02 Exodus
1:1 Dit zijn de namen der zonen Israëls, die met Jakob in Egypte kwamen, een ieder kwam daarin met zijn huis
1:2 Ruben, Simeon, Levi, Juda
1:3 Issaschar, Zebulon, Benjamin
1:4 Dan, Naftali, Gad, Aser
1:5 En alle zielen, uit Jakobs lendenen voortgekomen, waren zeventig; maar Jozef was te voren in Egypte
1:6 Toen nu Jozef gestorven was, en al zijne broeders, en allen, die in dien tijd geleefd hadden
1:7 wiesen de kinderen Israëls, en verwekten kinderen en vermenigvuldigden zich; en zij werden zeer veel, zodat het land vol van hen werd
1:8 Toen stond er een nieuwe koning op over Egypte; die wist niet van Jozef
1:9 en hij sprak tot zijn volk: Zie, het volk der kinderen Israëls is veel, en meer dan wij
1:10 Welaan, wij willen hen met list verdrukken, opdat zij niet zoveel worden; want zo er een oorlog ontstond, mochten zij zich bij onze vijanden voegen en tegen ons strijden, en uit dit land trekken
1:11 En men stelde opzieners van den dwangdienst over hen, die hen met zwaren dienst drukken zouden; want men bouwde voor Farao de steden Pithom en Raämses tot voorraadsteden
1:12 Maar hoe meer zij het volk onderdrukten, hoe meer het zich vermenigvuldigde en uitbreidde; zodat zij bevreesd werden voor de kinderen Israëls
1:13 En de Egyptenaars dwongen de kinderen Israëls te dienen met onbarmhartigheid
1:14 en maakten hun het leven zuur door zwaren arbeid in leem en tichelstenen, en door allerlei dwangdienst op het veld en door allerlei arbeid, dien zij hun oplegden met onbarmhartigheid
1:15 En de koning van Egypte gebood de vroedvrouwen der Hebreeuwse vrouwen, de ééne genaamd Sifra, en de andere Pua
1:16 Wanneer gij de Hebreeuwse vrouwen helpt, en op den stoel ziet, dat het een zoon is, zo doodt hem; maar is het ene dochter, zo laat haar leven
1:17 Maar de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet gelijk de koning van Egypte haar geboden had, maar lieten de kinderen leven
1:18 Toen riep de koning van Egypte de vroedvrouwen en sprak tot haar: Waarom doet gij zulks, dat gij de kinderen laat leven
1:19 De vroedvrouwen antwoordden Farao: De Hebreeuwse vrouwen zijn niet als de Egyptische, want zij zijn sterke vrouwen; eer de vroedvrouw tot haar komt, hebben zij reeds gebaard
1:20 Daarom deed God den vroedvrouwen wél; en het volk vermenigvuldigde zich en werd zeer veel
1:21 En dewijl de vroedvrouwen God vreesden, bouwde Hij hare huizen
1:22 Toen gebood Farao al zijn volk en sprak: Werpt alle zonen, die geboren worden, in de rivier, en laat alle dochters leven. Exodus
2:1 En een man van het huis Levi ging heen en nam ene dochter van Levi
2:2 en zijne huisvrouw werd zwanger en baarde een zoon. En toen zij zag, dat het een schoon kind was, verborg zij hem drie maanden
2:3 en toen zij hem niet langer verbergen kon, maakte zij een kistje van riet, en maakte het dicht met lijm en pek; en zij legde het kind daarin, en zette het in de biezen aan den oever der rivier
2:4 En zijne zuster bleef van verre staan, om te zien hoe het met hem gaan zou
2:5 En Farao's dochter kwam af en wilde zich baden in de rivier, en hare jonkvrouwen gingen aan den kant van de rivier. En toen zij het kistje in de biezen zag, zond zij hare dienstmaagd heen en liet het halen
2:6 En toen zij het opende, zag zij het kind, en zie, het jongsken weende. Toen had zij deernis met hetzelve, en sprak: Het is een van de Hebreeuwse kinderen
2:7 Toen sprak zijne zuster tot Farao's dochter: Zal ik heengaan en een van de Hebreeuwse vrouwen roepen, die zoogt, opdat zij u dat kind zoge
2:8 Farao's dochter sprak tot haar: Ga heen. En de maagd ging heen en riep de moeder van het kind
2:9 Toen sprak Farao's dochter tot haar: Neem dat kind en zoog het voor mij; ik zal u lonen. Toen nam de vrouw het kind en zoogde het
2:10 En toen het kind groot geworden was, bracht zij het tot Farao's dochter, en het werd haar zoon; en zij noemde hem Mozes, want zij sprak: Ik heb hem uit het water gehaald
2:11 En ten tijde toen Mozes groot was geworden, ging hij uit tot zijne broeders en zag hunnen last; en hij werd gewaar, dat een Egyptenaar een Hebreeuwsen man, een zijner broeders, sloeg
2:12 en hij wendde zich heen en weder, en toen hij zag, dat er niemand was, versloeg hij den Egyptenaar, en verborg hem in het zand
2:13 Op een anderen dag ging hij weder uit, en zag twee Hebreeuwse mannen te zamen twisten, en sprak tot den onrechtvaardige: Waarom slaat gij uwen naaste
2:14 Maar deze sprak: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld? Wilt gij mij ook doden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes en sprak: Hoe is dat bekend geworden
2:15 En toen Farao dit hoorde zocht hij Mozes te doden; maar Mozes vluchtte voor Farao, en onthield zich in het land Midian, en zette zich neder bij een waterput
2:16 De priester van Midian nu had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken om haars vaders schapen te drenken
2:17 Toen kwamen de herders en stieten haar daar af; maar Mozes maakte zich op en hielp haar, en drenkte hare schapen
2:18 En toen zij tot haren vader Rehuël kwamen, sprak hij: Hoe zijt gij heden zo vroeg wedergekomen
2:19 Zij zeiden: Een Egyptisch man verloste ons van de herders, en putte voor ons water, en drenkte de schapen
2:20 Hij sprak tot zijne dochters: Waar is hij? Waarom liet gij den man van u gaan? Nodigt hem met ons te eten
2:21 En Mozes bewilligde om bij den man te blijven; en hij gaf Mozes zijne dochter Zippora
2:22 Die baarde een zoon, en hij noemde hem Gersom; want, sprak hij, ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land
2:23 En langen tijd daarna stierf de koning van Egypte; en de kinderen Israëls zuchtten onder hunnen arbeid en kermden, en hun geschrei wegens hunnen arbeid klom op tot God
2:24 en God verhoorde hun weeklagen, en dacht aan zijn verbond met Abraham, Isaäk en Jakob
2:25 en God zag op de kinderen Israëls, en nam zich hunner aan. Exodus
3:1 Mozes nu weidde de schapen van Jethro, zijnen schoonvader, den priester in Midian; en hij dreef de schapen achter in de woestijn, en kwam aan den berg Gods, aan Horeb
3:2 en de Engel des Heren verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, dat het braambos met vuur brandde, en het werd toch niet verteerd
3:3 En Mozes sprak: Ik wil daarheen, en zien dat grote gezicht, waarom het braambos niet verbrandt
3:4 Maar toen de Heer zag, dat hij heenging om te zien, riep God hem uit het braambos en sprak: Mozes, Mozes! Hij antwoordde: Hier ben ik
3:5 Hij sprak: Treed niet herwaarts; trek uwe schoenen uit van uwe voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grond
3:6 En Hij sprak verder: Ik ben de God uws vaders, de God Abrahams, de God Isaäks en de God Jakobs. En Mozes bedekte zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien
3:7 En de Heer sprak: Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, en heb gehoord hun geroep over degenen, die hen drijven; Ik ken al hun leed
3:8 en Ik ben nedergekomen, opdat Ik hen redde van de hand der Egyptenaren en hen uitvoere uit dit land in een goed en ruim land, in een land in hetwelk melk en honig vloeit, namelijk aan de plaats der Kanaänieten Hethieten, Amorieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten
3:9 Dewijl dan nu het geroep der kinderen Israëls tot Mij is gekomen en Ik daarenboven ook hunnen angst gezien heb, hoe de Egyptenaars hen beangstigen, zo ga nu heen
3:10 Ik zal u tot Farao zenden, opdat gij mijn volk, de kinderen Israëls, uit Egypte voert
3:11 Mozes sprak tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao gaan en de kinderen Israëls uit Egypte voeren zou
3:12 Hij sprak: Ik zal met u zijn; en dit zal u tot een teken zijn, dat Ik u gezonden heb: gij zult Gode offeren op dezen berg, als gij mijn volk uit Egypte gevoerd hebt
3:13 En Mozes sprak tot God: Zie, als ik tot de kinderen Israëls kom, en tot hen zeg: de God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden; en zij vragen mij: Hoe is zijn naam? wat zal ik hun antwoorden
3:14 En God sprak tot Mozes: IK ZAL ZIJN, DIE IK ZIJN ZAL; en Hij sprak: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden
3:15 En God sprak verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: De Heer, de God uwer vaderen, de God Abrahams, de God Isaäks en de God Jakobs heeft mij tot u gezonden; dit is mijn naam eeuwiglijk, waarbij men Mij gedenken zal immer en altoos
3:16 Daarom ga heen en verzamel de oudsten in Israël, en spreek tot hen: De Heer, de God uwer vaderen, de God Abrahams, de God Isaäks en de God Jakobs is mij verschenen, zeggende: Ik heb u bezocht, en gezien wat u wedervaren is in Egypte
3:17 en heb gezegd: Ik zal u uit de ellende van Egypte voeren in het land der Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten, in het land, in hetwelk melk en honig vloeit
3:18 En wanneer zij naar uwe stem horen, zo zult gij en de oudsten in Israël tot den koning van Egypte gaan, en tot hem zeggen: De Heer, de God der Hebreën, heeft ons geroepen; zo laat ons nu gaan drie dagen reizens in de woestijn, opdat wij offeren aan den Heer, onzen God
3:19 Doch Ik weet, dat de koning van Egypte u niet zal laten trekken, dan door een sterke hand
3:20 Maar Ik zal mijne hand uitstrekken en Egypte slaan met allerlei wonderen, welke Ik in deszelfs midden doen zal; daarna zal hij u laten trekken
3:21 En Ik zal aan dit volk genade geven bij de Egyptenaars, dat, als gij uittrekt, gij niet ledig uittrekt
3:22 maar iedere vrouw zal van hare geburin of huisgenoten eisen zilveren en gouden vaten en klederen; die zult gij op uwe zonen en dochters leggen en ze den Egyptenaren ontnemen. Exodus
4:1 Toen antwoordde Mozes en sprak: Zie, zij zullen mij niet geloven, noch naar mijne stem horen; maar zij zullen zeggen: De Heer is u niet verschenen
4:2 En de Heer sprak tot hem: Wat is het, dat gij in uwe hand hebt
4:3 Hij zeide: Een staf. En Hij sprak: Werp hem van u op de aarde. En hij wierp hem van zich; toen veranderde die in ene slang; en Mozes vlood voor haar
4:4 En de Heer sprak tot hem: Strek uwe hand uit en grijp ze bij den staart. Toen strekte hij zijne hand uit en greep ze, en zij werd in zijne hand weder tot een staf
4:5 Daarom zullen zij geloven, dat u verschenen is de Heer, de God hunner vaderen, de God Abrahams, de God Isaäks en de God Jakobs
4:6 En de Heer sprak verder tot hem: Steek nu uwe hand in uwen boezem. En hij stak ze in zijnen boezem, en trok ze weder uit: en zie, toen was zij melaats als sneeuw
4:7 En Hij sprak: Steek ze wederom in uwen boezem. En hij stak ze andermaal in den boezem, en trok ze weder uit; en zie, toen werd zij weder gelijk zijn overig vlees
4:8 Wanneer zij u nu niet zullen geloven, noch naar uwe stem horen bij het eerste teken, zo zullen zij echter uwe stem geloven bij het andere teken
4:9 maar indien zij deze twee tekenen niet zullen geloven, noch naar uwe stem horen, zo neem van het water uit den stroom en giet het op het droge land: zo zal het water, hetwelk gij uit den stroom genomen hebt, bloed worden op het droge land
4:10 Toen sprak Mozes tot den Heer: Ach, mijn Heer! ik ben nooit wél ter taal geweest, ook niet van dien tijd af, dat Gij met uwen knecht gesproken hebt; want ik heb ene zware spraak en ene zware tong
4:11 En de Heer sprak tot hem: Wie heeft den mens den mond geschapen, of wie heeft den stomme of dove of ziende of blinde gemaakt? Heb Ik het niet gedaan, de Heer
4:12 Zo ga nu heen: Ik zal met uwen mond zijn, en u leren, wat gij zeggen zult
4:13 Maar Mozes sprak: Ach, Heer! zend wien Gij zenden wilt
4:14 Toen werd de Heer zeer toornig op Mozes en sprak: Weet Ik dan niet, dat uw broeder Aäron, uit den stam Levi, wél ter taal is? En zie, hij zal uitgaan u te gemoet; en als hij u ziet, zo zal hij zich van harte verblijden
4:15 En gij zult tot hem spreken en de woorden in zijnen mond leggen; en Ik zal met uwen en zijnen mond zijn, en u leren wat gij doen zult
4:16 En hij zal voor u tot het volk spreken; hij zal uw mond zijn, en gij zult hem tot een God zijn
4:17 En neem dezen staf, met welken gij die tekenen doen zult in uwe hand
4:18 Toen ging Mozes heen en kwam weder tot Jethro, zijnen schoonvader en sprak tot hem: Laat mij gaan, opdat ik wederkere tot mijne broeders, die in Egypte zijn, en zie of zij nog leven. En Jethro sprak tot hem: Ga heen in vrede
4:19 Verder sprak de Heer tot hem in Midian: Ga heen en trek weder naar Egypte, want al de lieden, die naar uw leven stonden, zijn dood
4:20 Alzo nam Mozes zijne vrouw en zijne zonen en voerde hen op een ezel, en trok weder naar Egypteland; en hij nam den staf Gods in zijne hand
4:21 En de Heer sprak tot Mozes: Zie toe, wanneer gij weder in Egypte komt, dat gij doet voor Farao al de wonderen, welke Ik u in uwe hand gegeven heb; maar Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten vertrekken
4:22 En gij zult tot hem zeggen: Dus spreekt de Heer: Israël is mijn eerstgeboren zoon
4:23 en Ik gebied u, dat gij mijnen zoon trekken laat, opdat hij Mij diene: indien gij dit zult weigeren, zo zal Ik uwen eerstgeboren zoon doden
4:24 En toen hij onderweg in de herberg was, kwam de Heer hem tegen en wilde hem doden
4:25 Toen nam Zippora een steen, en besneed de voorhuid van haren zoon, en raakte hem de voeten aan, en sprak: Gij zijt mij een bloedbruidegom
4:26 Toen liet Hij van hem af. Zij nu sprak: Bloedbruidegom, wegens de besnijding
4:27 En de Heer sprak tot Aäron: Ga heen in de woestijn, Mozes te gemoet. En hij ging heen, en ontmoette hem aan den berg Gods, en hij kuste hem
4:28 En Mozes verhaalde Aäron al de woorden des Heren, die hem gezonden had, en al de tekenen, welke Hij hem bevolen had
4:29 En zij gingen heen en verzamelden al de oudsten der kinderen Israëls
4:30 en Aäron sprak al de woorden, welke de Heer met Mozes gesproken had, en hij deed de tekenen voor het volk
4:31 En het volk geloofde. En toen zij hoorden, dat de Heer de kinderen Israëls bezocht en hunne ellende aangezien had, bogen zij zich ter aarde en aanbaden. Exodus
5:1 Daarna gingen Mozes en Aäron tot Farao, en zeiden: Dus spreekt de Heer, Israëls God: Laat mijn volk trekken, opdat zij Mij een feest houden in de woestijn
5:2 Farao antwoordde: Wie is de Heer, naar wiens stem ik horen zou en Israël laten trekken? Ik weet niets van den Heer, en wil ook Israël niet laten trekken
5:3 En zij spraken: De God der Hebreën heeft ons geroepen: zo laat ons nu heentrekken drie dagen reizens in de woestijn, en aan den Heer, onzen God, offeren, opdat ons niet overkome de pest of het zwaard
5:4 Toen sprak de koning van Egypte tot hen: Gij Mozes en Aäron, waarom wilt gij het volk van hunnen arbeid vrijmaken? Gaat heen tot uwe dwangdiensten
5:5 Verder sprak Farao: Zie, er is alreeds te veel van dit volk in het land, en gij wilt hen nog rust laten hebben van hunne dwangdiensten
5:6 Daarom beval Farao op denzelfden dag aan de opzieners des volks en hunne ambtlieden, zeggende
5:7 Gij zult voortaan geen stro meer verzamelen en aan dit volk geven, gelijk tot hiertoe geschied is, om tichelstenen te branden; laat hen zelven heengaan en stro samenrapen
5:8 En het getal der tichelstenen, hetwelk zij tot nu toe gemaakt hebben, zult gij hun evenwel opleggen en niets verminderen; want zij gaan ledig, daarom roepen zij, zeggende: Wij willen heentrekken en aan onzen God offeren
5:9 Men drukke dit volk met zwaren arbeid, opdat zij wat te doen hebben en geen gehoor geven aan valse woorden
5:10 Toen gingen de opzieners des volks en hunne ambtlieden uit en spraken tot het volk: Aldus spreekt Farao: Men zal u geen stro meer geven
5:11 gaat gij zelven heen en zamelt u stro, waar gij het vindt, doch van uwen arbeid zal niets verminderd worden
5:12 Toen verstrooide zich het volk in het gehele land van Egypte om stoppels te verzamelen, opdat zij stro hadden
5:13 En de opzieners dreven hen aan, zeggende: Vervult uw dagwerk gelijk toen gij stro hadt
5:14 En de ambtlieden der kinderen Israëls, welke Farao's opzieners over hen gesteld hadden, werden geslagen en tot hen werd gezegd: Waarom hebt gij noch heden noch gisteren uw gezette dagwerk gedaan, gelijk te voren
5:15 Toen gingen de ambtlieden der kinderen Israëls tot Farao, en riepen: Waarom zult gij dus met uwe knechten handelen
5:16 Men geeft geen stro aan uwe knechten, en wij moeten de tichelstenen maken, die ons gezegd zijn, en zie, uwe knechten worden geslagen, en de schuld draagt uw volk
5:17 Farao sprak: Gij loopt ledig, ledig loopt gij; daarom zegt gij: Wij willen heentrekken en aan den Heer offeren
5:18 Zo gaat nu heen, doet uwe dwangdiensten: stro zal men u niet geven, maar het getal der tichelstenen zult gij leveren
5:19 Toen zagen de ambtlieden der kinderen van Israël, dat het erger werd, dewijl men zeide: Gij zult niets verminderen van het dagwerk aan de tichelstenen
5:20 En toen zij van Farao uitgingen, ontmoetten zij Mozes en Aäron, en traden tot hen
5:21 en spraken tot hen: De Heer zie op u en richte het, dat gij ons in kwaden reuk hebt gebracht bij Farao en zijne dienaren, en hun het zwaard in hunne handen gegeven hebt om ons te doden
5:22 En Mozes kwam wederom tot den Heer en sprak: Heer, waarom doet Gij zo kwalijk aan dit volk? Waarom hebt Gij mij herwaarts gezonden
5:23 Want van dien tijd af, dat ik tot Farao ben gegaan om in uwen naam met hem te spreken, heeft hij dit volk nog harder geplaagd, en Gij hebt uw volk niet gered
5:24 En de Heer sprak tot Mozes: Nu zult gij zien wat Ik aan Farao doen zal; want door een sterke hand moet hij hen laten trekken, ja, hij moet hen nog door een sterke hand uit zijn land Ván zich drijven. Exodus
6:1 En God sprak met Mozes en zeide tot hem: Ik ben de Heer
6:2 En Ik ben verschenen aan Abraham, Isaäk en Jakob als de almachtige God; maar mijn naam Heer is hun niet geopenbaard geworden
6:3 Ook heb Ik mijn verbond met hen opgericht, dat Ik hun zal geven het land Kanaän, het land hunner vreemdelingschap, in hetwelk zij vreemdelingen geweest zijn
6:4 En ook heb Ik gehoord het weeklagen der kinderen Israëls, welke de Egyptenaars met dwangdiensten bezwaren, en heb gedacht aan mijn verbond
6:5 Daarom zeg den kinderen Israëls: Ik ben de Heer; en Ik wil u bevrijden van de lasten der Egyptenaren, en wil u redden van hunne dwangdiensten, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm en door grote gerichten
6:6 en Ik zal u aannemen tot mijn volk, en zal uw God zijn, en gij zult ondervinden, dat Ik, de Heer, uw God ben, die u heb bevrijd van den last der Egyptenaren
6:7 en gebracht in dat land, over hetwelk Ik mijne hand opgeheven heb, dat Ik het geven zou aan Abraham, Isaäk en Jakob; dat zal Ik ulieden geven tot een eigendom, Ik de Heer
6:8 Aldus zeide Mozes den kinderen Israëls; doch zij hoorden niet naar hem, vanwege het zuchten en den angst en vanwege den harden arbeid
6:9 Toen sprak de Heer met Mozes, zeggende
6:10 Ga tot Farao, den koning van Egypte, en zeg, dat hij de kinderen Israëls late trekken uit zijn land
6:11 Maar Mozes sprak voor den Heer, zeggende: Zie, de kinderen Israëls horen niet naar mij, hoe zou dan Farao naar mij horen? Daarbij ben ik onbesneden van lippen
6:12 Toen sprak de Heer tot Mozes en Aäron, en gaf hun bevel aan de kinderen Israëls, en aan Farao, den koning van Egypte, dat zij de kinderen Israëls uit Egypteland zouden voeren
6:13 Dit nu zijn de hoofden, naar ieder geslacht der vaderen. De kinderen van Ruben, Israëls eersten zoon, zijn: Henoch, Pallu, Hezron en Karmi; dit zijn de geslachten van Ruben
6:14 Simeons kinderen zijn: Jemuël, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar en Saul, de zoon ener Kanaänietische vrouw; dit zijn Simeons geslachten
6:15 Dit zijn de namen der kinderen van Levi, naar hunne geslachten: Gerson, Kohath en Merari; Levi nu werd honderd zeven en dertig jaar oud
6:16 Gersons kinderen zijn: Libni en Simeï, naar hunne geslachten
6:17 Kohaths kinderen zijn: Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël; Kohath nu werd honderd drie en dertig jaar oud
6:18 De kinderen van Merari zijn: Mahli en Musi; dit zijn de geslachten van Levi, naar hunne stammen
6:19 En Amram nam zijne moei Jochébed tot vrouw; die baarde hem Aäron en Mozes; Amram nu werd honderd zeven en dertig jaar oud
6:20 Jizhars kinderen zijn: Korach, Nefeg en Zichri
6:21 Uzziëls kinderen zijn: Misaël, Elazafan en Sithri
6:22 En Aäron nam tot vrouw Eliséba, de dochter van Amminadab, Nahessons zuster; die baarde hem Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar
6:23 De kinderen van Korach zijn: Assir, Elkana en Abiasaf; dit zijn de geslachten der Korachieten
6:24 En Eleazar, Aärons zoon, nam een der dochters van Putiël tot vrouw; die baarde hem Pinehas. Dit zijn de hoofden onder de vaderen van de geslachten der Levieten
6:25 Dit is Aäron en Mozes, tot welke de Heer sprak: Voert de kinderen Israëls uit Egypteland, met hunne heiren
6:26 Dezen zijn het, die met Farao, den koning van Egypte, spraken, dat zij de kinderen Israëls uit Egypte voeren zouden, namelijk Mozes en Aäron
6:27 En te dien dage sprak de Heer met Mozes in Egypteland
6:28 en Hij zeide tot hem: Ik ben de Heer; spreek met Farao, den koning van Egypte, al wat Ik met u spreek
6:29 En Mozes antwoordde voor den Heer: Zie, ik ben onbesneden van lippen, hoe zal dan Farao naar mij horen? Exodus
7:1 Toen sprak de Heer tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een God gesteld over Farao, en Aäron, uw broeder, zal uw profeet zijn
7:2 Gij zult spreken al wat Ik u gebieden zal; maar Aäron, uw broeder, zal het tot Farao spreken, opdat hij de kinderen Israëls uit zijn land late trekken
7:3 Maar Ik zal Farao's hart verharden, opdat Ik vele mijner tekenen en wonderen doe in Egypteland
7:4 En Farao zal naar u niet horen, opdat Ik mijne hand in Egypte betone, en mijn heir, mijn volk, de kinderen Israëls, uit Egypteland voere door grote gerichten
7:5 En de Egyptenaars zullen gewaarworden, dat Ik de Heer ben, wanneer Ik mijne hand zal uitstrekken over Egypte, en de kinderen Israëls van hen uitvoeren
7:6 Mozes en Aäron nu deden gelijk de Heer hun geboden had
7:7 En Mozes was tachtig jaar oud en Aäron drie en tachtig jaar oud, toen zij met Farao spraken
7:8 En de Heer sprak tot Mozes en Aäron, zeggende
7:9 Wanneer Farao tot u zal zeggen: Toont uwe wonderen, zo zult gij tot Aäron zeggen: Neem uwen staf en werp hem neder voor Farao, en hij zal ene slang worden
7:10 Toen gingen Mozes en Aäron heen tot Farao, en deden gelijk de Heer hun geboden had; en Aäron wierp zijnen staf neder voor Farao en voor zijne dienaren, en hij werd ene slang
7:11 Toen riep Farao de wijzen en tovenaars; en de Egyptische tovenaars deden ook zo met hunne bezweringen
7:12 want elk wierp zijnen staf Ván zich, en zij werden slangen; maar Aärons staf verslond hunne staven
7:13 Aldus werd Farao's hart verstokt en hij hoorde niet naar hen, gelijk de Heer gesproken had
7:14 En de Heer sprak tot Mozes: Het hart van Farao is hard: hij weigert het volk te laten gaan
7:15 Ga morgen heen tot Farao; zie, hij zal naar het water gaan; treed dan tegenover hem aan den oever des waters, en neem den staf in uwe hand, die ene slang werd
7:16 en spreek tot hem: De Heer, de God der Hebreën, heeft mij tot u gezonden om te zeggen: Laat mijn volk uittrekken, opdat het Mij diene in de woestijn; maar gij hebt tot nu toe niet willen horen
7:17 Daarom spreekt de Heer aldus: Daaraan zult gij ondervinden, dat Ik de Heer ben: zie, ik wil met den staf, dien ik in mijne hand heb, het water, dat in dezen stroom is, slaan, en het zal in bloed veranderd worden
7:18 zodat de vissen in den stroom zullen sterven, en de stroom zal stinken, en de Egyptenaars zullen walgen van te drinken van het water uit den stroom
7:19 En de Heer sprak tot Mozes: Zeg tot Aäron: Neem uwen staf en strek uwe hand uit over de wateren in Egypte, over hunne beken en stromen en zeeën en over al hunne waterpoelen, dat zij bloed worden; en er zij bloed in geheel Egypteland, beide in houten en stenen vaten
7:20 En Mozes en Aäron deden Alzó, gelijk de Heer hun geboden had, en hij hief den staf op en sloeg in het water, dat in den stroom was, voor Farao en zijne dienaren. En al het water in den stroom werd in bloed veranderd
7:21 en de vissen in den stroom stierven, en de stroom werd stinkend, zodat de Egyptenaars het water uit den stroom niet konden drinken; en er werd bloed in geheel Egypteland
7:22 En de Egyptische tovenaars deden ook zo met hunne bezweringen; aldus werd Farao's hart verstokt, en hij hoorde niet naar hen, gelijk de Heer gesproken had
7:23 En Farao keerde zich om en ging naar huis, en hij nam ook dit niet ter harte
7:24 Doch alle Egyptenaars groeven naar water rondom den stroom om te drinken, want zij konden het water uit den stroom niet drinken
7:25 En het duurde zeven dagen lang, dat de Heer den stroom sloeg. Exodus
8:1 En de Heer sprak tot Mozes: Ga heen tot Farao, en spreek met hem: Dus zegt de Heer: Laat mijn volk uittrekken, opdat het Mij diene
8:2 Indien gij dat weigert, zie, zo wil Ik al uwe landpalen met vorsen slaan
8:3 zodat de stroom zal krielen van vorsen; die zullen opkomen en dringen in uw huis, in uwe slaapkamer, op uw bed, ook in de huizen uwer dienaren, onder uw volk, tot in uwe bakovens en in uwe deegtroggen
8:4 en de vorsen zullen op u en op uw volk en op al uwe dienaren komen
8:5 En de Heer sprak tot Mozes: Zeg tot Aäron: Strek uwe hand met uwen staf uit over de beken en over de stromen en over de zeeën, en laat vorsen over Egypteland opkomen
8:6 En Aäron strekte zijne hand uit over de wateren in Egypte, en er kwamen vorsen op, zodat Egypteland bedekt werd
8:7 Toen deden de tovenaars ook zo met hunne bezweringen, en lieten vorsen over Egypteland opkomen
8:8 Toen riep Farao Mozes en Aäron, en sprak: Bidt den Heer voor mij, dat Hij de vorsen van mij en van mijn volk wegneme; zo zal ik het volk laten trekken, opdat het den Heer offere
8:9 En Mozes sprak tot Farao: Heb de eer boven mij, en bepaal, wanneer ik voor u, voor uwe dienaren en voor uw volk zal bidden, dat de vorsen van u en van uw huis zullen verdreven worden, en dat zij alleen in den stroom blijven
8:10 En hij zeide: Morgen. En hij sprak: Het zij zoals gij gezegd hebt: opdat gij ondervindt, dat er niemand is gelijk de Heer onze God
8:11 zo zullen de vorsen van u, van uwe huizen, van uwe dienaren en van uw volk genomen worden, en alleen in den stroom overblijven
8:12 Alzo gingen Mozes en Aäron van Farao uit, en Mozes riep tot den Heer wegens de vorsen, gelijk hij Farao had toegezegd
8:13 en de Heer deed gelijk Mozes gezegd had, en de vorsen stierven in de huizen, in de hoven en op het veld
8:14 En zij hoopten ze te zamen, hier een hoop en daar een hoop, en het land stonk er van
8:15 Toen nu Farao zag, dat hij verademing gekregen had, zo verhardde hij zijn hart en hij hoorde niet naar hen, gelijk de Heer gesproken had
8:16 En de Heer sprak tot Mozes: Zeg tot Aäron: Strek uwen staf uit en sla het stof der aarde, dat het tot stekende muggen worde in geheel Egypteland
8:17 En zij deden alzo, en Aäron strekte zijne hand uit met zijnen staf, en sloeg het stof der aarde, en er kwamen muggen aan de mensen en aan het vee; al het stof des lands werd muggen in geheel Egypteland
8:18 En de tovenaars deden ook zo met hunne bezweringen, opdat zij muggen voortbrachten, maar zij konden niet; en de muggen waren aan de mensen en aan het vee
8:19 Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger! Maar Farao's hart werd verstokt en hij hoorde niet naar hen, gelijk de Heer gezegd had
8:20 En de Heer sprak tot Mozes: Maak u morgen vroeg op en treed voor Farao; zie, hij zal aan het water uitgaan; en spreek tot hem: Dus spreekt de Heer: Laat mijn volk uittrekken, opdat zij Mij dienen
8:21 Indien niet, zie, zo wil Ik allerlei ongedierte laten komen over u, uwe dienaren, uw volk, en in uwe huizen; zodat de huizen van alle Egyptenaars, en ook het veld, waarop zij zijn, vol ongedierte zullen worden
8:22 en Ik zal op dien dag wat bijzonders doen met het land Gosen, in hetwelk mijn volk woont, dat daar geen ongedierte zij, opdat gij gewaar wordt, dat Ik de Heer ben op aarde, overal
8:23 en Ik zal ene verlossing stellen tussen mijn volk en uw volk: morgen zal dit teken geschieden
8:24 En de Heer deed alzo, en er kwam veel ongedierte in Farao's huis, in de huizen zijner dienaren en over het gehele Egypteland, en het land werd verdorven van het ongedierte
8:25 Toen riep Farao Mozes en Aäron, en sprak: Gaat heen en offert uwen God hier in het land
8:26 Mozes sprak; Het behoort niet, dat wij zo doen: want wij zouden den gruwel der Egyptenaren den Heer, onzen God, offeren. Zie, wanneer wij dan den gruwel der Egyptenaren voor hunne ogen offerden, zouden zij ons niet stenigen
8:27 Drie dagen reizens ver willen wij gaan in de woestijn, en den Heer, onzen God, offeren, gelijk Hij ons gezegd heeft
8:28 Farao sprak: Ik wil u laten trekken, opdat gij den Heer, uwen God, offert in de woestijn; alleenlijk, trekt niet verder, en bidt voor mij
8:29 En Mozes sprak: Zie, als ik van u uitga, zo zal ik den Heer bidden, dat dit ongedierte van Farao en van zijne dienaren en van zijn volk genomen wordt op den dag van morgen; alleenlijk, bedrieg mij niet meer, dat gij het volk niet laat trekken om den Heer te offeren
8:30 En Mozes ging uit van Farao en bad den Heer
8:31 en de Heer deed gelijk Mozes gezegd had, en het ongedierte week van Farao, van zijne dienaren en van zijn volk, zodat er niet één overbleef
8:32 Doch Farao verhardde zijn hart ook ditmaal, en hij liet het volk niet trekken. Exodus
9:1 De Heer sprak tot Mozes: Ga heen tot Farao en spreek tot hem: Aldus zegt de Heer, de God der Hebreën: Laat mijn volk trekken, opdat zij Mij dienen
9:2 Indien gij dit weigert en hen langer ophoudt
9:3 zie, zo zal de hand des Heren zijn over uw vee op het veld, over paarden, over ezels, over kamelen, over ossen, en over schapen, met ene zeer zware pest
9:4 En de Heer zal ene afzondering maken tussen het vee der Israëlieten en der Egyptenaren, dat er niets sterve van al hetgeen de kinderen Israëls hebben
9:5 En de Heer bepaalde een tijd, zeggende: Morgen zal de Heer dit doen op aarde
9:6 En de Heer deed dit des anderen daags, en toen stierf allerlei vee der Egyptenaren, maar van het vee der kinderen Israëls stierf niet één
9:7 En Farao zond er heen, en zie van Israëls vee was niet één gestorven. Maar Farao's hart werd verstokt en hij liet het volk niet trekken
9:8 Toen sprak de Heer tot Mozes en Aäron: Neemt uwe vuisten vol roet uit den oven, en Mozes strooie dat naar den hemel voor Farao's ogen
9:9 zodat het over geheel Egypteland stuive, en er boze, zwarte blaren oprijzen, beide aan mensen en vee, in geheel Egypteland
9:10 En zij namen roet uit den oven, en traden voor Farao, en Mozes strooide dat naar den hemel: toen rezen boze, zwarte blaren op, beide aan mensen en vee
9:11 En de tovenaars konden niet staan voor Mozes wegens de boze blaren, want de boze blaren waren aan de tovenaars even zowel als aan al de Egyptenaars
9:12 Doch de Heer verstokte Farao's hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk de Heer tot Mozes gezegd had
9:13 Toen sprak de Heer tot Mozes: Maak u morgen vroeg op en treed voor Farao, en spreek tot hem: Dus zegt de Heer, de God der Hebreën: Laat mijn volk trekken, opdat zij Mij dienen
9:14 Ik zal anders ditmaal al mijne plagen zenden over uzelven, over uwe dienaren en over uw volk, zodat gij zult gewaarworden, dat mijns gelijke niet is in alle landen
9:15 want Ik heb nu mijne hand uitgestrekt, en u en uw volk met pest geslagen, opdat gij van de aarde zoudt verdelgd worden
9:16 En trouwens, daarom heb Ik u verwekt, opdat mijne kracht aan u blijke, en mijn naam verkondigd worde in alle landen
9:17 Verzet gij u nog langer tegen mijn volk, en wilt gij het niet laten trekken, zie
9:18 Ik zal morgen omtrent dezen tijd een zeer zwaren hagel laten regenen, gelijk er in Egypte niet geweest is sedert dien tijd, dat het gegrondvest is tot nu toe
9:19 En nu, zend heen, berg uw vee en al wat gij op het veld hebt, want alle mens en vee, dat op het veld gevonden wordt en niet in de huizen verzameld is, zal sterven, als deze hagel op hen valt
9:20 Wie nu onder Farao's dienaren het woord des Heren vreesde, liet zijne knechten en zijn vee in de huizen vlieden
9:21 maar zij, wier hart geen gehoor gaf aan het woord des Heren, lieten hunne knechten en hun vee op het veld
9:22 Toen sprak de Heer tot Mozes: Strek uwe hand naar den hemel, opdat het hagele over geheel Egypteland, over de mensen, over het vee en over al het kruid op het veld in Egypteland
9:23 En Mozes strekte zijnen staf naar den hemel, en de Heer liet het donderen en hagelen, zodat het vuur op de aarde schoot. Alzo liet de Heer hagel regenen over Egypteland
9:24 En de hagel en het vuur vlogen onder elkander, zo gruwelijk, dat iets dergelijks in geheel Egypteland nooit geweest was, sedert het door mensen bewoond werd
9:25 En de hagel sloeg in geheel Egypteland al wat op het veld was, beide mensen en vee, en sloeg al het kruid op het veld en verbrak alle bomen op het veld
9:26 Alleen in het land Gosen, waar de kinderen Israëls waren, hagelde het niet
9:27 Toen zond Farao heen en liet Mozes en Aäron roepen, en sprak tot hen: Ik heb mij ditmaal bezondigd; de Heer is rechtvaardig, maar ik en mijn volk zijn goddeloos
9:28 Doch bidt den Heer vurig, dat dit donderen en hagelen Gods ophoude; zo zal ik u laten trekken, en gij zult niet langer hier blijven
9:29 Mozes sprak tot hem: Wanneer ik de stad uitga, zo zal ik mijne handen uitbreiden tot den Heer: zo zal de donder ophouden en geen hagel meer zijn, opdat gij gewaar wordt, dat de aarde des Heren is
9:30 Maar ik weet, dat gij en uwe dienaren nog niet vreest voor God, den Heer
9:31 Alzo werd geslagen het vlas en de gerst, want de gerst was in de aar en het vlas had knoppen gekregen
9:32 maar de tarwe en rogge werden niet geslagen, want zij gingen eerst spade op
9:33 Aldus ging nu Mozes van Farao ter stad uit en breidde zijne handen uit tot den Heer: en de donder en hagel hielden op, en de regen stroomde niet meer op de aarde
9:34 Maar toen Farao zag, dat de regen en donder en hagel ophielden, zondigde hij verder en verhardde zijn hart, hij en zijne dienaren
9:35 Alzo werd Farao's hart verstokt, dat hij de kinderen Israëls niet trekken liet, gelijk de Heer gesproken had door Mozes. Exodus 1
10:1 En de Heer sprak tot Mozes: Ga heen tot Farao; want Ik heb zijn hart verhard en het hart zijner dienaren, opdat Ik deze mijne tekenen onder hen doe
10:2 en opdat gij verkondigt voor de oren uwer kinderen en uwer kindskinderen wat Ik in Egypte uitgericht heb, en hoe Ik mijne tekenen onder hen getoond heb; opdat gij weet, dat Ik de Heer ben
10:3 Alzo gingen Mozes en Aäron heen tot Farao, en spraken tot hem: Dus spreekt de Heer, de God der Hebreën: Hoe lang weigert gij u voor Mij te verootmoedigen? Laat mijn volk trekken, opdat zij Mij dienen
10:4 Weigert gij mijn volk te laten trekken, zie, zo zal Ik morgen sprinkhanen laten komen aan al uwe plaatsen
10:5 en zij zullen het land bedekken, zodat men het land niet kan zien; en zij zullen afeten wat u overgebleven en gered is van den hagel, en zij zullen al uwe groenende bomen op het veld afeten
10:6 en zij zullen vervullen uw huis, de huizen van al uwe dienaren en de huizen van alle Egyptenaars, zoals niet gezien hebben uwe vaders noch uwer vaderen vaders, sedert dien tijd dat zij op de aarde geweest zijn, tot op dezen dag. En hij keerde zich om en ging van Farao uit
10:7 Toen spraken Farao's dienaren tot hem: Hoe lang zullen wij met dezen man geplaagd zijn? Laat de lieden uittrekken, opdat zij den Heer, hunnen God, dienen. Gevoelt gij nog niet, dat Egypte te gronde gaat
10:8 Mozes en Aäron werden weder tot Farao gebracht; die sprak tot hen: Gaat heen, dient den Heer, uwen God. Maar wie zijn het dan, die heentrekken zullen
10:9 Mozes sprak: Wij willen trekken met jong en oud, met zonen en dochters, met schapen en runderen; want wij hebben een feest des Heren
10:10 En hij sprak tot hen: Voorzeker, de Heer zij met u! Zou ik u en daarenboven uwe kinderen laten trekken? Ziet of gij niet iets kwaads voorhebt
10:11 Niet alzo, maar trekt gij mannen heen en dient den Heer; want dit hebt gij ook verzocht. En men stiet hen uit van Farao
10:12 Toen sprak de Heer tot Mozes: Strek uwe hand uit over Egypteland wegens de sprinkhanen; dat zij over Egypteland komen, en opeten al het kruid op het land, al wat van den hagel overgebleven is
10:13 En Mozes strekte zijnen staf over Egypteland, en de Heer dreef een oostenwind over het land, den gehelen dag en den gehelen nacht; en des morgens voerde de oostenwind de sprinkhanen aan
10:14 en zij kwamen over geheel Egypteland, en lieten zich neder aan alle plaatsen in Egypte; Zóvele, dat er te voren iets dergelijks nooit geweest is, noch voortaan zijn zal
10:15 want zij bedekten het land en verduisterden het, en zij aten al het kruid van het land op, en alle vruchten van de bomen, die van den hagel waren overgebleven, en lieten niets groens over aan de bomen en aan het kruid op het veld, in geheel Egypteland
10:16 Toen ontbood Farao haastig Mozes en Aäron, en sprak: Ik heb gezondigd tegen den Heer, uwen God, en tegen ulieden
10:17 vergeeft mij mijne zonde ook ditmaal, en bidt den Heer, uwen God, dat Hij slechts dezen dood van mij wegneme
10:18 En hij ging uit van Farao en bad tot den Heer
10:19 Toen keerde de Heer den wind alzo, dat hij zeer sterk uit het Westen woei; die hief de sprinkhanen op en wierp ze in de Schelfzee, zodat er niet één overbleef aan alle plaatsen van Egypte
10:20 Maar de Heer verstokte Farao's hart, dat hij de kinderen Israëls niet trekken liet
10:21 En de Heer sprak tot Mozes: Strek uwe hand naar den hemel, en het zal zo duister worden in Egypteland, dat men het tasten kan
10:22 En Mozes strekte zijne hand naar den hemel: toen werd er ene dikke duisternis in geheel Egypteland, drie dagen
10:23 zodat de een den ander niet zag, noch opstond van de plaats, waar hij was, in drie dagen; maar bij de kinderen Israëls was het licht in hunne woningen
10:24 Toen ontbood Farao Mozes en sprak: Trekt heen, dient den Heer, alleenlijk laat uwe schapen en runderen hier, doch laat uwe kinderkens ook met u trekken
10:25 Mozes sprak: Gij moet ons ook offers en brandoffers geven, welke wij mogen offeren aan den Heer, onzen God
10:26 ons vee zal met ons gaan en geen klauw zal achterblijven; want van het onze zullen wij nemen ten dienste van den Heer, onzen God; want wij weten niet waarmede wij den Heer zullen dienen, totdat wij daar gekomen zijn
10:27 Maar de Heer verstokte Farao's hart, dat hij hen niet wilden laten trekken
10:28 en Farao sprak tot hem: Ga Ván mij, en wacht u, dat gij niet weder voor mijne ogen komt; want op den dag, waarop gij voor mijne ogen komt, zult gij sterven
10:29 En Mozes antwoordde: Gelijk gij gezegd hebt; ik zal niet weder voor uwe ogen komen. Exodus 1
11:1 En de Heer sprak tot Mozes: Ik wil nog ééne plaag over Farao en Egypte laten komen; daarna zal hij u van hier laten trekken, en zal niet alleen alles laten gaan, maar u zelfs van hier uitdrijven
11:2 Zeg dan nu voor de oren des volks, dat ieder man van zijnen naaste en elke vrouw van hare naaste zilveren en gouden vaten eise
11:3 En de Heer gaf aan het volk genade in de ogen der Egyptenaren; en Mozes was een zeer groot man in Egypteland bij de dienaren van Farao en bij het volk
11:4 En Mozes sprak: Dus zegt de Heer: Ik wil te middernacht uitgaan in Egypteland
11:5 en alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eersten zoon, die op zijnen troon zit, tot den eersten zoon der dienstmaagd, die achter den handmolen is, ook alle eerstgeborenen onder het vee
11:6 en in geheel Egypteland zal een groot geschrei zijn, gelijk er nooit geweest is noch worden zal
11:7 Maar bij alle kinderen Israëls zal geen hond zijn tong roeren, beide onder mensen en vee, opdat gij ondervindt, hoe de Heer Egypte en Israël onderscheidt
11:8 Dan zullen tot mij afkomen al deze uwe dienaren, en mij te voet vallen, zeggende: Trek uit, gij en al het volk, dat onder u is; daarna zal ik uittrekken. En hij ging met grimmigen toorn van Farao uit
11:9 De Heer nu sprak tot Mozes: Farao hoort naar u niet, opdat vele mijner wonderen geschieden in Egypteland
11:10 En Mozes en Aäron hebben al deze wonderen gedaan voor Farao; maar de Heer verstokte hem het hart, dat hij de kinderen Israëls niet uit zijn land wilde laten trekken. Exodus 1
12:1 En de Heer sprak tot Mozes en Aäron in Egypteland
12:2 Deze maand zal bij u de eerste maand zijn, en van haar zult gij de maanden des jaars beginnen
12:3 Spreekt tot de gehele gemeente van Israël, zeggende: Op den tienden dag dezer maand neme elk een lam, waar een huisvader is, een lam voor elk huis
12:4 maar indien er in een huis te weinig voor een lam zijn, dan neme men het met zijnen gebuur, den naaste aan zijn huis, te zamen; totdat gij zovelen wordt, dat men het lam kan opeten
12:5 Doch gij zult zulk een lam nemen, aan hetwelk geen gebrek is, een mannetje, een jaar oud; gij zult het nemen van de lammeren of geitebokken
12:6 en zult het behouden tot op den veertienden dag der maand; en de ganse vergadering der gemeente van Israël zal het slachten tussen de twee avonden
12:7 En men zal van zijn bloed nemen en daarmede bestrijken de posten der deur, en den bovensten drempel der huizen, in welke zij eten
12:8 En men zal alzo dat vlees eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; en men zal het met bittere saus eten
12:9 Gij zult het niet rauw eten, noch in water gezoden, maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijne schenkels en met zijn ingewand
12:10 En gij zult er niets van laten overblijven tot den morgen, maar indien iets daarvan overblijft tot den morgen, zult gij het met vuur verbranden
12:11 En aldus zult gij het eten: gij zult om uwe lendenen omgord zijn, en schoenen aan uwe voeten hebben, en staven in uwe handen; en gij zult het eten met haast; want dit is het Pascha des Heren
12:12 Want Ik zal in dienzelfden nacht door Egypteland gaan, en slaan alle eerstgeborenen in Egypteland, beide onder mensen en vee, en Ik zal mijne straf betonen aan alle goden der Egyptenaren, Ik de Heer
12:13 En dat bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen, in welke gij zijt; opdat Ik, het bloed ziende, u voorbijga, en opdat u niet wedervare de plaag, die verderft, als Ik Egypteland sla
12:14 En gij zult dezen dag hebben ter gedachtenis, en zult dien vieren den Heer tot een feest, gij en al uwe nakomelingen, tot ene eeuwige inzetting
12:15 Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, namelijk op den eersten dag zult gij doen ophouden het gezuurde brood in uwe huizen; want wie gezuurd brood eet van den eersten dag af tot op den zevenden, diens ziel zal uitgeroeid worden uit Israël
12:16 De eerste dag zal heilig zijn, dat gij tezamen komt, en de zevende zal ook heilig zijn, dat gij tezamen komt: gij zult daarop geen arbeid doen, behalve wat tot de spijs behoort voor allerlei zielen; dit alleen moogt gij voor u doen
12:17 En houdt u bij de ongezuurde broden, want Ik heb op dezen zelfden dag uwe heiren uit Egypteland gevoerd; daarom zult gij dezen dag houden, en al uwe nakomelingen, tot ene eeuwige inzetting
12:18 Van den veertienden dag der eerste maand, des avonds, zult gij ongezuurde broden eten, tot op den één en twintigsten dag der maand aan den avond
12:19 Dat men zeven dagen geen gezuurd brood vinde in uwe huizen; want wie gezuurd brood eet, diens ziel zal uitgeroeid worden uit de gemeente van Israël, hij zij een vreemdeling of een inboorling des lands
12:20 Daarom eet geen gezuurd brood, maar enkel ongezuurde broden, in al uwe woningen
12:21 En Mozes riep al de oudsten van Israël, en sprak tot hen: Kiest uit en neemt schapen, elk voor zijn huisgezin, en slacht het Pascha
12:22 en neemt een bundeltje hysop, en doopt het in het bloed in een bekken, en bestrijkt daarmede den bovendrempel en de twee posten; en niemand ga uit zijne huisdeur tot aan den morgen
12:23 want de Heer zal omgaan en de Egyptenaars slaan; en als Hij het bloed zien zal aan den bovendrempel en aan de twee posten, zal Hij de deur voorbijgaan en den verderver niet in uwe huizen laten komen om te slaan
12:24 Daarom onderhoudt deze inzetting voor u en voor uwe kinderen eeuwiglijk
12:25 En als gij komt in het land, hetwelk de Heer u geven zal, gelijk Hij gesproken heeft, zo zult gij dezen dienst onderhouden
12:26 En als uwe kinderen dan tot u zullen zeggen: Welk een dienst hebt gij daar?
12:27 zo zult gij zeggen: Dit is het Paaschoffer des Heren, die in Egypte de huizen der kinderen Israëls voorbijging, toen Hij de Egyptenaars sloeg, en onze huizen verschoonde. Toen neigde zich het volk en boog zich
12:28 En de kinderen Israëls gingen heen, en deden, gelijk de Heer aan Mozes en Aäron geboden had
12:29 En te middernacht sloeg de Heer alle eerstgeborenen in Egypteland, van Farao's eersten zoon, die op zijnen troon zat, tot den eersten zoon des gevangenen in de gevangenis, en alle eerstgeborenen van het vee
12:30 Toen stond Farao op in dien nacht, en al zijne dienaren, en alle Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte, want er was geen huis, waarin geen dode was
12:31 En hij ontbood Mozes en Aäron in den nacht en sprak: Maakt u op en trekt uit van mijn volk, gij en de kinderen Israëls; gaat heen en dient den Heer gelijk gij gezegd hebt
12:32 Neemt ook met u uwe schapen en uwe runderen, gelijk gij gezegd hebt; gaat heen en zegent mij ook
12:33 En de Egyptenaars drongen het volk, dat zij hen schielijk uit het land dreven, want zij zeiden: Wij zijn anders altemaal lieden des doods
12:34 En het volk droeg zijn deeg, eer het gezuurd was, en zij hadden hunne spijs in hunne opperklederen gebonden op hun schouders
12:35 En de kinderen Israëls hadden gedaan, gelijk Mozes gezegd had, en van de Egyptenaars geëist zilveren en gouden vaten en klederen
12:36 Daarenboven had de Heer aan het volk genade gegeven bij de Egyptenaars, zodat zij aan hunne begeerte voldeden; en zij ontnamen het den Egyptenaren
12:37 Alzo trokken de kinderen Israëls uit van Raämses naar Sukkoth: zesmaal honderdduizend man te voet, behalve de kinderkens
12:38 en een gemengde hoop van allerlei volk trok met hen, en schapen, runderen en zeer veel vee
12:39 En zij bakten van het deeg, hetwelk zij uit Egypte medevoerden, ongezuurde koeken; want het was niet gezuurd, dewijl zij uit Egypte gedreven werden en niet vertoeven konden, en geen anderen teerkost voor zich hadden kunnen bereiden
12:40 De tijd nu, dien de kinderen Israëls in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd en dertig jaren
12:41 Toen die om waren, ging het gehele heir des Heren op dezen zelfden dag uit Egypteland
12:42 Daarom wordt deze nacht den Heer gehouden, omdat Hij hen uit Egypteland gevoerd heeft; en dien zullen de kinderen Israëls den Heer houden, zij en hunne nakomelingen
12:43 En de Heer sprak tot Mozes en Aäron: Dit is de wijze om het Pascha te houden: geen vreemdeling zal daarvan eten
12:44 doch wie een gekochte knecht is, dien besnijde men, en dan ete hij daarvan
12:45 een huisgenoot, die een huurling is, zal er niet van eten
12:46 In één huis zal men het eten; gij zult niets van het vlees buiten het huis dragen, en zult geen been daaraan breken
12:47 De gehele gemeente van Israël zal dat doen
12:48 Maar indien een vreemdeling bij u woont, en den Heer het Pascha houden wil, dat dan al wat mannelijk bij hem is, besneden worde; alsdan voege hij zich daarbij om dat te doen, en zij gelijk een inboorling des lands; want geen onbesnedene zal daarvan eten
12:49 Enerlei wet zij den inboorling en den vreemdeling, die onder u woont
12:50 En al de kinderen Israëls deden het, gelijk de Heer aan Mozes en Aäron geboden had
12:51 Alzo voerde de Heer op een en denzelfden dag de kinderen Israëls uit Egypteland, naar hunne heiren. Exodus 1
13:1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende
13:2 Heilig Mij alle eerstgeborenen, al wat enige baarmoeder breekt bij de kinderen Israëls, beide onder de mensen en het vee; zij zijn de mijne
13:3 Toen sprak Mozes tot het volk: Gedenkt aan dezen dag, waarop gij uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; dat de Heer u met een machtige hand van hier heeft uitgevoerd; daarom zult gij geen zuurdeeg eten
13:4 Heden zijt gij uitgegaan, in de maand Abib
13:5 Als nu de Heer u brengen zal in het land der Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Hevieten en Jebusieten, hetwelk Hij uwen vaderen gezworen heeft u te geven, een land, in hetwelk melk en honig vloeit, zo zult gij dezen dienst houden in deze maand
13:6 Zeven dagen zult gij ongezuurd brood eten, en op den zevenden dag is het feest des Heren
13:7 Zeven dagen zult gij ongezuurd brood eten; geen zuurdeeg noch gezuurd brood zal bij u gezien worden op al uwe plaatsen
13:8 en gij zult op dien dag tot uwe zonen zeggen: Dit geschiedt wegens hetgeen de Heer ons gedaan heeft, toen wij uit Egypte trokken
13:9 En het zal u tot een teken zijn in uwe hand en tot een gedenkteken voor uwe ogen, opdat de wet des Heren in uwen mond zij, want de Heer heeft u met een machtige hand uit Egypte gevoerd
13:10 Daarom houdt deze inzetting op den bestemden tijd, jaarlijks
13:11 Als nu de Heer u in het land der Kanaänieten zal gebracht hebben, gelijk Hij u en uwen vaderen gezworen heeft, en het u zal gegeven hebben
13:12 zo zult gij afzonderen voor den Heer al wat de baarmoeder breekt, alle eerstgeborenen onder het vee, die mannelijk zijn
13:13 De eerstgeborene van een ezelin zult gij lossen met een lam; maar indien gij het niet lost, zo maakt het af; maar alle eerstgeborenen der mensen onder uwe zonen, zult gij lossen
13:14 En als u heden of morgen uw zoon zal vragen: Wat is dat?, zo zult gij tot hem zeggen: De Heer heeft ons met een machtige hand uit Egypte, uit het diensthuis, gevoerd
13:15 want toen Farao hardnekkig weigerde ons los te laten, sloeg de Heer alle eerstgeborenen in Egypteland, van den eerstgeborene der mensen af tot den eerstgeborene van het vee: daarom offer ik aan den Heer al wat de baarmoeder breekt, dat een mannetje is; maar alle eerstgeborenen mijner zonen los ik
13:16 En het zal u tot een teken in uwe hand zijn, en tot een gedenkteken voor uwe ogen, want de Heer heeft ons met een machtige hand uit Egypte gevoerd
13:17 Toen nu Farao het volk had laten uittrekken, voerde God hen niet langs den weg door het land der Filistijnen, die de naaste was; want God dacht: Het mocht het volk berouwen, als zij den strijd zien, en zij mochten weder naar Egypte keren
13:18 Daarom voerde hij het volk langs een omweg door de woestijn der Schelfzee; en de kinderen Israëls trokken gewapend uit Egypteland
13:19 En Mozes nam Jozefs gebeente met zich; want deze had een eed van de kinderen Israëls genomen, zeggende: God zal u bezoeken; voert alsdan mijn gebeente met u van hier
13:20 Alzo trokken zij uit van Sukkoth, en legerden zich te Etham aan het begin der woestijn
13:21 En de Heer trok voor hen uit, bij dag in ene wolkkolom om hen op den rechten weg te voeren, en bij nacht in ene vuurkolom om hun licht te geven, opdat zij dag en nacht zouden kunnen reizen
13:22 De wolkkolom week nimmer van het volk bij dag, noch de vuurkolom des nachts. Exodus 1
14:1 En de Heer sprak tot Mozes zeggende
14:2 Spreek met de kinderen Israëls, en zeg, dat zij wederkeren en zich legeren bij het dal Hahiroth, tussen Migdol en de zee, tegenover Baäl-Zefon, en dat zij zich daar legeren aan de zee
14:3 Want Farao zal zeggen van de kinderen Israëls; Zij zijn verdwaald in het land, de woestijn heeft hen ingesloten
14:4 En Ik wil zijn hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik wil aan Farao en aan al zijne macht eer behalen, en de Egyptenaars zullen gewaarworden, dat Ik de Heer ben. En zij deden alzo
14:5 En toen het den koning van Egypte bekendgemaakt werd, dat het volk gevlucht was, werd het hart van hem en van zijne dienaren veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israël hebben laten uittrekken, dat zij ons niet dienden
14:6 En hij spande zijnen wagen aan, en nam zijn volk met zich
14:7 en nam zeshonderd uitgelezen wagens, en alle overige wagens in Egypte, en de hoofdlieden over zijn gehele heir
14:8 Want de Heer verstokte het hart van Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls najoeg; doch de kinderen Israëls waren door een hoge hand uitgegaan
14:9 En de Egyptenaars joegen hen na, en achterhaalden hen [daar zij zich gelegerd hadden aan de zee], met paarden en wagens en ruiters, en al het heir van Farao, in het dal Hahiroth, tegenover Baäl-Zefon
14:10 En toen Farao hun nabij kwam, hieven de kinderen Israëls hunne ogen op, en zie, de Egyptenaars trokken hen achterna; en zij vreesden zeer en riepen tot den Heer
14:11 en spraken tot Mozes: Waren er geen graven in Egypte, dat gij ons moest wegvoeren, opdat wij in deze woestijn zouden sterven? Waarom hebt gij ons dit gedaan, dat gij ons uit Egypte gevoerd hebt
14:12 Is het niet dit, dat wij in Egypte tot u zeiden: Houd op, en laat ons de Egyptenaars dienen? Want het ware ons immers beter de Egyptenaars te dienen dan in deze woestijn te sterven
14:13 Mozes sprak tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet wat heil de Heer u heden bewijzen zal; want deze Egyptenaars, welke gij heden ziet, zult gij nooit in eeuwigheid wederzien
14:14 De Heer zal voor u strijden, en gij moet stil zijn
14:15 De Heer sprak tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg den kinderen Israëls, dat zij voorttrekken
14:16 Maar gij, hef uwen staf op, en strek uwe hand uit over de zee, en deel deze van elkander, opdat de kinderen Israëls ingaan, middendoor, op het droge
14:17 Zie, Ik wil het hart der Egyptenaren verstokken, dat zij u volgen; zo zal Ik eer behalen aan Farao en aan al Zijne macht, aan zijne wagens en ruiters
14:18 En de Egyptenaars zullen het gewaarworden, dat Ik de Heer ben, als Ik eer behaald heb aan Farao en aan zijne wagens en ruiters
14:19 Toen verhief zich de Engel Gods, die voor Israëls heir uittrok, en begaf zich achter hen; en de wolkkolom week ook van hun aangezicht en trok achter hen
14:20 en zij kwam tussen het heir der Egyptenaren en Israëls heir; en het was ene duistere wolk, maar zij verlichtte den nacht; zodat den gehelen nacht de een niet tot den ander kon komen
14:21 Toen nu Mozes zijne hand uitstrekte over de zee, liet de Heer de zee door een sterken oostenwind wegdrijven, dien gehelen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren scheidden zich van elkander
14:22 En de kinderen Israëls gingen er in, midden in de zee, op het droge, en het water was hun tot muren ter rechter [hand] en ter linkerhand
14:23 En de Egyptenaars volgden en gingen er in, hen achterna, alle paarden van Farao, zijne wagens en ruiters, midden in de zee
14:24 Toen nu de morgenwake kwam, zag de Heer uit de vuurkolom en de wolk op het heir der Egyptenaren, en bracht verwarring in hun lege
14:25 en stiet de raderen van hunne wagens, en stortte hen met onstuimigheid neder. Toen spraken de Egyptenaars: Laat ons vlieden van Israël, want de Heer strijdt voor hen tegen de Egyptenaars
14:26 En de Heer sprak tot Mozes: Strek uwe hand uit over de zee, opdat het water wederom valle over de Egyptenaars, over hunne wagens en ruiters
14:27 Toen strekte Mozes zijne hand uit over de zee, en de zee kwam Vóór den morgen weder in haren stroom, en de Egyptenaars vluchtten die te gemoet. Alzo stortte de Heer hen midden in de zee
14:28 Toen kwam het water weder, en bedekte wagens en ruiters, en al de macht van Farao, die hen gevolgd was in de zee, zodat niet één van hen overbleef
14:29 Maar de kinderen Israëls gingen droog midden door de zee, en het water was hun tot muren ter rechter [hand] en ter linkerhand
14:30 Alzo hielp de Heer Israël op dien dag uit de hand der Egyptenaren; en zij zagen de Egyptenaars dood aan den oever der zee
14:31 En Israël zag de grote macht, welke de Heer aan de Egyptenaars betoond had; en het volk vreesde den Heer, en zij geloofden Hem en zijnen knecht Mozes. Exodus 1
15:1 Toen zongen Mozes en de kinderen Israëls dit lied den Heer, en spraken: Ik zal den Heer zingen, want Hij heeft ene heerlijke daad gedaan; paard en wagen heeft Hij in de zee gestort
15:2 De Heer is mijne sterkte en mijn lofzang, en Hij is mijn heil; deze is mijn God, ik zal Hem prijzen; Hij is de God mijns vaders, ik zal Hem verheffen
15:3 De Heer is de rechte krijgsman; Heer is zijn naam
15:4 De wagens van Farao en zijne uitgelezen hoofdlieden verzonken in de Schelfzee
15:5 De diepte heeft hen bedekt; zij gingen te gronde als stenen
15:6 Heer, uwe rechterhand doet grote wonderen, Heer, uwe rechterhand heeft de vijanden verslagen
15:7 en met uwe grote heerlijkheid hebt Gij uwe tegenpartij ternedergestort; want toen Gij uwe grimmigheid uitliet, verteerde zij hen als stoppels
15:8 Door uw blazen hoopten zich de wateren op, en de vloeden stonden overeind; de diepte verstijfde in het midden der zee
15:9 De vijand dacht: Ik zal hem najagen, en hen achterhalen, en den buit uitdelen, en mijnen moed aan hen koelen; ik zal mijn zwaard uittrekken, en mijne hand zal hen verderven
15:10 toen liet Gij uwen wind blazen, en de zee bedekte hen, en zij verzonken als lood in machtige wateren
15:11 Heer, wie is U gelijk onder de goden? Wie is U gelijk, die zo machtig, heilig, verschrikkelijk, lofwaardig en wonderdadig is
15:12 Toen Gij uwe rechterhand uitstrektet, verslond hen de aarde
15:13 Gij hebt door uwe barmhartigheid uw volk geleid, hetwelk Gij verlost hebt, en hebt hen door uwe sterkte gevoerd tot uwe heilige woning
15:14 Toen de volken dat hoorden, beefden zij; angst overviel de Filistijnen
15:15 toen verschrikten de vorsten van Edom, siddering beving Moabs geweldigen, al de inwoners van Kanaän werden moedeloos
15:16 Laat verschrikking en vrees hen overvallen door uwen groten arm; dat zij verstijven als stenen, totdat uw volk, Heer, er doorheen kome, totdat er doorheen kome het volk, hetwelk Gij verworven hebt
15:17 Breng hen daarin, en plant hen op den berg uws erfdeels, dien Gij, Heer, U tot ene woning gemaakt hebt, tot uw heiligdom, Heer, hetwelk uw hand bereid hebben
15:18 De Heer zal koning zijn altoos en eeuwiglijk
15:19 want Farao trok in de zee met paarden en wagens en ruiters, en de Heer liet de zee weer over hen vallen, maar de kinderen Israëls gingen droog midden door de zee
15:20 En Mirjam, de profetes, Aärons zuster, nam ene trommel in hare hand; en alle vrouwen volgden haar naar buiten met trommels en in reien
15:21 En Mirjam zong haar voor: Laat ons den Heer zingen, want Hij heeft een heerlijke daad gedaan: man en paard heeft Hij in de zee gestort
15:22 Toen liet Mozes de kinderen Israëls opbreken, van de Schelfzee af tot in de woestijn Sur; en zij reisden drie dagen in de woestijn en zij vonden geen water
15:23 Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water te Mara niet drinken, want het was bitter; daarom noemt men de plaats Mara
15:24 Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken
15:25 En hij riep tot den Heer, en de Heer wees hem houtgewas; dit deed hij in het water, toen werd het zoet. Aldaar gaf de Heer hun ene wet en een recht, en beproefde hen
15:26 en sprak: Is het, dat gij naar de stem van den Heer, uwen God, zult horen, en doen wat recht is voor Hem, en uwe oren neigen tot zijne geboden, en houden al zijne wetten, zo zal Ik gene dier krankheden op u leggen, welke Ik op Egypte gelegd heb; want Ik ben de Heer: uw geneesmeester
15:27 En zij kwamen te Elim; daar waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan het water. Exodus 1
16:1 Daarna trokken zij van Elim, en de gehele gemeente der kinderen Israëls kwam in de woestijn Sin, die tussen Elim en Sinaï ligt, op den vijftienden dag der tweede maand, nadat zij uit Egypte getrokken ware
16:2 En de gehele gemeente der kinderen Israëls murmureerde tegen Mozes en Aäron in de woestijn
16:3 en zij spraken tot hen: Och, of wij in Egypte gestorven waren door de hand des Heren, toen wij bij de vleespotten zaten, en volheid van brood te eten hadden! Want gij hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze gehele gemeente van honger te laten sterven
16:4 Toen sprak de Heer tot Mozes: Zie, Ik wil ulieden brood van den hemel laten regenen; en het volk zal uitgaan en dagelijks verzamelen wat zij op dien dag nodig hebben, opdat Ik hen beproeve, of zij in mijne wet wandelen of niet
16:5 Maar op den zesden dag zullen zij bereiden, wat zij ingebracht hebben, en dit zal dubbel zoveel zijn, als zij anders dagelijks verzamelen
16:6 Toen spraken Mozes en Aäron tot al de kinderen Israëls: Op den avond zult gij gewaarworden, dat de Heer u uit Egypteland gevoerd heeft
16:7 en morgen zult gij de heerlijkheid des Heren zien, want Hij heeft uw murmureren tegen den Heer gehoord: want wat zijn wij, dat gij tegen ons murmureert
16:8 Verder sprak Mozes: De Heer zal u op den avond vlees te eten geven, en aan den morgen brood in volheid, omdat de Heer uw murmureren gehoord heeft, dat gij tegen Hem gemurmureerd hebt; want wat zijn wij? Uw murmureren is niet tegen ons, maar tegen den Heer
16:9 En Mozes sprak tot Aäron: Zeg tot de gehele gemeente der kinderen Israëls: Komt herwaarts voor den Heer, want Hij heeft uw murmureren gehoord
16:10 En toen Aäron zo sprak tot de gehele gemeente der kinderen Israëls, keerden zij zich naar de woestijn, en zie, de heerlijkheid des Heren verscheen in ene wolk
16:11 En de Heer sprak tot Mozes zeggende
16:12 Ik heb het murmureren der kinderen Israëls gehoord. Zeg hun: Tussen de beide avonden zult gij vlees te eten hebben, en aan den morgen met brood verzadigd worden; en gij zult gewaarworden, dat Ik de Heer, uw God, ben
16:13 En op den avond kwamen er kwakkels op; die bedekten het leger, en op den morgen lag de dauw rondom het leger
16:14 En toen de dauw weg was, zie, toen lag het in de woestijn, rond en klein, als de rijm op het land
16:15 En toen de kinderen Israëls dat zagen, zeiden zij onder elkander: Wat is dat? Want zij wisten niet wat het was. Maar Mozes sprak tot hen: Het is dat brood, hetwelk de Heer u te eten gegeven heeft
16:16 Dat nu is wat de Heer geboden heeft: Ieder verzamele daarvan zoveel hij zelf eten kan, en neme een gomer voor elk hoofd, naar het getal der zielen, die in zijne hut zijn
16:17 En de kinderen Israëls deden zo; en zij verzamelden de een veel, de ander weinig
16:18 Doch toen men het met den gomer mat, vond hij, die veel verzameld had, niets over, en hij niets minder, die weinig verzameld had; maar ieder had verzameld zoveel hij zelf eten kon
16:19 En Mozes sprak tot hen: Niemand late iets daarvan over tot den morgen
16:20 Maar zij hoorden niet naar Mozes, en sommigen lieten daarvan over tot den morgen; toen wiesen er wormen in en het werd stinkend; en Mozes werd toornig op hen
16:21 Zij dan verzamelden dat elken morgen, zoveel ieder zelf eten kon; maar als de zon heet werd, versmolt het
16:22 En op den zesden dag verzamelden zij van dat brood dubbel, telkens twee gomers voor ieder; en alle oversten der gemeente kwamen en verkondigden het aan Mozes
16:23 En hij sprak tot hen: Dit is het wat de Heer gezegd heeft: morgen is de dag der rust, de heilige sabbat des Heren; wat gij bakken wilt, bakt dat, en wat gij koken wilt, kookt dat; maar wat overig is, laat dat overblijven, opdat het bewaard worde tot den morgen
16:24 En zij lieten het overblijven tot den morgen, gelijk Mozes geboden had; toen werd het niet stinkend, en er was ook geen worm in
16:25 Toen sprak Mozes: Eet dat heden, want het is heden de sabbat des Heren; gij zult het heden niet vinden op het veld
16:26 Zes dagen zult gij verzamelen, maar de zevende dag is de sabbat; op dien dag zal het er niet zijn
16:27 Maar op den zevenden dag gingen enigen van het volk uit om te verzamelen, maar zij vonden niets
16:28 Toen sprak de Heer tot Mozes: Hoe lang weigert gijlieden mijne geboden en wetten te houden
16:29 Zie, de Heer heeft u den sabbat gegeven; daarom geeft Hij u op den zesden dag voor twee dagen brood. Zo blijve dan een ieder thuis, en niemand ga uit van zijne plaats op den zevenden dag
16:30 Alzo rustte het volk op den zevenden dag
16:31 En het huis Israëls noemde het Manna; en het was als korianderzaad, en wit, en het had een smaak als meelbloem met honig
16:32 En Mozes sprak: Dit is het wat de Heer geboden heeft: Vul een gomer daarvan om te bewaren voor uwe nakomelingen, opdat men het brood zie, waarmede Ik u gespijsd heb in deze woestijn, toen Ik u uit Egypteland voerde
16:33 En Mozes sprak tot Aäron: Neem ene kruik en doe een gomer vol manna daarin, en zet die Vóór den Heer, om te bewaren voor uwe nakomelingen
16:34 Gelijk de Heer Mozes geboden had, zo zette Aäron die aldaar, nevens de ark der getuigenis, om bewaard te worden
16:35 En de kinderen Israëls aten Manna veertig jaar, totdat zij in het land kwamen, waarin zij wonen zouden; tot aan de grenzen van het land Kanaän aten zij Manna
16:36 Een gomer nu is het tiende deel van een efa. Exodus 1
17:1 En de gehele gemeente der kinderen Israëls trok op uit de woestijn Sin, volgens hunne dagreizen, gelijk de Heer hun geboden had; en zij legerden zich te Rafidim. Daar had het volk geen water om te drinken
17:2 En zij twistten met Mozes en spraken: Geef ons water, opdat wij drinken. Mozes sprak tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den Heer
17:3 Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, murmureerden zij tegen Mozes en spraken: Waarom hebt gij ons uit Egypte laten trekken, opdat gij ons, onze kinderen en ons vee van dorst zoudt laten sterven
17:4 Mozes riep tot den Heer, zeggende: Wat zal ik met dit volk doen? Het scheelt niet veel, of zij zullen mij nog stenigen
17:5 De Heer sprak tot hem: Ga voor het volk uit en neem enige oudsten van Israël met u, en neem uwen staf in uwe hand, met welken gij het water sloegt, en ga heen
17:6 Zie, Ik zal aldaar Vóór u staan, op ene steenrots in Horeb; daar zult gij de steenrots slaan, en er zal water uitlopen, opdat het volk drinke. En Mozes deed alzo voor de oudsten van Israël
17:7 Toen noemde men die plaats Massa en Meriba, wegens den twist der kinderen Israëls en omdat zij den Heer verzocht, en gezegd hadden: Is de Heer onder ons, of niet
17:8 Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim
17:9 En Mozes sprak tot Jozua: Kies ons mannen uit, trek uit en strijd tegen Amalek; morgen zal ik op den top des heuvels staan, en den staf Gods in mijne hand hebben
17:10 En Jozua deed, gelijk Mozes tot hem gezegd had, en hij streed tegen Amalek; maar Mozes, Aäron en Hur klommen op den top des heuvels
17:11 En wanneer Mozes zijne handen ophief, won Israël; maar als hij zijne handen nederliet, won Amalek
17:12 Maar Mozes' handen werden zwaar; daarom namen zij een steen en legden dien onder hem om er op te zitten, en Aäron en Hur ondersteunden zijne handen, aan elke zijde één. Alzo bleven zijne handen vast, totdat de zon onderging
17:13 En Jozua versloeg Amalek en zijn volk door de scherpte des zwaards
17:14 En de Heer sprak tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en beveel het voor de oren van Jozua; want Ik wil Amalek verdelgen van onder den hemel, zodat men aan hem niet meer gedenken zal
17:15 En Mozes bouwde een altaar, en noemde het: De Heer is mijn banier
17:16 Want hij sprak: Het is een gedenkteken bij den troon des Heren, dat de Heer strijden zal tegen Amalek, van geslacht tot geslacht. Exodus 1
18:1 En toen Jethro, de priester in Midian, de schoonvader van Mozes, hoorde al wat God gedaan had aan Mozes en aan zijn volk Israëls; dat de Heer Israël uit Egypte gevoerd had
18:2 zo nam hij Zippora, Mozes' huisvrouw, welke deze teruggezonden had
18:3 en hare twee zonen, de een genaamd Gersom, want hij sprak: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land
18:4 en de ander Eliëzer, want hij sprak: De God mijns vaders is mijne hulp geweest, en heeft mij gered van Farao's zwaard
18:5 Toen nu Jethro, Mozes' schoonvader, en zijne zonen, en zijne huisvrouw tot hem kwamen in de woestijn aan den berg Gods, waar hij zich gelegerd had
18:6 liet hij Mozes zeggen: Ik, Jethro, uw schoonvader, ben tot u gekomen, en uwe huisvrouw, en beide hare zonen met haar
18:7 Toen ging Mozes hem tegemoet naar buiten, en boog zich voor hem, en kuste hem; en toen zij elkander gevraagd hadden naar hunnen welstand, gingen zij in de hut
18:8 Toen verhaalde Mozes aan zijnen schoonvader al wat de Heer aan Farao en de Egyptenaars wegens Israël gedaan had, en al de moeite, die hun op dien weg ontmoet was, en dat de Heer hen gered had
18:9 En Jethro verheugde zich over al het goede, hetwelk de Heer aan Israël gedaan had; dat Hij het gered had uit de hand der Egyptenaren
18:10 En Jethro sprak: Geloofd zij de Heer, die ulieden gered heeft uit de hand der Egyptenaren en uit Farao's hand; die zijn volk uit de hand der Egyptenaren weet te redden
18:11 Nu weet ik dat de Heer groter is dan alle goden, daardoor dat hun hoogmoedig opstaan tegen Hem hen ten ondergang heeft gebracht
18:12 En Jethro, Mozes' schoonvader, nam een brandoffer en offerde Gode; toen kwam Aäron en al de oudsten van Israël, met Mozes' schoonvader, om het brood te eten voor God
18:13 Des anderen daags zette zich Mozes om het volk te richten, en het volk stond rondom Mozes van den morgen tot den avond
18:14 Toen nu zijn schoonvader zag al wat hij voor het volk deed, sprak hij: Wat is het, dat gij voor het volk doet? Waarom zit gij alleen, en al het volk staat rondom u van den morgen tot den avond
18:15 Mozes antwoordde hem: Dit volk komt tot mij en vraagt God om raad
18:16 want als zij ene zaak te doen hebben, zo komen zij tot mij, opdat ik richte tussen den man en zijnen naaste, en hun Gods rechten en wetten aantone
18:17 Zijn schoonvader sprak tot hem: Het is niet goed wat gij doet
18:18 gij vermoeit u te veel, alsook dit volk, dat bij u is; deze zaak is u te zwaar, gij kunt die alleen niet uitvoeren
18:19 Maar hoor naar mijne stem; ik zal u raden, en God zal met u zijn. Bedien gij het volk bij God, en breng de zaken voor God
18:20 en stel hun de rechten en wetten voor, opdat gij hun den weg leert, dien zij wandelen en de werken, die zij doen moeten
18:21 Maar zie om, onder al het volk, naar oprechte lieden, die God vrezen, waarachtig en van de gierigheid afkerig zijn; stel die over hen, sommigen over duizend, anderen over honderd, anderen over vijftig, en anderen over tien
18:22 dat zij dit volk altijd richten; maar indien er ene grote zaak is, dat zij die tot u brengen, en dat zij alle kleine zaken richten; zo zal het u lichter vallen, en zij zullen mét u dragen
18:23 Indien gij dat doet, zo kunt gij verrichten wat God u gebiedt, en al dit volk kan in vrede gaan naar zijne plaats
18:24 Mozes hoorde naar het woord van zijnen schoonvader, en deed al wat hij zeide
18:25 en hij verkoos oprechte lieden uit geheel Israël, en maakte hen tot hoofden over het volk, sommigen over duizend, anderen over honderd, anderen over vijftig, en anderen over tien
18:26 dat zij het volk altijd richten zouden, maar wat zware zaken waren tot Mozes brengen, en al de kleine zaken richten zouden
18:27 Toen liet Mozes zijnen schoonvader trekken; en hij ging naar zijn land. Exodus 1
19:1 In de derde maand na den uittocht der kinderen Israëls uit Egypteland, kwamen zij op dienzelfden dag in de woestijn Sinaï
19:2 Want zij waren uitgetrokken van Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinaï; en zij legerden zich in de woestijn aldaar tegenover dien berg
19:3 En Mozes klom op tot God, en de Heer riep van den berg tot hem, zeggende: Aldus zult gij tot het huis van Jakob zeggen, en den kinderen Israëls verkondigen
19:4 Gijlieden hebt gezien wat Ik den Egyptenaren gedaan heb, en hoe Ik u gedragen heb op arendsvleugelen, en u tot Mij gebracht heb
19:5 Indien gij nu naar mijne stem zult horen en mijn verbond houden, zo zult gij mijn eigendom zijn onder alle volken, want de gehele aarde is de mijne
19:6 en gij zult mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, welke gij den kinderen Israëls zeggen zult
19:7 Mozes kwam en riep de oudsten van het volk, en legde hun al deze woorden voor, welke de Heer hem geboden had
19:8 En al het volk antwoordde te gelijk, en zij spraken: Al wat de Heer gesproken heeft zullen wij doen. En Mozes zeide de woorden des volks den Heer wederom
19:9 En de Heer sprak tot Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdat dit volk mijne woorden hore, welke Ik met u spreek, en u gelove eeuwiglijk. Mozes nu verkondigde den Heer de woorden des volks
19:10 En de Heer sprak tot Mozes: Ga heen tot het volk, en heilig het heden en morgen; dat zij hunne klederen wassen
19:11 en bereid zijn op den derden dag; want op den derden dag zal de Heer voor al het volk afkomen op den berg Sinaï
19:12 En maak ene omheining rondom voor het volk, zeggende: Wacht u op den berg te klimmen en zijn einde aan te raken; want wie den berg aanraakt zal den dood sterven
19:13 Geen hand zal hem aanraken, maar hij zal gestenigd of doorschoten worden; hetzij beest of mens, het zal niet in het leven blijven. Maar wanneer de bazuin aanhoudend weerklinkt, dan zullen zij tot den berg gaan
19:14 En Mozes klom af van den berg tot het volk en heiligde het; en zij wiesen hunne klederen
19:15 En hij sprak tot hen: Zijt bereid op den derden dag, en niemand genake tot ene vrouw
19:16 Toen nu de derde dag kwam, en het morgen was, toen verhief zich op den berg een donderen en bliksemen, en ene dikke wolk, en het geluid van ene zeer sterke bazuin; en al het volk, dat in het leger was, verschrikte
19:17 En Mozes voerde het volk uit het leger, Gode te gemoet; en zij traden beneden aan den berg
19:18 En de gehele berg Sinaï rookte, daarom dat de Heer met vuur nederkwam op den berg; en de rook ging op als de rook van een oven, zodat de gehele berg zeer beefde
19:19 en het geluid der bazuin werd hoe langer hoe sterker. Mozes sprak, en God antwoordde hem met luider stem
19:20 Toen nu de Heer nedergekomen was op den berg Sinaï, boven op zijnen top, riep Hij Mozes op den top des bergs; en Mozes klom op
19:21 Toen sprak de Heer tot hem: Klim af, en betuig aan dit volk, dat zij niet doorbreken tot den Heer om Hem te zien, en velen van hen vallen
19:22 Daarenboven ook zullen de priesters, die tot den Heer naderen, zich heiligen, opdat de Heer hen niet verplettere
19:23 Mozes nu sprak tot den Heer: Het volk kan niet op den berg Sinaï klimmen; want gij hebt ons betuigd en gezegd: Maak ene omheining rondom den berg, en heilig hem
19:24 En de Heer sprak tot hem: Ga heen, klim af! Gij en Aäron met u zult opklimmen; maar de priesters en het volk zullen niet doorbreken om op te klimmen tot den Heer, opdat Hij hen niet verplettere
19:25 En Mozes klom af tot het volk en zeide het hun. Exodus 2
20:1 En God sprak al deze woorden
20:2 Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, gevoerd heb
20:3 Gij zult geen andere goden nevens Mij hebben
20:4 Gij zult u geen beeld noch enige gelijkenis maken, noch van hetgeen boven in den hemel, noch van hetgeen beneden op de aarde, noch van hetgeen in het water onder de aarde is
20:5 Aanbid ze niet en dien ze niet; want Ik de Heer, uw God, ben een naijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, tot in het derde en vierde lid dergenen, die Mij haten
20:6 en doe barmhartigheid aan vele duizenden, die Mij liefhebben en mijne geboden houden
20:7 Gij zult den naam van den Heer, uwen God, niet misbruiken, want de Heer zal niet ongestraft laten wie zijnen naam misbruikt
20:8 Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt
20:9 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen
20:10 maar op den zevenden dag is de sabbat van den Heer, uwen God. Dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uwe dochter, noch uw knecht, noch uwe dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uwe poorten is
20:11 want in zes dagen heeft de Heer den hemel en de aarde gemaakt, en de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op den zevenden dag: daarom zegende de Heer den sabbatdag en heiligde hem
20:12 Gij zult uwen vader en uwe moeder eren, opdat gij lang leeft in het land, hetwelk de Heer, uw God, u geeft
20:13 Gij zult niet doden
20:14 Gij zult geen overspel doen
20:15 Gij zult niet stelen
20:16 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uwen naaste
20:17 Gij zult niet begeren uws naasten huis. Gij zult niet begeren uws naasten huisvrouw, noch zijnen knecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets, dat uws naasten is
20:18 En al het volk zag den donder en bliksem, en het geluid der bazuin, en den berg roken; en toen zij dat zagen, weken zij terug en bleven van verre staan
20:19 en zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, wij zullen horen; maar laat God niet met ons spreken, opdat wij niet sterven
20:20 Maar Mozes sprak tot het volk: Vreest niet; want God is gekomen om u te beproeven en zijne vrees voor uwe ogen te doen zijn, opdat gij niet zondigt
20:21 Alzo stond het volk van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, in welke God was
20:22 En de Heer sprak tot Mozes: Dus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: Gijlieden hebt gezien, dat Ik van den hemel met u gesproken heb
20:23 Daarom zult gij nevens Mij gene goden van zilver maken; noch goden van goud zult gij u maken
20:24 Maak Mij een altaar van aarde om uwe brandoffers en dankoffers, uwe schapen en runderen daarop te offeren, want aan elke plaats, waar Ik mijns naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen en u zegenen
20:25 En indien gij Mij een stenen altaar wilt maken, zo zult gij het niet van gehouwen stenen bouwen; want als gij met uw houwijzer daaraan komt, zo zult gij het ontheiligen
20:26 Gij zult ook niet met trappen tot mijn altaar opklimmen, opdat uwe schaamte daarbij niet ontdekt worde. Exodus 2
21:1 Dit zijn de rechten, welke gij hun zult voorstellen
21:2 Als gij een Hebreeuwsen knecht koopt, zal hij u zes jaren dienen; in het zevende jaar zal hij vrij en om niet uitgaan
21:3 Is hij zonder vrouw gekomen, zo zal hij ook zonder vrouw uitgaan; maar is hij met een vrouw gekomen, zo zal zijne vrouw met hem uitgaan
21:4 Maar heeft zijn heer hem ene vrouw gegeven, en heeft hij zonen of dochters verwekt, zo zal de vrouw met hare kinderen haars heren zijn, en hij zal zonder vrouw uitgaan
21:5 Maar zegt de knecht: Ik heb mijnen heer, mijne vrouw en mijne kinderen lief, ik wil niet vrij worden
21:6 zo brenge hem zijn heer voor de goden [rechters], en stelle hem aan de deur of aan den post, en bore hem met een priem door zijn oor, en hij zij zijn knecht eeuwiglijk
21:7 Verkoopt iemand zijne dochter tot ene dienstmaagd, zo zal zij niet uitgaan gelijk de knechten
21:8 Maar behaagt zij haren heer niet, en wil hij haar niet ten huwelijk nemen, zo zal hij haar doen lossen; maar onder een vreemd volk haar te verkopen, daartoe heeft hij geen macht, omdat hij haar versmaad heeft
21:9 Maar ondertrouwt hij haar aan zijnen zoon, zo zal hij naar het recht der dochters aan haar doen
21:10 Maar geeft hij hem ene andere, zo zal hij haar voedsel, bedeksel en huwelijksplicht niet onttrekken
21:11 Indien hij haar deze drie dingen niet bewijst, zo zal zij vrij uitgaan, zonder losgel
21:12 Wie een mens slaat, dat hij sterft, zal den dood sterven
21:13 Doch heeft hij hem niet vervolgd, maar heeft God hem onverhoeds in zijne hand laten vallen, zo zal Ik u ene plaats stellen, waarheen hij vlieden kan
21:14 Maar indien iemand moedwillig tegen zijnen naaste handelt, en hem met list doodt, zo zult gij dien van mijn altaar nemen, opdat men hem dode
21:15 Wie zijnen vader of zijne moeder slaat, zal den dood sterven
21:16 Wie een mens steelt, hetzij hij hem verkoopt of dat men dien bij hem vindt, zal den dood sterven
21:17 Wie zijnen vader of zijne moeder vloekt, zal den dood sterven
21:18 Wanneer mannen met elkander twisten, en de een slaat den ander met een steen of met de vuist, zodat hij niet sterft, maar te bed moet liggen
21:19 komt hij op, dat hij uitgaat, leunende op zijnen stok, zo zal degeen, die hem sloeg, onschuldig zijn, mits dat hij hem betale wat hij verzuimd heeft, en hem late genezen
21:20 Wie zijnen knecht of zijne dienstmaagd met een stok slaat, zodat hij onder zijne handen sterft, zal er voor gestraft worden
21:21 Maar blijft hij één dag of twee dagen in leven, zo zal hij er niet voor gestraft worden; want hij is zijn geld
21:22 Als mannen met elkander twisten, en mishandelen ene zwangere vrouw, zodat haar de vrucht afgaat en haar geen schade geschiedt, zo zal men den dader in de beurs straffen, zoveel de man der vrouw oplegt, en hij zal het naar de uitspraak van scheidslieden geven
21:23 maar lijdt zij enige schade daarvan, zo zal hij geven ziel voor ziel
21:24 oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet
21:25 brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil
21:26 En wanneer iemand zijnen knecht of zijne dienstmaagd in het oog slaat en het verderft, zal hij hem vrijlaten om dat oog
21:27 Desgelijks wanneer hij zijnen knecht of zijne dienstmaagd een tand uitslaat, zo zal hij hem vrij laten om dien tand
21:28 Wanneer een os een man of ene vrouw stoot, zodat die sterft, zo zal men den os stenigen en zijn vlees niet eten; dan is de heer van den os onschuldig
21:29 Maar is de os te voren stootig geweest, en het is zijnen heer bericht, en hij heeft hem niet bewaakt, en hij doodt om die reden een man of ene vrouw, zo zal men dien os stenigen, en zijn heer zal ook sterven
21:30 Maar indien men hem losgeld oplegt, zo zal hij om zijn leven te lossen alles geven wat men hem oplegt
21:31 Op gelijke wijze zal men met hem handelen, wanneer hij een zoon of ene dochter stoot
21:32 Maar stoot de os een knecht of ene dienstmaagd, zo zal men hunnen heer dertig zilveren sikkels geven, en den os zal men stenigen
21:33 Indien iemand een kuil opent of een kuil graaft, en dekt hem niet toe, en een os of ezel valt daarin
21:34 zo zal de heer des kuils het den ander met geld betalen; doch het aas zal het zijne zijn
21:35 Wanneer iemands os een anderen os stoot, zodat die sterft, zo zal men den levenden os verkopen, en het geld delen, en het aas ook delen
21:36 Maar is het bekend geweest, dat die os te voren stootig was, en zijn heer heeft hem niet bewaakt, zo zal hij er een anderen os voor geven, en het aas hebben. Exodus 2
22:1 Wanneer iemand een os of een schaap steelt, en slacht het of verkoopt het, dan zal hij vijf ossen voor één os wedergeven, en vier schapen voor één schaap
22:2 Wanneer een dief gegrepen wordt, als hij inbreekt, en daarbij geslagen wordt, zodat hij sterft, zo zal men geen bloedgericht over den dader laten gaan
22:3 Maar is de zon over hem opgegaan, zo zal men het bloedgericht laten gaan. De dief zal het [gestolene] wedergeven; heeft hij het niet, zo verkope men het voor zijnen diefstal
22:4 Maar vindt men het gestolene, hetzij os of ezel of schaap, nog levend bij hem, zo zal hij het dubbel wedergeven
22:5 Wanneer iemand een akker of wijnberg beschadigt, of zijn vee laat schade doen in eens anders akker, dan zal hij het van het beste zijns akkers en wijnbergs wedergeven
22:6 Wanneer er een vuur ontstoken wordt in de doornen, en het verbrandt de schoven, of het koren, dat nog staat, op den akker, zo zal hij, die het vuur heeft aangestoken, volkomen vergoeding geven
22:7 Wanneer iemand zijnen naaste geld of goederen te bewaren geeft, en het wordt dien uit zijn huis gestolen: vindt men den dief, zo zal hij het dubbel wedergeven
22:8 maar vindt men den dief niet, zo zal men den huiswaard voor de goden [rechters] brengen, of hij niet zijne hand aan zijnes naasten have geslagen hebbe
22:9 Wanneer de een den ander van enig onrecht beschuldigt, hetzij over os of ezel of schaap, of klederen, of iets, dat verloren is, zo zullen beider zaken voor de goden [rechters] komen: wien de goden [rechters] veroordelen, die zal het zijnen naaste dubbel wedergeven
22:10 Wanneer iemand zijnen naaste een ezel of os of schaap of enig ander vee te bewaren geeft, en het sterft, of wordt beschadigd, of weggedreven, zonder dat iemand het ziet
22:11 zo zal men het onder hen op een eed voor den Heer laten komen, of hij niet zijne hand aan zijns naasten have geslagen hebbe; en de heer van het goed zal dien aannemen, en de ander zal het niet behoeven te betalen
22:12 Maar ontsteelt het hem een dief, zo zal hij het zijnen heer betalen
22:13 Maar wordt het verscheurd, zo zal hij bewijs daarvan brengen, en het niet betalen
22:14 Wanneer iemand iets van zijnen naaste leent, en het wordt beschadigd of sterft, terwijl zijn heer er niet bij is, zo zal hij het betalen
22:15 maar is zijn heer er bij, zo zal hij het niet betalen, omdat hij het voor zijn geld gehuurd heeft
22:16 Wanneer iemand ene maagd verleidt, die nog niet verloofd is, en hij ligt bij haar, zo zal hij haar den bruidsschat geven en haar tot vrouw nemen
22:17 Maar weigert haar vader haar aan hem te geven, zo zal hij geld geven, zoveel aan ene maagd tot een bruidschat toekomt
22:18 De toveressen zult gij niet laten leven
22:19 Wie bij een beest ligt zal den dood sterven
22:20 Wie den goden offert, behalve den Heer alleen, zal verbannen worden
22:21 De vreemdelingen zult gij niet plagen noch onderdrukken, want gij zijt ook vreemdelingen in Egypteland geweest
22:22 Gij zult geen weduwe noch wees beleedigen
22:23 Indien gij haar beleedigt, en zij tot Mij roepen, zal Ik hun geroep verhoren
22:24 en mijn toorn zal zo ontsteken, dat Ik u met het zwaard doden zal, en uwe vrouwen zullen weduwen en uwe kinderen wezen worden
22:25 Wanneer gij aan mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult gij niet zijne schade zoeken, en er niet op woekeren
22:26 Wanneer gij van uwen naaste een kleed te pand neemt, zo zult gij het hem wedergeven, eer de zon ondergaat
22:27 want zijn kleed is het enige bedeksel zijner huid, waarin hij slaapt, en als hij tot Mij zal roepen, zo zal Ik hem verhoren, want Ik ben genadig
22:28 De goden [rechters] zult gij niet vloeken, en den overste onder uw volk zult gij niet lasteren
22:29 De volheid van uwe vruchten en uw most zult gij niet achterhouden. Uwen eerstgeboren zoon zult gij Mij geven
22:30 Zó zult gij ook doen met uwen os en met uw schaap, laat die zeven dagen bij hunne moeder zijn; en op den achtsten dag zult gij ze mij geven
22:31 Gij zult Mij heilige lieden zijn; daarom zult gij geen vlees eten, dat op het veld door de dieren verscheurd is, maar gij zult het voor de honden werpen. Exodus 2
23:1 Gij zult geen vals gerucht over brengen, zodat gij den goddeloze bijstand doet en een vals getuige zijt
23:2 Gij zult de menigte niet volgen tot het kwade en niet alzo antwoorden voor het gericht, dat gij, naar de menigte neigende, van het recht wijkt
23:3 Gij zult den geringe in zijne zaak niet voortrekken
23:4 Wanneer gij uws vijands os of ezel ontmoet, en ziet, dat hij dwaalt, zo zult gij dien weder tot hem brengen
23:5 Wanneer gij den ezel desgenen, die u haat, onder zijnen last ziet liggen, wacht u, dat gij hem niet verlaat, maar verzuim gaarne het uwe om zijnentwil
23:6 Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijne zaak
23:7 Wees verre van valse zaken. Den onschuldige en rechtvaardige zult gij niet doden; want Ik laat den goddeloze geen gelijk hebben
23:8 Gij zult geen geschenk nemen; want geschenken maken de zienden blind en verkeren de zaken der rechtvaardigen
23:9 Gij zult de vreemdelingen niet onderdrukken; want gij kent het hart der vreemdelingen, dewijl gij ook vreemdelingen geweest zijt in Egypteland
23:10 Zes jaren zult gij uw land bezaaien, en zijne vruchten inzamelen
23:11 maar in het zevende jaar zult gij het laten rusten en liggen, opdat de armen onder uw volk daarvan eten; en wat overblijft, laat dat het wild des velds eten. Alzo zult gij ook doen met uwen wijnberg en olijfberg
23:12 Zes dagen zult gij uwen arbeid doen, maar op den zevenden dag zult gij rusten, opdat uw os en ezel rusten, en de zoon uwer dienstmaagd en de vreemdeling zich verkwikken
23:13 Al wat Ik ulieden gezegd heb zult gij houden; en de namen van andere goden zult gij niet gedenken, en uit uwen mond zullen zij niet gehoord worden
23:14 Driemaal in het jaar zult gij Mij feest houden
23:15 Namelijk het feest der ongezuurde broden zult gij houden, en zeven dagen ongezuurd brood eten, gelijk Ik u geboden heb, ten tijde van de maand Abib; want in deze zijt gij uit Egypteland getrokken; doch verschijnt niet ledig voor mij
23:16 En het feest van den oogst der eerste vruchten, welke gij op het veld gezaaid hebt. En het feest der inzameling in het laatste van het jaar, wanneer gij uwen arbeid van het veld hebt ingezameld
23:17 Driemaal in het jaar zullen al uwe mannen voor den Heer, den Heerser, verschijnen
23:18 Gij zult het bloed mijns offers niet met zuurdeeg offeren; en het vet van mijn feestoffer zal niet tot op den morgen overblijven
23:19 De eerstelingen van de eerste vruchten uws velds zult gij in het huis van den Heer, uwen God, brengen, en gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder
23:20 Zie, Ik zend een Engel voor u uit, die zal u behoeden op dezen weg, en u brengen tot de plaats, welke Ik bereid heb
23:21 daarom wacht u voor zijn aangezicht, en hoor naar zijne stem, en verbitter hem niet; want hij zal uwe overtredingen niet vergeven, en mijn naam is in hem
23:22 Maar als gij zijne stem zult horen, en doen al wat Ik u zeggen zal, zo zal Ik uwer vijanden vijand en uwer tegenpartijders tegenpartijder zijn
23:23 Als nu mijn Engel voor u uitgaat, en u brengt tot de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Kanaänieten, Hevieten en Jebusieten, en Ik hen verdelg
23:24 zo zult gij hunne goden niet aanbidden noch hen dienen, en niet doen gelijk zij doen; maar gij zult hunne goden omverwerpen en verbreken
23:25 Maar gij zult den Heer, uwen God, dienen: zo zal Hij uw brood en uw water zegenen, en Ik zal alle krankheden van u afwenden
23:26 er zal geen misdrachtige noch onvruchtbare vrouw in uw land zijn; en Ik zal u oud laten worden
23:27 Ik zal mijnen schrik voor u uitzenden, en alle volken, tot welke gij komt, versaagd maken, en zal al uwe vijanden op de vlucht drijven
23:28 Ik zal ook horzelen voor u uitzenden, die de Hevieten, Kanaänieten en Hethieten voor u zullen uitdrijven
23:29 Ik zal hen niet in één jaar voor u uitdrijven, opdat het land niet woest worde, en de wilde dieren zich niet tegen u vermeerderen
23:30 Ik zal hen allengskens na elkander voor u uitdrijven, totdat gij wast en het land bezit
23:31 En Ik zal u tot landpalen geven de Schelfzee, en de zee der Filistijnen, en de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uwe hand geven, dat gij hen voor u heen zult uitdrijven
23:32 Gij zult met hen en met hunne goden geen verbond maken
23:33 Laat hen ook niet wonen in uw land, opdat zij u niet tegen Mij verleiden; want indien gij hunne goden dient, zo zal het u tot een valstrik zijn. Exodus 2
24:1 En Hij sprak tot Mozes: Klim op tot den Heer, gij en Aäron, Nadab en Abihu, en zeventig der oudsten van Israël, en aanbidt van verre
24:2 Mozes alleen kome nader tot den Heer, maar de anderen zullen niet naderen, en het volk klimme ook niet op met hem
24:3 En Mozes kwam en verhaalde aan het volk al de woorden des Heren en al de rechten. Toen antwoordde al het volk met ééne stem en zeide: Al de woorden, welke de Heer gesproken heeft, zullen wij doen
24:4 Toen schreef Mozes al de woorden des Heren op, en hij maakte zich des morgens vroeg op, en bouwde een altaar beneden aan den berg, met twaalf kolommen, naar de twaalf stammen van Israël
24:5 En hij zond jongelingen uit de kinderen Israëls om den Heer brandoffers en dankoffers van varren daarop te offeren
24:6 En Mozes nam de helft van het bloed en deed het in bekkens, en de andere helft van het bloed sprengde hij op het altaar
24:7 En hij nam het boek des verbonds, en las het voor de oren des volks; en toen zij zeiden: Al wat de Heer gesproken heeft zullen wij doen en zullen gehoorzamen
24:8 nam Mozes dat bloed en besprengde het volk daarmede, en sprak: Ziet, dit is het bloed des verbonds, hetwelk de Heer met u maakt, volgens al deze woorden
24:9 Toen klom Mozes op met Aäron, Nadab en Abihu, en de zeventig oudsten van Israël
24:10 En zij zagen den God van Israël; onder zijne voeten was het als een schone saffier, en als de hemel zelf in zijne klaarheid
24:11 En Hij strekte zijne hand niet uit naar die oversten van Israël; en toen zij God gezien hadden, aten en dronken zij
24:12 En de Heer sprak tot Mozes: Kom tot Mij op den berg en blijf aldaar, opdat Ik u stenen tafelen geve, en wetten en geboden, welke Ik geschreven heb, en die gij hen leren zult
24:13 Toen maakte Mozes zich op met zijnen dienaar Jozua, en Mozes klom op den berg Gods
24:14 en hij zeide tot de oudsten: Blijft gij hier, totdat wij weder tot u komen. Ziet, Aäron en Hur zijn bij u, heeft iemand enige zaak, die kome voor hen
24:15 Toen nu Mozes op den berg kwam, bedekte ene wolk den berg
24:16 en de heerlijkheid des Heren woonde op den berg Sinaï, en bedekte hem zes dagen met de wolk; en op den zevenden dag riep Hij Mozes uit de wolk
24:17 En het aanzien van de heerlijkheid des Heren was op den top des bergs als een verterend vuur voor de kinderen Israëls
24:18 En Mozes ging midden in de wolk, nadat hij op den berg geklommen was; en hij bleef op dien berg veertig dagen en veertig nachten. Exodus 2
25:1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende
25:2 Zeg den kinderen Israëls, dat zij Mij een hefoffer brengen; en neem het van elk, die het vrijwillig brengt
25:3 Dit nu is het hefoffer, het welk gij van hen nemen zult: goud, zilver, koper
25:4 blauw en rood purper, scharlaken, kostelijk wit linnen, geitenhaar
25:5 roodvervige ramsvellen, dassenvellen, cederhout
25:6 olie voor de lamp, specerijen tot zalfolie, en goed reukwerk
25:7 onyxstenen en ingezette stenen voor den lijfrok en voor den borstlap
25:8 En zij zullen Mij een heiligdom maken, opdat Ik onder hen wone
25:9 naar het voorbeeld, hetwelk Ik u van de woning en van al haar gereedschap tonen zal, zult gij het maken
25:10 Maak ene ark van cederhout: derdehalf el zal hare lengte zijn, anderhalf el hare breedte, en anderhalf el hare hoogte
25:11 En gij zult ze van binnen en van buiten met fijn goud overtrekken; en maak boven van rondom een gouden krans
25:12 En giet vier gouden ringen, en maak ze aan hare vier hoeken, zodat twee ringen aan hare ene zijde zijn, en twee aan hare andere zijde
25:13 En maak handbomen van cederhout, en overtrek ze met goud
25:14 en steek ze in de ringen aan de zijden van de ark, om ze daarmede te dragen
25:15 en ze zullen in de ringen blijven en er niet uitgenomen worden
25:16 En gij zult de getuigenis, welke ik u geven zal, in de ark leggen
25:17 Gij zult ook een verzoendeksel van fijn goud maken: derdehalf el zal zijne lengte zijn, en anderhalf el zijne breedte
25:18 En gij zult twee cherubim van louter goud maken, aan de beide einden van het verzoendeksel
25:19 de ene cherub zij aan dit einde, en de andere aan het andere einde; alzo twee cherubim aan de einden van het verzoendeksel
25:20 En de cherubim zullen hunne vleugels daarover uitbreiden, zodat zij met hunne vleugels het verzoendeksel bedekken, en elks aangezicht tegenover het andere zij, en hunne aangezichten zullen op het verzoendeksel zien
25:21 En gij zult het verzoendeksel boven op de ark zetten, en de getuigenis, welke Ik u geven zal, in de ark leggen
25:22 Aan die plaats zal Ik met u samenkomen, en met u spreken van boven het verzoendeksel, tussen de twee cherubim, die op de ark der getuigenis zijn, al wat Ik u gebieden zal aan de kinderen Israëls
25:23 Gij zult ook ene tafel maken van cederhout: twee ellen zal hare lengte zijn, een el hare breedte, en anderhalf el hare hoogte
25:24 En gij zult ze met fijn goud overtrekken, en een gouden krans van rondom daaraan maken
25:25 en ene lijst rondom, een handbreed hoog, en een gouden krans om de lijst heen
25:26 En gij zult vier gouden ringen daaraan maken, aan de vier hoeken, welke aan hare vier voeten zijn
25:27 Dicht onder de lijst zullen de ringen zijn, om er de handbomen in te doen en de tafel te dragen
25:28 En gij zult deze handbomen van cederhout maken, en ze met goud overtrekken, om de tafel daarmede te dragen
25:29 Gij zult ook hare schotels, bekers, kannen en schalen van fijn goud maken, om ze te gebruiken bij het drankoffer
25:30 En gij zult op de tafel altijd toonbroden Vóór Mij leggen
25:31 Gij zult ook een kandelaar van fijn dicht goud maken; daaraan zal de schacht met hare armen, schaaltjes, knoppen en bloemen zijn
25:32 En zes armen zullen uit de zijden des kandelaars uitgaan, uit elke zijde drie armen
25:33 Elke arm zal drie open schaaltjes, knoppen en bloemen hebben; alzo zullen de zes armen zijn uit den kandelaar
25:34 Maar de schacht aan den kandelaar zal vier open schaaltjes met hunne knoppen en bloemen hebben
25:35 en telkens een knop onder twee armen, van welke er zes uit den kandelaar gaan
25:36 want beide zijne knoppen en armen zullen uit hem gaan, alles van dicht louter goud
25:37 En gij zult zeven lampen daar boven op maken, om tegenover elkander te lichten
25:38 En zijne snuiters en bluschvaten zullen van fijn goud zijn
25:39 Van een talent fijn goud zult gij dit maken, met al dit gereedschap
25:40 En zie toe, dat gij het maakt naar het voorbeeld, hetwelk gij op den berg gezien hebt. Exodus 2
26:1 De woning zult gij maken van tien tapijten van wit getweernd linnen, van blauw en rood purper en van scharlaken. Cherubim zult gij kunstig daarin maken
26:2 De lengte van één tapijt zal acht en twintig el zijn, de breedte vier el, en zij zullen alle tien gelijk zijn
26:3 En telkens zullen vijf samengevoegd zijn, het ene aan het andere
26:4 En gij zult striklisjes van blauw purper maken, aan elken hoek des tapijts, waar zij zullen samengevoegd zijn, zodat telkens twee en twee aan hunne hoeken samengehecht worden
26:5 vijftig striklisjes aan elk tapijt, zodat het ene het andere te zamen vat
26:6 En gij zult vijftig gouden haakjes maken, met welke men de tapijten te zamen hecht, het ene aan het andere, opdat het ééne woning worde
26:7 Gij zult ook een dekkleed van elf tapijten van geitenhaar maken, tot een dekkleed over de woning
26:8 De lengte van één tapijt zal dertig el zijn, maar de breedte vier el; en zij zullen alle elf even groot zijn
26:9 Vijf zult gij aan elkander voegen, en zes ook aan elkander, en het zesde tapijt dubbel maken Vóór aan de tent
26:10 En gij zult vijftig striklisjes aan elk tapijt, aan hunne hoeken maken, opdat zij aan de einden aan elkander gehecht worden
26:11 Gij zult ook vijftig koperen haakjes maken, en de haakjes in de striklisjes doen, opdat de tent samengevoegd en ééne tent worde
26:12 En van het overige van de tapijten der tent zult gij de helft laten overhangen achter aan de tent
26:13 op beide zijden één el lang, zodat het overige zij aan de zijden der tent, en haar op beide zijden bedekke
26:14 Over dit dekkleed zult gij een dekkleed van roodvervige ramsvellen maken, en daarover een dekkleed van dassenvellen
26:15 Gij zult ook stijlen maken voor de woning, van cederhout, die staan zullen
26:16 Tien el lang zal een stijl zijn, en anderhalf el breed
26:17 Twee houvasten zal één stijl hebben, zodat het ene aan het andere kan gezet worden; zo zult gij alle stijlen der woning maken
26:18 Twintig van deze zullen staan tegen het Zuiden
26:19 zij zullen beneden veertig zilveren voetstukken hebben, telkens twee voetstukken onder elken stijl, aan zijne twee houvasten
26:20 Alzo zullen ook op de andere zijde tegen het Noorden twintig stijlen staan
26:21 en veertig zilveren voetstukken, telkens twee voetstukken onder elken stijl
26:22 Maar achter aan de woning, tegen het Westen, zult gij zes stijlen maken
26:23 daarbij twee stijlen achter aan de twee hoeken der woning
26:24 zodat elk van die beide zich met zijnen hoekstijl van beneden-op samenvoegt, en boven aan het hoofd gelijk samenkomt met ééne kram
26:25 zodat er acht stijlen zijn met hunne zilveren voetstukken, van welke er zestien zullen zijn, telkens twee onder éénen stijl
26:26 En gij zult stangen maken van cederhout, vijf voor de stijlen op de ene zijde der woning
26:27 en vijf voor de stijlen op de andere zijde der woning, en vijf voor de stijlen achter aan de woning tegen het Westen
26:28 En gij zult de stangen midden door de stijlen heensteken, en alles samenvatten, van den enen hoek tot aan den anderen
26:29 En gij zult de stijlen met goud overtrekken, en hunne ringen van goud maken, opdat men de stangen daarin doe; en de stangen zult gij met goud overtrekken
26:30 En alzo zult gij dan de woning oprichten, gelijkerwijs gij gezien hebt op den berg
26:31 En gij zult een voorhangsel maken van blauw en rood purper, van scharlaken en getweernd wit linnen, en zult cherubim daarin maken, kunstiglijk
26:32 En gij zult het hangen aan vier pilaren van cederhout, die met goud overtrokken zijn; hunne haken zullen van goud zijn, en zij zullen vier zilveren voetstukken hebben
26:33 En gij zult het voorhangsel met haakjes aanhechten, en de ark der getuigenis binnen het voorhangsel zetten, zodat het ulieden ene scheiding zij tussen het heilige en het allerheiligste
26:34 En gij zult het verzoendeksel zetten op de ark der getuigenis in het allerheiligste
26:35 Maar de tafel zult gij buiten het voorhangsel zetten, en den kandelaar tegenover de tafel, aan de zuidzijde van de woning, zodat de tafel staat tegen het Noorden
26:36 En gij zult een voorhangsel maken voor den ingang der tent, gewerkt van blauw en rood purper, van scharlaken en getweernd wit linnen
26:37 En gij zult voor dit voorhangsel vijf pilaren maken van cederhout, met goud overtrokken, met gouden haken; en zult daarvoor vijf koperen voetstukken gieten. Exodus 2
27:1 En gij zult een altaar maken van cederhout, vijf el lang en breed, zodat het vierkant zij, en drie el hoog
27:2 Gij zult hoornen op zijne vier hoeken maken, die naar buiten zullen uitsteken; en gij zult het met koper overtrekken
27:3 En ook aspotten, asschoppen, bekkens, vuurhaken, vuurpannen, al zijn gereedschap zult gij van koper maken
27:4 Gij zult ook een koperen traliewerk maken als een net, en vier koperen ringen aan zijne vier hoeken
27:5 En gij zult het van beneden-op rondom den omgang des altaars maken, zodat het traliewerk strekt tot het midden van het altaar
27:6 En gij zult ook handbomen maken voor het altaar van cederhout, met koper overtrokken
27:7 en zult de handbomen in de ringen steken, zodat de handbomen zijn aan beide zijden des altaars, om het daarmede te kunnen dragen
27:8 En gij zult het van planken maken, zodat het van binnen hol zij, zoals u op den berg getoond is
27:9 Gij zult ook voor de woning een voorhof maken, een omhangsel van getweernd wit linnen, op de ééne zijde honderd el lang, tegen het Zuiden
27:10 en twintig pilaren op twintig koperen voetstukken, en hunne haken met hunne roeden van zilver
27:11 Alzo zal ook tegen het Noorden een omhangsel zijn, honderd el lang; twintig pilaren op twintig koperen voetstukken, en hunne haken met hunne roeden van zilver
27:12 En tegen het Westen zal de breedte des voorhofs hebben een omhangsel, vijftig el lang, aan tien pilaren op tien voetstukken
27:13 En tegen het Oosten zal de breedte des voorhofs hebben vijftig el
27:14 alzo dat het omhangsel hebbe op de ene zijde vijftien el, daarbij drie pilaren op drie voetstukken
27:15 en wederom vijftien el op de andere zijde, en daarbij drie pilaren op drie voetstukken
27:16 In de poort nu des voorhofs zal een voorhangsel zijn, twintig el breed, gewerkt van blauw en rood purper, van scharlaken en getweernd wit linnen; daarbij vier pilaren op hunne vier voetstukken
27:17 Alle pilaren, rondom het voorhof heen, zullen zilveren roeden en zilveren haken en koperen voetstukken hebben
27:18 En de lengte des voorhofs zal honderd el zijn, de breedte vijftig el, de hoogte vijf el, van getweernd wit linnen; en hunne voetstukken zullen van koper zijn
27:19 Ook al het gereedschap der woning tot allerlei verrichting, en al hare nagels, en al de nagels van het voorhof zullen van koper zijn
27:20 Gebied den kinderen Israëls, dat zij tot u brengen de allerbeste, zuiverste olie, van olijven gestoten, om te lichten, welke men altijd boven in de lampen doen zal
27:21 in de tent der samenkomst buiten het voorhangsel, dat Vóór de ark der getuigenis hangt. En Aäron en zijne zonen zullen die toebereiden, beide des morgens en des avonds, voor den Heer: dit zal u ene eeuwige inzetting zijn voor uwe nakomelingen onder de kinderen Israëls. Exodus 2
28:1 En gij zult Aäron, uwen broeder, en zijne zonen tot u nemen, uit de kinderen Israëls, opdat hij mijn priester zij: namelijk Aäron en zijne zonen, Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar
28:2 En gij zult voor Aäron, uwen broeder, heilige klederen maken, die heerlijk en schoon zijn
28:3 En gij zult spreken met allen, die wijs van hart zijn, welke Ik met den geest der wijsheid vervuld heb, dat zij Aäron klederen maken tot zijne wijding, opdat hij mijn priester zij
28:4 Dit nu zijn de klederen, welke zij maken zullen: een borstlap, lijfrok, purperen rok, enge rok, hoed en gordel; alzo zullen zij heilige klederen maken voor uwen broeder Aäron en voor zijne zonen, opdat hij mijn priester zij
28:5 Daartoe zullen zij nemen goud, blauw en rood purper, scharlaken en wit linnen
28:6 Den lijfrok zullen zij maken van goud, van blauw en rood purper, van scharlaken en getweernd wit linnen, kunstiglijk
28:7 twee saamverbonden schouderstukken zal hij hebben, waarmede hij aan zijne beide einden zal verbonden worden
28:8 En zijn gordel zal van dezelfde kunst en van éénerlei werk zijn: van goud, van blauw en rood purper, van scharlaken en getweernd wit linnen
28:9 En gij zult twee onyxstenen nemen, en daarop graveren de namen der kinderen Israëls
28:10 op elk zes namen, naar de orde van hunnen ouderdom
28:11 dat zult gij doen door de steensnijders, die de zegels graveren; en gij zult ze rondom in goud doen zetten
28:12 En gij zult die stenen op de schouderstukken van den lijfrok hechten, tot ene gedachtenis voor de kinderen Israëls, opdat Aäron hunne namen op beide zijne schouders drage voor den Heer, tot ene gedachtenis
28:13 En gij zult gouden kastjes maken
28:14 en gij zult twee ketenen van fijn goud maken, even lang, de leden in elkander hangende; en zult die aan de kastjes doen
28:15 Den borstlap des ambts zult gij maken naar de kunst, gelijk den lijfrok, van goud, van blauw en rood purper, van scharlaken en getweernd wit linnen
28:16 Vierkant zal hij zijn en dubbel: een handbreed zal zijne lengte zijn, en een handbreed zijne breedte
28:17 En gij zult hem vullen met vier rijen stenen: de eerste rij zij een sardis, topaas en smaragd
28:18 de tweede een robijn, saffier en diamant
28:19 de derde een barnsteen, agaat en amethyst
28:20 de vierde een turkoois, onyx en jaspis; in goud zullen zij gezet zijn, in alle rijen
28:21 En zij zullen naar de twaalf namen der kinderen Israëls staan, gegraveerd door den steensnijder, elk met zijnen naam, naar de twaalf stammen
28:22 En gij zult ketenen voor den borstlap maken van fijn goud, even lang, de leden in elkander hangende
28:23 en twee gouden ringen aan den borstlap, zodat gij die hecht aan twee hoeken van den borstlap
28:24 en de twee gouden ketenen in die twee ringen doet, aan de beide hoeken van den borstlap
28:25 maar de twee einden der ketenen zult gij aan twee kastjes doen, en ze hechten aan de schouderstukken van den lijfrok, tegenover elkander
28:26 En gij zult twee andere gouden ringen maken, en die aan de twee andere hoeken van den borstlap hechten, inwendig tegen den lijfrok
28:27 En gij zult nog twee gouden ringen maken, en die aan de twee andere hoeken beneden den lijfrok tegenover elkander hechten, waar de lijfrok is samengevoegd, bovenaan den lijfrok, kunstiglijk
28:28 En men zal den borstlap met zijne ringen met een blauw snoer aan de ringen des lijfroks knopen, opdat hij op den kunstig gemaakten lijfrok dicht aansluite, en de borstlap niet van den lijfrok losrake
28:29 Alzo zal Aäron de namen der kinderen Israëls dragen in den borstlap des ambts op zijn hart, als hij in het heilige gaat, tot ene gedachtenis voor den Heer altijd
28:30 En gij zult in den borstlap des ambts de Urim en de Tummim doen, opdat zij op Aärons hart zijn, als hij ingaat voor den Heer, en hij het ambt der kinderen Israëls op zijn hart drage voor den Heer, gestadiglijk
28:31 Gij zult ook den purperen rok onder den lijfrok maken geheel van blauw purper
28:32 en van boven in het midden zal ene opening zijn, en een boord rondom die opening samengevouwen, opdat zij niet scheure
28:33 En beneden, rondom aan zijnen zoom, zult gij granaatappels maken van blauw en rood purper en scharlaken; en daartussen gouden schelletjes, ook rondom
28:34 zodat er een goud schelletje zij, daarna een granaatappel, en wederom een goud schelletje, en weder een granaatappel, rondom aan den zoom van den purperen rok
28:35 En Aäron zal hem aanhebben, als hij dient; opdat men zijnen klank hore, als hij uit [gaat] en ingaat in het heilige voor den Heer, opdat hij niet sterve
28:36 Gij zult ook ene voorhoofdsplaat maken van fijn goud, en daarop graveren, gelijk men de zegels graveert: DE HEILIGHEID DES Heren
28:37 En gij zult haar hechten aan een blauw snoer Vóór aan den hoed
28:38 En zij zal op Aärons voorhoofd zijn, opdat alzo Aäron drage de misdaad van het heilige, hetgeen de kinderen Israëls, heiligen in alle gaven hunner heiliging; en zij zal altijd aan zijn voorhoofd zijn, opdat hij hen verzoene bij den Heer
28:39 Gij zult ook den engen rok maken van wit linnen, en een hoed van wit linnen maken, en een geborduurden gordel
28:40 En voor Aärons zonen zult gij rokken, gordels en mutsen maken, die heerlijk en schoon zijn
28:41 en zult die uwen broeder Aäron en ook zijnen zonen aantrekken; en gij zult hen zalven en hunne handen vullen en hen wijden, opdat zij mijne priesters zijn
28:42 En gij zult hun linnen onderklederen maken, om het vlees der schaamte te bedekken, van de lendenen af tot aan de dijen
28:43 En Aäron en zijne zonen zullen die aanhebben, als zij in de tent der samenkomst gaan, of tot het altaar naderen, om te dienen in het heiligdom; opdat zij niet hunne misdaad dragen en sterven moeten. Dit zal hem en zijnen zade na hem ene eeuwige inzetting zijn. Exodus 2
29:1 Dit is nu de wijze, op welke gij met hen handelen zult, opdat zij mij tot priesters gewijd worden. Neemt een jongen var, en twee rammen, zonder gebrek
29:2 ongezuurd brood, en ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken; van tarwemeelbloem zult gij die maken
29:3 En gij zult ze in éénen korf leggen, en ze in dien korf ten offer brengen, met den var en de twee rammen
29:4 en zult Aäron en zijne zonen voor den ingang van de tent der samenkomst brengen, en hen met water wassen
29:5 En gij zult de klederen nemen, en Aäron aantrekken den engen rok, en den purperen rok, en den lijfrok, en den borstlap bij den lijfrok, en zult hem omgorden met den gordel van den lijfrok
29:6 en den hoed op zijn hoofd zetten, en de heilige kroon vastmaken aan den hoed
29:7 En gij zult de zalfolie nemen en haar op zijn hoofd gieten, en hem zalven
29:8 En zijne zonen zult gij ook doen naderen, en hun den engen rok aantrekken
29:9 En beiden, Aäron en zijne zonen, zult gij met gordels gorden, en hun de mutsen opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot ene eeuwige inzetting; en gij zult Aäron en zijn zonen de handen vullen
29:10 En den var zult gij brengen Vóór de tent der samenkomst, en Aäron benevens zijne zonen zullen hunne handen op het hoofd van den var leggen
29:11 En gij zult den var slachten voor den Heer, aan den ingang van de tent der samenkomst
29:12 En gij zult van zijn bloed nemen, en het op de hoornen des altaars doen met uwen vinger, en al het andere bloed aan den voet des altaars uitgieten
29:13 En gij zult nemen het vet van het ingewand, en het net over de lever, en de twee nieren met het vet, dat daarover ligt, en zult het op het altaar ontsteken
29:14 Maar het vlees van den var en zijn vel en mest zult gij buiten voor het leger met vuur verbranden; want het is een zondoffer
29:15 Den enen ram nu zult gij nemen, en Aäron benevens zijne zonen zullen hunne handen op zijn hoofd leggen
29:16 Alsdan zult gij hem slachten, en van zijn bloed nemen, en het tegen het altaar rondom sprengen
29:17 En gij zult den ram in stukken delen, en zijn ingewand en zijne schenkels wassen en zult die bij de stukken en bij zijn hoofd leggen
29:18 En den gehelen ram zult gij ontsteken op het altaar; want het is den Heer een brandoffer, een liefelijke reuk, een vuuroffer voor den Heer
29:19 Ook den anderen ram zult gij nemen, en Aäron benevens zijne zonen zullen hunne handen op zijn hoofd leggen
29:20 en gij zult hem slachten, en van zijn bloed nemen, en het Aäron en zijn zonen aan den rechteroorlap doen, en op den duim hunner rechterhand, en op den groten teen van hun rechtervoet; en gij zult dat bloed tegen het altaar rondom sprengen
29:21 En gij zult van het bloed op het altaar en van de zalfolie nemen, en Aäron en zijne klederen, zijne zonen en hunne klederen, daarmede besprengen, opdat hij en zijne klederen, zijne zonen en hunne klederen gewijd worden
29:22 Daarna zult gij nemen het vet van den ram, den staart, en het vet van het ingewand, het net over de lever, en de twee nieren met het vet daarover, en den rechterschouder, want het is een ram der inwijding
29:23 en één brood, en één koek geolied brood, en ééne vlade uit den korf des ongezuurden broods, die voor den Heer staat
29:24 en leg het alles op de handen van Aäron en van zijne zonen, en beweeg het voor den Heer
29:25 Neem het daarna van hunne handen, en ontsteek het op het altaar, boven op het brandoffer, tot een liefelijken reuk voor den Heer; want het is een vuuroffer voor den Heer
29:26 En gij zult de borst van den ram der inwijding van Aäron nemen, en zult haar voor den Heer bewegen; dit zal uw gedeelte zijn
29:27 En gij zult alzo heiligen de beweegborst en den hefschouder, die bewogen en geheven zijn van den ram der inwijding van Aäron en van zijne zonen
29:28 En dit zal voor Aäron en voor zijne zonen een eeuwig recht zijn van de kinderen Israëls; want het is een hefoffer. En een hefoffer zal het zijn van de kinderen Israëls van hunne dankoffers, hun hefoffer voor den Heer
29:29 Aärons heilige klederen nu zullen zijne zonen hebben na hem, opdat zij daarin gezalfd en hun handen gevuld worden
29:30 Wie van zijne zonen in zijne plaats priester wordt, zal ze zeven dagen lang aantrekken, opdat hij in de tent der samenkomst ga, om te dienen in het heilige
29:31 En gij zult den ram der inwijding nemen, en zijn vlees aan ene heilige plaats koken
29:32 En Aäron en zijne zonen zullen het vlees van dezen ram eten, en het brood uit den korf, voor den ingang van de tent der samenkomst
29:33 En zij zullen datgene eten, waarmede de verzoening geschied is, om hun handen te vullen en hen te heiligen; geen ander zal het eten, want het is heilig
29:34 Maar indien er van het vlees der inwijding en van het brood wat overblijft tot op den morgen, zo zult gij dat met vuur verbranden: het zal niet gegeten worden, want het is heilig
29:35 En gij zult alzo aan Aäron en zijne zonen doen al wat ik u geboden heb; zeven dagen zult gij aldus hunne handen vullen
29:36 En gij zult dagelijks een var tot een zondoffer slachten ter verzoening, en gij zult het altaar ontzondigen, daarover verzoening doende, en zult het zalven, opdat het gewijd worde
29:37 Zeven dagen zult gij het altaar verzoenen en het wijden, opdat het een altaar van het allerheiligste zij; wie het altaar aanraakt, zal gewijd zijn
29:38 En dit zult gij met het altaar doen; twee lammeren van een jaar oud zult gij des daags, gestadiglijk daarop offeren
29:39 het ene lam des morgens, het andere tussen de twee avonden
29:40 en bij het ene lam behoort een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierde deel van een hin gestoten olie, en een vierde deel van een hin wijn, tot een drankoffer
29:41 Met het andere lam, tussen de twee avonden, zult gij doen gelijk met het spijsoffer en drankoffer der morgens, tot een liefelijken reuk, een vuuroffer voor den Heer
29:42 Dit is het dagelijks brandoffer bij uwe nakomelingen, Vóór den ingang van de tent der samenkomst, voor den Heer, alwaar Ik met ulieden samenkomen en met u spreken zal
29:43 aldaar zal Ik den kinderen Israëls bekend en geheiligd worden in mijne heerlijkheid
29:44 En Ik zal de tent der samenkomst met het altaar heiligen, en Aäron en zijne zonen Mij tot priesters wijden
29:45 En Ik zal onder de kinderen Israëls wonen, en hun God zijn
29:46 Zij zullen weten, dat Ik de Heer, hun God, ben, die hen uit Egypteland gevoerd heb, opdat Ik onder hen wonen zou: Ik, de Heer, hun God. Exodus 3
30:1 Gij zult ook een reukaltaar van cederhout maken, om er reukwerk op te ontsteken
30:2 een el lang en breed, geheel vierkant, en twee el hoog, met zijne hoornen
30:3 En gij zult het met fijn goud overtrekken, zijn dekstuk en zijne wanden rondom, en zijne hoornen, en gij zult er een krans van goud rondom maken
30:4 en twee gouden ringen onder den krans aan beide zijden, om er handbomen in te steken en het daarmede te dragen
30:5 En de handbomen zult gij van cederhout maken, en ze met goud overtrekken
30:6 En gij zult het zetten Vóór het voorhangsel, dat Vóór de ark der getuigenis hangt, en Vóór het verzoendeksel, dat op de ark der getuigenis is, waar Ik met u samenkomen zal
30:7 En Aäron zal daarop goed reukwerk ontsteken, elken morgen, als hij de lampen gereedmaakt
30:8 desgelijks als hij de lampen aansteekt tussen de twee avonden, zo zal hij dat reukwerk ook ontsteken; dit zal het dagelijks reukwerk zijn voor den Heer, bij uwe nakomelingen
30:9 Gij zult geen vreemd reukwerk daarop doen, ook geen brandoffer, noch spijsoffer, en geen drankoffer daarop offeren
30:10 En Aäron zal over zijne hoornen verzoening doen éénmaal in het jaar, met het bloed van het zondoffer ter verzoening; zulk ene verzoening zal jaarlijks éénmaal geschieden bij uwe nakomelingen; want dat is den Heer het allerheiligste
30:11 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende
30:12 Als gij de hoofden der kinderen Israëls telt, zo zal ieder den Heer geven de verzoening zijner ziel, opdat hun niet ene plaag wedervare, als zij geteld worden
30:13 Een ieder, die mede in het getal is, zal een halven sikkel geven, naar den sikkel des heiligdoms [deze sikkel is twintig gera]. Zulk een halve sikkel zal het hefoffer des Heren zijn
30:14 Wie in het getal is van twintig jaar en daarboven, zal zulk een hefoffer den Heer geven
30:15 De rijke zal niet meer geven, en de arme niet minder dan den halven sikkel, dien men den Heer tot een hefoffer geeft, voor de verzoening hunner zielen
30:16 En gij zult al het geld der verzoening nemen van de kinderen Israëls, en tot den dienst van de tent der samenkomst besteden; en het zal den kinderen Israëls tot ene gedachtenis zijn voor den Heer, opdat Hij zich over hunne zielen late verzoenen
30:17 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende
30:18 Gij zult ook een koperen waschvat maken, met een koperen voetstuk, om te wassen, en zult het zetten tussen de tent der samenkomst en het altaar, en water daarin doen
30:19 opdat Aäron en zijne zonen hunne handen en voeten daaruit wassen
30:20 als zij in de tent der samenkomst gaan, of als zij tot het altaar naderen om te dienen, om een vuuroffer voor den Heer te ontsteken, opdat zij niet sterven
30:21 Dit zal ene eeuwige inzetting zijn, hem en zijnen zade bij hunne nakomelingen
30:22 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende
30:23 Neem u van de beste specerijen, de edelste mirre vijfhonderd sikkels, en kaneel half zoveel, tweehonderd en vijftig, en kalmus ook tweehonderd en vijftig
30:24 en kassia vijfhonderd, naar den sikkel des heiligdoms, en olie van olijfbomen een hin
30:25 en maak ene heilige zalfolie, naar de kunst der kruidmengers
30:26 En daarmede zult gij zalven de tent der samenkomst en de ark der getuigenis
30:27 de tafel met al haar gereedschap, den kandelaar met zijn gereedschap
30:28 het reukaltaar, het brandofferaltaar met al zijn gereedschap en het waschvat met zijn voetstuk
30:29 en gij zult die alzo wijden, dat zij het allerheiligste zijn; want wie ze aanraakt, zal gewijd zijn
30:30 Aäron en zijne zonen zult gij ook zalven, en hen mij tot priesters wijden
30:31 En gij zult met de kinderen Israëls spreken zeggende: Deze olie zal mij ene heilige zalf zijn bij uwe nakomelingen
30:32 Op eens mensen lijf zal zij niet gegoten worden; gij zult ook geen dergelijke maken, want zij is heilig; daarom zal zij ulieden heilig zijn
30:33 Wie dergelijke zalfolie maakt, of een ander daarvan geeft, zal uit zijn volk uitgeroeid worden
30:34 En de Heer sprak tot Mozes: Neem u specerijen: balsem, stacté, galban en zuiveren wierook, van het een zoveel als van het ander
30:35 en maak reukwerk daarvan, gemengd naar de kunst der kruidmengers, zodat het rein en heilig zij
30:36 En gij zult het tot poeder stoten, en zult daarvan leggen Vóór de ark der getuigenis, in de tent der samenkomst, waar Ik met u samenkomen zal; dit zal ulieden het allerheiligste zijn
30:37 En zulk reukwerk zult gijlieden u niet maken; maar het zal u heilig zijn voor den Heer
30:38 Wie dergelijk reukwerk maken zal om daarmede te wieroken, zal uitgeroeid worden uit zijn volk. Exodus 3
31:1 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende
31:2 Zie, Ik heb met name geroepen Bezaleël, den zoon van Uri, den zoon van Hur, uit den stam Juda
31:3 en Ik heb hem vervuld met den Geest Gods, met wijsheid en verstand en met kennis van allerlei werk
31:4 om kunstig te arbeiden in goud, zilver en koper
31:5 kunstig stenen te snijden en in te zetten, en kunstig te timmeren van hout, en al dergelijk werk te doen
31:6 en zie, Ik heb hem Aholiab, Ahisamachs zoon, uit den stam van Dan, toegevoegd, en heb aan ieder kundig werkman de wijsheid in het hart gegeven, opdat zij maken al wat Ik u geboden heb
31:7 de tent der samenkomst, de ark der getuigenis, het verzoendeksel daarop en al het gereedschap der tent
31:8 de tafel en haar gereedschap; den fijnen gouden kandelaar en al zijn gereedschap; het reukaltaar
31:9 het brandofferaltaar met al zijn gereedschap; het waschvat met zijn voetstuk
31:10 de ambtsklederen, en de heilige klederen van den priester Aäron, en de klederen zijner zonen, om het priesterambt te bedienen
31:11 de zalfolie, en het reukwerk van specerijen voor het heiligdom: naar al wat Ik u geboden heb zullen zij het maken
31:12 En de Heer sprak tot Mozes, zeggende
31:13 Spreek tot de kinderen Israëls zeggende: Onderhoudt mijn sabbat; want dit is een teken tussen Mij en u in uwe nakomelingen, opdat men wete, dat Ik de Heer ben, die u heilig
31:14 Daarom onderhoudt mijn sabbat, want hij zal u heilig zijn; wie hem ontheiligt zal den dood sterven; want wie daarop enigen arbeid doet, diens ziel zal uitgeroeid worden uit zijn volk
31:15 Zes dagen zal men arbeiden, maar op den zevenden dag is de sabbat, de heilige rust des Heren: wie op den sabbatdag enigen arbeid doet, zal den dood sterven
31:16 Daarom zullen de kinderen Israëls den sabbat onderhouden, opdat zij hem ook bij hunne nakomelingen houden tot een eeuwig verbond
31:17 hij is een eeuwig teken tussen Mij en de kinderen Israëls: want in zes dagen heeft de Heer den hemel en de aarde gemaakt, maar op den zevenden dag rustte Hij en verkwikte zich
31:18 En toen de Heer uitgesproken had met Mozes op den berg Sinaï, gaf Hij hem twee tafelen der getuigenis; die waren van steen, en beschreven met den vinger Gods