10 2Samuel
1:1 Na den dood van Saul, toen David van het verslaan der Amalekieten wedergekeerd was en twee dagen te Ziklag vertoefd had
1:2 zie, toen kwam op den derden dag een man uit het heir van Saul, met gescheurde klederen, en aarde op zijn hoofd; en toen hij tot David kwam, viel hij ter aarde en boog zich neder
1:3 En David sprak tot hem: Van waar komt gij? En hij sprak tot hem: Uit het heir van Israël ben ik ontkomen
1:4 En David sprak tot hem: Zeg mij toch, hoe gaat het daar? En hij sprak: Het volk is gevlucht uit den strijd, en er is veel volks gevallen, daarenboven is ook Saul dood en zijn zoon Jonathan
1:5 Toen sprak David tot den jongeling, die hem dat zeide: Hoe weet gij, dat Saul en zijn zoon Jonathan dood zijn
1:6 En de jongeling, die hem dat zeide, sprak: Ik kwam bij geval op het gebergte Gilbóa, en zie, Saul leunde op zijne spies, en zie, wagens en ruiters waren hem dicht op de hielen
1:7 En hij keerde zich om en zag mij en hij riep mij; en ik zeide: Hier ben ik
1:8 En hij sprak tot mij: Wie zijt gij? Ik zeide tot hem: Ik ben een Amalekiet
1:9 En hij sprak tot mij: Treed tot mij en dood mij, want ene benauwdheid heeft mij bevangen, schoon mijne levenskracht nog geheel in mij is
1:10 Toen trad ik tot hem en doodde hem, want ik wist wel, dat hij niet leven kon na zijnen val; en ik nam de kroon van zijn hoofd en het armversiersel van zijnen arm, en heb het hier gebracht tot mijnen heer
1:11 Toen vatte David zijne klederen en scheurde ze, en ook al de mannen, die bij hem waren
1:12 en zij droegen rouw en weenden, en vastten tot den avond over Saul en zijnen zoon Jonathan, en over het volk des Heren en over het huis Israëls, dat zij door het zwaard gevallen waren
1:13 En David sprak tot den jongeling, die het hem geboodschapt had: Van waar zijt gij? En hij sprak: Ik ben de zoon van een vreemdeling, een Amalekiet
1:14 Toen zeide David tot hem: Hoe, hebt gij niet gevreesd uwe hand te leggen aan den gezalfde des Heren om hem te verdelgen
1:15 En David sprak tot een van zijne jongelingen: Treed toe en versla hem. En hij sloeg hem, dat hij stierf
1:16 En David zeide tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u zelven gesproken, zeggende: Ik heb den gezalfde des Heren gedood
1:17 En David zong dit klaaglied over Saul en zijnen zoon Jonathan
1:18 en hij beval, dat men het den kinderen van Juda zou leren, [het lied van] den boog; zie, het staat geschreven in het boek des Oprechten
1:19 De edelsten in Israël zijn op uwe hoogten verslagen; hoe zijn de helden gevallen
1:20 Zegt het niet voort te Gath, verkondigt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters der Filistijnen zich niet verheugen, de dochters der onbesnedenen niet opspringen van vreugde
1:21 Gij bergen van Gilbóa, dat het op u noch dauwe noch regene, en dat er geen akkers zijn van welke hefoffers komen; want Dáár is het schild der helden ontheiligd, het schild van Saul, alsof het niet gezalfd was met olie
1:22 De boog van Jonathan heeft nooit gemist, en het zwaard van Saul is nooit ledig teruggekeerd, zonder het bloed der verslagenen, zonder het vet der helden
1:23 Saul en Jonathan, van elkander zo bemind, en zo liefderijk in hun leven, zijn ook in den dood niet gescheiden. Sneller waren zij dan arenden, en sterker dan leeuwen
1:24 Gij dochteren Israëls, weent over Saul, die u smaakvol kleedde met scharlaken, en u versierde met gouden kleinodiën aan uwe klederen
1:25 Hoe zijn de helden zo gevallen in den strijd! Jonathan is op uwe heuvelen verslagen
1:26 Ik heb leed over u, mijn broeder Jonathan; ik heb grote vreugd en blijdschap aan u gehad, uwe liefde is mij dierbaarder geweest dan vrouwenliefde
1:27 Hoe zijn de helden gevallen en de strijdwapenen verloren! 2Samuel
2:1 En het geschiedde daarna, dat David den Heer vraagde, zeggende: Zal ik optrekken naar een der steden van Juda? En de Heer zeide tot hem: Trek op. En David sprak: Waarheen? Hij zeide: Naar Hebron
2:2 Alzo trok David derwaarts op met zijne twee vrouwen, Ahinóam de Jizreëlietische, en Abigaïl de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet
2:3 ook de mannen, die bij hem waren, deed David optrekken, ieder met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron
2:4 En de mannen van Juda kwamen en zalfden David aldaar tot koning over het huis van Juda. En het werd David aangezegd, dat de mannen van Jabes in Gilead Saul begraven hadden
2:5 Toen zond hij boden tot hen, en liet aan hen zeggen: Gezegend zijt gij den Heer, dat gijlieden zulk ene barmhartigheid aan uwen heer Saul gedaan en hem begraven hebt
2:6 zo doe nu de Heer barmhartigheid en trouw aan u; en ik wil u goed doen, omdat gij dat gedaan hebt
2:7 Zo laat nu uwe handen sterk zijn, en weest dapper, want uw heer Saul is dood; ook heeft het huis Juda mij tot koning gezalfd over hen
2:8 Abner nu, de zoon van Ner, die Sauls krijgsoverste was, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem naar Mahanaïm
2:9 en hij maakte hem tot koning over Gilead, over de Asurieten, over Jizreël, Efraïm, Benjamin en over geheel Israël
2:10 En Isboseth, Sauls zoon, was veertig jaar oud, toen hij koning werd over Israël, en regeerde twee jaar; maar het huis van Juda hield het met David
2:11 De tijd nu, dien David koning was te Hebron over het huis van Juda, was zeven jaar en zes maanden
2:12 En Abner, de zoon van Ner, trok uit met de knechten van Isboseth, den zoon van Saul, uit Mahanaïm naar Gibeon
2:13 en Joab, de zoon van Zeruja, trok uit met de knechten van David; en zij ontmoetten elkander bij den vijver te Gibeon, en zij sloegen zich neder, deze aan de ene zijde des vijvers en gene aan de andere zijde
2:14 En Abner sprak tot Joab: Laat toch de jongelingen opstaan en voor ons spelen. En Joab sprak: Welaan, het geschiede alzo
2:15 Toen stonden zij op en gingen heen in gelijk getal, twaalf van Benjamin, voor Isboseth den zoon van Saul, en twaalf van de knechten van David
2:16 En de een greep den ander bij het hoofd, en zij stieten elkander het zwaard in de zijde, en zij vielen te zamen: vanwaar die plaats genoemd wordt Helkath-Hazzurim, die bij Gibeon is
2:17 En er ontstond een zeer harde strijd op dien dag, en Abner en de mannen van Israël werden geslagen voor het aangezicht der knechten van David
2:18 Nu waren aldaar drie zonen van Zeruja: Joab, Abisaï en Asaël; en Asaël was licht op zijne voeten, als een ree op het veld
2:19 En hij joeg Abner na, en week niet van Abner, noch ter rechter [hand] noch ter linkerhand
2:20 Toen keerde Abner zich om en sprak: Zijt gij dat, Asaël? En hij zeide: Ja
2:21 En Abner sprak tot hem: Wijk ter rechter [hand] of ter linkerhand, en grijp een van die jongelingen aan, en ontneem hem zijn harnas. Doch Asaël wilde van hem niet afwijken
2:22 Toen sprak Abner verder tot Asaël: Wijk van mij; waarom wilt gij, dat ik u ter aarde sla? En hoe zou ik dan mijn aangezicht durven opheffen tot uwen broeder Joab
2:23 Maar hij weigerde te wijken. Toen stak Abner hem met het achterste einde zijner spies in den buik, zodat de spies van achter hem uitging; en hij viel aldaar en bleef dood op de plaats. En wie op die plaats kwam, waar Asaël gevallen en gestorven was, die stond stil
2:24 Joab nu en Abisaï joegen Abner na, totdat de zon onderging; en toen zij kwamen op den heuvel Amma, die Vóór Giah ligt, op den weg naar de woestijn van Gibeon
2:25 vergaderden de kinderen Benjamins zich achter Abner en werden tot één hoop, en traden op de spits van een heuvel
2:26 En Abner riep tot Joab en sprak: Zal dan het zwaard zonder einde verslinden? Weet gij niet, dat hierna nog meer jammer kan komen? Hoelang zult gij niet tot het volk zeggen, dat zij afwijken van hunne broeders
2:27 En Joab sprak: Zo waarachtig als God leeft, hadt gij hedenmorgen zo gesproken, het volk zou reeds zijn afgeweken, elk van zijnen broeder
2:28 Toen blies Joab de bazuin, en al het volk stond stil, en zij joegen Israël niet meer na, en streden ook niet meer
2:29 En Abner en zijne mannen gingen dien gehelen nacht over het vlakke veld, en trokken over den Jordaan, en wandelden geheel Bithron door, en kwamen te Mahanaïm
2:30 Ook keerde Joab zich van Abner, en vergaderde het gehele volk. En er werden vermist van de knechten van David negentien man en Asaël
2:31 doch de knechten van David hadden geslagen onder Benjamin en onder de mannen van Abner, zodat er driehonderd en zestig mannen waren doodgebleven
2:32 En zij namen Asaël op, en begroeven hem in zijns vaders graf te Bethlehem. En Joab met zijne manschappen gingen den gehelen nacht door, zodat het licht aanbrak, toen zij te Hebron kwamen. 2Samuel
3:1 En er was een lange strijd tussen het huis van Saul en het huis van David; doch David nam gestadig toe, en het huis van Saul nam gestadig af
3:2 En aan David werden te Hebron zonen geboren. Zijn eerstgeboren zoon was Amnon, bij Ahinóam de Jizreëlietische
3:3 de tweede was Kileab, bij Abigaïl, de vrouw van Nabal, den Karmeliet; de derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, den koning van Gesur
3:4 de vierde Adonía, de zoon van Haggith; de vijfde Sefatja, de zoon van Abital
3:5 en de zesde Jithream, bij Egla, de huisvrouw van David. Dezen werden David te Hebron geboren
3:6 Zolang er nu strijd was tussen het huis van Saul en het huis van David, sterkte Abner het huis van Saul
3:7 En Saul had een bijwijf, genaamd Rizpa, de dochter van Aja. En [Isboseth] zeide tot Abner: Waarom slaapt gij bij mijns vaders bijwijf
3:8 Toen werd Abner zeer toornig over deze woorden van Isboseth, en sprak: Ben ik dan een hond, ik, die tegen Juda aan het huis van Saul uwen vader en aan zijne broeders en vrienden barmhartigheid doe? En ik heb u niet in Davids hand gegeven; en gij rekent mij heden ene misdaad toe om ene vrouw
3:9 God doe Abner dit en dat, zo ik niet doe gelijk de Heer aan David gezworen heeft
3:10 dat het koningschap van het huis van Saul weggenomen en de troon van David opgericht worde over Israël en Juda, van Dan af tot Ber-Séba
3:11 En toen kon hij Abner geen enkel woord meer antwoorden, zo vreesde hij voor hem
3:12 En Abner zond boden tot David van zijnentwege, en liet hem zeggen: Wien behoort het land? en sprak: Maak uw verbond met mij; zie, mijne hand zal met u zijn, dat ik geheel Israël tot u wende
3:13 En hij zeide: Welaan, ik wil een verbond met u maken; maar ééne zaak bid ik van u, dat gij mijn aangezicht niet ziet, voordat gij tot mij brengt Michal, Sauls dochter, als gij komt om mijn aangezicht te zien
3:14 Ook zond David boden tot Isboseth, den zoon van Saul, en liet aan hem zeggen: Geef mij mijne huisvrouw Michal, die ik mij ondertrouwd heb met honderd voorhuiden der Filistijnen
3:15 En Isboseth zond heen en liet haar nemen van haren man Paltiël, den zoon van Laïs
3:16 En haar man ging met haar, en weende achter haar tot Bahurim toe. Toen sprak Abner tot hem: Keer weder en ga heen. En hij keerde weder
3:17 En Abner voerde het woord tot de oudsten van Israël, zeggende: Gij hebt te voren lang naar David verlangd, dat hij koning over u zou wezen
3:18 Zo doet het nu; want de Heer heeft van David gezegd: Ik wil mijn volk Israël verlossen door de hand van mijnen knecht David, van de hand der Filistijnen en van de hand van al hunne vijanden
3:19 Ook sprak Abner voor de oren van Benjamin, en ging ook heen om te spreken voor de oren van David te Hebron, al wat Israël en het gehele huis Benjamins behaagde
3:20 Toen nu Abner naar Hebron tot David kwam, en met hem twintig mannen, bereidde David hun een maaltijd
3:21 En Abner sprak tot David: Ik wil opstaan en heengaan, opdat ik geheel Israël tot mijnen heer den koning vergadere, en dat zij een verbond met u maken, opdat gij koning zijt, gelijk uwe ziel begeert. Alzo liet David Abner van zich, en hij ging heen in vrede
3:22 En zie, de knechten van David en Joab kwamen van een krijgstocht, en brachten met zich een groten buit; Abner nu was niet meer bij David te Hebron, want hij had hem van zich laten gaan, zodat hij was heengegaan in vrede
3:23 Toen nu Joab, en het gehele heir met hem, was gekomen, werd aan hem gezegd, dat Abner, de zoon van Ner, tot den koning gekomen was, en dat hij hem van zich had laten gaan, zodat hij in vrede was heengegaan
3:24 Toen ging Joab tot den koning en sprak: Wat hebt gij gedaan? Zie, Abner is tot u gekomen: waarom hebt gij hem van u laten gaan, dat hij is heengegaan
3:25 Kent gij Abner niet, den zoon van Ner? Want hij is gekomen om u te overreden en uwen uitgang en ingang te kennen, en te vernemen al wat gij doet
3:26 En toen Joab van David uitging, zond hij Abner boden achterna, dat zij hem weder terughaalden van den put Sira; en David wist daar niets van
3:27 Toen nu Abner weder te Hebron kwam, leidde Joab hem midden onder de poort om heimelijk met hem te spreken; en hij stak hem aldaar in den buik, dat hij stierf, vanwege het bloed van zijnen broeder Asaël
3:28 En toen David dit daarna vernam, sprak hij: Ik en mijn koninkrijk zijn onschuldig voor den Heer eeuwiglijk aan het bloed van Abner, den zoon van Ner
3:29 maar het blijve op het hoofd van Joab, en op het gehele huis zijns vaders; en dat in het huis van Joab nooit ontbreken, die een ettervloed en melaatschheid hebben, of met den stok gaan, of door het zwaard vallen, of broodsgebrek hebben
3:30 Alzo hebben Joab en Abisaï, zijn broeder, Abner gedood, omdat hij hunnen broeder Asaël gedood had in den strijd te Gibeon
3:31 En David sprak tot Joab en tot al het volk, dat met hem was: Scheurt uwe klederen, en gordt zakken om u, en draagt rouw om Abner. En de koning ging achter de baar
3:32 En toen zij Abner begroeven te Hebron, hief de koning zijne stem op en weende bij Abners graf, en al het volk weende ook
3:33 En de koning rouwklaagde over Abner en sprak: Moest dan Abner sterven gelijk een dwaas sterft
3:34 Uwe handen zijn niet gebonden, uwe voeten zijn in geen boeien gesloten geweest: gij zijt gevallen gelijk men voor booswichten valt. Toen beweende al het volk hem nog meer
3:35 Toen nu al het volk inkwam om David brood te doen eten, terwijl het nog hoog dag was, zwoer David, zeggende: God doe mij dit en dat, zo ik brood of iets anders proef, eer de zon ondergaat
3:36 En al het volk vernam het, en het was goed in hunne ogen; al wat de koning gedaan had was goed in de ogen des gehelen volks
3:37 en al het volk en geheel Israël erkende op dien dag, dat het niet vanwege den koning was, dat Abner, de zoon van Ner, was gedood
3:38 En de koning sprak tot zijne knechten: Weet gij niet, dat op dezen dag een vorst en een groot man in Israël gevallen is
3:39 Doch ik ben thans nog zwak, schoon gezalfd tot koning; en deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn te zwaar voor mij: de Heer vergelde den kwaaddoener naar zijne boosheid. 2Samuel
4:1 Toen nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gedood was, werden zijne handen verslapt, en geheel Israël verschrikte
4:2 Nu waren er twee mannen, hoofdlieden over de stropende benden onder den zoon van Saul: de een heette Baëna, en de ander Rechab, zonen van Rimmon den Beërothiet, uit de kinderen Benjamins. Want Beëroth werd ook onder Benjamin gerekend
4:3 en de Beërothieten waren gevlucht naar Gittaïm, en woonden aldaar als vreemdelingen tot op den dag van heden
4:4 Ook had Jonathan, de zoon van Saul, een zoon, die lam was aan beide voeten: hij was vijf jaar oud, toen het gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam, en zijne voedster nam hem op en vluchtte; en toen zij zich haastte in het vluchten, viel hij en werd kreupel; en zijn naam was Mefiboseth
4:5 Zo gingen nu de zonen van Rimmon den Beërothiet, Rechab en Baëna, heen, en kwamen aan het huis van Isboseth, toen de dag op het heetst was; en hij lag op zijne legerstede op den middag
4:6 En zij kwamen in het huis om tarwe te halen; en zij staken hem in den buik en liepen weg
4:7 Want toen zij in het huis kwamen, lag hij op zijn bed in zijne slaapkamer; en zij staken hem dood, en hieuwen hem het hoofd af; en zij namen zijn hoofd, en gingen heen langs den weg van het vlakke veld, den gehelen nacht door
4:8 En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David naar Hebron, en spraken tot den koning: Zie daar is het hoofd van Isboseth, den zoon van Saul, uwen vijand, die naar uw leven stond: de Heer heeft heden mijnen heer den koning gewroken aan Saul en aan zijn zaad
4:9 Toen antwoordde David hun: Zo waarachtig als de Heer leeft, die mijne ziel uit alle droefenis verlost heeft
4:10 greep ik hem, die mij verkondigde, zeggende: Saul is dood, en die meende, dat hij een goede bode was, en doodde ik hem te Ziklag in plaats van hem bodeloon te geven
4:11 hoeveel te meer, daar deze goddeloze lieden een rechtvaardig man in zijn huis op zijne legerstede gedood hebben, zal ik nu niet zijn bloed van uwe handen eisen en u van de aarde verdelgen
4:12 En David gebood zijn jongelingen, dat zij hen zouden doden; en zij hieuwen hun handen en voeten af, en hingen hen op bij den vijver te Hebron; en het hoofd van Isboseth namen zij en begroeven het in Abners graf te Hebron. 2Samuel
5:1 En al de stammen Israëls kwamen tot David te Hebron en spraken: Zie, wij zijn van uw gebeente en van uw vlees
5:2 ook reeds lang te voren, toen Saul nog koning over ons was, leiddet gij Israël uit en in; ook heeft de Heer tot u gezegd: Gij zult mijn volk Israël hoeden, en zult vorst zijn over Israël
5:3 En alle oudsten van Israël kwamen tot den koning te Hebron, en koning David maakte met hen een verbond te Hebron voor den Heer, en zij zalfden David tot koning over Israël
5:4 Dertig jaar was David oud, toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaar
5:5 Te Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda, en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaar over geheel Israël en Juda
5:6 En de koning trok op met zijne mannen naar Jeruzalem tegen de Jebusieten, die in het land woonden. En zij spraken tot David: Gij zult hier niet inkomen, maar blinden en lammen zullen u afweren; daarmede wilden zij zeggen, dat David er niet zou inkomen
5:7 Doch David won den burg Sion: dit is de stad Davids
5:8 Toen sprak David op dien dag: Wie de Jebusieten verslaat, of de waterleiding aanroert, of die lammen en blinden, dien haat Davids ziel. Vandaar zegt men: Geen blinde en lamme mag in den tempel komen
5:9 Alzo woonde David op den burg, en noemde dien de stad Davids; en David bouwde er een muur om, van Millo af en binnenwaarts
5:10 En David nam gestadig toe; en de Heer, de God Zebaôth, was met hem
5:11 En Hiram de koning van Tyrus zond boden tot David, en cederbomen voor den wand, en timmerlieden en werklieden in steen, om voor David een huis te bouwen
5:12 En David ondervond, dat de Heer hem tot koning over Israël bevestigd, en zijn koninkrijk verhoogd had terwille van zijn volk Israël
5:13 En David nam nog meer vrouwen en bijwijven te Jeruzalem, nadat hij van Hebron gekomen was; en hem werden nog meer zonen en dochters geboren
5:14 En dit zijn de namen dergenen, die hem te Jeruzalem geboren zijn: Sammúa, Sobab, Nathan, Salomo
5:15 Jibhar, Elisúa, Nefeg, Jafía
5:16 Elisama, Eljada en Elifélet
5:17 En toen de Filistijnen hoorden, dat men David tot koning over Israël gezalfd had, trokken zij allen op om David te zoeken. Toen David dit vernam, trok hij af naar den burg
5:18 En de Filistijnen kwamen en sloegen zich neder in de vallei Refaïm
5:19 En David vraagde den Heer, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult Gij hen in mijne hand geven? En de Heer sprak tot David: 'Trek op, Ik zal de Filistijnen in uwe hand geven
5:20 En David kwam naar Baäl-Perazim en versloeg hen aldaar, en sprak: De Heer heeft mijne vijanden voor mij van elkander gescheurd, gelijk zich de wateren van elkander scheuren. Vandaar noemt men deze plaats Baäl-Perazim
5:21 En zij lieten hunne afgodsbeelden aldaar, en David en zijne mannen namen ze op
5:22 En de Filistijnen trokken wederom op, en sloegen zich neder in de vallei Refaïm
5:23 En David vraagde den Heer; en die sprak: Gij zult niet optrekken, maar omsingel hen van achteren, dat gij tot hen komt tegenover de moerbeziënbomen
5:24 en als gij horen zult, dat een geruis door de toppen der moerbeziënbomen gaat, zo haast u, want de Heer is dan voor u uitgegaan om het heir der Filistijnen te slaan
5:25 En David deed zoals de Heer hem geboden had, en sloeg de Filistijnen van Geba af tot men komt te Gezer. 2Samuel
6:1 En David vergaderde wederom alle jonge manschap in Israël, dertig duizend
6:2 en hij maakte zich op en ging heen met al het volk, dat bij hem was, naar Baälim-Juda om van daar op te voeren de ark Gods, wier naam genoemd wordt: de naam van den Heer Zebaôth, wonende boven de cherubs
6:3 En zij vervoerden de ark Gods op een nieuwen wagen, en haalden haar uit het huis van Abinadab, dat op den heuvel was; en Uzza en Ahio, zonen van Abinadab, dreven den nieuwen wagen
6:4 En toen zij hem met de ark Gods voerden uit het huis van Abinadab, dat op den heuvel was, en Ahio voor de ark uitging
6:5 speelde David en het gehele huis van Israël voor den Heer op allerlei dennenhouten speeltuigen, op harpen en fluiten, op trommels, schellen en cymbalen
6:6 En toen zij tot bij den dorsvloer van Nachon kwamen, greep Uzza toe en hield de ark Gods, want de runderen traden terzijde uit
6:7 Toen ontstak de toorn des Heren over Uzza, en God sloeg hem aldaar om zijne vermetelheid, zodat hij aldaar stierf bij de ark Gods
6:8 Toen werd David bedroefd, omdat de Heer Uzza zo weggescheurd had; en men noemde deze plaats Perez-Uzza tot op dezen dag
6:9 En David vreesde voor den Heer op dien dag, en sprak: Hoe zal de ark des Heren tot mij komen
6:10 En hij wilde haar niet tot zich laten brengen in de stad Davids, maar liet haar brengen in het huis van Obed-Edom den Gethiet
6:11 En toen de ark des Heren drie maanden bleef in het huis van Obed-Edom den Gethiet, zegende de Heer hem en zijn gehele huis
6:12 En het werd koning David te kennen gegeven, dat de Heer het huis van Obed-Edom, en al wat hij had, gezegend had terwille van de ark Gods. Toen ging hij heen en haalde de ark Gods uit het huis van Obed-Edom opwaarts in de stad Davids, met vreugde
6:13 en zo dikwerf zij met de ark des Heren zes schreden waren voortgegaan, offerde men een os en een gemest schaap
6:14 en David danste uit al zijne macht voor den Heer, en was omgord met een linnen lijfrok
6:15 en David benevens geheel Israël voerde de ark des Heren op met gejuich en bazuingeschal
6:16 En toen de ark des Heren in de stad Davids kwam, zag Michal, Sauls dochter, door het venster, en zag koning David springen en dansen voor den Heer, en verachtte hem in haar hart
6:17 Toen zij nu de ark des Heren hadden ingebracht, stelden zij die op hare plaats in het midden der hut, die David voor haar had opgeslagen; en David offerde brandoffers en dankoffers voor den Heer
6:18 En toen David volbracht had de brandoffers en dankoffers te offeren, zegende hij het volk in den naam van den Heer Zebaôth
6:19 En hij deelde uit aan al het volk, en aan de menigte van Israël, zo mannen als vrouwen, aan ieder een broodkoek en een stuk vlees en een halve maat wijn. Toen ging al het volk heen, ieder naar zijn huis
6:20 Toen nu David wederkwam om zijn huis te zegenen, ging Michal, Sauls dochter, uit hem te gemoet, en sprak: Hoe heerlijk is heden de koning van Israël geweest, die zich voor de dienstmaagden zijner knechten ontbloot heeft, gelijk de lichtvaardige lieden zich ontbloten
6:21 Maar David sprak tot Michal: Ik wil voor den Heer spelen, die mij verkoren heeft boven uwen vader en boven zijn gehele huis, en mij bevolen heeft vorst te zijn over het volk des Heren, over Israël
6:22 En ik wil nog geringer worden dan ditmaal, en wil nederig zijn in mijne ogen; en bij de dienstmaagden, van welke gij gesproken hebt, wil ik eer verwerven
6:23 Michal nu, Sauls dochter, heeft geen kind gehad tot den dag haars doods toe. 2Samuel
7:1 Toen nu de koning in zijn huis zat, en de Heer hem rust gegeven had van al zijne vijanden rondom
7:2 sprak hij tot den profeet Nathan: Zie, ik woon in een cederen huis, en de ark Gods is gehuisvest onder tapijten
7:3 En Nathan sprak tot den koning: Ga heen, al wat gij in uw hart hebt, doe dat, want de Heer is met u
7:4 Maar des nachts kwam het woord des Heren tot Nathan, zeggende
7:5 Ga heen en zeg tot mijnen knecht David: Dus spreekt de Heer: Zoudt gij Mij een huis bouwen, waarin Ik wonen zou
7:6 Ik heb immers in geen huis gewoond sedert dien dag, dat Ik de kinderen Israëls uit Egypte geleid heb, tot op dezen dag, maar Ik ben geweest rondtrekkende in ene hut en woning
7:7 zolang Ik met de kinderen Israëls heb rondgetrokken. Heb Ik ooit gesproken tot één der stammen van Israël, dien Ik bevolen heb mijn volk Israël te weiden, zeggende: Waarom bouwt gij Mij niet een cederen huis
7:8 Zo zult gij nu tot mijnen knecht David zeggen: Dus spreekt de Heer Zebaôth: Ik heb u genomen van de schaapskooien, dat gij vorst zoudt zijn over mijn volk Israël
7:9 en Ik ben met u geweest waarheen gij gegaan zijt, en heb al uwe vijanden voor u uitgeroeid, en heb u een groten naam gemaakt, gelijk den naam der grootsten op de aarde
7:10 en Ik heb mijn volk Israël een eigen plaats gegeven, en heb het geplant, dat het aldaar woont en niet meer gaat dwalen, en dat de kinderen der boosheid het niet meer verdrukken, gelijk te vore
7:11 en sedert dien tijd, dat Ik richters over Israël gesteld heb; en Ik zal u rust geven van al uwe vijanden. En de Heer heeft u verkondigd, dat de Heer u een huis zal maken
7:12 Wanneer nu uw tijd zal vervuld en gij met uwe vaderen zult ontslapen zijn, wil Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit u zal voortkomen; en Ik wil zijn rijk bevestigen
7:13 Die zal mijnen naam een huis bouwen, en Ik zal den troon zijns koninkrijks bevestigen eeuwiglijk
7:14 Ik zal zijn vader zijn en hij zal mijn zoon zijn; en wanneer hij ene misdaad begaat, zal Ik hem met mensenroeden en met slagen van mensenkinderen straffen
7:15 maar mijne barmhartigheid zal van hem niet afgewend worden, gelijk Ik die afgewend heb van Saul, dien Ik voor u heb weggenomen
7:16 En uw huis en uw koninkrijk zal bestendig zijn voor u eeuwiglijk, en uw troon zal eeuwiglijk bestaan
7:17 Toen Nathan al deze woorden en dit gehele gezicht aan David gezegd had
7:18 kwam koning David en toefde voor den Heer, en sprak: Wie ben ik, Heere Heere, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt
7:19 Daarenboven hebt Gij dat nog te weinig geacht, Heere Heere, maar hebt van het huis uws knechts ook nog gesproken tot in verre tijden; en dit naar de wijze der mensen, Heere Heere
7:20 En wat zal David meer spreken met U? Gij kent uwen knecht, Heere Heere
7:21 Om uwer beloften wil en naar uw hart, hebt Gij al die grote dingen gedaan, die Gij aan uwen knecht hebt bekendgemaakt
7:22 Daarom zijt Gij ook groot geacht, Heere God, want niemand is er als Gij, en geen God is er dan Gij, naar alles wat wij met onze oren gehoord hebben
7:23 En waar is een volk op de aarde als uw volk Israël, om welks wil God is heengegaan om het zich tot een volk te verlossen, en zich een naam te maken, en zulke grote en verschrikkelijke dingen te doen in uw land voor uw volk, hetwelk Gij u verlost hebt van de Egyptenaars, van de volken en hunne goden
7:24 En Gij hebt uw volk Israël bevestigd, U tot een volk in eeuwigheid, en Gij, Heer, zijt hun God geworden
7:25 Zo doe nu, Heere God, dit woord, hetwelk Gij over uwen knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan in eeuwigheid, en doe gelijk Gij gesproken hebt
7:26 Dan zal uw naam groot worden in eeuwigheid, zodat men zeggen zal: De Heer Zebaôth is de God over Israël; en het huis van uwen knecht David zal bestaan voor U
7:27 Want Gij, Heer Zebaôth, Gij God van Israël, Gij hebt het oor van uwen knecht geopend, zeggende: Ik wil u een huis bouwen. Daarom heeft uw knecht in zijn hart gevonden om dit gebed tot U te bidden
7:28 Nu, Heere Heere, Gij zijt God, en uwe woorden zullen waarheid zijn: Gij hebt dit goede tot uwen knecht gesproken
7:29 Zo begin nu en zegen het huis uws knechts, dat het eeuwiglijk Vóór U zij; want Gij, Heere Heere, hebt het gesproken, en met uwen zegen zal het huis uws knechts gezegend zijn eeuwiglijk. 2Samuel
8:1 En het geschiedde daarna, dat David de Filistijnen sloeg en hen ten onder bracht, en hij nam den teugel der dienstbaarheid van de hand der Filistijnen
8:2 Ook sloeg hij de Moabieten Zó ter aarde, dat hij twee derde delen ter dood bracht, en één derde deel in het leven liet; alzo werden de Moabieten David onderdanig, zodat zij hem geschenken brachten
8:3 Ook sloeg David Hadadézer, den zoon van Rehob, den koning van Zoba, toen hij heentrok om zijne macht te wenden naar de rivier Frath
8:4 En David ving van hem duizend en zevenhonderd ruiters en twintig duizend man voetvolk; en hij verlamde al de wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagens over
8:5 En de Syriërs van Damaskus kwamen om Hadadézer, den koning van Zoba, te helpen, maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man
8:6 en hij legde bezettingen in Damascus in Syrië. Alzo werden de Syriërs David onderdanig, zodat zij hem geschenken brachten. En de Heer hielp David, waarheen hij trok
8:7 En David nam de gouden schilden, die Hadadézers knechten gehad hadden, en bracht ze te Jeruzalem
8:8 En uit Betah en Berothai, steden van Hadadézer, nam de koning zeer veel koper
8:9 Toen nu Toï, de koning van Hamath, hoorde, dat David de gehele krijgsmacht van Hadadézer verslagen had
8:10 zond hij zijnen zoon Joram tot David, om hem vriendelijk te groeten en hem te zegenen, dat hij tegen Hadadézer gestreden en hem verslagen had want Hadadézer had gedurig strijd gevoerd tegen Toï; en in zijne hand waren zilveren, gouden en koperen kleinodiën
8:11 welke koning David ook den Heer heiligde, benevens het zilver en goud, hetwelk hij den Heer heiligde van al de volken, die hij zich had onderworpen
8:12 van Syrië, van Moab, van de kinderen Ammons, van de Filistijnen, van Amalek, en van den buit van Hadadézer, den zoon van Rehob, den koning van Zoba
8:13 Ook maakte David zich een naam, toen hij terugkwam van het verslaan der Syriërs; en hij sloeg de Edomieten in het Zoutdal, achttien duizend man
8:14 En hij legde bezettingen in geheel Edom, en geheel Edom was David onderworpen; want de Heer hielp David waarheen hij trok
8:15 Alzo was David koning over geheel Israël, en hij oefende recht en gerechtigheid aan al het volk
8:16 En Joab, de zoon van Zeruja, was over het heir, en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier
8:17 en Zadok, de zoon van Ahitub, en Achimélech, de zoon van Abjathar, waren priesters, en Seraja was schrijver
8:18 en Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi, en Davids zonen waren staatsdienaren. 2Samuel
9:1 En David sprak: Is er ook nog iemand overgebleven van Sauls huis, dat ik barmhartigheid aan hem doe om Jonathans wil
9:2 En er was een knecht van het huis van Saul, genaamd Ziba; dien riepen zij tot David. En de koning sprak tot hem: Zijt gij Ziba? Hij sprak: Ja, uw knecht
9:3 De koning sprak: Is er niet nog iemand van Sauls huis, opdat ik barmhartigheid Gods aan hem doe? En Ziba sprak tot den koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die lam is aan de voeten
9:4 En de koning sprak tot hem: Waar is hij? Ziba sprak tot den koning: Zie, hij is te Lodebar, in het huis van Machir, den zoon van Ammiël
9:5 Toen zond koning David heen en liet hem halen uit Lodebar, uit het huis van Machir, den zoon van Ammiël
9:6 Toen nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, Sauls zoon, tot David kwam, viel hij op zijn aangezicht en boog zich neder. En David sprak: Mefiboseth! Hij sprak: Hier ben ik, uw knecht
9:7 En David sprak tot hem: Vrees niet, want ik wil barmhartigheid aan u doen, terwille van Jonathan, uwen vader, en ik zal u al de akkers van uwen [groot] vader Saul wedergeven, en gij zult dagelijks aan mijne tafel brood eten
9:8 Toen boog hij zich neder en sprak: Wie ben ik, uw knecht, dat gij omziet naar een doden hond, gelijk ik ben
9:9 En de koning ontbood Ziba, Sauls jongen, en sprak tot hem: Al wat aan Saul en aan zijn gehele huis heeft behoord, heb ik den zoon uws heren gegeven
9:10 Zo bearbeid nu voor hem zijnen akker, gij met uwe zonen en knechten, en breng het in, opdat het den zoon uws heren tot leeftocht zij en hij zich daarvan onderhoude; en Mefiboseth, uws heren zoon, zal dagelijks brood eten aan mijne tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten
9:11 En Ziba sprak tot den koning: Al wat mijn heer de koning zijnen knecht geboden heeft, zal zijn knecht doen. En Mefiboseth, [sprak David], ete aan mijne tafel als een van des konings zonen
9:12 En Mefiboseth had een kleinen zoon, die heette Micha; en al wat in het huis van Ziba woonde, dat diende Mefiboseth
9:13 Mefiboseth nu woonde te Jeruzalem, want hij at dagelijks aan des konings tafel; en hij hinkte aan beide zijne voeten. 2Samuel 1
10:1 En het geschiedde daarna, dat de koning der kinderen Ammons stierf, en zijn zoon Hanun werd koning in zijne plaats
10:2 Toen sprak David: Ik wil barmhartigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas, gelijk zijn vader aan mij barmhartigheid gedaan heeft. En hij zond heen en liet hem troosten door zijne knechten over zijnen vader. Toen nu Davids knechten in het land der kinderen Ammons kwamen
10:3 spraken de vorsten der kinderen Ammons tot hunnen heer Hanun: Meent gij, dat David uwen vader eert, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Heeft hij niet zijne knechten tot u gezonden om de stad te doorzoeken en te bespieden en haar om te keren
10:4 Toen nam Hanun de knechten van David en schoor hun den baard half af, en sneed hun de klederen half af, tot den gordel toe, en liet hen gaan
10:5 Toen dit aan David gezegd werd, zond hij hun tegemoet, want die mannen waren zeer geschonden; en de koning liet hun zeggen: Blijft te Jericho, totdat uw baard weder gewassen is, en komt dan weder
10:6 Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij bij David in een kwaden reuk gekomen waren, zonden zij heen en huurden de Syriërs van Beth-Rehob en de Syriërs van Zoba, twintig duizend man voetvolk, en van den koning van Maächa duizend man, en van die van Tob twaalf duizend man
10:7 Toen David dit hoorde, zond hij Joab met het gehele heir der krijgslieden
10:8 En de kinderen Ammons trokken uit en rustten zich toe tot den strijd Vóór den ingang der poort, en de Syriërs van Zoba en van Rehob en de mannen van Tob en van Maächa stonden afzonderlijk in het veld
10:9 Toen nu Joab zag, dat de strijd op hem aangelegd was van voren en van achteren, koos hij al de jonge manschap in Israël uit, en rustte zich toe tegen de Syriërs
10:10 en het overige volk stelde hij onder de hand van zijnen broeder Abisaï, opdat hij zich toerustte tegen de kinderen Ammons
10:11 En hij zeide: Is het, dat de Syriërs mij te machtig zijn, zo kom mij te hulp; en is het, dat de kinderen Ammons u te machtig zijn, zo zal ik u te hulp komen
10:12 Heb goeden moed, en laat ons dapper zijn voor ons volk en voor de steden onzes Gods; de Heer nu doe wat hem behaagt
10:13 En Joab naderde met het volk, dat bij hem was, om te strijden tegen de Syriërs; en zij vloden voor hem
10:14 En toen de kinderen Ammons zagen, dat de Syriërs vloden, vloden zij ook voor Abisaï en trokken in de stad. Alzo keerde Joab om van de kinderen Ammons en kwam te Jeruzalem
10:15 En toen de Syriërs zagen, dat zij geslagen waren voor Israël, vergaderden zij zich allen bijeen
10:16 en Hadadézer zond heen en deed de Syriërs uitkomen, die aan gene zijde der rivier waren, en zij kwamen te Helam; en Sobach, de krijgsoverste van Hadadézer, trok voor hen uit
10:17 Toen dit aan David gezegd werd, vergaderde hij geheel Israël te zamen, en trok over den Jordaan, en kwam te Helam; en de Syriërs rustten zich toe tegen David om tegen hem te strijden
10:18 Maar de Syriërs vloden voor Israël, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd wagens en veertig duizend ruiters; ook sloeg hij Sobach, den krijgsoverste, zodat hij aldaar stierf
10:19 Toen nu de koningen, die onder Hadadézer waren, zagen, dat zij geslagen waren voor Israël, maakten zij vrede met Israël en werden hun onderdanig; en de Syriërs vreesden den kinderen Ammons verder te hulp te komen. 2Samuel 1
11:1 En toen het jaar om was, ten tijde als de koningen plegen uit te trekken, zond David Joab, en zijne knechten met hem, en geheel Israël, dat zij de kinderen Ammons verderven en Rabba belegeren zouden. Maar David bleef te Jeruzalem
11:2 En het geschiedde, dat David tegen den avond opstond van zijne legerstede, en op het dak van het koningshuis ging; en hij zag van het dak ene vrouw zich badende, en die vrouw was zeer schoon van gedaante
11:3 En David zond heen en liet naar die vrouw vernemen, en men zeide: Is dit niet Bathseba, Eliams dochter, de huisvrouw van Uría, den Hethiet
11:4 En David zond boden en liet haar halen; en toen zij tot hem inkwam, sliep hij bij haar; zij nu reinigde zich van hare onreinheid, en keerde terug, naar haar huis
11:5 En die vrouw werd zwanger, en zond heen en liet aan David bekendmaken en zeggen: Ik ben zwanger geworden
11:6 Toen zond David tot Joab, zeggende: Zend Uría den Hethiet tot mij. En Joab zond Uría tot David
11:7 En toen Uría tot hem kwam, vroeg David, of het met Joab en met het volk en met den oorlog wél stond
11:8 En David sprak tot Uría: Ga af naar uw huis en was uwe voeten. En toen Uría uit des konings huis uitging, volgde hem een geschenk van des konings tafel achterna
11:9 Doch Uría legde zich te slapen voor de deur van des konings huis, waar al de knechten zijns heren lagen; en hij ging niet af naar zijn huis
11:10 Toen men nu aan David zeide: Uría is niet afgegaan naar zijn huis, sprak David tot hem: Zijt gij niet van de reis gekomen? Waarom gaat gij dan niet af naar uw huis
11:11 Maar Uría sprak tot David: De ark en Israël en Juda blijven in tenten, en Joab, mijn heer, en mijns heren knechten zijn gelegerd in het veld; en ik zou naar mijn huis gaan, om te eten en te drinken en bij mijne huisvrouw te liggen? Zo waarachtig als gij leeft en uwe ziel leeft, dit doe ik niet
11:12 En David sprak tot Uría: Blijf dan ook heden hier, morgen zal ik u laten gaan. Alzo bleef Uría te Jeruzalem dien dag en des anderen daags
11:13 en David nodigde hem, zodat hij bij hem at en dronk, en maakte hem dronken; maar des avonds ging hij uit om zich te slapen te leggen op zijne legerstede met zijns heren knechten, en hij ging niet af naar zijn huis
11:14 Des morgens nu schreef David een brief aan Joab, en zond dien door Uría
11:15 en hij schreef aldus in dien brief: Stelt Uría vooraan in den strijd, waar deze op het hevigst is, en wendt u achter hem af, opdat hij verslagen worde en sterve
11:16 Toen nu Joab om de stad lag, stelde hij Uría aan de plaats waar hij wist, dat strijdbare mannen waren
11:17 en toen de mannen der stad uitvielen en tegen Joab streden, vielen enigen van het volk van Davids knechten; en Uría de Hethiet stierf ook
11:18 Toen zond Joab heen en liet aan David de gehele toedracht van dezen strijd bekend maken
11:19 en hij gebood den bode, zeggende: Als gij geëindigd hebt de gehele toedracht van dezen strijd aan den koning te verhalen
11:20 en ziet, dat de koning toornig wordt, en tot u zegt: Waarom hebt gij u zo nabij de stad begeven met den strijd? Wist gij niet, hoe men pleegt van den muur te schieten
11:21 Wie versloeg Abimélech, den zoon van Jerubbéseth? Wierp niet ene vrouw een stuk van een molensteen op hem van den muur, dat hij stierf te Tebez? Waarom hebt gij u zo dicht bij den muur begeven? --dan zult gij zeggen: Uw knecht Uría de Hethiet is ook gedood
11:22 En de bode ging heen, en kwam en zeide aan David alles, waarom Joab hem uitgezonden had
11:23 en de bode sprak tot David: De mannen kregen de overhand op ons, en kwamen tot ons uit op het veld, en wij waren tegenover hen aan den ingang der poort
11:24 en de schutters schoten van den muur op uwe knechten, en doodden sommigen van des konings knechten; ook is uw knecht Uría de Hethiet gedood
11:25 Toen zeide David tot den bode: Dus zult gij tot Joab zeggen: Laat u dit niet kwalijk behagen, want het zwaard verteert nu dezen dan genen: laat slechts niet af van den strijd tegen de stad, opdat gij haar verdelgt; en heb goeden moed
11:26 En toen Uría's huisvrouw hoorde, dat haar man Uría dood was, droeg zij rouw over haren heer
11:27 en toen zij uitgetreurd had, zond David heen en liet haar in zijn huis halen, en zij werd zijne vrouw en baarde hem een zoon. Doch die daad, welke David gedaan had, behaagde den Heer kwalijk. 2Samuel 1
12:1 En de Heer zond Nathan tot David; en toen die tot hem kwam, sprak hij tot hem: Er waren twee mannen in ééne stad, de één was rijk en de ander was arm
12:2 De rijke had zeer vele schapen en runderen
12:3 maar de arme had niets dan een enig klein lam, hetwelk hij gekocht had, en hij kweekte het op, dat het groot werd bij hem en met zijne kinderen tegelijk; het at van zijn bete, en dronk uit zijn beker, en sliep in zijn schoot, en hij hield het als ene dochter
12:4 Toen een gast bij dien rijken man kwam, ontzag hij zich te nemen van zijne schapen en runderen, om voor den gast, die tot hem gekomen was, iets te bereiden, en hij nam het schaap des armen mans en bereidde het voor den man, die tot hem gekomen was
12:5 Toen ontstak David in groten toorn tegen dien man, en sprak tot Nathan: Zo waarachtig als de Heer leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods
12:6 daarenboven zal hij dat lam viervoudig betalen, omdat hij dit gedaan en niet verschoond heeft
12:7 Toen sprak Nathan tot David: Gij zijt die man. Dus spreekt de Heer, de God van Israël: Ik heb u tot koning gezalfd over Israël, en heb u gered uit de hand van Saul
12:8 en heb u het huis uws heren gegeven, daarenboven ook zijne vrouwen in uwen schoot, en heb u het huis van Israël en Juda gegeven; en was dit te weinig, zo wilde Ik nog dit en dat daarbij doen
12:9 Waarom hebt gij dan het woord des Heren veracht, dat gij zulk kwaad voor zijne ogen deedt? Uría den Hethiet hebt gij verslagen met het zwaard, zijne huisvrouw hebt gij u tot vrouw genomen, en hem hebt gij gedood met het zwaard der kinderen Ammons
12:10 Nu, zo zal het zwaard niet aflaten van uw huis eeuwiglijk, omdat gij mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uría, den Hethiet, genomen hebt om uwe vrouw te zijn
12:11 Dus spreekt de Heer: Zie, Ik wil ongeluk over u verwekken uit uw eigen huis, en wil uwe vrouwen nemen voor uwe ogen, en wil haar uwen naaste geven, zodat hij bij uwe vrouwen slapen zal in het licht der zon
12:12 Gij hebt het gedaan in het verborgen, maar Ik zal dit doen voor geheel Israël en voor de zon
12:13 Toen sprak David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen den Heer. En Nathan sprak tot David: zo heeft ook de Heer uwe zonde weggenomen, gij zult niet sterven
12:14 maar dewijl gij de vijanden des Heren door deze daad hebt doen lasteren, zo zal de zoon, die u geboren is, den dood sterven
12:15 En Nathan ging naar huis. En de Heer sloeg het kind, hetwelk Uría's huisvrouw David gebaard had, zodat het doodkrank werd
12:16 En David zocht God voor het jongsken, en vastte, en ging in en lag dien nacht op de aarde
12:17 Toen stonden de oudsten van zijn huis op, en wilden hem oprichten van de aarde; maar hij wilde niet, en at ook niet met hen
12:18 En op den zevenden dag stierf het kind; en Davids knechten vreesden hem te zeggen, dat het kind dood was, want zij zeiden: Zie, toen het kind nog in leven was, spraken wij met hem, en hij hoorde niet naar onze stem: hoeveel te meer zal het hem smarten, als wij zeggen: Het kind is dood
12:19 Toen nu David zag, dat zijne knechten in stilte spraken, en merkte, dat het kind dood was, sprak hij tot zijne knechten: Is het kind dood? En zij zeiden: Ja
12:20 Toen stond David op van de aarde, wies zich en zalfde zich, en trok andere klederen aan, en ging in het huis des Heren, en aanbad; en toen hij weder tehuis kwam, beval hij, dat men hem brood zou opdragen, en hij at
12:21 Toen spraken zijne knechten tot hem: Wat is dit voor een ding, dat gij doet? Toen het kind leefde, vasttet gij en weendet; maar nu het gestorven is, staat gij op en eet
12:22 En hij zeide: Ik vastte en weende om het kind, toen het leefde, want ik dacht: Wie weet, de Heer mocht mij genadig worden, dat het kind in leven bleve
12:23 Maar nu het dood is, wat zal ik nu vasten? Kan ik hem ook wederhalen? Ik zal tot hem gaan, maar hij zal niet tot mij wederkeren
12:24 En toen David zijne huisvrouw Bathseba getroost had, ging hij tot haar in en hij sliep bij haar; en zij baarde een zoon, dien noemde hij Salomo; en de Heer beminde hem
12:25 En hij stelde hem onder het opzicht van den profeet Nathan; die noemde hem Jedid-Jah, om des Heren wil
12:26 Joab nu streed tegen Rabba der kinderen Ammons, en nam de koninklijke stad in
12:27 En hij zond boden tot David, en liet aan hem zeggen: Ik heb gestreden tegen Rabba, en heb ook de waterstad ingenomen
12:28 Zo verzamel nu het overige volk en beleger de stad, en neem haar in; opdat ik haar niet inneme, en ik den naam daarvan hebbe
12:29 Alzo bracht David al het volk te zamen, en trok heen, en streed tegen Rabba, en nam haar in
12:30 En hij nam de kroon haars konings van zijn hoofd, die in gewicht een talent goud bedroeg, met edelgesteenten, en zij werd David op zijn hoofd gezet; en hij voerde zeer veel buit uit de stad
12:31 Het volk nu, dat er in was, voerde hij uit, en legde hen onder ijzeren zagen en dorswagens, en ijzeren bijlen, en verbrandde hen in tichelovens; en Zó deed hij aan al de steden der kinderen Ammons. Daarna keerde David en al het volk weder naar Jeruzalem. 2Samuel 1
13:1 En het gebeurde daarna, dat Absalom, Davids zoon, ene schone zuster had, genaamd Tamar, en Amnon, Davids zoon, kreeg haar lief
13:2 En Amnon was krank van hartzeer om Tamar zijne zuster; want zij was ene maagd, en het dacht Amnon zwaar te zijn, dat hij haar iets zou doen
13:3 Doch Amnon had een vriend, die heette Jonadab, een zoon van Simea, Davids broeder; en die Jonadab was een zeer vernuftig man
13:4 en hij zeide tot hem: Waarom wordt gij van dag tot dag zo mager, gij koningszoon? Wilt gij mij dit niet zeggen? Toen sprak Amnon tot hem: Ik heb Tamar, de zuster van mijnen broeder Absalom, liefgekregen
13:5 En Jonadab sprak tot hem: Leg u op uw bed en houd u krank; als uw vader dan komt om naar u te zien, zo spreek tot hem: Laat toch mijne zuster Tamar komen om mij te spijzigen en het eten voor mij gereed te maken, dat ik het zie en van hare hand ete
13:6 Alzo legde Amnon zich neder en hield zich krank. Toen nu de koning kwam om hem te zien, sprak Amnon tot den koning: Laat toch mijne zuster Tamar komen om voor mij twee koeken te bereiden, opdat ik van hare hand ete
13:7 Toen zond David naar Tamar in het huis, en liet aan haar zeggen: Ga heen naar het huis van uwen broeder Amnon, en bereid voor hem de spijs
13:8 En Tamar ging heen naar het huis van haren broeder Amnon, en hij lag te bed; en zij nam deeg en kneedde het, en bereidde het voor zijne ogen, en bakte hem de koeken
13:9 en zij nam de pan en goot die voor hem uit; maar hij weigerde te eten. En Amnon sprak: Laat iedereen van mij uitgaan. En iedereen ging van hem uit
13:10 Toen sprak Amnon tot Tamar: Breng het eten in de kamer, opdat ik van uwe hand ete. Toen nam Tamar de koeken, die zij bereid had, en bracht die tot Amnon haren broeder in de kamer
13:11 En toen zij die tot hem bracht, opdat hij zou eten, greep hij haar aan en zeide tot haar: Kom hier mijne zuster, slaap bij mij
13:12 Maar zij sprak tot hem: Neen, mijn broeder, verkracht mij niet, want Zó doet men niet in Israël, bega zulk ene schandelijke daad niet
13:13 Waar zou ik met mijne schande heen? En gij zoudt zijn als de booswichten in Israël. Maar spreek met den koning, die zal mij aan u niet onthouden
13:14 Doch hij wilde naar hare stem niet horen, maar overweldigde haar en verkrachtte haar en sliep bij haar
13:15 Daarna werd Amnon zeer vergramd op haar, zodat de haat groter was dan te voren de liefde; en Amnon sprak tot haar: Maak u op en ga weg
13:16 Maar zij sprak tot hem: Daar is geen reden voor, dit kwaad is nog groter dan het andere, hetwelk gij aan mij gedaan hebt, dat gij mij uitstoot. Doch hij hoorde naar hare stem niet
13:17 en hij riep zijnen jongen, die zijn dienaar was, en sprak: Drijf toch deze van mij uit, en sluit de deur achter haar toe
13:18 Zij nu had een bonten rok aan; want zulke rokken droegen des konings dochters, zolang zij maagden waren. En toen zijn dienaar haar uitgedreven en de deur achter haar toegesloten had
13:19 wierp Tamar as op haar hoofd, en scheurde den bonten rok, dien zij aanhad, en legde de hand op het hoofd en ging heen en schreide
13:20 En haar broeder Absalom sprak tot haar: Is uw broeder Amnon bij u geweest? Nu, mijne zuster, zwijg stil, het is uw broeder; neem de zaak zo niet ter harte. Alzo bleef Tamar eenzaam in het huis van Absalom, haren broeder
13:21 En toen koning David dit alles hoorde, werd hij zeer toornig
13:22 Doch Absalom sprak met Amnon noch kwaad noch goed; maar Absalom was vergramd op Amnon, omdat hij zijne zuster Tamar verkracht had
13:23 En na twee jaren had Absalom schaapscheerders te Baäl-Hazor bij Efraïm; en Absalom nodigde al de kinderen des konings
13:24 En hij ging tot den koning en sprak: Zie, uw knecht heeft schaapscheerders; de koning gelieve toch, benevens zijne knechten, mede te gaan met zijnen knecht
13:25 Maar de koning sprak tot Absalom: Neen, mijn zoon, laat ons niet allen te zamen gaan, opdat wij u niet tot last worden. En toen hij bij hem aanhield, wilde hij echter niet gaan, maar zegende hem
13:26 Toen sprak Absalom: Zal dan mijn broeder Amnon niet met ons gaan? En de koning sprak tot hem: Waarom zou hij met u gaan
13:27 Toen hield Absalom bij hem aan, zodat hij Amnon en al de kinderen des koning met hem liet gaan
13:28 Absalom nu gebood zijn jongelingen, zeggende: Zie nu toe, als als Amnon vrolijk wordt van den wijn, en ik tot u zeg: Slaat Amnon en doodt hem, vreest dan niet, want ik heb het u geboden; weest moedig en gedraagt u dapper
13:29 Alzo deden de jongelingen van Absalom aan Amnon zoals Absalom geboden had. Toen stonden al de kinderen des konings op, en stegen ieder op zijn muilezel en vloden
13:30 En toen zij nog op den weg waren, kwam het gerucht tot David, dat Absalom al de kinderen des konings verslagen had, zodat er niet één van hen was overgebleven
13:31 Toen stond de koning op, en scheurde zijne klederen, en legde zich op de aarde; en al zijne knechten, die rondom hem stonden, scheurden hunne klederen
13:32 Toen antwoordde Jonadab, de zoon van Simea, Davids broeder, en sprak: Mijn heer, denk niet, dat al de jongelingen, des konings zonen, gedood zijn, maar Amnon alleen is dood; want Absalom had het bij zich besloten van den dag af, toen hij zijne zuster Tamar verkrachtte
13:33 Zo neme nu mijn heer, de koning, dit niet ter harte, alsof al de zonen des konings dood waren; maar Amnon alleen is dood
13:34 Absalom nu vluchtte. En de jongeling op de wacht hief zijne ogen op en zag, en zie, veel volks kwam op den weg achter hem, van de zijde des bergs
13:35 Toen sprak Jonadab tot den koning: Zie, de zonen des konings komen; gelijk uw knecht gezegd heeft, Zó is het toegegaan
13:36 En toen hij uitgesproken had, zie, toen kwamen de zonen des konings en hieven hunne stem op en weenden; en de koning en al zijne knechten weenden ook met een groot geween
13:37 Absalom nu vluchtte, en trok naar Talmai, den zoon van Ammihud, den koning van Gesur. En David droeg rouw over zijnen zoon al die dagen
13:38 Toen nu Absalom gevlucht was, en naar Gesur getrokken, was hij aldaar drie jaren
13:39 En koning David hield op uit te trekken tegen Absalom, want hij had er zich over getroost, dat Amnon dood was. 2Samuel 1
14:1 En Joab, de zoon van Zeruja, merkte, dat het hart des konings tegen Absalom was
14:2 En hij zond heen naar Tekóa, en liet van daar ene wijze vrouw halen, en sprak tot haar: Draag rouw, en trek rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, maar doe u voor als ene vrouw, die een langen tijd rouwgedragen heeft over een dode
14:3 en ga tot den koning en spreek met hem Zó en Zó. En Joab gaf haar in wat zij spreken zou
14:4 En toen de vrouw van Tekóa met den koning wilde spreken, viel zij op haar aangezicht ter aarde en boog zich neder, en sprak: Help mij, o koning
14:5 En de koning sprak tot haar: Wat deert u? Zij sprak: Ach, ik ben ene weduwe, en mijn man is gestorven
14:6 En uwe dienstmaagd had twee zonen; die twistten met elkander op het veld; en daar er geen scheidsman was, sloeg de een den ander en doodde hem
14:7 En zie, nu staat de gehele maagschap op tegen uwe dienstmaagd, en zegt: Geef hier dengene, die zijnen broeder verslagen heeft, opdat wij hem doden voor de ziel zijns broeders, dien hij gedood heeft, en ook den erfgenaam verdelgen; en zij willen de vonk uitblussen, die nog overig is, opdat mijnen man geen naam noch iets overblijve op de aarde
14:8 Toen sprak de koning tot de vrouw: Ga naar huis; ik zal te uwen behoeve gebieden
14:9 En de vrouw van Tekóa sprak tot den koning: Mijn heer koning, de misdaad zij op mij en op mijns vaders huis, maar de koning en zijn troon zij onschuldig
14:10 En de koning sprak: Wie tegen u spreekt, breng dien tot mij, en hij zal u niet meer aantasten
14:11 En zij sprak: De koning gedenke toch aan den Heer, zijnen God, opdat de bloedwreker niet nog meer ongeluk aanrichte, en mijnen zoon niet verdelge. Toen zeide hij: Zo waarachtig als de Heer leeft, er zal geen haar van uwen zoon op de aarde vallen
14:12 En de vrouw zeide: Dat toch uwe dienstmaagd een woord tot mijnen heer den koning moge spreken. En hij zeide: Spreek
14:13 En de vrouw sprak: Waarom hebt gij dan aldus gedacht tegen het volk Gods, dat de koning, dewijl hij Zó gesproken heeft, als een schuldige is, en zijnen verstotene niet weder laat halen
14:14 Want als wij gestorven zijn, dan zijn wij gelijk het water, dat op de aarde verloopt en niet verzameld wordt; en God wil het leven niet wegnemen, maar bedenkt zich, opdat het verstotene van Hem niet verstoten worde
14:15 Zo ben ik nu gekomen om met mijnen heer den koning aldus te spreken; want het volk maakt mij bang, daarom dacht uwe dienstmaagd: ik wil met den koning spreken, misschien zal hij doen wat zijne dienstmaagd zegt
14:16 want hij zal zijne dienstmaagd verhoren, zodat hij mij redt uit de hand van allen, die mij met mijnen zoon verdelgen willen uit het erfdeel Gods
14:17 En uw dienstmaagd dacht: Het woord van mijnen heer den koning zal mij een troost zijn; want mijn heer de koning is als een engel Gods, dat hij goed en kwaad horen kan; daarom zal de Heer uw God met u zijn
14:18 En de koning antwoordde en sprak tot de vrouw: Loochen mij niet hetgeen ik u vragen zal. De vrouw sprak: Mijn heer de koning spreke
14:19 En de koning sprak: Is niet de hand van Joab met u in dit alles? En de vrouw antwoordde en sprak: Zo waarachtig als uwe ziel leeft, mijn heer de koning, niets kan afwijken, noch ter rechter [hand] noch ter linkerhand, van hetgeen mijn heer de koning gesproken heeft. Ja, uw knecht Joab heeft het mij geboden, en hij heeft dit alles uwe dienstmaagd ingegeven
14:20 dat ik aan de zaak deze wending geven zou, dit heeft uw knecht Joab aldus beschikt. Doch mijn heer is wijs naar de wijsheid van een engel Gods, zodat hij alles merkt op de aarde
14:21 Toen sprak de koning tot Joab: Zie, ik doe het; ga nu heen en breng den jongeling Absalom weder
14:22 Toen viel Joab op zijn aangezicht ter aarde en boog zich neder, en dankte den koning, en sprak: Heden merkt uw knecht, dat ik genade gevonden heb in uwe ogen, mijn heer de koning, omdat de koning doet hetgeen zijn knecht zegt
14:23 Alzo maakte Joab zich op en trok naar Gesur, en bracht Absalom te Jeruzalem
14:24 Doch de koning zeide: Laat hij weder naar zijn huis gaan, en mijn aangezicht niet zien. Alzo kwam Absalom weder in zijn huis, en zag des konings aangezicht niet
14:25 Nu was er in geheel Israël geen man zo schoon als Absalom, en hij had dien lof bij allen; van zijne voetzolen af tot zijnen hoofdschedel toe was er geen gebrek aan hem
14:26 En als men zijn hoofd schoor, --en dit geschiedde gemeenlijk alle jaren, want het was hem te zwaar, zodat men het afscheren moest, --dan woog het haar zijns hoofds tweehonderd sikkels, naar het koninklijke gewicht
14:27 En aan Absalom werden drie zonen geboren, en ene dochter, die was genaamd Tamar; en zij was ene vrouw schoon van gedaante
14:28 Alzo bleef Absalom twee jaren te Jeruzalem, dat hij des konings aangezicht niet zag
14:29 En Absalom ontbood Joab om hem tot den koning te zenden; maar hij wilde niet tot hem komen. En hij zond ten tweeden male, en nog wilde hij niet komen
14:30 Toen sprak hij tot zijne knechten: Ziet, het stuk akker van Joab terzijde van den mijne, daarop heeft hij gerst: gaat heen en steekt het aan met vuur. Toen staken Absaloms knechten dat stuk akker met vuur aan
14:31 Toen maakte Joab zich op en kwam tot Absalom in huis, en sprak tot hem: Waarom hebben uwe knechten mijn stuk akker met vuur aangestoken
14:32 En Absalom sprak tot Joab: Zie, ik zond om u en liet u zeggen: Kom hier, opdat ik u tot den koning zende en zeggen late: Waarom ben ik van Gesur gekomen? Het ware mij beter, dat ik Dáár nog was; zo laat mij nu het aangezicht des konings zien, en is er ene misdaad in mij, zo dode hij mij
14:33 En Joab ging tot den koning, en zeide het hem. En hij ontbood Absalom; en hij kwam tot den koning, en boog zich neder met het aangezicht ter aarde voor den koning; en de koning kuste Absalom. 2Samuel 1
15:1 En het geschiedde daarna, dat Absalom zich liet bereiden een wagen en paarden, en vijftig man, die zijne trawanten waren
15:2 En Absalom maakte zich des morgens vroeg op, en trad aan den weg bij de poort; en als iemand een geschil had, dat hij tot den koning voor het gericht zou komen, riep Absalom hem tot zich en sprak: Uit welke stad zijt gij? Als hij dan zeide: Uw knecht is uit een der stammen van Israël
15:3 zo sprak Absalom tot hem: Zie, uwe zaak is goed en recht, maar gij hebt niemand, die u verhoort bij den koning
15:4 En Absalom sprak: O, dat men mij aanstelde tot rechter in het land, dat alle man tot mij kwam, die een geschil en ene rechtszaak heeft, dat ik hem recht verschafte
15:5 En als iemand zich tot hem vervoegde en zich voor hem wilde nederbuigen, zo strekte hij zijne hand uit en greep hem, en kuste hem
15:6 Op die wijze deed Absalom aan geheel Israël, als zij kwamen voor het gericht tot den koning; en hij stal alzo het hart der mannen Israëls
15:7 En na veertig (vier) jaar sprak Absalom tot den koning: Ik wil heengaan en mijne gelofte te Hebron volbrengen, die ik aan den Heer beloofd heb
15:8 Want uw knecht deed ene gelofte, toen ik te Gesur in Syrië woonde, zeggende: Als de Heer mij weder te Jeruzalem brengt, zo zal ik den Heer enen eredienst houden
15:9 En de koning zeide tot hem: Ga heen in vrede. En hij maakte zich op en ging naar Hebron
15:10 Absalom nu had verspieders uitgezonden in al de stammen van Israël, en laten zeggen: Als gij het geluid der bazuinen zult horen, zo zegt: Absalom is koning geworden te Hebron
15:11 En er gingen met Absalom tweehonderd mannen van Jeruzalem, die genodigd waren; maar zij gingen in hunne eenvoudigheid en wisten van de zaak niet
15:12 Absalom nu zond ook om Achithófel, den Giloniet, Davids raadsman uit zijne stad Gilo, terwijl hij offers slachtte. En de samenzwering werd sterk, en het volk, dat bij Absalom was, vermeerderde zich
15:13 Toen kwam er iemand, die zeide het aan David, zeggende: Het hart van alle man in Israël volgt Absalom na
15:14 Toen zeide David tot al zijne knechten, die bij hem waren te Jeruzalem: Maakt u op en laat ons vluchten, want hier zal geen ontkomen zijn voor Absalom; haast u om te gaan, opdat hij ons niet verrasse en ons grijpe, en een ongeluk over ons brenge, en de stad sla met de scherpte des zwaards
15:15 Toen spraken de knechten des konings tot hem: Wat mijn heer de koning verkiezen zal, ziehier zijn uwe knechten
15:16 En de koning ging uit te voet, met zijn gehele huis; maar hij liet tien bijvrouwen achter om het huis te bewaren
15:17 En toen de koning en al het volk te voet uitkwamen, hielden zij stil bij het laatste huis
15:18 en al zijne knechten gingen nevens hem, alsook al de Krethi en Plethi, en al de Gethieten, zeshonderd man, die te voet van Gath gekomen waren, gingen voor den koning heen
15:19 En de koning sprak tot Ittaï, den Gethiet: Waarom gaat gij ook met ons? Keer om en blijf bij den [nieuwen] koning; want gij zijt een vreemdeling, en van uwe plaats herwaarts getrokken
15:20 Gisteren zijt gij gekomen, en heden zou ik u met ons laten rondtrekken? Ik toch moet gaan waarheen ik kan gaan. Keer terug, en uwe broeders met u; u wedervare barmhartigheid en trouw
15:21 Doch Ittaï antwoordde en sprak: Zo waarachtig als de Heer leeft en zo waarachtig als mijn heer de koning leeft, aan welke plaats mijn heer de koning zal zijn, hetzij ten dode of ten leven, daar zal uw knecht ook zijn
15:22 Toen zeide David tot Ittaï: Kom dan en ga mede. Alzo ging Ittaï, de Gethiet, mede, benevens al zijne mannen, tot de kleine kinderen toe, die met hem waren
15:23 En het gehele land weende met ene luide stem, en al het volk ging mede; en de koning ging over de beek Kidron, en al het volk trok over, den weg op naar de woestijn
15:24 En zie, Zadok was ook daar, en al de Levieten, die bij hem waren, en zij droegen de ark des verbonds van God, en zij zetten haar neder, en Abjathar trad op de hoogte, totdat al het volk de stad was uitgetrokken
15:25 Maar de koning sprak tot Zadok: Breng de ark Gods weder in de stad: is het, dat ik genade vinden zal voor den Heer, zo zal Hij mij wederhalen, en zal mij haar laten wederzien, alsook zijn huis
15:26 maar is het, dat Hij aldus zegt: Ik heb geen welgevallen aan u, --zie hier ben ik, Hij doe met mij gelijk het hem behaagt
15:27 En de koning sprak tot den priester Zadok: O gij ziener, keer terug naar de stad in vrede, en uwe beide zonen met u, Ahimaäz, uw zoon, en Jonathan, de zoon van Abjathar
15:28 Zie, ik wil vertoeven op het vlakke veld in de woestijn, totdat er ene boodschap van ulieden komt om mij bericht te geven
15:29 Alzo brachten Zadok en Abjathar de ark Gods weder naar Jeruzalem, en zij bleven aldaar
15:30 En David ging op langs den Olijfberg en weende, en zijn hoofd was omwonden, en hij ging barrevoets; ook al de lieden, die bij hem waren, hadden het hoofd omwonden en gingen op en weenden
15:31 En toen het aan David gezegd werd, dat Achithófel in het verbond met Absalom was, sprak hij: Heer, maak den raad van Achithófel tot dwaasheid
15:32 En toen David op de hoogte kwam, waar hij gewoon was God te aanbidden, zie, toen ontmoette hem Husaï, de Arkiet, met gescheurd gewaad en aarde op zijn hoofd
15:33 En David sprak tot hem: Is het, dat gij met mij gaat, zo kunt gij mij tot last zijn
15:34 maar zo gij wederkeert naar de stad, en tot Absalom zegt: Ik ben uw knecht, ik wil des konings zijn; ik, die te voren uws vaders knecht was, wil nu uw knecht zijn, --zo kunt gij, mij ten goede, den raadslag van Achithófel te niet doen
15:35 Want Zadok en Abjathar de priesters zijn daar met u; al wat gij horen zult uit des konings huis, dat zult gij aan de priesters Zadok en Abjathar te kennen geven
15:36 Zie, bij hen zijn hunne twee zonen, Ahimaäz, de zoon van Zadok, en Jonathan, de zoon van Abjathar: door dezen kunt gij mij doen weten wat gij horen zult
15:37 Alzo ging Husaï, de vriend van David, naar de stad; en Absalom kwam te Jeruzalem. 2Samuel 1
16:1 En toen David van de hoogte een weinig voorwaarts gegaan was, zie, toen ontmoette hem Ziba, Mefiboseths knecht, met twee gezadelde ezels, en daarop waren tweehonderd broden, honderd koeken rozijnen, en honderd klompen vijgen, en een kruik met wijn
16:2 En de koning sprak tot Ziba: Wat wilt gij daarmede doen? Ziba zeide: De ezels zijn voor het huisgezin des konings om op te rijden, en de broden en vijgen voor de jongelingen om te eten, en de wijn om te drinken, als zij moede worden in de woestijn
16:3 Toen zeide de koning: En waar is de zoon uws heren? Ziba sprak tot den koning Zie, hij blijft te Jeruzalem, want hij zeide: Heden zal het huis Israëls mij het rijk mijns vaders wedergeven
16:4 En de koning sprak tot Ziba: Het zal het uwe zijn al wat Mefiboseth heeft. En Ziba zeide: Ik buig mij neder, laat mij genade vinden in uwe ogen, mijn heer koning
16:5 Toen nu koning David tot aan Bahurim kwam, zie, toen ging van daar uit een man uit het geslacht van Sauls huis, genaamd Simeï, de zoon van Gera; die ging uit en vloekte
16:6 en hij wierp David met stenen, en al de knechten van koning David, terwijl al het volk en al de helden aan zijne rechter [hand] en linkerhand waren
16:7 Simeï nu sprak aldus, toen hij vloekte: Kom uit, kom uit, gij bloedhond, gij ondeugend man
16:8 De Heer heeft u vergolden al het bloed van Sauls huis, dat gij in zijne plaats koning zijt geworden; nu heeft de Heer het rijk gegeven in de hand van uwen zoon Absalom; en zie, nu zijt gij in uw ongeluk, want gij zijt een bloedhond
16:9 En Abisaï, de zoon van Zeruja, sprak tot den koning: Zou deze dode hond mijnen heer den koning vloeken? Ik wil heengaan en hem den kop afslaan
16:10 Doch de koning zeide: Gij kinderen van Zeruja, wat heb ik met u te doen? Laat hij vloeken; want als de Heer hem geboden heeft: Vloek David, wie zal dan zeggen: Waarom doet gij alzo
16:11 En David sprak tot Abisaï en al zijne knechten: Ziet, mijn zoon, die uit mij is voortgekomen, staat mij naar het leven: waarom nu ook niet deze Benjaminiet? Laat hem geworden en dat hij vloeke, daar de Heer het hem geboden heeft
16:12 Misschien zal de Heer mijne ellende aanzien, en mij goed vergelden voor zijn vloeken op dezen dag
16:13 Alzo ging David met zijne lieden op den weg; maar Simeï ging aan de zijde des bergs nevens hem heen, en vloekte, en wierp met stenen naar hem, en bestoof hem met stof
16:14 En de koning kwam vermoeid in het nachtleger met al het volk, dat bij hem was; en aldaar rustte hij uit
16:15 Absalom nu en al het volk, de mannen Israëls, kwamen te Jeruzalem, en Achithófel met hem
16:16 Toen nu Husaï, de Arkiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, sprak hij tot Absalom: Veel geluk, heer koning, veel geluk, heer koning
16:17 Maar Absalom sprak tot Husaï: Is dit uwe liefde voor uwen vriend? Waarom zijt gij niet weggetrokken met uwen vriend
16:18 En Husaï sprak tot Absalom: Niet alzo, maar wien de Heer verkoren heeft, en dit volk, en alle man in Israël, diens wil ik zijn en bij dien blijven
16:19 En wien bied ik nu mijnen tweeden dienst aan? Is het niet aan zijnen zoon? Gelijk ik voor het aangezicht van uwen vader gediend heb, zo wil ik ook voor uw aangezicht zijn
16:20 En Absalom sprak tot Achithófel: Geef raad, wat zullen wij doen
16:21 En Achithófel sprak tot Absalom: Ga tot de bijvrouwen uws vaders, die hij achtergelaten heeft om het huis te bewaren; zo zal geheel Israël horen, dat gij u bij uwen vader in kwaden reuk gebracht hebt, en de handen van allen, die bij u zijn, zullen des te stouter worden
16:22 Toen maakten zij Absalom ene tent op het dak, en Absalom ging tot de bijvrouwen zijns vaders, voor de ogen van geheel Israël
16:23 En als Achithófel een raad gaf, was het in die dagen, alsof men God iets gevraagd had; alzo waren alle raadslagen van Achithófel, zowel bij David als bij Absalom. 2Samuel 1
17:1 En Achithófel sprak tot Absalom: Ik wil twaalf duizend man uitkiezen, dat ik mij opmake en David najage nog dezen nacht
17:2 en ik wil hem overvallen, terwijl hij mat en moede is; als ik hem dan verschrik, dat al het volk, hetwelk bij hem is, vlucht, zo wil ik den koning alleen doden
17:3 en al het volk weder tot u brengen; wanneer dan alle man tot u gebracht is, gelijk gij begeert, zo blijft al het volk in vrede
17:4 Dit dacht Absalom en al den oudsten in Israël goed te zijn
17:5 Doch Absalom sprak: Laat toch Husaï, den Arkiet, ook roepen, opdat wij horen wat hij daarvan zegt
17:6 En toen Husaï tot Absalom kwam, sprak Absalom tot hem: Aldus heeft Achithófel gesproken: zeg gij, zullen wij het doen of niet
17:7 Toen sprak Husaï tot Absalom: Het is geen goede raad, dien Achithófel ditmaal gegeven heeft
17:8 En Husaï sprak verder: Gij kent uwen vader wel en zijne lieden, dat zij sterk zijn, en toornig van gemoed, gelijk ene berin op het veld, van hare jongen beroofd; ook is uw vader een krijgsman, en zal niet overnachten bij het volk
17:9 Zie, hij heeft zich nu misschien ergens verstoken, in een hol of op enige andere plaats. Als het dan gebeurde, dat het in den beginne kwalijk gelukte, en er kwam een gerucht, dat men zeide: Er is ene nederlaag geschied onder het volk, dat Absalom navolgt
17:10 dan zou zelfs versaagd worden wie anders een dapper krijgsman is, en een hart heeft als een leeuw; want geheel Israël weet, dat uw vader sterk is, en dat het krijgslieden zijn, die bij hem zijn
17:11 Maar dit raad ik, dat gij tot u vergadert geheel Israël, van Dan af tot Ber-Séba toe, zoveel als het zand aan de zee; en ga gij zelf mede in den strijd
17:12 Zo zullen wij hem overvallen aan welke plaats wij hem vinden, en zullen ons op hem storten gelijk de dauw op de aarde valt, zodat wij van hem en al zijne mannen niet één overlaten
17:13 en is het, dat hij zich in ene stad vergadert, zo zal geheel Israël koorden tot die stad aandragen, en haar in de vallei nedertrekken, zodat men er niet één steentje van zal vinden
17:14 Toen sprak Absalom en iedereen in Israël: De raad van Husaï, den Arkiet, is beter dan Achithófels raad. Doch de Heer schikte het zo, dat de goede raad van Achithófel verhinderd werd, opdat de Heer ongeluk over Absalom bracht
17:15 En Husaï sprak tot Zadok en Abjathar de priesters: Zó en Zó heeft Achithófel Absalom en den oudsten in Israël geraden, maar ik heb Zó en Zó geraden
17:16 zo zendt nu schielijk heen en laat het aan David te kennen geven, zeggende: Blijf dezen nacht niet op het vlakke veld der woestijn, maar trek [de rivier] over, opdat de koning niet verslonden worde en al het volk, dat bij hem is
17:17 Jonathan nu en Ahimaäz stonden bij de fontein Rogel, en ene dienstmaagd ging heen en zeide het aan hen, opdat zij zouden heengaan en het aan koning David zeggen; want zij durfden zich niet laten zien, noch in de stad komen
17:18 Nochtans zag hen een jongen, en zeide het aan Absalom; doch die beiden gingen schielijk heen, en kwamen in het huis van een man te Bahurim, die een put in zijn voorhof had, en daarin daalden zij af
17:19 en de vrouw nam een deksel en spreidde het over den mond van den put, en strooide gort daarover, opdat men het niet merken zou
17:20 Toen nu Absaloms knechten tot de vrouw in het huis kwamen, spraken zij: Waar zijn Ahimaäz en Jonathan? En de vrouw sprak tot hen: Zij gingen over dat beekje. En toen zij zochten en hen niet vonden, gingen zij weder naar Jeruzalem
17:21 En toen zij weg waren, klommen zij uit den put en gingen heen, en zeiden het aan David den koning, en spraken tot David: Maak u op en gaat schielijk over de rivier; want Zó en Zó heeft Achithófel aangaande u geraden
17:22 Toen maakte David zich op, en al het volk, dat bij hem was, en zij trokken den Jordaan over, totdat het des morgens licht werd; en er ontbrak niet één, die den Jordaan niet was overgetrokken
17:23 Toen nu Achithófel zag, dat zijn raad niet doorgegaan was, zadelde hij zijnen ezel, maakte zich op en trok naar zijn huis in zijne stad, en maakte beschikkingen aangaande zijn huis, en verhing zich: alzo stierf hij, en werd begraven in zijns vaders graf
17:24 En David kwam te Mahanaïm; en Absalom trok den Jordaan over, en alle mannen Israëls met hem
17:25 En Absalom had Amasa in Joabs plaats gesteld over het heir: Amasa nu was de zoon van een man, genaamd Jithra, een Israëliet, die gehuwd was geweest met Abigaïl, de dochter van Nahas, de zuster van Zeruja, Joabs moeder
17:26 En Israël en Absalom legerden zich in Gilead
17:27 En toen David te Mahanaïm gekomen was, brachten Sobi, de zoon van Nahas, uit Rabba der kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiël, uit Lodebar, en Barzillaï, de Gileadiet uit Rogelim
17:28 matrassen, bekkens, aarden vaten, tarwe, gerst, meel, geroost koren, bonen, linzen, gort
17:29 honig, boter, schapen en koeienkazen tot David en tot het volk, dat bij hem was, om te eten; want, dachten zij, dit volk zal hongerig, moede en dorstig zijn in de woestijn. 2Samuel 1
18:1 En David monsterde het volk, dat bij hem was, en hij stelde over hen hoofdlieden over duizend en over honderd aan
18:2 en hij zond een derde deel van het volk uit onder Joab, en een derde deel onder Abisaï, den zoon van Zeruja, Joabs broeder, en een derde deel onder Ittaï, den Gethiet. En de koning sprak tot het volk: Ik wil ook met ulieden uittrekken
18:3 Maar het volk sprak: Gij zult niet uittrekken; want indien wij vluchten moesten, en al werd de helft van ons gedood, zo zullen zij zich dat niet aantrekken; maar gij zijt als tien duizend van ons; zo is het nu beter, dat gij ons uit de stad te hulp kunt komen
18:4 Toen zeide de koning tot hen: Wat u behaagt, dat zal ik doen. En de koning trad aan de poort, en al het volk trok uit bij honderden en bij duizenden
18:5 En de koning gebood Joab en Abisaï en Ittaï, zeggende: Handelt toch zacht met den jongeling Absalom. En al het volk hoorde het, toen de koning aan alle hoofdlieden gebood aangaande Absalom
18:6 En toen het volk uitkwam op het veld, Israël te gemoet, ontstond de strijd in het woud van Efraïm
18:7 En het volk Israël werd aldaar geslagen door Davids knechten, zodat op dien dag aldaar ene grote slachting geschiedde van twintig duizend man
18:8 en de strijd breidde zich aldaar uit over het ganse land, en het woud verslond veel meer volk op dien dag dan het zwaard verslond
18:9 En Absalom ontmoette Davids knechten, en hij reed op een muilezel. En toen de muilezel onder een groten dikken eik kwam, bleef zijn hoofd aan den eik hangen, en hij zweefde tussen hemel en aarde, en zijn muilezel liep onder hem weg
18:10 Toen een man dat zag, zeide hij het aan Joab en sprak: Zie, ik zag Absalom aan een eik hangen
18:11 En Joab sprak tot den man, die het aan hem gezegd had: Zie, zaagt gij dat, waarom sloegt gij hem aldaar niet ter aarde? Dan zou ik u van mijnentwege tien zilverlingen en een gordel gegeven hebben
18:12 Doch de man sprak tot Joab: En al had ik ook duizend zilverlingen in mijne hand mogen wegen, zo zou ik toch mijne hand niet gelegd hebben aan des konings zoon; want de koning gebood u en Abisaï en Ittaï voor onze oren, zeggende: Wacht u, dat niet iemand den jongeling Absalom leed doe
18:13 Of indien ik iets trouweloos gedaan had tegen zijn leven, dewijl voor den koning niets verborgen wordt, zoudt gij zelf mij tegengestaan hebben
18:14 Doch Joab zeide: Ik kan zolang niet bij u vertoeven. Toen nam Joab drie spiesen in zijne hand, en stiet ze Absalom in het hart, toen hij nog leefde aan den eik
18:15 En tien jongelingen, Joabs wapendragers, omringden hem en sloegen hem dood
18:16 Toen blies Joab de bazuin, en bracht het volk weder, dat het Israël niet verder najoeg; want Joab wilde het volk sparen
18:17 En zij namen Absalom en wierpen hem in het woud in een groten kuil, en legden een zeer groten hoop stenen op hem; en geheel Israël vluchtte, ieder naar zijne hut
18:18 Absalom nu had zich ene zuil opgericht, toen hij nog leefde, die staat in het Koningsdal; want hij zeide: Ik heb geen zoon, daarom zal dit mijns naams gedachtenis zijn. En hij noemde die zuil naar zijnen naam, en zij heet ook tot op dezen dag: Absaloms gedenkteken
18:19 Toen zeide Ahimaäz, Zadoks zoon: Laat mij toch heenlopen en den koning verkondigen, dat de Heer hem recht gedaan heeft van de hand zijner vijanden
18:20 Maar Joab sprak tot hem: Gij brengt heden geen goede boodschap; op een anderen dag zult gij boodschap brengen, maar heden niet, want des konings zoon is dood
18:21 En Joab zeide tot Kuschi: Ga heen en zeg aan den koning wat gij gezien hebt. En Kuschi boog zich voor Joab en liep
18:22 Doch Ahimaäz, Zadoks zoon, sprak wederom tot Joab: Hoe, zo ik ook Kuschi achternaliep? Doch Joab zeide: Wat wilt gij lopen, mijn zoon? Kom hier, gij zult geen goede boodschap brengen
18:23 --Hoe, zo ik liep? --En hij sprak tot hem: Welnu, loop dan. Alzo liep Ahimaäz den weg van het effen veld, en kwam Kuschi vooruit
18:24 David nu zat tussen de twee poorten; en de wachter ging op het dak der poorten aan den muur, en hief zijne ogen op en zag een man alleen lopen
18:25 En hij riep en zeide het aan den koning; en de koning sprak: Is hij alleen, dan is er ene goede boodschap in zijnen mond. En toen hij al gaandeweg naderbij kwam
18:26 zag de wachter een anderen man lopen, en riep in de poort, en sprak: Zie, nog een man loopt alleen. En de koning zeide: Dat is ook een goede bode
18:27 De wachter sprak: Ik zie den loop des eersten aan voor den loop van Ahimaäz, den zoon van Zadok. En de koning zeide: Dat is een goed man, en hij brengt ene goede boodschap
18:28 Ahimaäz nu riep en sprak tot den koning: Vrede! en hij boog zich voor den koning op zijn aangezicht ter aarde en sprak: Geloofd zij de Heer, uw God, die de lieden, welke hunne hand tegen mijnen heer den koning ophieven, overgegeven heeft
18:29 En de koning sprak: Gaat het den jongeling Absalom wél? En Ahimaäz zeide: Ik zag een groot rumoer, toen des konings knecht Joab, mij, uwen knecht, afzond, en ik weet niet wat het was
18:30 De koning zeide: Ga herwaarts en blijf staan. En hij ging daarheen en stond aldaar
18:31 Zie, toen kwam Kuschi en sprak: Ik breng goede boodschap, mijn heer koning: de Heer heeft u heden recht gedaan van de hand van allen, die tegen u opstonden
18:32 En de koning sprak tot Kuschi: Gaat het den jongeling Absalom wél? En Kuschi zeide: Het moet allen vijanden van mijnen heer den koning gaan zoals dien jongeling, en allen die tegen u opstaan om kwaad te doen
18:33 Toen werd de koning treurig, en ging opwaarts naar de opperzaal in de poort en weende, en in het heengaan sprak hij aldus: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Gave God, dat ik voor u gestorven ware, o Absalom, mijn zoon, mijn zoon! 2Samuel 1
19:1 En men gaf Joab te kennen: Zie, de koning weent en draagt rouw over Absalom
19:2 En de overwinning werd op dien dag tot een rouw onder het gehele volk; want het volk had op dien dag gehoord, dat de koning over zijnen zoon treurde
19:3 En het volk kwam op dien dag steelsgewijze in de stad, gelijk een volk binnensluipt, dat te schande geworden is, als het in den strijd gevlucht is
19:4 De koning nu had zijn aangezicht bedekt, en riep overluid: Ach mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon
19:5 Toen kwam Joab tot den koning in het huis, en sprak: Gij hebt heden al uwe knechten schaamrood gemaakt, die heden het leven van u, van uwe zonen, van uwe dochters, van uwe vrouwen en van uwe bij vrouwen gered hebben
19:6 omdat gij liefhebt wie u haten en haat wie u liefhebben; want gij toont heden, dat u niets gelegen is aan de hoofdlieden en de krijgsknechten; want ik merk heden wel, dat, indien Absalom maar leefde, en wij allen heden dood waren, het u dunken zou recht te zijn
19:7 Zo sta nu op, en ga uit, en spreek vriendelijk met uwe knechten; want ik zweer u bij den Heer, zo gij niet uitgaat, er zal geen man dezen nacht bij u blijven: dit zal u erger zijn dan al het kwaad, dat u overkomen is van uwe jeugd af tot nu toe
19:8 Toen stond de koning op en zette zich in de poort; en men zeide aan het volk: Zie, de koning zit in de poort. Toen kwam al het volk voor den koning. Israël nu was gevlucht, ieder naar zijne hut
19:9 En al het volk in al de stammen van Israël twistte, zeggende: De koning heeft ons gered uit de hand onzer vijanden en verlost uit de hand der Filistijnen, en heeft uit het land moeten vluchten voor Absalom
19:10 Nu is Absalom, dien wij over ons gezalfd hadden, gestorven in den strijd: waarom zijt gijlieden nu zo stil, dat gij den koning niet terughaalt
19:11 Toen zond de koning tot Zadok en Abjathar de priesters, en liet hun zeggen: Spreekt met de oudsten van Juda, zeggende: Waarom zoudt gij de laatsten zijn om den koning terug te halen naar zijn huis? Want wat geheel Israël gezegd had, was tot den koning gekomen in zijn huis
19:12 Gij zijt mijne broeders, mijn gebeente en mijn vlees: waarom wilt gij dan de laatsten zijn om den koning terug te halen
19:13 En zegt tot Amasa: Zijt gij niet mijn gebeente en mijn vlees? God doe mij dit en dat, zo gij niet mijn krijgsoverste zult zijn uw leven lang, in Joabs plaats
19:14 En hij neigde het hart van alle mannen van Juda als van een éénig man; en zij zonden heen tot den koning, [zeggende]: Kom terug, gij en al uwe knechten
19:15 Alzo kwam de koning terug. En toen hij aan den Jordaan kwam, waren de mannen van Juda te Gilgal gekomen, om den koning te gemoet te gaan en den koning over den Jordaan te voeren
19:16 En Simeï, de zoon van Gera, de Benjaminiet, die te Bahurim woonde, haastte zich en trok met de mannen van Juda af, koning David te gemoet
19:17 En duizend mannen waren met hem uit Benjamin; alsook Ziba, de knecht uit het huis van Saul, met zijne vijftien zonen en twintig knechten; en zij trokken vaardig over den Jordaan voor den koning uit
19:18 en maakten een vlot om het hofgezin des konings over te voeren, teneinde te doen wat hem behaagde. En Simeï, de zoon van Gera, viel voor den koning neder, toen deze den Jordaan overtrok
19:19 en hij sprak tot den koning: Mijn heer rekene mij de misdaad niet toe, en bedenke niet, dat uw knecht u beleedigde op den dag, toen mijn heer de koning uit Jeruzalem ging, en de koning neme het niet ter harte
19:20 Want uw knecht bekent, ja ik heb gezondigd; en zie, ik ben heden het eerste gekomen van het gehele huis van Jozef, om af te trekken mijnen heer den koning te gemoet
19:21 Abisaï nu, de zoon van Zeruja, antwoordde en sprak: Zou Simeï daarom niet sterven, daar hij immers den gezalfde des Heren gevloekt heeft
19:22 Doch David zeide: Wat heb ik met u te doen, gij kinderen van Zeruja, dat gij mij heden ten satan wilt worden? Zou heden iemand sterven in Israël? Meent gij, dat ik niet weet, dat ik heden koning over Israël geworden ben
19:23 En de koning sprak tot Simeï: Gij zult niet sterven. En de koning zwoer hem dit
19:24 Ook Mefiboseth, de zoon van Saul, kwam af, den koning te gemoet; en hij had zijne voeten niet schoongemaakt, noch zijnen baard geschoren, noch zijne klederen gewassen, van den dag af, dat de koning weggegaan was, tot den dag toe, dat hij in vrede wederkwam
19:25 Toen hij nu te Jeruzalem kwam om den koning te ontmoeten, sprak de koning tot hem: Waarom zijt gij niet met mij getrokken, Mefiboseth
19:26 En hij sprak: Mijn heer koning, mijn knecht heeft mij bedrogen; want uw knecht dacht: Ik wil een ezel zadelen, en daarop rijden en tot den koning trekken; want uw knecht is lam
19:27 Daarenboven heeft hij uwen knecht valschelijk beticht bij mijnen heer den koning; doch mijn heer de koning is als een engel Gods; doe dan wat u behaagt
19:28 Want het ganse huis mijns vaders waren niet dan mannen des doods voor mijnen heer den koning, en echter hebt gij uwen knecht geplaatst onder degenen, die aan uwe tafel eten: wat behoef ik dan meer rechtvaardiging, of verder tot den koning te roepen
19:29 Toen sprak de koning tot hem: Wat spreekt gij nog verder van uwe zaken? Ik heb gezegd, dat gij en Ziba den akker zult delen
19:30 En Mefiboseth sprak tot den koning: Hij neme dien vrij geheel voor zich, nu mijn heer de koning in vrede te huis gekomen is
19:31 En Barzillaï, de Gileadiet, kwam af van Rogelim, en trok met den koning over den Jordaan, om hem over den Jordaan te geleiden
19:32 En Barzillaï was zeer oud, wel tachtig jaar; die had den koning verzorgd, terwijl hij te Mahanaïm was, want hij was een zeer vermogend man
19:33 En de koning sprak tot Barzillaï: Gij zult met mij overtrekken, ik wil u bij mij te Jeruzalem verzorgen
19:34 Maar Barzillaï sprak tot den koning: Wat is het, dat ik nog te leven heb, dat ik met den koning zou optrekken naar Jeruzalem
19:35 Ik ben heden tachtig jaar oud: hoe zou ik onderscheiden wat goed of kwaad is, of smaak hebben van hetgeen ik eet en drink, of horen wat de zangers en zangeressen zingen? Waarom zou uw knecht mijnen heer den koning verder tot last zijn
19:36 Uw knecht zal nog een weinig met den koning over den Jordaan gaan, doch waarom zou de koning mij zulk ene vergelding doen
19:37 Laat uw knecht weder omkeren, opdat ik sterve in mijne stad, bij het graf mijns vaders en mijner moeder. Zie, daar is uw knecht Kimham, laat die met mijnen heer den koning overtrekken, en doe hem wat u behaagt
19:38 En de koning sprak: Kimham zal met mij overtrekken, en ik zal hem doen wat u behaagt, en al wat gij van mij verzoekt zal ik voor u doen
19:39 En toen al het volk over den Jordaan gegaan was, en de koning ook, omhelsde de koning Barzillaï en zegende hem, en hij keerde weder naar zijne plaats
19:40 En de koning trok over naar Gilgal, en Kimham trok met hem. En al het volk van Juda had den koning overgevoerd, doch van het volk van Israël was er slechts de helft
19:41 En zie, toen kwamen al de mannen Israëls tot den koning, en spraken tot hem: Waarom hebben onze broeders, de mannen van Juda, u gestolen en den koning en zijn huis over den Jordaan gevoerd, en al de mannen van David met hem
19:42 Toen antwoordden die van Juda aan die van Israël: De koning is aan ons verwant; waarom zijt gij daarover toornig? Meent gij, dat wij van den koning kost of geschenken ontvangen hebben
19:43 Doch die van Israël antwoordden aan die van Juda en spraken: Wij hebben tien delen meer aan den koning, alsook aan David, dan gijlieden: waarom hebt gij ons dan zo gering geacht, dat de onzen niet de eersten geweest zijn om onzen koning te halen? Maar die van Juda spraken heftiger dan die van Israël. 2Samuel 2
20:1 En er was een zeer ondeugend man, genaamd Seba, de zoon van Bichri, een Benjaminiet; die blies de bazuin, en sprak: Wij hebben geen deel aan David, noch erve aan den zoon van Isaï: ieder begeve zich naar zijne hut, o Israël
20:2 Toen viel alle man in Israël van David af, en volgde Seba, den zoon van Bichri; doch de mannen van Juda hingen hunnen koning aan, van den Jordaan af tot Jeruzalem toe
20:3 Toen nu koning David in zijn huis te Jeruzalem kwam, nam hij de tien bijvrouwen, die hij achtergelaten had om het huis te bewaren, en stelde haar in bewaring, en verzorgde haar, maar hij ging niet tot haar; en zij waren alzo opgesloten tot aan haren dood, en leefden als weduwen
20:4 En de koning sprak tot Amasa: Roep mij al de mannen in Juda te zamen op den derden dag, en gij zult ook hier staan
20:5 En Amasa ging heen om Juda bijeen te roepen; doch hij vertoefde boven den tijd, dien hij hem gesteld had
20:6 Toen sprak David tot Abisaï: Nu zal Seba, de zoon van Bichri, ons meer leed doen dan Absalom. Neem gij de knechten uws heren en jaag hem na, opdat hij nergens vaste steden voor zich vinde en ontkome uit onze ogen
20:7 Toen trokken uit, hem achterna, Joabs mannen, alsook de Krethi en Plethi, en al de helden; en zij trokken uit van Jeruzalem om Seba, den zoon van Bichri, na te jagen
20:8 Toen zij nu bij den groten steen te Gibeon kwamen, kwam Amasa voor hun aangezicht. Joab nu was omgord over zijn kleed, hetwelk hij om had, en had er een zwaard over gegord, dat hing op zijne heup in de schede, en dat ging gemakkelijk uit en in
20:9 En Joab sprak tot Amasa: Vrede zij met u, mijn broeder! En Joab vatte met zijne rechterhand Amasa bij den baard om hem te kussen
20:10 En Amasa gaf geen acht op het zwaard in Joabs hand; en hij stak hem daarmede in den buik, zodat zijn ingewand ter aarde werd uitgestort; en hij gaf hem geen steek meer, want hij was dood. Joab nu en zijn broeder Abisaï joegen Seba den zoon van Bichri achterna
20:11 En een van Joabs knechten bleef bij hem staan en sprak: Wie is er, die Joab liefheeft, en die voor David is, die volge Joab
20:12 Amasa nu lag in zijn bloed gewenteld midden op de straat; en toen die man zag, dat al het volk daar staan bleef, deed hij Amasa van de straat wegbrengen naar het veld, en wierp klederen op hem, vermits hij zag, dat al wie daarbij kwam stil bleef staan
20:13 Toen hij nu van de straat weggenomen was, volgde iedereen Joab, om Seba, den zoon van Bichri, na te jagen
20:14 En hij trok door al de stammen van Israël, naar Abel-Beth-Maächa en door geheel Berim; en zij verzamelden zich en volgden hem
20:15 En zij kwamen en belegerden hem te Abel-Beth-Maächa, en wierpen een bolwerk op tegen de stad, hetwelk reikte tot aan den muur; en al het volk, dat met Joab was, liep storm, en wilde den muur nederwerpen
20:16 Toen riep ene wijze vrouw uit de stad: Hoort, hoort, zegt tot Joab, dat hij hier kome; ik wil met hem spreken
20:17 En toen hij tot haar kwam, sprak de vrouw: Zijt gij Joab? Hij zeide: Ja. En zij sprak tot hem: Hoor de woorden van uwe dienstmaagd. En hij zeide: Ik hoor
20:18 En zij zeide: Eertijds sprak men: Wie vragen wil, die vrage te Abel; en dan ging het wél
20:19 Ik ben een der vreedzame en getrouwe [steden] in Israël. Wilt gij de stad doden, ene moeder in Israël? Waarom wilt gij het erfdeel des Heren vernielen
20:20 Toen antwoordde Joab en sprak: Het zij verre, het zij verre van mij, dat ik zou vernielen en verderven
20:21 het is er zo niet mede gelegen; maar een man van het gebergte van Efraïm, genaamd Seba, de zoon van Bichri, is opgestaan tegen koning David: geeft hem alleen over, zo zal ik van de stad aftrekken. Toen zeide de vrouw tot Joab: Zie, zijn hoofd zal tot u over den muur geworpen worden
20:22 En de vrouw kwam in tot al het volk met hare wijsheid; en zij hieuwen Seba, den zoon van Bichri, het hoofd af, en wierpen het Joab toe. Toen blies hij de bazuin, en zij verstrooiden zich van de stad, ieder naar zijne hut, en Joab kwam weder naar Jeruzalem tot den koning
20:23 Joab nu was over het gehele heir van Israël, en Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi
20:24 Adoram was rentmeester, Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier
20:25 Seja was schrijver, Zadok en Abjathar waren priesters
20:26 ook was Ira, de Jaïriet, Davids staatsdienaar. 2Samuel 2
21:1 En er was in Davids dagen ene duurte, drie jaren na elkander, en David zocht het aangezicht des Heren en de Heer sprak: Het is om Saul en zijn bloedhuis, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft
21:2 Toen liet de koning de Gibeonieten roepen en sprak tot hen; de Gibeonieten nu waren niet van de kinderen Israëls, maar overgebleven van de Amorieten; maar ofschoon de kinderen Israëls hun gezworen hadden, zocht Saul hen echter te verslaan in zijnen ijver voor de kinderen van Israël en Juda
21:3 David dan sprak tot de Gibeonieten: Wat zal ik voor u doen, en waarmede zal ik u verzoenen, dat gij het erfdeel des Heren zegent
21:4 En de Gibeonieten zeiden tot hem: Het is ons niet om goud of zilver te doen met Saul en zijn huis, en het is ons niet te doen om iemand te doden in Israël. En hij sprak: Wat zegt gij dan, dat ik voor u doen zal
21:5 Toen zeiden zij tot den koning: Den man, die ons verdorven en te niet gemaakt heeft, zullen wij verdelgen, zo dat er voor hem niets overblijft in al de grenspalen van Israël
21:6 Geef ons zeven mannen uit zijn huis, opdat wij die ophangen voor den Heer te Gibea Sauls, den uitverkorene des Heren. En de koning sprak: Ik zal hen geven
21:7 De koning nu verschoonde Mefiboseth, den zoon van Jonathan, Sauls zoon, om den eed des Heren, die tussen hen was, namelijk tussen David en Jonathan, den zoon van Saul
21:8 Maar de koning nam de twee zonen van Rizpa, de dochter van Ajja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; alsook de vijf zonen van Michals [zuster], Sauls dochter, die zij gebaard had aan Adriël, den zoon van Barzillaï den Meholathiet
21:9 en hij gaf hen in de hand der Gibeonieten, die hingen hen op den berg voor den Heer. Alzo vielen deze zeven op eenmaal, en werden gedood in de eerste dagen van den oogst, het begin van den gerstenoogst
21:10 Toen nam Rizpa, de dochter van Ajja, een zak, en spreidde dien op de steenrots, in het begin van den oogst, totdat er water van den hemel op hen droop; en zij liet des daags de vogelen des hemels niet op hen rusten, noch des nachts de dieren des velds
21:11 En het werd aan David gezegd wat Rizpa, de dochter van Ajja, Sauls bijvrouw, gedaan had
21:12 En David ging heen en nam Sauls gebeente, en het gebeente van diens zoon Jonathan, van de burgers van Jabes in Gilead, die ze van de straat te Beth-San gestolen hadden, waar de Filistijnen hen hadden opgehangen, ten dage toen de Filistijnen Saul versloegen op den berg Gilbóa
21:13 En hij bracht de beenderen van daar opwaarts, en zij vergaderden ze te zamen met de beenderen der opgehangenen
21:14 en zij begroeven het gebeente van Saul en van zijnen zoon Jonathan in het land Benjamin te Zela, in het graf van Kis zijnen vader, en deden alles zoals de koning geboden had. Alzo werd God na dezen met het land weder verzoend
21:15 En er ontstond weder een oorlog van de Filistijnen tegen Israël; en David trok af, en zijne knechten met hem, en zij streden tegen de Filistijnen, en David werd zeer vermoeid
21:16 En Jisbibenob, een der kinderen van Rafa, het gewicht van diens spies was driehonderd sikkels aan koper, en die nieuwe wapenen had, die dacht David te verslaan
21:17 doch Abisaï, de zoon van Zeruja, hielp hem, en sloeg den Filistijn dood. Toen bezwoeren Davids mannen hem, zeggende: Gij zult niet meer met ons uittrekken in den strijd, opdat het licht in Israël niet uitgeblust worde
21:18 Daarna verhief zich nog een strijd tegen de Filistijnen te Gob; toen versloeg Sibbechaï, de Husathiet, Saf, die ook een der kinderen van Rafa was
21:19 En er ontstond te Gob nog een strijd tegen de Filistijnen; toen versloeg Elhanan, de zoon van Jaäré-Oregim, de Bethlemiet, Goliath den Gethiet, die ene spies had welker schacht was als een weversboom
21:20 En er verhief zich nog een strijd te Gath; en er was een lang man, die had zes vingers aan zijne handen en zes tenen aan zijne voeten, dat is vierentwintig in getal, en hij stamde ook af van Rafa
21:21 En toen hij Israël hoonde, versloeg hem Jonathan, de zoon van Simea, Davids broeder
21:22 Deze vier waren nog afstammelingen van Rafa te Gath, en zij vielen door de hand van David en van zijne knechten. 2Samuel 2
22:1 En David sprak tot den Heer de woorden van dit lied, ten tijde dat de Heer hem gered had uit de hand van al zijne vijanden en uit Sauls hand
22:2 en hij sprak aldus: De Heer is mijn steenrots, mijn burg en mijn verlosser
22:3 God is mijn rots, opwelke ik betrouw: mijn schild en de hoorn mijns heils, mijn bescherming en mijn toevlucht, mijn heiland, Gij die mij verlost van geweld
22:4 Ik wil den Heer loven en aanroepen, zo zal ik van mijne vijanden verlost worden
22:5 Want de baren des doods omgaven mij, en beken Belials verschrikten mij
22:6 banden der hel omvingen mij, en strikken des doods overweldigden mij
22:7 Als ik beangst was, riep ik den Heer aan, en riep tot mijnen God: zo verhoorde Hij mijne stem uit zijnen tempel, en mijn geroep kwam Hem tot zijne oren
22:8 De aarde beefde en werd bewogen, de grondvesten des hemels sidderden; zij daverden, toen Hij toornig was
22:9 Damp ging op uit zijnen neus, en verterend vuur uit zijnen mond: brandende kolen gingen van Hem uit
22:10 Hij boog den hemel en daalde neder, en donkerheid was onder zijne voeten
22:11 En Hij voer op een cherub en vloog daarheen, en Hij zweefde op de vleugelen des winds
22:12 Zijne tent rondom Hem was duisternis en zwarte, dikke wolken
22:13 Van den glans voor Hem brandde het als met bliksemstralen
22:14 De Heer donderde van den hemel, en de Allerhoogste verhief zijne stem
22:15 Hij schoot zijne pijlen en verstrooide ze; Hij liet het bliksemen en verschrikte ze
22:16 Toen zag men de kolken der zee, en de grond des aardbodems werd ontbloot door het dreigen des Heren, door den adem en het snuiven van zijnen neus
22:17 Hij greep uit de hoogte en nam mij op, en trok mij uit grote wateren
22:18 Hij verloste mij van mijne sterke vijanden, van mijne haters, die mij te machtig waren
22:19 die mij overweldigden ten tijde mijns ongevals; maar de Heer werd mijn steun
22:20 Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit; want Hij had lust aan mij
22:21 De Heer doet wél aan mij naar mijne gerechtigheid, Hij vergeldt mij naar de reinheid mijner handen
22:22 want ik houd des Heren wegen, en ben niet goddeloos tegen mijnen God
22:23 Want al zijne rechten heb ik voor ogen, en zijne geboden werp ik niet van mij
22:24 Ik ben oprecht voor Hem, en wacht mij voor zonde
22:25 Daarom vergeldt de Heer mij naar mijne gerechtigheid, naar mijne reinheid voor zijne ogen
22:26 Bij den heilige zijt Gij heilig, bij den vrome zijt Gij vroom
22:27 bij den reine zijt Gij rein, en bij den verkeerde zijt Gij verkeerd
22:28 Want Gij helpt het ellendige volk, en met uwe ogen vernedert Gij de trotsen
22:29 Gij, Heer, zijt mijn licht; de Heer maakt mijne duisternis licht
22:30 Ja, met U kan ik krijgsvolk verslaan en met mijnen God over muren springen
22:31 Gods wegen zijn volkomen, de woorden des Heren zijn doorlouterd; Hij is een schild voor allen, die op hem vertrouwen
22:32 Want waar is een God behalve de Heer, en waar is een steenrots behalve onze God
22:33 God sterkt mij met kracht, en wijst mij een volkomen weg
22:34 Hij maakt mijne voeten als die der herten, en stelt mij op mijne hoogten
22:35 Hij leert mijne handen strijden, en mijnen arm een stalen boog spannen
22:36 En Gij geeft mij het schild uws heils; en als Gij mij verootmoedigt, maakt Gij mij groot
22:37 Gij maakt ruimte onder mijnen voetstap, en mijne enkels, dat zij niet wankelen
22:38 Ik wil mijne vijanden najagen en hen verdelgen, en ik zal niet omkeren, totdat ik hen geheel heb omgebracht
22:39 Ik wil hen ombrengen en verslaan, en zij zullen niet weder opstaan; zij moeten onder mijne voeten vallen
22:40 Gij kunt mij toerusten met sterkte tot den strijd, Gij kunt aan mij onderwerpen wie zich tegen mij stellen
22:41 Gij geeft mij mijne vijanden in de vlucht, dat ik verdelg die mij haten
22:42 Zij zien rondom, doch er is geen helper, naar den Heer, maar Hij antwoordt hun niet
22:43 Ik wil hen in stukken stoten als stof op de aarde, als slijk op de straat wil ik hen vergruizen en verstrooien
22:44 Gij redt mij uit de twisten mijns volks, en bewaart mij tot een hoofd onder de volken; een volk, hetwelk ik niet kende, dient mij
22:45 Vreemden onderwerpen zich geveinsdelijk aan mij; en zij gehoorzamen mij met gehoorzame oren
22:46 Vreemden zijn versmacht, en komen sidderend uit hunne vestingen
22:47 De Heer leeft, en geloofd zij mijn rots; God, de rots mijns heils, moet verheven worden
22:48 de God, die mij de wraak geeft, en de volken onder mij werpt
22:49 Hij helpt mij uit van mijne vijanden. Gij verhoogt mij boven degenen, die zich tegen mij stellen, Gij verlost mij van den geweldenaar
22:50 Daarom zal ik U danken, Heer, onder de volken, en uwen naam lofzingen
22:51 die zijnen koning groot heil betoont, en barmhartigheid bewijst aan zijnen gezalfde, aan David en zijn zaad eeuwiglijk. 2Samuel 2
23:1 Dit zijn Davids laatste woorden. David, de zoon van Isaï sprak, de man, die hoog verheven is, de gezalfde van Jakobs God, liefelijk in psalmen Israëls, sprak
23:2 De Geest des Heren heeft door mij gesproken, en zijne rede is door mijne tong geschied
23:3 De God Israëls heeft tot mij gesproken, de steenrots Israëls, heeft mij beloofd: [Er zal zijn] een rechtvaardig heerser onder de mensen, een heerser in de vreze Gods
23:4 en [hij zal zijn] gelijk het licht van den morgen, als de zon opgaat, van een morgen zonder wolken, wanneer van den glans na den regen het gras uit de aarde wast
23:5 Want is mijn huis niet alzo bij God? Want Hij heeft met mij een verbond gemaakt, dat eeuwig en in alles welgeordend is en onderhouden wordt. Al mijn heil en mijn begeren zal Hij laten wassen
23:6 Maar de boosdoeners zijn altemaal als weggeworpen distels, die men met de hand niet vatten kan
23:7 maar wie ze aangrijpen wil, die moet ijzer en een speerhout in zijne hand hebben; en zij zullen met vuur verbrand worden terzelfder plaats
23:8 Dit zijn de namen van Davids helden. --Jasobeam, de zoon van Tachkemoni, de voornaamste onder de ridders, die zijne spies ophief en achthonderd versloeg in één veldslag
23:9 Na hem was Eleazar, de zoon van Dodi, de zoon van Ahohi, onder de drie helden, die met David waren, toen zij tot hoon der Filistijnen spraken, die aldaar vergaderd waren tot den strijd, en de mannen van Israël [tegen hen] waren opgetrokken
23:10 Toen stond hij op en versloeg de Filistijnen, totdat zijne hand vermoeid aan het zwaard verstijfde; en de Heer gaf ene grote overwinning op dien dag, zodat het volk omkeerde achter hem aan, om te roven
23:11 Na hem was Samma, de zoon van Age, den Harariet. Toen de Filistijnen zich vergaderden tot een hoop, en aldaar een stuk akker vol linzen was, en het volk voor de Filistijnen vluchtte
23:12 toen trad hij in het midden van dien akker en verloste dien, en versloeg de Filistijnen, en God gaf ene grote overwinning
23:13 En deze drie voornaamsten onder de dertig kwamen in den oogst tot David naar de spelonk van Adullam; en de bende der Filistijnen lag in de vallei Refaïm
23:14 En David was op dien tijd op ene veilige plaats, en het volk der Filistijnen lag te Bethlehem
23:15 En David kreeg lust en sprak: Wie wil mij te drinken halen van het water uit den put te Bethlehem onder de poort
23:16 Toen braken de drie helden door het leger der Filistijnen, en schepten van het water uit den put te Bethlehem onder de poort, en droegen het, en brachten het tot David. Doch hij wilde het niet drinken, maar goot het uit voor den Heer
23:17 en sprak: Dit late de Heer verre van mij zijn, dat ik dit zou doen! Is het niet het bloed der mannen, die hun leven gewaagd hebben en daarheen gegaan zijn? En hij wilde het niet drinken. Dit deden die drie helden
23:18 En Abisaï, Joabs broeder, de zoon van Zeruja, was aan het hoofd van de ridders, en hij hief zijne spies op en versloeg driehonderd; en hij was beroemd onder die drie
23:19 en hij was de vermaardste van dit drietal, en hun overste; maar hij bereikte niet de [eerste] drie
23:20 Voorts Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dapper man, die groot van daden was, uit Kabzeël; die versloeg twee leeuwen der Moabieten; ook ging hij af en doodde een leeuw in een kuil in den sneeuwtijd
23:21 Ook versloeg hij een Egyptischen man van aanzien, die had ene spies in zijne hand; en hij ging tot hem af met een stok, en rukte den Egyptenaar de spies uit de hand, en doodde hem met zijn eigen spies
23:22 Dit deed Benaja de zoon van Jojada; en hij was beroemd onder de drie helden
23:23 en meer vermaard dan de dertig; maar hij bereikte niet de [eerste] drie. En David benoemde hem in zijnen geheimen raad. Onder de dertig waren
23:24 Asaël, Joabs broeder; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem
23:25 Samma de Harodiet; Elika de Harodiet
23:26 Helez de Paltiet; Ira de zoon van Ikes, de Tekoïet
23:27 Abiëzer de Annethothiet; Mebunnaï de Husathiet
23:28 Zalmon de Ahohiet; Maharai de Netofathiet
23:29 Heleb de zoon van Baëna, de Netofathiet; Ittaï, de zoon van Ribaï, uit Gibea der kinderen Benjamins
23:30 Benaja de Pirathoniet; Hiddaï uit de valleien van Gaäs
23:31 Abialbon de Arbathiet; Azmáveth de Barhumiet
23:32 Eljachba de Saälboniet; de kinderen van Jasen en Jonathan
23:33 Samma de Harariet; Ahiam de zoon van Sarar, de Harariet
23:34 Elifélet, de zoon van Ahasbaï, den zoon van een Maächathiet; Eliam de zoon van Achithófel, de Giloniet
23:35 Hezraï de Karmeliet; Paërai de Arbiet
23:36 Jigal, Nathans zoon, uit Zoba; Bani de Gadiet
23:37 Zelek de Ammoniet; Naharaï de Beërothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja
23:38 Ira de Jethriet; Gareb de Jethriet
23:39 en Uría de Hethiet: zevenendertig in 't geheel. 2Samuel 2
24:1 En de toorn des Heren ontstak wederom tegen Israël, en hij spoorde David aan tegen hen, zeggende: Ga heen, tel Israël en Juda
24:2 En de koning sprak tot Joab, zijnen krijgsoverste: Ga rondom in al de stammen Israëls, van Dan tot Berséba, en tel het volk, opdat ik het getal des volks wete
24:3 Doch Joab zeide tot den koning: De Heer, uw God, doe tot dit volk, zoals het nu is, nog honderdmaal zoveel toe, dat de ogen van mijnen heer den koning het aanschouwen; maar waarom heeft mijn heer de koning lust aan deze zaak
24:4 Doch het woord des konings stond vast tegen Joab en de hoofdlieden des heirs. Alzo trok Joab, en de hoofdlieden des heirs, van den koning uit, opdat zij het volk Israëls telden
24:5 en zìj gingen over den Jordaan, en legerden zich te Aroër, ter rechterzijde der stad, die aan de beek van Gad ligt, naar den kant van Jaezer
24:6 en zij kwamen in Gilead, en in het lage land Hodsi, en kwamen te Dan-Jaän, en rondom Sidon
24:7 voorts kwamen zij aan de vaste stad Tyrus, en al de steden der Hevieten en Kanaänieten; en zij kwamen uit aan het Zuiden van Juda te Ber-Séba
24:8 Alzo trokken zij om door het gehele land, en kwamen na negen maanden en twintig dagen te Jeruzalem
24:9 En Joab gaf den koning de som op van het volk, dat geteld was: en in Israël waren achthonderd duizend sterke mannen, die het zwaard uittrokken, en in Juda vijfhonderd duizend man
24:10 Doch het hart van David sloeg hem, nadat het volk geteld was, en David sprak tot den Heer: Ik heb grotelijks gezondigd, dat ik dit gedaan heb; en nu, Heer, neem de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer dwaas gehandeld
24:11 En toen David des morgens opstond, geschiedde het woord des Heren tot den profeet Gad, Davids ziener, zeggende
24:12 Ga heen en spreek tot David: Dus zegt de Heer: Drie dingen breng Ik tot u: kies u één daaruit, dat Ik u doe
24:13 En Gad kwam tot David en zeide het aan hem, en sprak tot hem: Wilt gij, dat er zeven jaren duurte in uw land kome? Of dat gij drie maanden voor uwe wederpartijders moet vluchten, en zij u vervolgen? Of dat er drie dagen pest in uw land zij? Zo merk nu en zie wat ik wederzeggen zal aan dengene, die mij gezonden heeft
24:14 Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bang; doch laat ons in de hand des Heren vallen, want zijne barmhartigheid is groot; ik wil niet in de hand van mensen vallen
24:15 Alzo liet de Heer de pest in Israël komen, van den morgen af tot den bestemden tijd toe, zodat er van het volk stierven, van Dan tot Ber-Séba, zeventig duizend mensen
24:16 En toen de Engel zijne hand uitstrekte over Jeruzalem om het te verderven, berouwde den Heer dat kwaad, en hij sprak tot den Engel, den verderver onder het volk: Het is genoeg, houd uwe hand nu in. De Engel des Heren nu was bij den dorsvloer van Arauna, den Jebusiet
24:17 En David, toen hij den Engel zag, die het volk sloeg, sprak tot den Heer: Zie, ik heb gezondigd, ik heb de misdaad gedaan; maar wat hebben deze schapen gedaan? Laat uw hand tegen mij en mijn vaderlijk huis zijn
24:18 En Gad kwam tot David op dien dag, en sprak tot hem: Ga op, en richt den Heer een altaar op, op den dorsvloer van Arauna, den Jebusiet
24:19 Alzo ging David op, zoals Gad gezegd en de Heer geboden had
24:20 En toen Arauna zich omkeerde, zag hij den koning met zijne knechten tot zich komen, en boog zich met zijn aangezicht ter aarde
24:21 en sprak: Waarom komt mijn heer de koning tot zijnen knecht? En David zeide: Om van u den dorsvloer te kopen en den Heer een altaar te bouwen, opdat de plaag van het volk ophoude
24:22 Arauna nu sprak tot David: Mijn heer de koning neme en offere zoals het hem behaagt, zie daar is een rund tot een brandoffer, en de dorsslede en het rundertuig tot hout
24:23 Dit alles geeft Aurauna, o koning, aan den koning. En Arauna sprak tot den koning: De Heer, uw God, late u hem aangenaam zijn
24:24 Doch de koning sprak tot Arauna: Neen, maar ik wil het van u kopen voor den gezetten prijs, want ik wil den Heer mijnen God geen brandoffer offeren, hetwelk ik voor niet heb. Alzo kocht David den dorsvloer en het rundvee voor vijftig sikkels zilver
24:25 En hij bouwde aldaar den Heer een altaar, en offerde brandoffers en dankoffers; en de Heer werd met het land weder verzoend, en de plaag hield op van het volk Israël