36 ik ben naakt geweest, en gij hebt mij gekleed; ik ben krank geweest, en gij hebt mij bezocht; ik ben gevangen geweest, en gij zijt tot mij gekomen
25:37 Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien, en hebben u gespijsd, of dorstig, en hebben u te drinken gegeven
25:38 Wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien, en u geherbergd, of naakt, en hebben u gekleed
25:39 Wanneer hebben wij u krank of gevangen gezien, en zijn tot u gekomen
25:40 En de koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, ik zeg u: Wat gij gedaan hebt aan één van deze mijne minste broeders, dat hebt gij mij gedaan
25:41 Dan zal hij ook zeggen tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen
25:42 Want ik ben hongerig geweest, en gij hebt mij niet gespijsd; ik ben dorstig geweest, en gij hebt mij niet te drinken gegeven
25:43 ik ben een vreemdeling geweest, en gij hebt mij niet geherbergd; ik ben naakt geweest, en gij hebt mij niet gekleed; ik ben krank en gevangen geweest, en gij hebt mij niet bezocht
25:44 Dan zullen ook dezen hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of gevangen, en hebben u niet gediend
25:45 Dan zal hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, ik zeg u: Wat gij niet gedaan hebt aan één van deze minsten, dat hebt gij ook mij niet gedaan
25:46 En zij zullen in de eeuwige pijn gaan, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. Mattheus 2
26:1 En het geschiedde, toen Jezus al deze woorden geëindigd had, dat hij tot zijne jongeren zeide
26:2 Gij weet, dat het na twee dagen Pasen wordt, en des Mensen Zoon zal overgeleverd worden om gekruisigd te worden
26:3 Toen vergaderden de Hogepriesters en Schriftgeleerden en de Oudsten des volks in het paleis van den hogepriester, genaamd Kájafas
26:4 en beraadslaagden te zamen, hoe zij Jezus met list zouden vangen en doden
26:5 Doch zij zeiden: Vooral niet op het feest, opdat er geen oproer kome onder het volk
26:6 Toen nu Jezus te Bethanië was in het huis van Simon, den melaatse
26:7 trad ene vrouw tot hem, die ene albasten fles met kostbare zalfolie had, en goot die uit op zijn hoofd, toen hij aan tafel zat
26:8 Toen zijne jongeren dat zagen, werden zij misnoegd en zeiden: Waartoe deze verkwisting
26:9 Deze zalfolie had duur verkocht, en [het geld] den armen gegeven kunnen worden
26:10 Toen Jezus dit merkte, zeide hij tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? Zij heeft een goed werk aan mij gedaan
26:11 Armen hebt gij altijd bij u; maar mij hebt gij niet altijd
26:12 Dat zij deze zalfolie op mijn lichaam heeft uitgegoten, dat heeft zij gedaan, omdat ik zal begraven worden
26:13 Voorwaar, ik zeg u: Overal, waar dit evangelie gepredikt wordt in de gehele wereld, zal men ook tot hare gedachtenis zeggen wat zij gedaan heeft
26:14 Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, tot de Hogepriesters en zeide
26:15 Wat wilt gij mij geven en ik zal hem u overleveren? En zij wogen hem dertig zilverlingen toe
26:16 En van toen af zocht hij gelegenheid om hem over te leveren
26:17 En op den eersten dag der ongezuurde broden traden de jongeren tot Jezus, en zeiden tot hem: Waar wilt gij, dat wij u het Pascha bereiden zullen om het te eten
26:18 Hij zeide: Gaat heen in de stad tot zekeren man, en zegt tot hem: De Meester laat u zeggen: Mijn tijd is nabij; ik wil bij u het Pascha houden met mijne jongeren. -
26:19 En de jongeren deden gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het Pascha
26:20 Toen het nu avond geworden was, zette hij zich aan tafel met de twaalven
26:21 En toen zij aten zeide hij: Voorwaar, ik zeg u, dat één van u mij verraden zal
26:22 En zij werden zeer bedroefd, en ieder van hen begon tot hem te zeggen: Ik toch niet, Heer
26:23 En hij antwoordde, zeggende: Die de hand met mij in den schotel doopte, die zal mij verraden
26:24 Des Mensen Zoon gaat wel heen, gelijk van hem geschreven staat; maar wee dien mens, door wien des Mensen Zoon verraden wordt! Het ware dien mens beter, dat hij nooit geboren was
26:25 Toen antwoordde Judas, die hem verried, en zeide: Ik toch niet, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij zegt het
26:26 Toen zij nu aten, nam Jezus het brood, dankte, en brak het, en gaf het den jongeren, en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam
26:27 En hij nam den kelk en dankte, en gaf hun dien, en zeide: Drinkt allen daaruit
26:28 dit is mijn bloed, het bloed des nieuwen verbonds, dat vergoten wordt voor velen tot vergeving der zonden
26:29 En ik zeg u, dat ik van nu af niet meer drinken zal van dit gewas des wijnstoks tot op dien dag, wanneer ik het nieuw met u drinken zal in het rijk mijns Vaders
26:30 En toen zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg
26:31 Toen zeide Jezus tot hen: In dezen nacht zult gij u allen aan mij ergeren; want er staat geschreven: "lk zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen zich verstrooien"
26:32 Maar wanneer ik zal opgestaan zijn, zal ik voor u heen gaan naar Galiléa
26:33 Doch Petrus antwoordde en zeide tot hem: Al ware het ook, dat zij zich allen aan u ergerden, zo zal ik mij nochtans nimmermeer ergeren
26:34 Jezus zeide tot hem: Voorwaar, ik zeg u, in dezen nacht, eer de haan kraait, zult gij mij driemaal verloochenen
26:35 Petrus zeide tot hem: Al ware het ook, dat ik met u moest sterven, zo zal ik u toch niet verloochenen. Desgelijks zeiden ook al de jongeren
26:36 Toen kwam Jezus met hen aan een hof, genaamd Gethsémané, en zeide tot zijne jongeren: Zit hier neder, totdat ik zal heengegaan zijn en ginds gebeden hebben
26:37 En hij nam tot zich Petrus en de twee zonen van Zebedeüs, en begon treurig en zeer beangst te worden
26:38 Toen zeide Jezus tot hen: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met mij
26:39 En hij ging een weinig voort, en viel op zijn aangezicht neder, en bad, zeggende: Mijn Vader, is het mogelijk, laat deze kelk van mij voorbijgaan; doch niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt
26:40 En hij kwam tot zijne jongeren en vond ze slapende, en zeide tot Petrus: Kunt gij dan niet één uur met mij waken
26:41 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak
26:42 Ten tweeden male ging hij wederom heen, en bad en zeide: Mijn Vader, zo het niet mogelijk is, dat deze kelk van mij voorbijga, tenzij dat ik hem drinke, zo geschiede uw wil
26:43 En hij kwam en vond hen wederom slapende; en hunne ogen waren vol slaap
26:44 En hij liet hen daar, en ging wederom heen en bad ten derden male, en sprak dezelfde woorden
26:45 Toen kwam hij tot zijne jongeren, en zeide: Wilt gij nu slapen en rusten? Ziet, de ure is gekomen, dat des Mensen Zoon zal overgeleverd worden in de handen der zondaren
26:46 Staat op, laat ons gaan! Ziet, hij is nabij, die mij verraadt
26:47 En terwijl hij nog sprak, zie, toen kwam Judas, een der twaalven, en met hem een grote schare, met zwaarden en met stokken, van de Hogepriesters en Oudsten des volks
26:48 En de verrader had hun een teken gegeven, en gezegd: Wien ik kussen zal, die is het; grijpt dien
26:49 En terstond trad hij tot Jezus, en zeide: Wees gegroet, Rabbi! en kuste hem
26:50 Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij gekomen? Toen traden zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen hem
26:51 En zie, een van degenen die bij Jezus waren, strekte de hand uit en trok zijn zwaard, en sloeg des hogepriesters dienstknecht en hieuw hem het oor af
26:52 Toen zeide Jezus tot hem: Steek uw zwaard in zijne plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen
26:53 Of meent gij, dat ik mijnen Vader niet nu nog kan bidden, dat Hij mij meer dan twaalf legioenen Engelen toezende
26:54 Maar hoe zou dan de Schrift vervuld worden, [die zegt] dat het alzo geschieden moet
26:55 Te dier ure zeide Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tot een moordenaar, met zwaarden en met stokken, om mij gevangen te nemen; ik heb immers dagelijks bij u gezeten en geleerd in den tempel, en gij hebt mij niet gegrepen
26:56 Doch dit alles is geschied, opdat de schriften der profeten zouden vervuld worden. Toen verlieten hem al de jongeren en vloden
26:57 Die Jezus nu gegrepen hadden, leidden hem naar den hogepriester Kájafas, alwaar de Schriftgeleerden en de Oudsten vergaderd waren
26:58 En Petrus volgde hem van verre tot aan het paleis des hogepriesters, en ging binnen, en zette zich bij de dienaren, om te zien hoe het zou aflopen
26:59 En de Hogepriesters en de Oudsten en de gehele Raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij hem konden doden, maar zij vonden niets
26:60 en hoewel er vele valse getuigen voortraden, vonden zij toch niets
26:61 Ten laatste kwamen er twee valse getuigen voor, en zeiden: Hij heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en dien in drie dagen opbouwen
26:62 En de Hogepriester stond op en zeide tot hem: Antwoordt gij niets op hetgeen dezen tegen u getuigen
26:63 Doch Jezus zweeg stil. En de Hogepriester antwoordde en zeide tot hem: Ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt of gij de Christus, de Zoon Gods, zijt
26:64 Jezus zeide tot hem: Gij zegt het. Doch ik zeg u: Van nu af zal het geschieden, dat gij des Mensen Zoon zult zien zitten ter rechterhand der kracht, en komen op de wolken des hemels
26:65 Toen scheurde de Hogepriester zijne klederen, en zeide: Hij heeft God gelasterd; wat behoeven wij nog getuigen? Ziet, nu hebt gij zijne godslastering gehoord
26:66 Wat dunkt u? En zij antwoordden, zeggende: Hij is des doods schuldig
26:67 Toen spuwden zij in zijn aangezicht, en gaven hem vuistslagen
26:68 en anderen sloegen hem in het aangezicht en zeiden: Profeteer ons, Christus, wie is het, die u sloeg
26:69 En Petrus zat buiten in het hof; en ene dienstmaagd trad tot hem, zeggende: Gij waart ook bij Jezus van Galiléa
26:70 Maar hij loochende het voor hen allen, zeggende: Ik weet niet wat gij zegt
26:71 Doch toen hij uitging naar de voorpoort, zag hem ene andere, en zeide tot degenen die daar waren: Deze was ook bij Jezus van Nazaret
26:72 En hij loochende het nog eens, en zwoer daarop: Ik ken dien mens niet
26:73 En kort daarna kwamen die daar stonden, en zeiden tot Petrus: Voorwaar, gij zijt ook een van die; want ook uwe spraak verraadt u
26:74 Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken dien mens niet
26:75 En terstond kraaide de haan. Toen gedacht Petrus aan Jezus' woorden, die hij tot hem gezegd had: Eer de haan kraaien zal, zult gij mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitterlijk. Mattheus 2
27:1 Des morgens nu hielden al de Hogepriesters en de Oudsten des volks raad over Jezus, om hem te doden
27:2 En zij bonden hem, leidden hem heen, en leverden hem over aan den landvoogd Pontius Pilatus
27:3 Toen Judas, die hem verraden had, zag, dat hij ter dood veroordeeld was, berouwde het hem, en hij bracht de dertig zilverlingen aan de Hogepriesters en de Oudsten weder
27:4 zeggende: Ik heb gezondigd, dat ik onschuldig bloed verraden heb. Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Zie gij toe
27:5 En hij wierp de zilverlingen in den tempel en scheidde van daar, en ging heen en verhing zich
27:6 De Hogepriesters nu namen de zilverlingen, en zeiden: Het is niet geoorloofd, dat wij die in de godskist leggen, want het is bloedgeld
27:7 En zij hielden raad, en kochten daarvoor den akker eens pottenbakkers, tot ene begrafenis voor vreemdelingen
27:8 Daarom is deze akker genaamd de Bloedakker, tot op den dag van heden
27:9 Toen is vervuld hetgeen gezegd is door den profeet Jeremia, zeggende: "Zij hebben dertig zilverlingen genomen, waarmede de verkochte betaald werd, welken zij kochten van de kinderen Israëls
27:10 en hebben ze gegeven voor den akker eens pottenbakkers, gelijk de Heer mij bevolen heeft"
27:11 En Jezus stond voor den landvoogd; en de landvoogd vraagde hem, zeggende: Zijt gij de koning der Joden? En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het
27:12 En toen hij beschuldigd werd door de Hogepriesters en de Oudsten, antwoordde hij niets
27:13 Toen zeide Pilatus tot hem: Hoort gij niet hoe zwaar zij u beschuldigen
27:14 Maar hij antwoordde hem niet op één woord, zodat de landvoogd zich zeer verwonderde
27:15 En op het feest was de landvoogd gewoon aan het volk een gevangene los te geven, wien zij wilden
27:16 En te dien tijde hadden zij een beruchten gevangene, genaamd Barabbas
27:17 En toen zij vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Wien wilt gij, dat ik u zal losgeven, Barabbas, of Jezus, die gezegd wordt, dat hij de Christus is
27:18 Want hij wist wel, dat zij hem uit nijdigheid hadden overgeleverd
27:19 En toen hij op den rechterstoel zat, zond zijne huisvrouw tot hem, en liet hem zeggen: Heb niets te doen met dezen rechtvaardige, want ik heb heden om zijnentwil veel geleden in den droom
27:20 Maar de Hogepriesters en de Oudsten stookten het volk op, dat zij Barabbas zouden eisen, en Jezus doden
27:21 Toen antwoordde de landvoogd en zeide tot hen: Wien van deze twee wilt gij, dat ik u zal losgeven? En zij zeiden: Barabbas
27:22 Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, die gezegd wordt dat hij de Christus is? Zij zeiden allen: Laat hem kruisigen
27:23 Doch de landvoogd zeide: Wat kwaads heeft hij dan gedaan? Maar zij riepen te meer, zeggende: Laat hem kruisigen
27:24 Toen nu Pilatus zag, dat hij niets vorderde, maar dat er veelmeer een oproer kwam, nam hij water en wies de handen voor het volk, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige; ziet gij toe
27:25 Toen antwoordde al het volk en zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen
27:26 Toen gaf hij hun Barabbas los, maar Jezus liet hij geeselen, en leverde hem over om gekruisigd te worden
27:27 Toen namen de krijgsknechten van den landvoogd Jezus met zich in het rechthuis, en vergaderden tegen hem de gehele schare
27:28 En zij ontkleedden hem, en deden hem een purperen mantel om
27:29 en vlochten ene kroon van doornen, en zetten die op zijn hoofd, en gaven hem een rietstok in zijne rechterhand; en zij bogen de knieën voor hem, en bespotten hem, zeggende: Wees gegroet, koning der Joden
27:30 En zij spuwden op hem, en namen den rietstok en sloegen daarmede op zijn hoofd
27:31 En toen zij hem bespot hadden, deden zij hem den mantel af, en trokken hem zijne klederen aan, en leidden hem heen om hem te kruisigen
27:32 En toen zij uitgingen, vonden zij een mens van Cyrene, genaamd Simon; dezen dwongen zij, om zijn kruis te dragen
27:33 En toen zij kwamen aan de plaats, genaamd Golgotha, dat is vertaald: Hoofdschedelplaats
27:34 gaven zij hem edik met gal gemengd te drinken; en toen hij dien proefde, wilde hij niet drinken
27:35 Toen zij hem nu gekruisigd hadden, deelden zij zijne klederen, en wierpen het lot daarover, opdat vervuld werd hetgeen gezegd is door den profeet: "Zij hebben mijne klederen onder zich gedeeld, en over mijn gewaad hebben zij het lot geworpen"
27:36 En zij zaten aldaar, en hielden de wacht bij hem
27:37 En boven zijn hoofd hechtten zij de oorzaak van zijne doodstraf, aldus geschreven: Deze is Jezus, de koning der Joden
27:38 En twee moordenaars werden met hem gekruisigd, één ter rechter [hand] en één ter linkerhand
27:39 En die voorbijgingen lasterden hem, en schudden hunne hoofden
27:40 zeggende: Gij, die den tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, help uzelven! Zijt gij Gods Zoon, zo klim af van het kruis
27:41 Desgelijks bespotten hem ook de Hogepriesters met de Schriftgeleerden en de Oudsten, en zeiden
27:42 Anderen heeft hij geholpen, en kan zichzelven niet helpen. Is hij Israëls koning, zo klimme hij nu af van het kruis, dan zullen wij hem geloven
27:43 Hij heeft op God vertrouwd; die verlosse hem nu, indien Hij behagen in hem heeft; want hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon
27:44 Desgelijks beschimpten hem ook de moordenaars, die met hem gekruisigd waren
27:45 En van de zesde ure af ontstond er ene duisternis over het gehele land, tot de negende ure toe
27:46 En omtrent de negende ure riep Jezus met ene luide stem, zeggende: Elí, Elí, lama sabachtani! dat is: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten
27:47 En sommigen van degenen, die daar stonden, dit horende, zeiden: Hij roept Elía
27:48 En terstond liep er een van hen heen, nam ene spons en vulde ze met edik, en stak ze op een rietstok, en gaf hem te drinken
27:49 Maar de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of Elía komt, om hem te helpen
27:50 En Jezus riep nog eens met ene luide stem, en gaf den geest
27:51 En zie, het voorhangsel in den tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden
27:52 en de graven openden zich, en vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, stonden op
27:53 en gingen uit de graven, na zijne opstanding, en kwamen in de heilige stad, en verschenen aan velen
27:54 De hoofdman nu, en die bij hem waren en bij Jezus de wacht hielden, ziende de aardbeving en wat geschiedde, verschrikten zeer en zeiden: Waarlijk, deze was Gods Zoon
27:55 En daar waren vele vrouwen, die van verre toezagen, die Jezus gevolgd waren uit Galiléa, en hem gediend hadden
27:56 onder welke was Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder der zonen van Zebedeüs
27:57 Des avonds nu kwam een rijk man van Arimathéa, genaamd Jozef, die ook een jonger van Jezus was
27:58 Deze ging tot Pilatus en verzocht hem om het lichaam van Jezus. Toe gebood Pilatus, dat het hem gegeven zou worden
27:59 En Jozef nam het lichaam, en wond het in een rein lijnwaad
27:60 en leide het in zijn eigen nieuw graf, hetwelk hij in ene steenrots had laten uithouwen, en wentelde een groten steen voor den ingang des grafs, en ging van daar
27:61 En aldaar was Maria Magdalena en de andere Maria; die zetten zich tegenover het graf
27:62 Des anderen daags, die op den dag der toerusting volgt, kwamen de Hogepriesters en de Farizeën te zamen tot Pilatus
27:63 zeggende: Heer, wij herinneren ons, dat deze verleider, toen hij nog leefde, gezegd heeft: Ik zal na drie dagen opstaan
27:64 Beveel dan, dat men het graf bewake tot den derden dag, opdat zijne jongeren misschien niet bij nacht komen en hem stelen, en tot het volk zeggen: Hij is opgestaan van de doden. Zo zou de laatste bedriegerij erger worden dan de eerste
27:65 En Pilatus zeide tot hen: Daar hebt gij de wachters; gaat heen, en bewaakt het, zo goed gij het verstaat
27:66 En zij gingen heen, en bewaakten het graf met wachters, en verzegelden den steen. Mattheus 2
28:1 Toen nu de Sabbat om was en de eerste dag der week aanbrak, kwam Maria Magdalena en de andere Maria, om het graf te bezien
28:2 En zie, er geschiedde ene grote aardbeving; want een Engel des Heren kwam van den hemel af, trad toe, wentelde den steen van den ingang af en zette zich daarop
28:3 En zijne gedaante was gelijk de bliksem, en zijn kleed wit als sneeuw
28:4 De wachters nu verschrikten van vrees, en werden alsof zij dood waren
28:5 Maar de Engel antwoordde en zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet! Ik weet, dat gij Jezus, den gekruisigde, zoekt
28:6 Hij is niet hier; hij is opgestaan, gelijk hij gezegd heeft. Komt herwaarts en ziet de plaats, waar de Heer gelegen heeft
28:7 En gaat schielijk heen en zegt het zijnen jongeren, dat hij opgestaan is van de doden. En ziet, hij zal voor u heen gaan naar Galiléa; daar zult gij hem zien. Ziet, ik heb het u gezegd
28:8 En zij gingen schielijk uit van het graf, met vrees en grote vreugde, en zij liepen heen om het zijnen jongeren te verkondigen
28:9 En toen zij heengingen, om het zijnen jongeren te verkondigen, zie, toen ontmoette Jezus haar, zeggende: Zijt gegroet! En zij traden tot hem, en grepen zijne voeten en vielen voor hem neder
28:10 Toen zeide Jezus tot haar: Vreest niet! Gaat heen en verkondigt het aan mijne broederen, opdat zij gaan naar Galiléa; aldaar zullen zij mij zien
28:11 Toen zij nu heengingen, zie, toen kwamen enige van de wachters in de stad, en verkondigden aan de Hogepriesters al wat er geschied was
28:12 En zij kwamen te zamen met de Oudsten, en hielden raad, en gaven den krijgsknechten geld genoeg
28:13 en zeiden: Zegt: Zijne jongeren zijn bij nacht gekomen en hebben hem gestolen, terwijl wij sliepen
28:14 En indien dit den landvoogd mocht ter ore komen, zullen wij hem tevredenstellen en maken, dat gij veilig zijt
28:15 En zij namen het geld, en deden zoals zij onderricht waren. En dit verhaal is bij de Joden verbreid tot op dezen dag
28:16 De elf jongeren nu gingen naar Galiléa naar den berg, waar Jezus hen bescheiden had
28:17 En toen zij hem zagen, vielen zij voor hem neder; doch sommigen twijfelden
28:18 En Jezus trad tot hen, en sprak met hen, en zeide: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde
28:19 Daarom gaat heen, en maakt alle volken tot mijne jongeren, hen dopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; en leert hun onderhouden al wat ik u bevolen heb
28:20 En zie, ik ben bij u al de dagen tot aan des werelds einde