⋮ KWIC Créer un compte pour enregistrer des extraits côté serveur.

19 Psalmen

1:1 Welgelukzalig is hij, die niet wandelt in den raad der goddelozen, noch treedt op den weg der zondaren, noch zit waar de spotters zitten

1:2 maar zijnen lust heeft in de wet des Heren, en van zijne wet spreekt dag en nacht

1:3 Hij is gelijk een boom, geplant aan waterbeken, die zijne vrucht brengt op zijnen tijd, en welks bladeren niet verwelken; want al wat hij doet, gelukt hem

1:4 Doch zo zijn de goddelozen niet, maar als kaf hetwelk de wind verstrooit

1:5 Daarom bestaan de goddelozen niet in het gericht, noch de zondaars in de gemeente der rechtvaardigen

1:6 want de Heer kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddelozen leidt ten verderve. Psalmen

2:1 Wat razen de volken, en hoe spreken de lieden zo lichtvaardig

2:2 De koningen der aarde staan op; en de vorsten beraadslagen met elkander tegen den Heer en tegen zijnen Gezalfde, [zeggende]

2:3 Laat ons hunne banden verscheuren, en hunne touwen van ons werpen

2:4 Maar Hij, die in den hemel woont, belacht hen, de Heer bespot hen

2:5 Dan spreekt Hij tot hen in zijnen toorn, en verschrikt hen in zijne grimmigheid

2:6 Ik, Ik heb mijnen koning gesteld over Sion, mijnen heiligen berg

2:7 Ik wil van zulk ene wijze prediken, dat de Heer tot mij gezegd heeft: Gij zijt mijn zoon, heden heb Ik u verwekt

2:8 Eis van Mij, zo zal Ik u de volken tot een erfdeel geven, en de einden der aarde tot een eigendom

2:9 Gij zult hem met een ijzeren schepter verslaan, als potten zult gij hen in stukken smijten

2:10 Zo laat u nu onderwijzen, gij koningen, en laat u tuchtigen, gij rechters der aarde

2:11 Dient den Heer met vrees, en verheugt u met beving

2:12 Kust den zoon, dat hij niet toornig worde en gij omkomt op den weg; want zijn toorn zal straks ontbranden. Maar welgelukzalig allen, die op hem vertrouwen. Psalmen

3:1 Een psalm van David, toen hij gevloden was voor zijn zoon Absalom. 3:2) Ach Heer, hoevele zijn mijne vijanden, en hoevelen zijn tegen mij opgestaan! 3:3) Velen zeggen van mijne ziel: Zij heeft geen hulp bij God. Sela. 3:4) Maar Gij, Heer, zijt een schild voor mij, die mij tot eer stelt en mijn hoofd opricht. Ik roep met mijn hoofd opricht. 3:5) Ik roep met mijne stem den Heer aan, zo verhoort Hij mij van zijnen heiligen berg. Sela. 3:6) Ik lig en slaap, en ontwaak weder; want de Heer beschermt mij. 3:7) Ik vrees niet voor vele duizenden, die rondom zich tegen mij legeren. 3:8) Sta op, Heer, en help mij, mijn God; want Gij slaat al mijne vijanden op de kinnebak, en verbreekt de tanden der goddelozen. 3:9) Bij den Heer vindt men hulp. Uw zegen kome over uw volk. Sela. Psalmen

4:1 Een psalm van David om voor te zingen, op een snarentuig. 4:2) Verhoor mij, als ik roep, God mijner rechtvaardiging. Gij, die mij troost in angst, wees mij genadig en verhoor mijn gebed. 4:3) Gij, grote heren, hoelang zal mijne eer geschonden worden? Hoe hebt gij de ijdelheid zo lief, en jaagt de leugen na! Sela. 4:4) Erkent toch, dat de Heer zijne heiligen wonderbaar leidt; de Heer hoort, als ik Hem aanroep. 4:5) Wordt gij toornig, zo zondigt niet; spreekt met uw hart op uwe legerstede, en wacht. Sela. 4:6) Offert gerechtigheid, en hoopt op den Heer. 4:7) Velen zeggen: wie zal ons het goede doen zien? Maar, Heer, verhef gij over ons het licht uws aangezichts. 4:8) Gij verheugt mijn hart, hoewel genen veel wijn en koren hebben. 4:9) Ik lig en slaap geheel in vrede; want, Heer, Gij alleen helpt mij, dat ik veilig woon. Psalmen

5:1 En psalm van David om voor te zingen, voor het erf. 5:2) Heer, hoor mijn woord, geef acht op mijne rede. 5:3) Verneem mijn roepen, mijn koning en mijn God; want tot U zal ik bidden. 5:4) Heer, wil toch vroeg mijne stem horen; vroeg zal ik mij tot U schikken en opmerken. 5:5) Want gij zijt geen God, wien goddeloosheid behaagt; wie boos is blijft niet Vóór U; 5:6) de roemgierigen bestaan niet voor uwe ogen, Gij zijt een vijand van alle kwaaddoeners; 5:7) Gij brengt de leugenaars om, de Heer heeft een afschuw van de bloedgierigen en valsen. 5:8) Maar ik zal in uw huis gaan door uwe grote goedertierenheid, en aanbidden voor uwen heiligen tempel in uwe vrees. 5:9) Heer, leid mij in uwe gerechtigheid, om mijner vijanden wil; richt uwen weg voor mijn aangezicht. 5:10) Want in hunnen mond is geen oprechtheid, hun binnenste is verderf, hunne keel is een open graf, met hunne tongen vleien zij. 5:11) Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vallen uit hunne raadslagen; stoot hen uit om hunne grote overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U. 5:12) Laat allen, die op U betrouwen, zich verblijden; laat hen roemen eeuwiglijk, want Gij beschermt hen; laat in U vrolijk zijn wie uwen naam liefhebben. 5:13) Want Gij, Heer, zegent de rechtvaardigen, Gij kroont hen met genade als met een schild. Psalmen

6:1 Een psalm van David om voor te zingen op acht snaren. 6:2) Ach Heer, straf mij niet in uwen toorn, en kastijd mij niet in uwe verbolgenheid. 6:3) Heer, wees mij genadig, want ik ben zwak; heel mij, Heer; want mijn gebeente is verschrikt

6:3 en mijne ziel is zeer beangst; (6-4) ach Heer, hoelang nog? 6:5) Keer U, Heer, en red mijne ziel; help mij om uwer goedertierenheid wil. 6:6) Want in den dood gedenkt men U niet; wie zal in het graf U danken? 6:7) Ik ben moede van zuchten; ik doe mijn bed zwemmen den gehelen nacht, en maak mijne legerstede nat met mijne tranen. 6:8) Mijne gedaante is vervallen van treuren en oud geworden; want ik word overal benauwd. 6:9) Wijkt van mij, gij kwaaddoeners; want de Heer hoort mijn wenen. 6:10) De Heer hoort mijn smeken, mijn gebed neemt de Heer aan. 6:11) Al mijne vijanden moeten te schande worden en zeer verschrikken, zij moeten schielijk terugkeren en te schande worden. Psalmen

7:1 Davids onschuld, waarvan hij voor den Heer zong, wegens de woorden van Kus den Benjaminiet. 7:2) Op U, Heer mijn God, vertrouw ik: help mij tegen al mijne vervolgers, en red mij, 7:3) opdat zij niet als leeuwen mijne ziel grijpen, en verscheuren, terwijl er geen verlosser is. 7:4) Heer, mijn God, heb ik dat gedaan, en is er onrecht in mijne handen

7:4 heb ik kwaad vergolden aan hen, 7:5) die vreedzaam met mij leefden, of hen, die mij zonder oorzaak vijandig waren, beschadigd; 7:6) zo vervolge mijn vijand mijne ziel en grijpe ze, en trede mijn leven ter aarde, en legge mijne eer in het stof. Sela. 7:7) Sta op, Heer, in uwen toorn; verhef U over de grimmigheid mijner vijanden; waak over mij, Gij die het gericht bevolen hebt; 7:8) opdat de volken zich rondom U vergaderen, en zet U boven hen in den hoge neder. 7:9) De Heer is rechter over de lieden; richt mij, Heer, naar mijne gerechtigheid en vroomheid. 7:10) Laat de boosheid der goddelozen een einde nemen, en bevestig de rechtvaardigen; want Gij, rechtvaardige God, beproeft de harten en nieren. 7:11) Mijn schild is bij God, die de vrome harten helpt. 7:12) God is een rechtvaardig rechter, en een God, die dagelijks dreigt. 7:13) Wil men zich niet bekeren, zo heeft Hij zijn zwaard gewet, en zijnen boog gespannen, en mikt, 7:14) en heeft er dodelijke schichten op gelegd, zijne pijlen heeft Hij toegericht om te verderve. 7:15) Zie, wie iets kwaads in den zin heeft, en zwanger gaat van ongeluk, zal leugen baren. 7:16) Hij heeft een kuil gegraven en uitgedolven, maar valt in den kuil, dien hij gemaakt heeft. 7:17) Zijne boosheid zal op zijn hoofd terugkomen, en zijn geweld op zijnen schedel vallen. 7:18) Ik dank den Heer wegens zijne gerechtigheid, en zal den naam van den Heer, den Allerhoogste, loven. Psalmen

8:1 Een psalm van David om voor te zingen, op de gittith. 8:2) Heer, onze Heerser, hoe heerlijk is uw naam in alle landen, Gij, wien men prijst in den hemel! 8:3) Uit den mond der jonge kinderen en zuigelingen hebt Gij ene macht toebereid, wegens uwe vijanden; opdat Gij zoudt verdelgen den vijand en den wraakgierige. 8:4) Als ik de hemelen aanschouw, het werk uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt, 8:5) wat is de mens, dat Gij aan hem denkt, en des mensen zoon, dat Gij op hem acht geeft! 8:6) Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de Engelen, met eer en heerlijkheid hebt Gij hem bekroond; 8:7) Gij stelt hem tot een heer over de werken uwer handen, alles hebt Gij onder zijne voeten gezet 8:8) schapen en runderen altemaal, daarenboven ook de wilde dieren, 8:9) de vogelen onder den hemel en de vissen in de zee, en wat in de zee gaat. 8:10) Heer, onze Heerser, hoe heerlijk is uw naam in alle landen. Psalmen

9:1 Een psalm van David, van de schone jeugd, om voor te zingen. 9:2) Ik dank den Heer van ganser harte, en verhaal al uwe wonderen. 9:3) Ik verheug mij en ben vrolijk in U, en loof uwen naam, o Allerhoogste, 9:4) dat Gij mijne vijanden achterwaarts gedreven hebt, zij zijn gevallen en omgekomen voor uw aangezicht. 9:5) Want Gij voert mijn recht en mijne zaak uit; Gij zit op den troon, rechtvaardige rechter. 9:6) Gij scheidt de volken en brengt de goddelozen om; hunnen naam verdelgt Gij altoos en eeuwiglijk. 9:7) De zwaarden des vijands hebben een einde, de steden hebt Gij omgekeerd, hunne gedachtenis is omgekomen met hen. 9:8) Maar de Heer blijft eeuwiglijk, Hij heeft zijnen troon bereid ten gerichte. 9:9) Hij zal den aardbodem richten met rechtvaardigheid, en zal de volken regeren rechtmatiglijk. 9:10) De Heer is de beschutting des armen, ene beschutting in den nood. 9:11) Daarom hopen op U wie uwen naam kennen, want Gij, Heer, verlaat niet wie U zoeken. 9:12) Looft den Heer, die te Sion woont, verkondigt onder de volken zijn doen. 9:13) Want Gij gedenkt aan hen, en vraagt naar hun bloed; Hij vergeet het geroep der armen niet. 9:14) Heer, wees mij genadig, zie mijne ellende aan onder de vijanden, Gij, die mij verheft uit de poorten des doods; 9:15) opdat ik al uwen lof vermelde in de poorten der dochter van Sion, en vrolijk zij over uwe hulp. 9:16) De volken zijn gezonken in den kuil, dien zij toebereid hadden, hun voet is gevangen in het net, dat zij gesteld hadden. 9:17) Zo erkent men, dat de Heer recht doet; de goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen. [Tussenspel]. Sela. 9:18) Och, dat de goddelozen ten afgrond mochten varen, alle volken, die God vergeten! 9:19) Want Hij zal den arme niet eeuwiglijk vergeten, en de hoop der Ellendígen zal niet voor altijd verloren zijn. 9:20) Heer, sta op, opdat de mensen de overhand niet krijgen: laat alle volken voor U geoordeeld worden. 9:21) Geef hun, Heer, een meester, opdat de volken erkennen, dat zij mensen zijn. Sela. Psalmen 1

10:1 Heer, waarom treedt Gij zo verre, verbergt Gij U in den tijd van noo

10:2 Terwijl de goddeloze overmoed drijft, moet de ellendige lijden; zij hangen aan elkander en bedenken kwade streken

10:3 Want de goddeloze beroemt zich op zijnen moedwil, en de gierigaard laat den Heer varen en lastert Hem

10:4 De goddeloze meent in zijnen trots, dat Hij er niet naar vraagt; bij al zijn kwade streken houdt hij God voor niets

10:5 Hij gaat altoos voort met zijn doen: uwe oordelen zijn verre van hem; hij handelt trotschelijk met al zijne vijanden

10:6 Hij spreekt in zijn hart: Ik zal nimmer onderliggen, ik zal nimmer nood hebben

10:7 Zijn mond is vol van vloeken, valschheid en bedrog; zijne tong richt moeite en arbeid aan

10:8 Hij zit in de hinderlaag bij de hoeven; hij doodt de onschuldigen heimelijk; zijne ogen loeren op de armen

10:9 Hij loert in het verborgen, gelijk een leeuw in het hol; hij loert om den ellendige te grijpen, en grijpt hem, als hij hem in zijn net trekt

10:10 Hij verslaat en drukt neder, en stoot den arme met geweld ter aarde

10:11 Hij spreekt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft zijn aangezicht verborgen, Hij zal het nimmer zien

10:12 Sta op, Heer; God, verhef uwe hand, vergeet de ellendigen niet

10:13 Waarom zal de goddeloze God lasteren, en in zijn hart zeggen, dat Gij er niet naar vraagt

10:14 Gij ziet het immers; want Hij aanschouwt de ellende en den jammer; het staat in uwe handen; de armen verlaten zich op U; Gij zijt de helper der wezen

10:15 Verbreek den arm des goddelozen, en zoek het kwade: zo zal men zijne goddeloosheid nimmer vinden

10:16 De Heer is koning altoos en eeuwiglijk; de volken moeten uit zijn land omkomen

10:17 Het verlangen der ellendigen hoort Gij, Heer; hun hart is gewis, dat uw oor daarop let

10:18 dat Gij den wees en den arme recht doet, opdat de mens geen geweld meer plege op de aarde. Psalmen 1

11:1 Een psalm van David om voor te zingen. Ik vertrouw op den Heer; wat zegt gijlieden dan tot mijne ziel, dat zij vliegen moet als een vogel naar uw gebergte heen

11:2 Want zie, de goddelozen spannen den boog, en leggen hunne pijlen op de pees, om heimelijk de vromen daarmede te schieten

11:3 Want zij rukken alle grondslagen omver; wat zou de rechtvaardige uitvoeren

11:4 De Heer is in zijnen heiligen tempel, des Heren troon is in den hemel; zijne ogen zien daarop, zijne blikken beproeven de mensenkinderen

11:5 De Heer beproeft den rechtvaardige; zijne ziel haat den goddeloze en wie gaarne geweld oefent

11:6 Hij zal op de goddelozen bliksemstralen, vuur en zwavel doen regenen, en zal hun een onweder ten loon geven

11:7 De Heer is rechtvaardig, en heeft gerechtigheid lief; de vromen zullen zijn aangezicht zien. Psalmen 1

12:1 Een psalm van David om voor te zingen, op acht snaren. 12:2) Help, Heer; de heiligen zijn verminderd, en de gelovigen zijn weinig geworden onder de kinderen der mensen. 12:3) De een spreekt met den ander onnutte dingen met vleiende lippen; en zij spreken met een dubbel hart. 12:4) De Heer moge toch uitroeien alle huichelarij, en de tong, die grote dingen spreekt, 12:5) hen die zeggen: Onze tong zal de overhand hebben; ons betaamt het te spreken: wie is heer over ons? 12:6) Dewijl dan de ellendigen verdrukt worden, en de armen zuchten, zo wil Ik opstaan, zegt de Heer; Ik wil ene hulp beschikken hem, die er naar verlangt. 12:7) De redenen des Heren zijn louter, gelijk gelouterd zilver in een aarden smeltkroes, zevenmaal beproefd. 12:8) Gij, Heer, wil hen toch bewaren, wil ons behoeden voor dit geslacht eeuwiglijk. 12:9) Want het wordt overal vol goddelozen, waar zulke nietswaardige lieden onder de mensen heersen. Psalmen 1

13:1 Een psalm van David om voor te zingen. 13:2) Heer, hoelang zult Gij mij geheel vergeten? Hoelang verbergt Gij uw aangezicht voor mij? 13:3) Hoelang zal ik mij bekommeren in mijne ziel, en mij dagelijks beangstigen in mijn hart? Hoelang zal mijn vijand zich boven mij verheffen? 13:4) Aanschouw toch en verhoor mij, Heer mijn God; verlicht mijne ogen dat ik in den dood niet ontslape; 13:5) opdat mijn vijand zich niet beroeme, dat hij mij machtig geworden is, en mijne tegenpartijders zich niet verheugen, dat ik ternederlig. 13:6) Maar ik hoop daarop, dat Gij genadig zijt; mijn hart verheugt zich, dat Gij gaarne helpt; ik wil den Heer zingen, omdat Hij mij weldoet. Psalmen 1

14:1 Een psalm van David om voor te zingen. De dwazen zeggen in hun hart: Er is geen God. Zij deugen niets en zijn een gruwel met hun doen, er is niemand, die goed doet

14:2 De Heer schouwt uit den hemel op de mensenkinderen, om te zien of iemand verstandig is en naar God vraagt

14:3 maar allen zijn afgeweken, en altezamen bedorven, er is niemand, die goed doet, ook niet één

14:4 Wil dan niemand der kwaaddoeners dat merken, die mijn volk opeten om zich te voeden? Maar den Heer roepen zij niet aan

14:5 Straks zijn zij bevreesd, want God is bij het geslacht der rechtvaardigen

14:6 Gijlieden verijdelt den raad des armen, maar God is zijn toeverlaat

14:7 Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwam, en de Heer zijn gevangen volk deed wederkeren! Dan zou Jakob vrolijk zijn en Israël zich verblijden. Psalmen 1

15:1 Een psalm van David. Heer, wie zal wonen in uwe tent, wie zal blijven op uwen heiligen berg

15:2 Wie oprecht wandelt en recht doet, en van harte de waarheid spreekt

15:3 wie met zijne tong niet lastert, en zijn naaste niet kwaad doet, en zijnen naaste niet smaadt

15:4 wie de goddelozen niet acht, maar de godvruchtigen eert; wie zweert tot zijn nadeel en het evenwel houdt

15:5 wie zijn geld niet op woeker geeft, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige: wie dat doet, die zal blijven in eeuwigheid. Psalmen 1

16:1 Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, God, want ik vertrouw op U

16:2 Ik heb gezegd tot den Heer: Gij zijt de Heer: mijn hoogste goed

16:3 Wat aangaat de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, aan die heb ik al mijn welbehagen

16:4 Maar degenen, die ene anderen nalopen, zullen groot hartzeer hebben; ik wil hun drankoffer van bloed niet offeren, noch hunnen naam in mijnen mond nemen

16:5 De Heer is mijn goed en mijn deel; gij onderhoudt mijn erfdeel

16:6 Het meetsnoer is mij gevallen in liefelijke plaatsen, mij is een erfdeel geworden

16:7 Ik loof den Heer, die mij geraden heeft: ook prikkelen mij mijne nieren bij nacht

16:8 Ik heb den Heer altijd voor ogen: want Hij is aan mijne rechterhand, daarom zal ik niet wankelen

16:9 Dus verheugt zich mijn hart, en mijne eer is vrolijk: ook zal mijn vlees veilig rusten

16:10 Want Gij zult mijne ziel niet in het dodenrijk laten, en niet gedogen, dat uw heilige de verderving zie

16:11 Gij maakt mij den weg des levens bekend; Vóór U is vreugd in volheid, en liefelijkheid aan uwe rechterhand eeuwiglijk. Psalmen 1

17:1 Een gebed van David. Heer, hoor [mijne] rechtvaardiging, let op mijn geschrei, verneem mijn gebed, dat niet uit een valsen mond komt

17:2 Spreek Gij in mijne zaak, en zie Gij op het recht

17:3 Gij beproeft mijn hart en bezoekt het bij nacht, Gij loutert mij en vindt niets; ik heb mij voorgenomen, dat mijn mond niet zal overtreden

17:4 Bij de daden der mensen bewaarde ik mij door het woord uwer lippen voor den weg des moordenaars

17:5 Onderhoud mijnen gang op uwe paden, opdat mijne treden niet wankelen

17:6 Nu roep ik tot U, dat Gij, o God, mij moogt verhoren; neig uwe oren tot mij, hoor mijne rede

17:7 Bewijs uwe wonderbare goedertierenheid, Gij redder dergenen, die op U vertrouwen, tegen hen, die zich tegen uwe rechterhand stellen

17:8 Behoed mij als den appel van het oog, bescherm mij onder de schaduw uwer vleugelen

17:9 tegen de goddelozen die mij vernielen willen, tegen mijne vijanden, die rondom naar mijn leven staan

17:10 In hun vet zijn zij toegesloten, zij spreken met hunnen mond hoovaardig

17:11 Waar wij gaan, omringen zij ons, hunne ogen richten zij daarheen om ons ter aarde te storten

17:12 gelijk een leeuw, die den roof begeert, als een jonge leeuw, die in het hol zit

17:13 Heer, sta op, overweldig hem en verneder hem; verlos mijne ziel van den goddeloze door uw zwaard

17:14 van de lieden door uwe hand, Heer, van de lieden dezer wereld, die hun deel hebben in hun leven, welken Gij den buik vult met uwe schatten, die kinderen in overvloed hebben, en hun overschot aan hunne telgen nalaten

17:15 Maar ik zal uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden, als ik zal ontwaken naar uw beeld. Psalmen 1

18:1 Een psalm om voor te zingen. Van David, den knecht des Heren, die tot den Heer de woorden dezes lieds gesproken heeft, ten tijde toen de Heer hem gered had van de hand zijner vijanden en van de hand van Saul. 18:2) Dus sprak hij: Hartelijk lief heb ik U, Heer, mijne sterkte; 18:3) Heer, mijn steenrots, mijn burg, mijn verlosser, mijn God, mijn rots, op wien ik betrouw; mijn schild en hoorn mijns heils, en mijne beschutting! 18:4) Ik wil den Heer loven en aanroepen, zo word ik van mijne vijanden verlost. 18:5) Want banden des doods omvingen mij, en beken Belials verschrikten mij; 18:6) banden der hel omgaven mij, strikken des doods overweldigden mij. 18:7) Als ik angst heb, roep ik den Heer aan, en verhef mijn geschrei tot mijnen God: dan verhoort Hij mijne stem uit zijnen tempel, en mijn geroep komt voor hem tot zijne oren. 18:8) De aarde beefde en werd bewogen, en de grondvesten der bergen sidderden en daverden, toen Hij toornig was. 18:9) Damp steeg op uit zijnen neus, en verterend vuur uit zijnen mond, dat het daarvan bliksemde. 18:10) Hij boog den hemel en daalde neder, en donkerheid was onder zijne voeten. 18:11) En Hij voer op een cherub en vloog heen, Hij zweefde op de vleugelen des winds. 18:12) Zijne tent rondom Hem was duisternis; zwarte, dikke wolken, in welke Hij verborgen was. 18:13) Van den glans voor zijn aangezicht verdeelden zich de wolken met hagel en bliksem. 18:14) En de Heer donderde in den hemel, en de Hoogste liet zijn donder uit met hagel en bliksem. 18:15) Hij schoot zijne pijlen uit en verstrooide ze, Hij liet het zeer bliksemen en verschrikte ze. 18:16) Toen zag men de kolken der zee, en de grond des aardbodems werd ontdekt, o Heer, van uw schelden, van den adem en het snuiven van uwen neus. 18:17) Hij zond uit de hoogte en nam mij op, en trok mij op uit grote wateren. 18:18) Hij verloste mij van mijne machtige vijanden, van mijne haters, die sterker waren dan ik, 18:19) die mij overweldigden ten tijde mijns ongevals, en de Heer werd mijn steun; en Hij voerde mij uit in de ruimte, 18:20) Hij rukte mij er uit, omdat Hij welgevallen aan mij had. 18:21) De Heer doet wel aan mij naar mijne gerechtigheid, Hij vergeldt mij naar de reinheid mijner handen; 18:22) want ik houd de wegen des Heren, en ben niet goddeloos jegens mijn God. 18:23) Want al zijne rechten heb ik voor ogen, en zijne geboden werp ik niet van mij; 18:24) en ik ben oprecht voor Hem en wacht mij voor zonde. 18:25) Daarom vergeldt de Heer mij naar mijne gerechtigheid, naar de reinheid mijner handen, voor zijne ogen. 18:26) Bij den heilige zijt Gij heilig, bij den vrome zijt Gij vroom; 18:27) bij den reine zijt Gij rein, en bij den verkeerde zijt Gij verkeerd. 18:28) Want Gij helpt het ellendige volk, en vernedert de trotse ogen. 18:29) Want Gij verlicht mijne lamp; de Heer mijn God maakt mijne duisternis licht. 18:30) Ja, met U kan ik krijgsvolk verslaan, en met mijnen God over muren springen. 18:31) Gods wegen zijn volmaakt, de redenen des Heren zijn doorlouterd; Hij is een schild voor allen, die aan Hem zich toevertrouwen. 18:32) Want waar is een God behalve de Heer, of ene rots behalve onze God? 18:33) God rust mij toe met kracht, en maakt mijne wegen volkomen. 18:34) Hij maakt mijne voeten als die der herten, en stelt mij op mijne hoogten. 18:35) Hij leert mijne handen strijden, en leert mijn armen een stalen boog spannen. 18:36) Ook geeft Gij mij het schild uws heils, en uwe rechterhand sterkt mij; en wanneer Gij mij verootmoedigt, zo maakt Gij mij groot. 18:37) Gij maakt ruimte onder mijnen voetstap, en mijne enkels, dat zij niet wankelen. 18:38) Ik wil mijnen vijanden najagen en hen grijpen, en niet omkeren voordat ik hen omgebracht heb; 18:39) ik wil hen verslaan, en zij zullen mij niet wederstaan; zij moeten onder mijne voeten vallen. 18:40) Gij kunt mij toerusten met sterkte tot den strijd, Gij kunt aan mij onderwerpen wie zich tegen mij stellen. 18:41) Gij geeft mij mijne vijanden op de vlucht, zodat ik mijne haters verdelg. 18:42) Zij roepen, maar er is geen helper; tot den Heer, maar Hij antwoordt hun niet. 18:43) Ik wil hen in stukken stoten als stof voor den wind, ik wil hen wegruimen als slijk op de straat. 18:44) Gij helpt mij tegen het twistgierige volk, en maakt mij tot een hoofd onder de volken; een volk, hetwelk ik niet kende, dient mij, 18:45) het hoort naar mij met gehoorzame oren; ja, vreemden hebben zich aan mij geveinsdelijk onderworpen. 18:46) Vreemden versmachten en komen sidderend uit hunne vestingen. 18:47) De Heer leeft, en geloofd zij mijn rots; en de God mijns heils moet verheven worden: 18:48) de God, die mij wraak geeft, en de volken onder mij dwingt; 18:49) die mij redt van mijne vijanden, en mij verhoogt boven degenen, die zich tegen mij stellen; Gij verlost mij van den geweldenaar. 18:50) Daarom wil ik U danken, Heer, onder de volken, en den lof uws naams zingen, 18:51) die zijnen koning groot heil bewijst, en weldoet aan zijnen gezalfde, aan David en aan zijn zaad, eeuwiglijk. Psalmen 1

19:1 Een psalm van David om voor te zingen. 19:2) De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen. 19:3) De ene dag zegt het den anderen, en de ene nacht maakt het den anderen bekend. 19:4) Er is geen spraak noch rede, waar men hunne stem niet hoort. 19:5) Hun richtsnoer gaat uit in alle landen, en hunne redenen tot aan het einde der wereld; hij heeft voor de zon ene tent daarin gemaakt, 19:6) en zij treedt daaruit voort gelijk een bruidegom uit zijne kamer, en verheugt zich als een held om den weg te lopen. 19:7) Zij gaat op aan het einde des hemels, en loopt om tot weder aan datzelfde einde; en niets blijft voor hare hitte verborgen. 19:8) De wet des Heren is volmaakt, en verkwikt de ziel; de getuigenis des Heren is gewis, en geeft den eenvoudigen verstand. 19:9) De bevelen des Heren zijn recht, en verblijden het hart; de geboden des Heren zijn louter, en verlichten de ogen. 19:10) De vreze des Heren is rein, en blijft eeuwiglijk; de rechten des Heren zijn waarachtig, altemaal rechtvaardig. 19:11) Zij zijn kostelijker dan goud, dan ene menigte van het fijnste goud; zij zijn zoeter dan honig en honigzeem. 19:12) Ook wordt uw knecht door haar vermaand; en wie haar houdt, die heeft groot loon

19:12 Wie kan merken, hoe dikwijls hij faalt? Vergeef mij de verborgen feilen. 19:13) Bewaar uwen knecht ook voor de hoogmoedigen, dat zij niet over mij heersen; 19:14) zo zal ik oprecht zijn, en vrij blijven van grote zonde. 19:15) Laat U behagen de redenen mijns monds en het gesprek mijns harten, voor U, o Heer, mijn rots en mijn beschermer. Psalmen 2

20:1 Een psalm van David om voor te zingen. 20:2) De Heer verhore u in den nood, de naam van Jakobs God beschutte u. 20:3) Hij zende u hulp uit het heiligdom, en sterke u uit Sion; 20:4) Hij gedenke aan al uwe spijsoffers, en uwe brandoffers mogen vet zijn. Sela. 20:5) Hij geve u wat uw hart begeert, en vervulle al uwe raadslagen. 20:6) Wij roemen, dat Gij ons helpt, en in den naam onzes Gods steken wij de banieren op; de Heer vervulle al uwe begeerten. 20:7) Nu merk ik, dat de Heer zijnen gezalfde helpt, en hem verhoort uit zijnen heiligen hemel; zijne rechterhand helpt met kracht. 20:8) Dezen verlaten zich op wagens, die op paarden; maar wij denken aan den naam van den Heer, onzen God. 20:9) Zij zijn nedergestort, en gevallen, maar wij staan opgericht. 20:10) Help, Heer, den koning; verhoor ons als wij roepen. Psalmen 2

21:1 Een psalm van David om voor te zingen. 21:2) Heer, de koning verheugt zich in uwe kracht, en hoe vrolijk is hij over uwe hulp. 21:3) Gij geeft hem zijns harten wens, en weigert niet hetgeen zijn mond bidt. Sela. 21:4) Want Gij overlaadt hem met goede zegeningen, Gij zet ene gouden kroon op zijn hoofd. 21:5) Hij bidt u om het leven, en Gij geeft hem een lang leven, altoos en eeuwiglijk. 21:6) Hij heeft grote eer door uwe hulp, lof en sieraad hebt Gij hem toebedeeld; 21:7) Gij stelt hem ten zegen eeuwiglijk, Gij verheugt hem met vreugde voor uw aangezicht. 21:8) Want de koning hoopt op den Heer, en zal door de goedertierenheid des Hoogsten vast blijven. 21:9) Uwe hand zal al uwe vijanden vinden, uwe rechterhand zal vinden die u haten. 21:10) Gij zult hen maken als een vurigen oven, als Gij U vertonen zult; de Heer zal hen verslinden in zijnen toorn, vuur zal hen verteren. 21:11) Hunne vrucht zult Gij ombrengen van den aardbodem, en hun zaad van onder de kinderen der mensen. 21:12) Want zij dachten U kwaad te doen, en maakten aanslagen, welke zij niet konden uitvoeren

21:13 Gij zult hen den rug doen keren, met uwe pees zult Gij aanleggen op hun aangezicht. 21:14) Heer, verhef U in uwe kracht, zo zullen wij zingen en uwe macht loven. Psalmen 2

22:1 Een psalm van David om voor te zingen. Van de hinde, die vroeg gejaagd wordt. 22:2) Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Ik kerm, maar mijne hulp is ver. 22:3) Mijn God, bij dag roep ik, zo antwoordt Gij niet; en des nachts zwijg ik ook niet. 22:4) Maar Gij zijt heilig, Gij, die onder de lofgezangen van Israël woont. 22:5) Onze vaders hoopten op U; en toen zij hoopten, hielpt Gij hen uit; 22:6) tot U riepen zij en werden gered, zij hoopten op U en werden niet te schande. 22:7) Maar ik ben een worm en geen mens, een spot der lieden en ene verachting des volks. 22:8) Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de tong uit en schudden het hoofd: 22:9) Hij klage het den Heer, dat die hem helpe en hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft! 22:10) Want Gij hebt mij uit den moederschoot getogen, Gij waart mijn toeverlaat, toen ik nog aan de borst mijner moeder lag; 22:11) op U ben ik geworpen sinds mijne geboorte, Gij zijt mijn God van den moederschoot af. 22:12) Wees niet verre van mij, daar de angst nabij en hier geen helper is. 22:13) Grote varren hebben mij omsingeld, sterke stieren hebben mij omringd: 22:14) hunnen muil sperren zij tegen mij op, als een brullende en verscheurende leeuw. 22:15) Ik ben uitgegoten als water, al mijne beenderen hebben zich van één gescheiden; mijn hart is in mijn lijf als gesmolten was. 22:16) Mijn krachten zijn verdroogd als ene potscherf, en mijne tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt in het stof des doods mij neder. 22:17) Want honden hebben mij omringd en een rot van boosdoeners heeft zich rondom mij gevoegd; zij hebben mijne handen en voeten doorgraven. 22:18) Ik kan al mijne beenderen tellen, en zij aanschouwen het en zien met wellust op mij. 22:19) Zij delen mijne klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad. 22:20) Maar Gij, Heer, wees niet verre, mijne sterkte, haast U om mij te helpen. 22:21) Red mijne ziel van het zwaard, mijne enige uit de macht der honden. 22:22) Help mij uit den muil van den leeuw, en red mij van den eenhoorn. 22:23) Ik wil uwen naam mijnen broederen prediken, ik wil U in de gemeente roemen. 22:24) Roemt den Heer, gij die Hem vreest; Hem ere al het zaad van Israël. 22:25) Want Hij heeft niet veracht noch versmaad de ellende des armen, en zijn aangezicht voor hem niet verborgen; en toen hij tot Hem riep, hoorde Hij het. 22:26) Ik wil U prijzen in de grote gemeente, ik wil mijne geloften betalen, voor degenen, die Hem vrezen. 22:27) De ellendigen zullen eten, dat zij verzadigd worden, en die naar den Heer vragen, zullen Hem prijzen; uw hart leve eeuwiglijk. 22:28) Alle einden der wereld zullen dit gedenken en zich tot den Heer bekeren, en voor Hem zullen alle geslachten der volken aanbidden; 22:29) want de Heer heeft het rijk, en Hij heerst over de volken. 22:30) Al de vetten der aarde zullen eten en aanbidden; voor Hem zullen allen de knieën buigen, die in het stof liggen en die kommerlijk leven. 22:31) Hij zal een geslacht hebben, dat Hem dient; van den Heer zal men verkondigen tot in verre geslachten. 22:32) Zij zullen komen en zijne gerechtigheid prediken aan het volk, dat geboren wordt, dat Hij het gedaan heeft. Psalmen 2

23:1 Een psalm van David. De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken

23:2 Hij weidt mij op ene groene landouw, en voert mij tot een vers water

23:3 Hij verkwikt mijne ziel, en voert mij op de rechte straten om zijns naams wil

23:4 En al wandelde ik in een duister dal, zo vrees ik geen ongeluk, want Gij zijt bij mij; uw stok en uw staf vertroosten mij

23:5 Gij bereidt voor mij ene tafel tegenover mijne vijanden; Gij zalft mijn hoofd met olie, en schenkt mij in tot overvloeiens toe

23:6 Het goede en de barmhartigheid zullen mij volgen mijn leven lang, en ik zal blijven in het huis des Heren altoos. Psalmen 2

24:1 Een psalm van David. De aarde is des Heren en wat er op is, de wereld en die er in wonen

24:2 Want Hij heeft haar aan de zee gegrond en aan de wateren gevestigd

24:3 Wie zal op den berg des Heren gaan, en wie zal staan in zijne heilige plaats

24:4 Wie onschuldige handen heeft en rein van hart is, wie geen lust heeft aan de ijdele leer, en niet valschelijk zweert

24:5 Die zal zegen van den Heer ontvangen, en gerechtigheid van den God zijns heils

24:6 Dat is het geslacht, dat naar Hem vraagt, dat uw aangezicht zoekt, dat is Jakob. Sela

24:7 Maakt de poorten wijd en de deuren in de wereld hoog, opdat de koning der ere intrekke

24:8 Wie is deze koning der ere? Het is de Heer, sterk en machtig, de Heer, machtig in den strijd

24:9 Maakt de poorten wijd en de deuren in de wereld hoog, opdat de koning der ere intrekke

24:10 Wie is deze koning der ere? Het is de Heer Zebaôth, Hij is de koning der ere. Sela. Psalmen 2

25:1 Een psalm van David. Naar u, Heer, verlang ik

25:2 Mijn God, ik hoop op U, laat mij niet te schande worden, opdat mijne vijanden zich niet over mij verheugen

25:3 Want niemand wordt te schande, die op U wacht, maar zij moeten te schande worden, die trouweloos handelen

25:4 Heer, toon mij uwe wegen en leer mij uwe paden

25:5 Leid mij in uwe waarheid en leer mij, want gij zijt de God, die mij helpt; dagelijks wacht ik op U

25:6 Gedenk, Heer, aan uwe barmhartigheid en aan uwe goedheid, die van eeuwigheid af geweest is

25:7 Gedenk niet aan de zonden mijner jeugd noch aan mijne overtredingen; maar gedenk aan mij naar uwe barmhartigheid, om uwer goedheid wil

25:8 De Heer is goed en recht; daarom onderwijst Hij de zondaars in den weg

25:9 Hij leidt de ellendigen recht, en leert den ellendigen zijnen weg

25:10 De wegen des Heren zijn enkel goedheid en waarheid, voor degenen, die zijn verbond en zijne getuigenissen houden

25:11 Om uws naams wil, o Heer, vergeef mij mijne misdaad, die groot is

25:12 Wie is de man, die den Heer vreest? Hij zal hem onderwijzen in den besten weg

25:13 Zijne ziel zal in het goede wonen, en zijn zaad zal het land bezitten

25:14 De verborgenheid des Heren is voor degenen, die Hem vrezen, en zijn verbond laat Hij hun weten

25:15 Mijne ogen zien steeds op den Heer, want Hij zal mijnen voet uit het net trekken

25:16 Wend U tot mij en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig

25:17 De angst mijns harten is groot; voer mij uit mijne noden

25:18 Zie mijn jammer en mijne ellende aan, en vergeef mij al mijne zonden

25:19 Zie hoevele mijne vijanden zijn, en hoe zij mij haten uit wrevel

25:20 Bewaar mijne ziel en red mij; laat mij niet te schande worden, want ik vertrouw op U

25:21 Dat vroomheid en oprechtheid mij behoeden, want ik wacht op U

25:22 O God, verlos Israël uit al zijne noden. Psalmen 2

26:1 Een psalm van David. Heer, beschik mij recht, want ik ben onschuldig; ik hoop op den Heer, daarom zal ik niet wankelen

26:2 Beproef mij, Heer, en onderzoek mij; louter mijne nieren en mijn hart

26:3 Want uwe goedheid is voor mijne ogen, en ik wandel in uwe waarheid

26:4 Ik zit niet bij de ijdele lieden, en ik heb geen gemeenschap met de valsen

26:5 Ik haat de vergadering der boosdoeners, en zit niet bij de goddelozen

26:6 Ik was mijne handen in onschuld, en houd mij, Heer, bij uw altaar

26:7 waar men de stem der dankzegging hoort, en waar men predikt al uwe wonderen

26:8 Heer, ik heb lief de plek van uw huis, en de plaats, waar uwe eer woont

26:9 Raap mijne ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de bloeddorstigen

26:10 die met kwade streken omgaan, en gaarne geschenken nemen

26:11 Maar ik wandel onschuldig; verlos mij en wees mij genadig

26:12 Mijn voet gaat recht; ik zal U loven, o Heer, in de vergaderingen. Psalmen 2

27:1 Een psalm van David. De Heer is mijn licht en mijn heil, voor wien zou ik vrezen? De Heer is mijne levenskracht, voor wien zou ik beven

27:2 Daarom, zo de bozen, mijne tegenpartijders en vijanden, mij naderen om mijn vlees te eten, moeten zij struikelen en vallen

27:3 Al legert zich een heir tegen mij, zo vreest nochtans mijn hart niet; al ontstond er oorlog tegen mij, zo verlaat ik mij op Hem

27:4 Ene zaak bid ik van den Heer, die had ik gaarne: dat ik in het huis des Heren blijven mocht mijn leven lang, om den schonen godsdienst des Heren te aanschouwen, en zijnen tempel te bezoeken

27:5 Want Hij verschuilt mij in zijne hut ten dage des kwaads, Hij verbergt mij heimelijk in zijne tent en verhoogt mij op ene steenrots

27:6 Ook zal Hij nu mijn hoofd verheffen boven mijne vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in zijne hut lof offeren, ik zal voor den Heer zingen en lofzeggen

27:7 Heer, hoor mijne stem, als ik roep, wees mij genadig en verhoor mij

27:8 Mijn hart houdt zich aan uw bevel: Zoekt mijn aangezicht! Daarom zoek ik ook, Heer, uw aangezicht

27:9 Verberg uw aangezicht niet voor mij, en verstoot niet in toorn uwen knecht; want Gij zijt mijne hulp; verlaat mij niet en trek de hand niet van mij af, God, mijn heil

27:10 Want vader en moeder mogen mij verlaten, maar de Heer neemt mij aan

27:11 Heer, wijs mij uwen weg, en leid mij op de rechte baan, om mijner vijanden wil

27:12 Geef mij niet over aan den wil mijner vijanden; want valse getuigen staan tegen mij op, en doen mij onrecht zonder schroom

27:13 Maar ik geloof toch, dat ik het goede des Heren zien zal in het land der levenden

27:14 Wacht op den Heer, wees sterk en onversaagd; ja, wacht op den Heer. Psalmen 2

28:1 Een psalm van David. Als ik tot U roep, Heer, mijn steenrots, zo zwijg niet voor mij; opdat niet, indien Gij zweegt, ik worde gelijk degenen, die in den kuil dalen

28:2 Hoor de stem mijns smekens, wanneer ik tot U schrei, wanneer ik mijne handen ophef tot uw binnenste heiligdom

28:3 Neem mij niet weg met de goddelozen, met de kwaaddoeners, die vriendelijk spreken met hunne naaste en kwaad in het hart hebben

28:4 Geef hun naar hunne daad en naar hunne boosheid, geef hun naar de werken hunner handen, vergeld hun wat zij verdiend hebben

28:5 Want zij willen geen acht slaan op het doen des Heren, noch op de werken zijner handen; daarom zal Hij hen verwoesten en niet weder opbouwen

28:6 Geloofd zij de Heer, want Hij heeft de stem mijns smekens verhoord

28:7 De Heer is mijne sterkte en mijn schild; op Hem hoopt mijn hart, en ik ben geholpen; en mijn hart is vrolijk, en ik zal Hem danken met mijn lied

28:8 De Heer is hunne sterkte, Hij is de sterkte, die zijnen gezalfde helpt

28:9 Help uw volk en zegen uw erfdeel, en weid en verhoog hen eeuwiglijk. Psalmen 2

29:1 Een psalm van David. Brengt herwaarts aan den Heer, gij machtigen, brengt herwaarts aan den Heer eer en sterkte

29:2 Brengt herwaarts aan den Heer de eer zijns naams, aanbidt den Heer in heilig sieraad

29:3 De stem des Heren gaat over de wateren, de God der ere dondert; de Heer is op de grote wateren

29:4 De stem des Heren gaat met macht, de stem des Heren gaat heerlijk

29:5 De stem des Heren verbreekt de cederen, de cederen Libanons verbreekt de Heer

29:6 Hij doet ze opspringen als kalveren, Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn

29:7 De stem des Heren doet vuur ontvlammen

29:8 De stem des Heren beweegt de woestijn, de stem des Heren doet de woestijn Kades beven

29:9 De stem des Heren doet de hinden baren, en ontbladert de wouden; maar in zijnen tempel zal een ieder Hem ere zeggen

29:10 De Heer zit en richt een zondvloed aan, ja, de Heer blijft koning in eeuwigheid

29:11 De Heer zal aan zijn volk kracht geven, de Heer zal zijn volk zegenen met vrede. Psalmen 3

30:1 Een psalm, te zingen ter inwijding van Davids huis. 30:2) Ik prijs u, Heer, want Gij hebt mij verhoogd, en niet toegelaten, dat mijne vijanden zich over mij verheugen. 30:3) Heer, mijn God, toen ik tot U riep, maaktet Gij mij gezond. 30:4) Heer, Gij hebt mijne ziel uit het graf getogen, Gij hebt mij in het leven behouden, toen anderen in het graf nedervoeren. 30:5) Gij heiligen, zingt den lof des Heren, dankt en prijst zijne heiligheid. 30:6) Want zijn toorn duurt een ogenblik, maar zijne gunst een leven lang: des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er vreugde. 30:7) Ik zeide, toen het mij wél ging: Ik zal nimmer ter neder liggen; want, 30:8) Heer, door uw welbehagen hadt Gij mijnen berg sterk gemaakt; maar toen Gij uw aangezicht verborgt, verschrikte ik. 30:9) Ik riep, Heer, tot U, den Heer smeekte ik: 30:10) Wat nut is er aan mijn bloed, als ik dood ben? Zal het stof U ook danken en uwe trouw verkondigen? 30:11) Heer, hoor en wees mij genadig; Heer, wees mijn helper. 30:12) Gij hebt mijne klacht veranderd in een rei, Gij hebt mijnen zak uitgetrokken, en mij met vreugde omgord, 30:13) opdat mijne eer uwen lof zinge en niet ophoude. Heer, mijn God, ik zal U danken in eeuwigheid. Psalmen 3

31:1 Een psalm van David om voor te zingen. 31:2) Heer, op U vertrouw ik: laat mij nimmer te schande worden, red mij door uwe gerechtigheid. 31:3) Neig uwe oren tot mij, help mij schielijk; wees mij tot een sterke steenrots en tot een burg, om mij te redden! 31:4) Want Gij zijt mijn steenrots en mijn burg; en om uws naams wil, wil mij toch leiden en voeren; 31:5) wil mij toch uit het net trekken hetwelk zij mij gespannen hebben, want Gij zijt mijne sterkte. 31:6) In uwe handen beveel ik mijnen geest; Gij hebt mij verlost, Heer, Gij getrouwe God. 31:7) Ik haat hen, die aan de ijdele afgoden vasthouden, maar ik hoop op den Heer. 31:8) Ik verheug mij en ben vrolijk over uwe goedertierenheid, dat Gij mijne ellende aanziet en den nood mijner ziel kent, 31:9) en mij niet overgeeft in de hand des vijands, maar mijne voeten stelt op ene wijde ruimte. 31:10) Heer, wees mij genadig, want mij is bang; mijne gedaante is vervallen van treuren, alsook mijne ziel en mijn lichaam; 31:11) want mijn leven is afgenomen van droefenis, en mijn tijd van zuchten, mijne kracht is vervallen wegens mijne misdaad, en mijn gebeente is versmacht. 31:12) Het gaat mij zo kwalijk, dat ik tot een grote versmaadheid ben geworden bij mijne naburen, en tot een afkeer bij mijne bekenden; wie mij zien op de straat, vlieden voor mij. 31:13) Ik ben in hun hart vergeten gelijk een dode, ik ben geworden als een gebroken vat. 31:14) Want ik hoor, dat velen mij schelden, verschrikking is alom, zij beraadslagen met elkander tegen mij, en denken mij het leven te benemen. 31:15) Maar ik, o Heer, hoop op U, en zeg: Gij zijt mijn God. 31:16) Mijne tijden zijn in uwe hand: red mij van de hand mijner vijanden en dergenen, die mij vervolgen. 31:17) Laat uw aangezicht lichten over uwen knecht, help mij door uwe goedertierenheid. 31:18) Heer, laat mij niet te schande worden, want ik roep U aan; de goddelozen moeten te schande worden, en tot stilzwijgen gebracht in het graf. 31:19) Verstommen moeten de valse monden, die tegen den rechtvaardige zo wreed, hoogmoedig en smadelijk spreken. 31:20) Hoe groot is uwe goedheid, die Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen, die Gij bewijst aan degenen, die onder de lieden U vertrouwen. 31:21) Gij verbergt hen heimelijk bij U tegen ieders hoogmoed, Gij bedekt hen in de hut tegen de twistzieke tongen. 31:22) Geloofd zij de Heer, dat Hij mij zijne goedheid zo wonderbaar bewezen heeft in ene vaste stad. 31:23) Want ik sprak in mijne moedeloosheid: Ik ben van voor uwe ogen verstoten; nochtans hoordet Gij de stem mijns smeken, toen ik tot U riep. 31:24) Bemint den Heer, alle zijne heiligen, de Heer behoedt de gelovigen, en vergeldt rijkelijk dengene, die hoogmoedig handelt. 31:25) Weest welgemoed en onversaagd, gij allen, die den Heer verbeidt. Psalmen 3

32:1 Een onderwijzing van David. Welgelukzalig hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is

32:2 Welgelukzalig is de mens, wien de Heer de misdaad niet toerekent, in wiens geest geen valschheid is

32:3 Toen ik het wilde verzwijgen, versmachtte mijn gebeente bij mijn dagelijks gekerm

32:4 want uwe hand was dag en nacht zwaar op mij, zodat mijn sap verdroogde, gelijk het in den zomer dor wordt. Sela

32:5 Daarom beken ik U mijne zonde, en verheel mijn misdaad niet. Ik sprak: Ik zal den Heer mijne overtredingen bekennen; toen vergaaft Gij mij de misdaad mijner zonde. Sela

32:6 Daarom zullen U al de heiligen bidden ter rechter tijd; derhalve, wanneer grote watervloeden komen, zullen die hen niet raken

32:7 Gij zijt mijne bescherming; wil mij toch voor angst behoeden, opdat ik, gered, vrolijk moge roemen. Sela

32:8 Ik zal u onderwijzen, en u den weg tonen, dien gij wandelen moet; ik zal u met mijne ogen leiden

32:9 Weest niet als paarden en muilezels, die niet verstandig zijn, welke men toom en gebit in den bek moet leggen, als zij tot u niet willen naderen

32:10 De goddeloze heeft vele plagen; maar wie op den Heer hoopt, dien zal de goedertierenheid omringen

32:11 Verheugt u in den Heer en zijt vrolijk, gij rechtvaardigen, en roemt Hem, alle gij vromen. Psalmen 3

33:1 Verheugt u in den Heer, gij rechtvaardigen; de vromen moeten Hem heerlijk prijzen

33:2 Dankt den Heer met harpen, en zingt zijnen lof op het speeltuig van tien snaren

33:3 Zingt hem een nieuw lied, speelt liefelijk op snarentuig met geschal

33:4 Want het woord des Heren is waarachtig, en wat Hij toezegt, dat houdt Hij gewis

33:5 Hij bemint de gerechtigheid en het gericht; de aarde is vol van de goedertierenheid des Heren

33:6 De hemel is door het woord des Heren gemaakt, en al zijn heir door den adem zijns monds

33:7 Hij houdt het water in de zee te zamen als in een lederen zak, en legt de diepte in het verborgene

33:8 De gehele wereld vreze den Heer, en Hem ontzie al wat op den aardbodem woont

33:9 Want als Hij spreekt, zo geschiedt het; als Hij gebiedt, zo staat het daar

33:10 De Heer maakt den raad der volken te niet, en verijdelt de gedachten der natiën

33:11 Maar de raad des Heren blijft eeuwiglijk, de gedachten zijns harten immer en altoos

33:12 Welgelukzalig is het volk, welks God de Heer is, het volk, hetwelk Hij zich ten erfdeel verkoren heeft

33:13 De Heer schouwt uit den hemel en ziet op alle kinderen der mensen

33:14 Van zijnen vasten troon ziet Hij op allen, die op de aarde wonen

33:15 Hij buigt hun allen het hart, Hij let op al hunne werken

33:16 Een koning wordt niet behouden door zijne grote macht, een reus niet gered door zijne grote kracht

33:17 paarden helpen ook niet, en hunne grote sterkte redt niet

33:18 Zie, het oog des Heren is op degenen, die Hem vrezen, die op zijne goedheid hopen

33:19 opdat Hij hunne ziel redde van den dood, en hen voede in den duren tijd

33:20 Onze ziel wacht op den Heer, Hij is onze hulp en ons schild

33:21 dus verheugt zich ons hart in Hem, en vertrouwen wij op zijnen heiligen naam

33:22 Uwe goedheid, o Heer, zij over ons, gelijk wij op U hopen. Psalmen 3

34:1 Een psalm van David, toen hij zijn gelaat veranderd had voor Abimélech, die hem van zich dreef, en hij wegging. 34:2) Ik wil den Heer loven te allen tijde: zijn lof zal altoos in mijnen mond zijn. 34:3) Mijn ziel zal zich beroemen in den Heer, dat de ellendigen het horen en zich verheugen. 34:4) Prijst met mij den Heer, en laat ons met elkander zijnen naam verhogen. 34:5) Toen ik den Heer zocht, antwoordde Hij mij, en redde mij uit al mijne vrees. 34:6) Wie op Hem zien, worden verkwikt en hun aangezicht wordt niet te schande. 34:7) Toen deze ellendige riep, verhoorde de Heer, en verloste hem uit al zijne noden. 34:8) De Engel des Heren legert zich rondom degenen, die Hem vrezen, en verlost hen. 34:9) Smaakt en ziet hoe vriendelijk de Heer is; welgelukzalig hij, die op Hem vertrouwt. 34:10) Vreest den Heer, gij zijne heiligen; want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek. 34:11) De rijken moeten gebrek lijden en hongeren, maar wie den Heer zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed. 34:12) Komt herwaarts, kinderen, hoort naar mij; ik zal u de vreze des Heren leren. 34:13) Wie is er, die een goed leven begeert, en die gaarne goede dagen had? 34:14) Behoed uwe tong voor het kwade, en uwe lippen voor bedrog te spreken. 34:15) Sta af van het kwade en doe het goede, zoek den vrede en jaag dien na. 34:16) De ogen des Heren letten op de rechtvaardigen, en zijne oren op hun geroep; 34:17) maar het aangezicht des Heren is tegen degenen, die kwaad doen, om hunne gedachtenis uit te roeien van de aarde. 34:18) Wanneer [de rechtvaardigen] roepen, zo hoort hen de Heer, en redt hen uit al hunnen nood. 34:19) De Heer is nabij degenen, die gebroken van hart zijn, en helpt degenen, die een verslagen gemoed hebben. 34:20) De rechtvaardige moet veel lijden, maar de Heer helpt hem uit dit alles. 34:21) Hij bewaart al zijne beenderen, dat niet één daarvan gebroken wordt. 34:22) Het ongeluk zal den goddeloze doden, en wie den rechtvaardige haten, zullen schuld hebben. 34:23) De Heer verlost de ziel zijner knechten; en allen, die op Hem vertrouwen, zullen geen schuld hebben. Psalmen 3

35:1 Een psalm van David. Twist, Heer, met mijne twisters, strijd tegen mijne bestrijders

35:2 Grijp het schild en het wapen, en maak U op om mij te helpen

35:3 Strek voorwaarts de spies, en beschut mij tegen mijne vervolgers; zeg tot mijne ziel: Ik ben uwe hulp

35:4 Mogen zij zich schamen en te schande worden, die naar mijne ziel staan, mogen zij terugkeren en schaamrood worden, die mij kwaad gunnen

35:5 Mogen zij worden als kaf voor den wind, en de Engel des Heren drijve hen voort

35:6 Hun weg moge duister en glibberig worden, en de Engel des Heren jage hen achterna

35:7 Want zij hebben mij zonder oorzaak hun net gespannen om te verderven, en hebben onverdiend voor mijne ziel een kuil gegraven

35:8 Hij moge onvoorziens overvallen worden; en zijn net, hetwelk hij verborgen heeft, moge hem vangen, en hij daarin overvallen worden

35:9 Maar zijne ziel moge zich verheugen in den Heer, en vrolijk zijn over zijne hulp

35:10 Al mijn gebeente moge zeggen: Heer, wie is U gelijk, die den ellendige redt van dengene, die hem te sterk is, en den ellendige en arme van zijne berovers

35:11 Er treden snode getuigen op, die betichten mij van hetgeen, waaraan ik niet schuldig ben

35:12 Zij doen mij kwaad voor goed, om mij in hartzeer te brengen

35:13 Maar ik, toen zij krank waren, trok een zak aan, ik kwelde mij met vasten, en bad steeds van harte

35:14 Ik hield mij, alsof het mijn vriend en broeder ware, ik ging treurig als iemand, die rouw draagt over zijne moeder

35:15 Maar zij verheugen zich over mijne schade en verzamelen zich; de hinkenden verzamelen zich tegen mij, zonder mijne schuld; zij verscheuren mij en houden niet op

35:16 Met degenen, die huichelen en spotten om des buiks wil, knersen zij met de tanden tegen mij

35:17 Heer, hoelang zult Gij toezien? Red toch mijne ziel uit hun geraas, en mijne enige van de jonge leeuwen

35:18 Ik zal U danken in de grote gemeente, en voor het ganse volk zal ik U roemen

35:19 Laat zich niet over mij verblijden, wie mij zonder reden vijandig zijn, noch met de ogen spotten, wie onverdiend mij haten

35:20 Want zij trachten schade te doen, en zoeken valse zaken tegen de stillen in het land

35:21 zij sperren den mond wijd open tegen mij, en zeggen: Zo, zo, dat zien wij gaarne

35:22 Heer, Gij ziet het, zwijg niet; Heer, wees niet verre van mij

35:23 Ontwaak en waak op tot mijn recht, en tot mijne zaak, mijn God en Heer

35:24 Heer, mijn God, richt mij naar uwe gerechtigheid, opdat zij zich over mij niet verblijden

35:25 laat hen niet zeggen in hun hart: Zo, zo, dat wilden wij! Laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden

35:26 Mogen allen zich schamen en te schande worden, die zich over mijn leed verblijden, mogen zij met schande en schaamte bekleed worden, die zich tegen mij beroemen

35:27 Mogen zij zich beroemen en verblijden, die mij gunnen, dat ik recht behoude, en altoos zeggen: De Heer zij hooggeloofd, die lust heeft aan het heil van zijnen knecht

35:28 Zo zal mijne tong van uwe gerechtigheid spreken, en U dagelijks prijzen. Psalmen 3

36:1 Een psalm van David, den knecht des Heren, om voor te zingen. 36:2) Het is uit den grond mijns harten, dat ik van het doen der goddelozen spreek: Er is geen vreze Gods bij hen. 36:3) Zij vleien zichzelven onder elkander, om hunne kwade zaak te bevorderen en anderen hatelijk te maken. 36:4) Hunne gehele leer is schadelijk en gelogen, zij laten zich ook niet onderwijzen om wat goeds te doen; 36:5) maar zij trachten op hunne legerstede naar schade, en staan vast op den kwaden weg, en schuwen geen kwaad. 36:6) Heer, uwe goedheid strekt zo ver de hemel is, en uwe waarheid zo wijd de wolken gaan; 36:7) uwe gerechtigheid staat als de bergen Gods, en uw recht als de diepe afgrond; Heer, Gij helpt beiden, mensen en vee. 36:8) Hoe dierbaar is uwe goedheid, o God, dat mensenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht mogen nemen! 36:9) Zij worden dronken van de rijke goederen van uw huis, en Gij drenkt hen met wellust als met een stroom. 36:10) Want bij U is de bron des levens, en in uw licht zien wij het licht. 36:11) Breid uwe goedheid uit over degenen, die u kennen, en uwe gerechtigheid over de vromen. 36:12) Laat de hoogmoedigen mij niet vertreden, en de hand der goddelozen verdrijve mij niet. 36:13) Maar laat hen, de kwaaddoeners, aldaar vallen, zodat zij verstoten worden en niet blijven kunnen. Psalmen 3

37:1 Een psalm van David. Vertoorn u niet over de bozen, wees niet nijdig over de kwaaddoeners

37:2 want gelijk het gras worden zij haast afgesneden, en als het groene kruid zullen zij verwelken

37:3 Hoop op den Heer en doe het goede; blijf in het land en jaag naar getrouwheid

37:4 Heb uwen lust aan den Heer; die zal u geven wat uw hart wenst

37:5 Beveel den Heer uwe wegen en hoop op Hem: Hij zal het wél maken

37:6 en zal uwe gerechtigheid te voorschijn brengen als het licht, en uw recht als den middag

37:7 Wees stil voor den Heer en wacht op Hem; vertoorn u niet over dengene, wiens moedwil gelukkig slaagt

37:8 Sta af van toorn en verlaat de gramschap; vertoorn u niet, zodat gij ook het kwade doen zoudt

37:9 Want de bozen worden uitgeroeid; maar wie den Heer verwachten, zullen het land beërven

37:10 Het is nog maar een kleine tijd en de goddeloze is niet meer; en als gij naar zijne plaats zult zien, zal hij weg zijn

37:11 Maar de ellendigen zullen het land beërven, en lust hebben in groten vrede

37:12 De goddeloze dreigt den rechtvaardige, en knerst met de tanden tegen hem

37:13 maar de Heer belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt

37:14 De goddelozen trekken het zwaard uit en spannen hunnen boog om den ellendige en arme te vellen, en de vromen te slachten

37:15 maar hun zwaard zal in hun eigen hart gaan, en hun boog zal in stukken breken

37:16 Het weinige, dat een rechtvaardige heeft, is beter dan het grote goed veler goddelozen

37:17 want de arm der goddelozen zal in stukken breken; maar de Heer ondersteunt de rechtvaardigen

37:18 De Heer kent de dagen der vromen, en hun goed zal eeuwiglijk blijven

37:19 Zij zullen niet te schande worden in den kwaden tijd, en in de duurte zullen zij genoeg hebben

37:20 Want de goddelozen zullen omkomen; en de vijanden des Heren, of zij al zijn als ene kostelijke landouw, zullen toch vergaan, gelijk de rook vergaat

37:21 De goddeloze neemt te leen en geeft niet weder, maar de rechtvaardige is barmhartig en mild

37:22 Want zijne gezegenden beërven het land, maar zijne gevloekten worden uitgeroeid

37:23 Door den Heer wordt de gang van zulk een man bevorderd, en Hij heeft lust aan zijnen weg

37:24 Valt hij, zo wordt hij niet weggeworpen, want de Heer vat hem bij de hand

37:25 Ik ben jong geweest en ben oud geworden, en heb nog nooit den rechtvaardige verlaten gezien, noch zijn zaad om brood gaande

37:26 Hij is altijd barmhartig en leent gaarne, en zijn zaad zal gezegend zijn

37:27 Sta af van het kwade en doe het goede; zo zult gij bestendig wonen

37:28 Want de Heer heeft het recht lief, en verlaat zijne heiligen niet; eeuwiglijk worden zij bewaard, maar het zaad der goddelozen zal uitgeroeid worden

37:29 De rechtvaardigen beërven het land, en blijven er eeuwiglijk in

37:30 De mond des rechtvaardigen spreekt wijsheid, en zijne tong leert wat recht is

37:31 De wet zijns Gods is in zijn hart; zijne treden wankelen niet

37:32 De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden

37:33 maar de Heer laat hem niet in zijne hand, en verdoemt hem niet, wanneer hij geoordeeld wordt

37:34 Wacht op den Heer en houd zijnen weg, zo zal Hij u verhogen, dat gij het land beërft; gij zult het zien, dat de goddelozen uitgeroeid worden

37:35 Ik heb enen goddeloze gezien, die was geweldig, en breidde zich uit en groeide als een laurierboom

37:36 toen men voorbijging, zie, toen was hij weg; ik vraagde naar hem, maar hij werd nergens gevonden

37:37 Blijf vroom, en gedraag u wél; want denzulken zal het ten laatste welgaan

37:38 Maar de overtreders worden verdelgd met elkander, en de goddelozen worden ten laatste uitgeroeid

37:39 Maar de Heer helpt de rechtvaardigen, hij is hun sterkte in den nood

37:40 en de Heer zal hen bijstaan en zal hen redden, Hij zal hen van de goddelozen redden, en hen helpen, want zij vertrouwen op Hem. Psalmen 3

38:1 Een psalm van David ter gedachtenis. 38:2) Heer, straf mij niet in uwen toorn, en kastijd mij niet in uwe gramschap. 38:3) Want uwe pijlen steken in mij, en uwe hand drukt mij. 38:4) Er is niet gezonds aan mijn lichaam wegens uwen toorn, en er is geen vrede in mijn gebeente wegens mijne zonde. 38:5) Want mijne zonden gaan over mijn hoofd; als een drukkende last zijn zij mij te zwaar geworden. 38:6) Mijne wonden stinken en vloeien van etter, van wege mijne dwaasheid. 38:7) Ik ga krom en zeer gedrukt; den gehelen dag ga ik treurig. 38:8) Want mijne lendenen verdorren geheel, en er is niets gezonds aan mijn lichaam. 38:9) Ik ben bezweken en zeer verbrijzeld; ik kerm van onrust mijns harten. 38:10) Heer, voor U is al mijne begeerte, en mijne zuchten is U niet verborgen. 38:11) Mijn hart beeft, mijne kracht heeft mij verlaten, en het licht mijner ogen is niet bij mij. 38:12) Mijne metgezellen en vrienden treden terug en schuwen mijne plaag, en mijne bloedverwanten staan van verre. 38:13) En die mij naar de ziel staan, spannen hunne strikken; en die mij kwaad gunnen, overleggen, hoe zij schade doen zullen, en gaan enkel met listen om. 38:14) Maar ik moet zijn als een dove en niet horen, en als een stomme, die zijnen mond niet open doet. 38:15) Ja, ik moet zijn als iemand, die hoort, en die geen tegenredenen in zijnen mond heeft. 38:16) Maar ik wacht, Heer, op U; Gij, Heer, mijn God, zult verhoren. 38:17) Daarom zeg ik: Dat zij zich toch over mij niet verblijden, zich niet hogelijk tegen mij beroemen, want mijn voet wankelt! 38:18) Want ik ben tot lijden bestemd en mijn smart is altoos Vóór mij. 38:19) Daarom maak ik U mijne misdaad bekend, en bekommer mij over mijne zonde. 38:20) Maar mijne vijanden leven en zijn machtig; die mij onbillijk haten, zijn velen. 38:21) En zij, die mij kwaad doen voor goed, kanten zich tegen mij, omdat ik op het goede gesteld ben. 38:22) Verlaat mij niet, Heer; mijn God, wees niet verre van mij. 38:23) Haast U om mij bij te staan, Heer, mijn hulp! Psalmen 3

39:1 Een psalm van David om voor te zingen, voor [het koor van] Jeduthun. 39:2) Ik heb mij voorgenomen, dat ik mij zal wachten, dat ik niet zondige met mijne tong; ik zal mijnen mond betomen, terwijl ik den goddeloze voor mij zien moet. 39:3) Ik ben verstomd en stil, en zwijg van de vreugd; ik moet mijn leed verkroppen. 39:4) Mijn hart is ontbrand in mijn lichaam; en als ik daaraan denk, word ik ontstoken. Toen sprak mijne tong: 39:5) Heer, leer mij toch, dat het een einde met mij nemen moet, dat mijn leven een perk heeft en ik van hier moet. 39:6) Zie, mijne dagen zijn een handbreed bij U, en mijn leven is als niets voor U; hoe geheel niets zijn alle mensen, die toch zo zeker leven! Sela. 39:7) Zij gaan daarheen als ene schaduw, en maken zich veel ijdele onrust; zij vergaderen en weten niet wie het krijgen zal. 39:8) Nu, Heer, waarmede zal ik mij troosten? Ik hoop op U. 39:9) Red mij van al mijne zonden, en laat mij niet ten spot der dwazen worden. 39:10) Ik zal zwijgen en mijnen mond niet opendoen; want Gij hebt het gedaan. 39:11) Wend uwe plaag van mij, want ik ben versmacht vanwege de straf uwer hand. 39:12) Wanneer Gij iemand kastijdt om de zonde, zo wordt zijne schoonheid verteerd als door motten. Ach, hoe geheel niets zijn toch alle mensen Sela. 39:13) Hoor mijn gebed, Heer, en verneem mijn roepen; zwijg niet over mijne tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, en een bijwoner, gelijk al mijne vaderen. 39:14) Laat af van mij, opdat ik mij verkwikke, eer ik heenvaar en niet meer ben. Psalmen 4

40:1 Een psalm van David om voor te zingen. 40:2) Ik verwachtte den Heer, en Hij neigde zich tot mij en hoorde mijn geschrei; Hij trok mij uit den moordkuil, 40:3) uit het slijk en den modderpoel, en stelde mijne voeten op een rotssteen, en bevestigde mijne treden, 40:4) en heeft mij een nieuw lied in mijnen mond gegeven, om onzen God te loven. Dit zullen velen zien, en den Heer vrezen en op Hem hopen. 40:5) Welgelukzalig hij, die zijne hoop stelt op den Heer, en zich niet wendt tot de hoovaardigen en die met leugens omgaan. 40:6) Heer, mijn God, groot zijn uwe wonderen en uwe gedachten over ons; niemand is U gelijk; ik wil ze verkondigen en daarvan spreken, hoewel zij niet te tellen zijn. 40:7) Offer en spijsoffer behangen U niet, maar de oren hebt Gij mij geopend; Gij wilt noch brandoffer noch zondoffer. 40:8) Toen sprak ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. 40:9) Uwen wil, mijn God, doe ik gaarne; en uwe wet heb ik in mijn hart. 40:10) Ik wil verkondigen de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, ik wil mij den mond niet laten stoppen; Heer, dat weet Gij. 40:11) Uwe gerechtigheid verberg ik niet in mijn hart; van uwe waarheid en van uw heil spreek ik; ik verheel uwe goedheid en trouw niet voor de grote gemeente. 40:12) Maar Gij, Heer, wil toch uwe barmhartigheid niet van mij wenden; laat uwe goedheid en trouw mij gestadig behoeden. 40:13) Want mij hebben omgeven rampen zonder getal; mijne zonden hebben mij aangegrepen, zodat ik ze niet zien mag; zij zijn meer dan de haren op mijn hoofd, en mijn hart heeft mij verlaten. 40:14) Laat het u behagen, Heer, mij te verlossen; haast U, Heer, mij te helpen. 40:15) Mogen zij zich schamen en te schande worden, die naar mijne ziel staan om ze te vernielen; mogen zij achterwaarts keren en schaamrood worden, die mij kwaad gunnen. 40:16) Mogen zij in hunne schande verschrikken, die tot mij zeggen: Zo, zo! 40:17) Mogen zich verheugen en vrolijk zijn allen, die naar U vragen; en mogen, wie uw heil beminnen, gestadig zeggen: De Heer zij hooggeloofd! 40:18) Want ik ben arm en ellendig, maar de Heer zorgt voor mij, Gij zijt mijn helper en verlosser; o, mijn God, vertoef niet. Psalmen 4

41:1 Een psalm van David om voor te zingen. 41:2) Welgelukzalig is hij, die zich den nooddruftige aantrekt: hem zal de Heer redden in den kwaden tijd. 41:3) De Heer zal hem bewaren en in het leven behouden, en het hem laten welgaan op de aarde, en hem nooit aan zijne vijanden prijsgeven. 41:4) De Heer zal hem verkwikken op zijn ziekbed; Gij helpt hem in al zijne krankheid. 41:5) Ik sprak: Heer, wees mij genadig; heel mijne ziel, want ik heb tegen U gezondigd. 41:6) Mijne vijanden spreken kwaad tegen mij: Wanneer zal hij sterven en zijn naam vergaan? 41:7) Zij komen om mij te bezoeken, en menen het toch niet van harte; maar zij zoeken iets, opdat zij lasteren mogen, en gaan naar buiten om het uit te strooien. 41:8) Allen, die mij haten, mompelen samen tegen mij, en beramen kwaad over mij. 41:9) Zij hebben ene snoodheid over mij besloten: Wanneer hij ligt, zal hij niet weder opstaan. 41:10) Ook mijn vriend, dien ik vertrouwde, die mijn brood at, heft den voet tegen mij op. 41:11) Maar Gij, Heer, wees mij genadig en help mij op, zo zal ik het hun vergelden. 41:12) Daaraan merk ik, dat Gij behagen aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet juichen zal. 41:13) Maar Gij onderhoudt mij om mijner vroomheid wil, en stelt mij voor uw aangezicht eeuwiglijk. 41:14) Geloofd zij de Heer, Israëls God, van nu af tot in eeuwigheid. Amen, Amen. Psalmen 4

42:1 Ene onderwijzing voor de kinderen van Korach, om voor te zingen

42:2 Gelijk een hert naar waterbronnen schreeuwt, zo schreeuwt mijne ziel naar U, o God

42:3 Mijne ziel dorst naar God, naar den levenden God. Wanneer zal ik daartoe komen, dat ik Gods aangezicht aanschouwe

42:4 Mijne tranen zijn mijne spijs dag en nacht, dewijl men dagelijks tot mij zegt: Waar is nu uw God

42:5 Als ik daaraan gedenk, dan stort ik mijn hart uit bij mijzelven; want ik wilde gaarne heengaan met de schare, en met hen wandelen naar het huis van God, met vrolijkheid en lofgezang, onder de feestvierende menigte

42:6 Wat bedroeft gij u, mijne ziel, en gij zijt zo onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog danken, dat Hij mij helpt door zijn aangezicht

42:7 Mijn God, mijne ziel is bedroefd in mij, daarom gedenk ik aan U uit het land aan den Jordaan, uit Hermon, uit het kleine gebergte

42:8 Uwe vloeden ruisen daarheen, dat hier ene diepte en daar ene diepte bruist; al uwe baren en golven gaan over mij

42:9 De Heer heeft bij dag zijne goedheid beloofd, en des nachts zing ik Hem, en ik bid tot den God mijns levens

42:10 Ik zeg tot God, mijn steenrots: Waarom hebt Gij mij vergeten? Waarom moet ik zo treurig gaan, daar mijn vijand mij verdrukt

42:11 Het is als een doodsteek in mijne beenderen, dat mijne vijanden mij smaden, als zij dagelijks tot mij zeggen: Waar is nu uw God

42:12 Wat bedroeft gij u, mijne ziel, en zijt zo onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog danken, dat Hij de hulp mijns aangezichts en mijn God is. Psalmen 4

43:1 Doe mij recht, o God, en voer mijne zaak tegen een onheilig volk, en red mij van den valse en onrechtvaardige

43:2 Want gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij? Waarom laat Gij mij zo treurig gaan, daar mijn vijand mij verdrukt

43:3 Zend uw licht en uwe waarheid, opdat zij mij brengen tot uwen heiligen berg en tot uwe woning

43:4 en dat ik kome tot het altaar van God, tot den God, die mijne vreugd en blijdschap is, en ik U op de harp love, God, mijn God

43:5 Wat bedroeft gij u, mijne ziel, en zijt zo onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog danken, dat Hij de hulp mijns aangezichts en mijn God is. Psalmen 4

44:1 Ene onderwijzing voor de kinderen van Korach, om voor te zingen

44:2 God, wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verhaald, wat Gij gedaan hebt in hunne tijden, van ouds af

44:3 Gij hebt met uwe hand de volken verdreven, maar hen hebt Gij geplant; Gij hebt de volken verdelgd, maar hen hebt Gij uitgebreid

44:4 Want zij hebben het land niet ingenomen door hun zwaard, en hun arm hielp hen niet, maar uwe rechterhand, uw arm en het licht uws aangezichts; want Gij hadt welbehagen aan hen

44:5 God, Gij zelf zijt mijn koning, Gij, die aan Jakob hulp belooft

44:6 Door U willen wij onze vijanden nederstoten, in uwen naam willen wij vertreden wie zich tegen ons stellen

44:7 Want ik verlaat mij niet op mijnen boog, en mijn zwaard kan mij niet helpen

44:8 maar Gij verlost ons van onze vijanden, en maakt te schande wie ons haten

44:9 Wij willen dagelijks roemen in God, en uwen naam prijzen eeuwiglijk. Sela

44:10 Waarom verstoot Gij ons dan nu, en laat ons te schande worden, en trekt niet uit met ons heir

44:11 Gij laat ons vlieden voor onzen vijand, dat ons beroven wie ons haten

44:12 Gij geeft ons over als schapen ter slachting, en verstrooit ons onder de heidenen

44:13 Gij verkoopt uw volk om niet, en neemt er niets voor

44:14 Gij maakt ons tot smaad bij onze naburen, tot spot en hoon bij degenen, die rondom ons zijn

44:15 Gij maakt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, en dat de volken het hoofd over ons schudden

44:16 Dagelijks is mijn smaad voor mij, en mijn aangezicht is vol schaamte

44:17 omdat ik de schenders en lasteraars horen, en de vijanden en wraakgierigen zien moet

44:18 Dit alles is ons overkomen, en nochtans hebben wij U niet vergeten, noch trouweloos gehandeld tegen uw verbond

44:19 Ons hart is niet afgevallen, noch onze gang geweken van uwen weg

44:20 dat gij ons zo verslaat in een drakenoord en ons bedekt met duisternis

44:21 Zo wij den naam onzes God hadden vergeten, en onze handen opgeheven tot een vreemden God, dat zou God wel vinden

44:22 want Hij kent immers den grond des harten

44:23 Om uwentwil worden wij dagelijks gedood, en zijn geacht als slachtschapen

44:24 Ontwaak, Heer, waarom slaapt Gij? Waak op en verstoot ons niet zo geheel

44:25 Waarom verbergt gij uw aangezicht, en vergeet onze ellende en verdrukking

44:26 Want onze ziel is gebogen ter aarde, onze buik kleeft aan den aardbodem

44:27 Maak U op, help ons, en verlos ons om uwer goedheid wil. Psalmen 4

45:1 Ene onderwijzing, een lied der liefde, voor de kinderen van Korach, om voor te zingen. Van de rozen

45:2 Mijn hart dicht een vrolijk lied; ik zal zingen van een koning; mijne tong is als de stift eens vaardigen schrijvers

45:3 Gij zijt de schoonste onder alle mensenkinderen, lieftallig zijn uwe lippen; daarom zegent God u eeuwiglijk

45:4 Gord uw zwaard aan uwe zijde, gij held, en versier u schoon

45:5 Het moge u gelukken in uw sieraad; trek uit om de waarheid te beschermen, en de ellendigen bij het recht te behouden; zo zal uwe rechterhand u wonderen doen verrichten

45:6 Uwe pijlen zijn scherp, zodat volken voor u nedervallen; zij dringen in het hart van de vijanden des konings

45:7 God, uw troon blijft altoos en eeuwiglijk, de schepter uws rijks is een rechtmatige schepter

45:8 Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid: daarom heeft U, God, uw God gezalfd met de olie der vreugde boven uwe metgezellen

45:9 Uwe klederen zijn enkel mirre, aloë en kassia, als gij uit de ivoren paleizen te voorschijn treedt in uwe schone pracht

45:10 In uw sieraad gaan zelfs dochters van koningen; en de bruid staat aan uwe rechterhand, in enkel kostelijk goud

45:11 Hoor, o dochter, en zie daarop, en neig uw oor, vergeet uw volk en uws vaders huis

45:12 zo zal de koning lust hebben aan uwe schoonheid, want hij is uw heer, en gij zult hem onderworpen zijn

45:13 De dochter van Tyrus zal met geschenken aldaar zijn, de rijken onder het volk zullen uwe gunst zoeken

45:14 Des konings dochter is louter pracht in het verborgen, zij is met gouden borduursel bekleed

45:15 Men leidt haar in gestikte klederen tot den koning; en hare speelnoten. de maagden, die haar volgen, leidt men tot u

45:16 men leidt haar met vreugde en blijdschap, en zij gaan in des konings paleis

45:17 In plaats van uwe vaderen zullen uwe zonen zijn, die zult gij tot vorsten stellen in de gehele wereld

45:18 Ik wil uwen naam gedenken van kind tot kindskind: daarom zullen de volken u prijzen altoos en eeuwiglijk. Psalmen 4

46:1 Een lied voor de kinderen van Korach, om voor te zingen. Van de jeugd

46:2 God is onze toeverlaat en sterkte, ene hulp in de grote noden, die ons getroffen hebben

46:3 Daarom vrezen wij niet, ofschoon de wereld onderging, en de bergen midden in de zee verzonken

46:4 ofschoon de zee raasde en bruiste, en door hare onstuimigheid de bergen invielen. Sela

46:5 Nochtans zal de stad Gods zich verblijden in hare fonteinen, waar de heilige woningen des Allerhoogsten zijn

46:6 God is in haar midden, daarom zal zij vast blijven; God helpt haar, eer de morgen aanbreekt

46:7 Volken moeten versagen en koninkrijken vallen; het aardrijk moet vergaan, wanneer Hij zich laat horen

46:8 De Heer Zebaôth is met ons, de God Jakobs is onze beschutting. Sela

46:9 Komt herwaarts en aanschouwt de daden des Heren, die op de aarde zulke verwoestingen aanricht

46:10 die de oorlogen stuit in de gehele wereld, die den boog verbreekt, de spies in stukken slaat, en de wagens met vuur verbrandt

46:11 Weest stil, en erkent, dat Ik God ben; Ik wil eer behalen onder de volken, Ik wil eer behalen op de aarde

46:12 De Heer Zebaôth is met ons, de God Jakobs is onze beschutting. Sela. Psalmen 4

47:1 Een psalm voor de kinderen van Korach, om voor te zingen

47:2 Klapt in de handen, gij volken alle; juicht Gode met een jubelgezang

47:3 Want de Heer, de Allerhoogste, is geducht, een groot koning over den gehelen aardbodem

47:4 Hij zal de volken onder ons vernederen, en de natiën onder onze voeten

47:5 Hij verkiest voor ons een erfdeel, de heerlijkheid van Jakob, dien Hij liefheeft. Sela

47:6 God trekt op onder gejuich, de Heer onder bazuingeschal

47:7 Zingt lof, zingt Gode lof, zingt lof, zingt lof onzen koning

47:8 Want God is koning op den gehele aardbodem; zingt Hem dan een gezang

47:9 God is koning over de volken; God zit op zijnen heiligen troon

47:10 De vorsten der volken zijn verzameld tot het volk van Abrahams God; want de schilden der aarde zijn Godes; Hij is zeer verheven. Psalmen 4

48:1 Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach

48:2 Groot is de Heer en hooggeroemd in de stad onzes Gods, op zijnen heiligen berg

48:3 Schoon verheft zich de berg Sion, waarover het gehele land zich verheugt; aan de zijde tegen het Noorden ligt de stad des groten konings

48:4 God is in hare paleizen, Hij is er bekend als ene hoge beschutting

48:5 Want zie, de koningen zijn vergaderd, en met elkander doorgetrokken

48:6 zij hebben zich verwonderd, toen zij dat zagen, zij hebben zich ontzet en zijn gevloden

48:7 beving heeft hen aldaar aangegrepen, angst als ener barende

48:8 Gij verbrijzelt de schepen in de zee door den Oostenwind

48:9 Gelijk wij gehoord hebben, zo zien wij het aan de stad van den Heer Zebaôth, aan de stad onzes Gods; God onderhoudt haar eeuwiglijk. Sela

48:10 God, wij overdenken uwe goedheid in uwen tempel

48:11 God, gelijk uw naam is, zo is ook uw roem tot aan het einde der wereld; uwe rechterhand is vol gerechtigheid

48:12 De berg Sion verheuge zich, en de dochters van Juda mogen vrolijk zijn, om uwer oordelen wil

48:13 Gaat rondom Sion van alle zijden, telt hare torens

48:14 Vestigt uwe aandacht op hare muren, en beschouwt hare paleizen, opdat men het verkondige aan de nakomelingen

48:15 Want deze God is onze God altoos en eeuwiglijk, Hij leidt ons tot aan den dood. Psalmen 4

49:1 Een psalm voor de kinderen van Korach, om voor te zingen

49:2 Hoort toe, alle gij volken; merkt op, gij allen, die in dezen tijd leeft

49:2 gij geringen en gij heren

49:3 beiden rijken en armen met elkander

49:4 Mijn mond zal van wijsheid spreken, en mijn hart zal verstandige dingen zeggen

49:5 Ik wil voor ene spreuk mijn oor neigen, en bekend maken mijn raadsel bij het geklank op de harp

49:6 Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, wanneer de boosheid mijner onderdrukkers mij omringt, die zich verlaten op hun goed

49:7 en trots zijn op hunnen groten rijkdom

49:8 Niemand kan een broeder verlossen, noch iemand aan God een losgeld geven

49:9 want het kost teveel hunne ziel te verlossen, zodat hij het moet laten blijven eeuwiglijk; dat hij leve immer en altoos

49:10 en den kuil niet ziet

49:11 Want men zal zien, dat zulke wijzen toch sterven, en zowel als de dwazen en zotten omkomen, en hun goed aan anderen moeten achterlaten

49:12 Hunne binnenste gedachte is, dat hunne huizen eeuwig duren, en hunne woningen van geslacht tot geslacht; en zij hebben grote eer op aarde

49:13 Nochtans kunnen zij niet blijven in hunne waardigheid, maar moeten vergaan gelijk het vee

49:14 Dit hun doen is enkel dwaasheid, nochtans prijzen hunne nakomelingen het met hunnen mond. Sela

49:15 Zij liggen in het graf als schapen, de dood knaagt hen; maar de vromen zullen zeer spoedig over hen heersen; en hun trots moet vergaan, in het graf moeten zij blijven

49:16 Maar God zal mijne ziel verlossen uit het geweld des grafs, want Hij heeft mij aangenomen. Sela

49:17 Laat u niet verbijsteren, wanneer iemand al rijk wordt, wanneer de heerlijkheid van zijn huis groot wordt

49:18 want hij zal in zijn sterven niets medenemen, en zijne heerlijkheid zal hem niet achterna varen

49:19 Maar hij troost zich met dit goede leven, en prijst het, als iemand naar goede dagen tracht

49:20 Zo varen zij hunne vaderen achterna, en zien het licht nimmer weer

49:21 In het kort: wanneer de mens in waardigheid is, en geen verstand heeft, dan vaart hij heen gelijk het vee. Psalmen 5

50:1 Een psalm van Asaf. God de Heer, de Machtige, spreekt, en roept de wereld op van den opgang der zon tot aan haren ondergang

50:2 Uit Sion, de schone, verschijnt God luisterrijk

50:3 Onze God komt en Hij zwijgt niet; een verterend vuur gaat voor Hem uit, en rondom Hem een groot onweder

50:4 Hij roept hemel en aarde, opdat Hij zijn volk richte

50:5 Vergadert mij mijne heiligen, die mijn verbond door offers vernieuwen

50:6 En de hemelen zullen zijne gerechtigheid verkondigen, want God is rechter. Sela

50:7 Hoor, mijn volk, laat Mij spreken; Israël, laat Mij onder u getuigen: Ik, God, ben uw God

50:8 Vanwege uwe offers bestraf Ik u niet, daar uwe brandoffers altoos Vóór Mij zijn

50:9 Ik wil van uw huis geen varren nemen, noch bokken uit uwe stallen

50:10 want al het gedierte in het woud is het mijne, het vee op de bergen, waar zij bij duizenden gaan

50:11 Ik ken al het gevogelte op de bergen, alle gedierte op het veld is het mijne

50:12 Ware het, dat Mij hongerde, Ik behoefde het u niet te zeggen; want mijn is de aardbodem en al wat er op is

50:13 Meent gij, dat Ik stierenvlees eten en bokkenbloed drinken wil

50:14 Offer Gode dank, en betaal den Allerhoogste uwe geloften

50:15 En roep Mij aan in den nood: zo zal Ik u redden, en gij zult Mij prijzen

50:16 Maar tot den goddeloze spreekt God: Wat verkondigt gij mijne rechten, en neemt mijn verbond in uwen mond

50:17 daar gij toch de kastijding haat en mijne woorden achter u werpt

50:18 Wanneer gij een dief ziet, zo loopt gij met hem, en hebt gemeenschap met de overspelers

50:19 Uwen mond laat gij het kwade spreken, en uwe tong bedrijft valschheid

50:20 Gij zit en spreekt tegen uwen broeder; den zoon uwer moeder lastert gij

50:21 Dit doet gij en Ik zwijg; nu meent gij, dat Ik zijn zal als gij; maar Ik zal u straffen, en zal het u voor ogen stellen

50:22 Merkt dit toch, gij die God vergeet, opdat Ik niet wegrukke en er geen verlosser meer zij

50:23 Wie dank offert, die prijst Mij; en wie den weg behartigt, dien zal Ik Gods heil doen zien. Psalmen 5

51:1 Een psalm van David om voor te zingen

51:2 toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathséba was ingegaan

51:3 God, wees mij genadig naar uwe goedheid, delg mijne zonde uit naar uwe grote barmhartigheid

51:4 Was mij volkomen van mijne misdaad, reinig mij van mijne zonde

51:5 Want ik erken mijne misdaden, en mijne zonde is gestadig Vóór mij

51:6 Tegen U alleen heb ik gezondigd, en kwaad voor U gedaan; opdat Gij recht behoudt in uwe woorden, en rein blijft in uwe gerichten

51:7 Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en mijne moeder heeft mij in zonde ontvangen

51:8 Zie, Gij hebt lust aan de waarheid, die in het verborgen ligt; Gij laat mij weten de heimelijke wijsheid

51:9 Ontzondig mij met hysop, opdat ik rein worde; was mij, opdat ik sneeuwwit worde

51:10 Laat mij horen vreugd en blijdschap, dat de beenderen vrolijk worden, die Gij verbrijzeld hebt

51:11 Verberg uw aangezicht voor mijne zonden, en verdelg al mijne misdaden

51:12 Schep in mij, o God, een rein hart, en geef mij een nieuwen vasten geest

51:13 Verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem uwen Heiligen Geest niet van mij

51:14 Troost mij weder met uwe hulp, en een vrijmoedige geest ondersteune mij

51:15 Ik wil aan de overtreders uwe wegen leren, dat de zondaars zich tot U bekeren

51:16 Verlos mij van de bloedschuld, o God, Gij, die mijn God en Heiland zijt, opdat mijne tong uwe gerechtigheid roeme

51:17 Heer, open mijne lippen, opdat mijn mond uwen roem verkondige

51:18 Want Gij hebt geen lust aan offers, ik wilde ze U anders gaarne geven; en brandoffers behagen U niet

51:19 De offers, die Gode behagen, zijn een verbroken geest; een beangst en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten

51:20 Doe wél aan Sion naar uwe goedheid, bouw de muren van Jeruzalem op

51:21 Dan zullen U behagen de offers der gerechtigheid, de brandoffers en gehele offers; dan zal men varren op uw altaar offeren. Psalmen 52 1 Ene onderwijzing van David om voor te zingen

52:2 toen Doëg de Edomiet gekomen was, en aan Saul te kennen gegeven en gezegd had: David is in Achimélechs huis gekomen

52:3 Wat beroemt gij u, gij dwingeland, dat gij schade kunt doen, daar toch Gods goedheid nog dagelijks duurt

52:4 Uwe tong tracht naar schade en snijdt met leugens als een scherp scheermes

52:5 Gij spreekt liever het kwade dan het goede, en laster dan waarheid. Sela

52:6 Gij spreekt gaarne al wat ten verderve dient, met ene valse tong

52:7 Daarom zal God u ook geheel en al terneder storten en verslaan, u uit de hut rukken, en uit het land der levenden uitroeien. Sela

52:8 En de rechtvaardigen zullen het zien en vrezen, en zullen over hem spotten

52:9 Zie, dat is de man, die God niet voor zijnen troost hield, maar zich verliet op zijnen groten rijkdom, en machtig was om schade te doen

52:10 Maar ik zal blijven als een groene olijfboom in het huis Gods; ik verlaat mij op Gods goedheid altoos en eeuwiglijk

52:11 Ik zal U eeuwig loven, want Gij kunt het wél maken, en zal wachten op uwen naam, want uwe heiligen hebben er vreugde aan. Psalmen 53 1 Een onderwijzing van David, in het koor, om bij beurte voor te zingen

53:2 De dwazen spreken in hun hart: Er is geen God. Zij deugen niets, en zijn een gruwel geworden met hunne ondeugd, er is niemand, die goed doet

53:3 God zag uit den hemel op de mensenkinderen, om te zien of iemand verstandig was, die naar God vroeg; maar zij zijn allen afgevallen

53:4 en altemaal bedorven, er is niemand, die goed doet, ook niet één

53:5 Willen de kwaaddoeners zich niet laten gezeggen, zij, die mijn volk opeten om zich zelven te voeden? God roepen zij niet aan

53:6 Straks zijn zij bevreesd, waar niets te vrezen is; want God verstrooit de beenderen dergenen, die u benauwen; gij maakt ze te schande, want God versmaadt hen

53:7 Och, dat de hulp uit Sion over Israël kwam en God zijn gevangen volk verloste! Dan zou Jakob zich verheugen en Israël vrolijk zijn. Psalmen 54 1 Ene onderwijzing van David, om voor te zingen op snarenspel

54:2 toen die van Zif gekomen waren en tot Saul gezegd hadden: David heeft zich bij ons verborgen

54:3 Help mij, o God, door uwen naam, en doe mij recht door uwe macht

54:4 God, verhoor mijn gebed, verneem de redenen mijns monds

54:5 Want hoogmoedigen stellen zich tegen mij, en trotsen staan naar mijne ziel; zij hebben God niet voor ogen. Sela

54:6 Zie, God staat bij mij, de Heer beschermt mijne ziel

54:7 Hij zal mijnen vijanden hunne boosheid betalen; verdelg hen door uwe trouw

54:8 Zo zal ik U blijmoedig offers brengen, en uwen naam, o Heer, loven, omdat die zo troostrijk is

54:9 Want Gij redt mij uit al mijnen nood, zodat mijn oog mijn lust ziet aan mijne vijanden. Psalmen 55 1 Ene onderwijzing van David, om voor te zingen op snarenspel

55:2 God, hoor mijn gebed, en verberg U niet voor mijn smeken

55:3 Geef acht op mij en verhoor mij, daar ik zo bitter klaag en kerm

55:4 dat de vijand zo schreeuwt, en de goddeloze onderdrukt; want zij willen mij kwaad aandoen, en zijn heftig vergramd op mij

55:5 Mijn hart is beangst in mijn lichaam, en verschrikking des doods is op mij gevallen

55:6 Vrees en beving heeft mij aangegrepen, en siddering heeft mij overvallen

55:7 Ik sprak: Och, had ik vleugelen als de duiven, dat ik heenvliegen en ergens blijven kon

55:8 Zie, dan zou ik mij ver weg begeven, en in de woestijn blijven. Sela

55:9 Ik zou mij haasten om te ontlopen voor den stormwind en het onweder

55:10 Maak hunne tongen verdeeld, o Heer, en verdelg hen; want ik zie geweld en twist in de stad

55:11 Dit gaat dag en nacht om binnen hare muren: moeite en arbeid is daarin

55:12 Schade doen regeert daarin, liegen en bedriegen wijkt niet van hare straten

55:13 Zo nog mijn vijand mij schond, ik zou het verdragen; en zo mijn hater zich tegen mij verhief, ik zou mij voor hem verbergen

55:14 Maar gij zijt het, mijn metgezel, mijn vriend en mijn verwant

55:15 wij, die vriendelijk te zamen waren, wij wandelden naar het huis Gods met de schare

55:16 De dood verrasse hen, en zij mogen levend ten afgrond varen; want enkel boosheid is onder hunnen hoop

55:17 Maar ik zal tot God roepen, en de Heer zal mij helpen

55:18 Des avonds, des morgens en des middags zal ik klagen en kermen, en Hij zal mijne stem horen

55:19 Hij verlost mijne ziel van degenen, die mij bestrijden, en beschikt haar rust; want velen zijn er tegen mij

55:20 God zal horen, en verootmoedigen, Hij, die eeuwig blijft. Sela. Want zij worden niet anders en vrezen God niet

55:21 Want zij slaan hunne handen aan zijne vreedzamen, en ontheiligen zijn verbond

55:22 Hun mond is gladder dan boter, en zij hebben toch krijg in den zin; hunne woorden zijn zachter dan olie, en het zijn toch ontblote zwaarden

55:23 Werp uwe bekommering op den Heer, die zal u verzorgen. Hij zal den rechtvaardige niet eeuwig in onrust laten

55:24 Maar, o God, Gij zult hen nederstorten in den diepen kuil, de bloedgierigen en valsen zullen hun leven niet ter helft brengen. Maar ik hoop op U. Psalmen 56 1 Een gouden kleinood van David, toen de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. De stomme duif in verre plaatsen

56:2 God, wees mij genadig, want mensen willen mij verslinden; dagelijks strijden zij en beangstigen mij

56:3 Mijne vijanden verslinden mij dagelijks, want velen strijden tegen mij hoogmoediglijk

56:4 Doch als ik vrees, dan hoop ik op U

56:5 Ik zal Gods woord roemen: op God zal ik hopen, en niet vrezen; wat zou vlees mij doen

56:6 Dagelijks doen zij mijn woorden geweld aan; al hunne gedachten zijn om mij kwaad te doen

56:7 Zij schuilen samen en loeren, en geven acht op mijne treden, om mijne ziel te grijpen

56:8 Zouden zij met hunne boosheid ontkomen? God stort die lieden zonder genade terneder

56:9 Tel de wegen mijner vlucht; vat mijne tranen in uwen zak; zonder twijfel, gij telt ze

56:10 Dan zullen mijne vijanden moeten terugkeren; als ik roep, zo zal ik gewaarworden, dat gij mijn God zijt

56:11 Ik zal Gods woord roemen; des Heren woord zal ik prijzen

56:12 Op God hoop ik en vrees niet: wat kunnen mensen mij doen

56:13 God, ik heb U ene gelofte gedaan, dat ik U zal danken

56:14 Want Gij hebt mijne ziel van den dood gered, mijne voeten van het glijden, dat ik wandelen kan voor God in het licht der levenden. Psalmen 57 1 Een gouden kleinood van David, om voor te zingen; toen hij voor Saul vluchtte in de spelonk. Omdat hij niet omkwam

57:2 Wees mij genadig o God, wees mij genadig, want op U vertrouwt mijne ziel, en onder de schaduw uwer vleugelen neem ik toevlucht, totdat het ongeluk voorbij i

57:3 Ik roep tot God den Allerhoogste, tot God, die aan mijn jammer een einde maakt

57:4 Hij zendt van den hemel en verlost mij van den smaad mijns verslinders. Sela. God zendt zijne goedheid en trouw

57:5 Ik lig met mijne ziel onder de leeuwen; de mensenkinderen zijn vlammen, hunne tanden zijn spiesen en pijlen, hunne tongen scherpe zwaarden

57:6 Verhef U, o God, boven den hemel; en uwe eer over de gehele wereld

57:7 Zij spreiden netten voor mijnen gang, en drukken mijne ziel terneder; zij graven voor mij een kuil, en vallen zelven daarin. Sela

57:8 Mijn hart is bereid, o God, mijn hart is bereid om te zingen en te loven

57:9 Waak op, mijne eer, waak op, mijne luit en harp; vroeg zal ik opwaken

57:10 Heer, ik zal U danken onder de volken, ik zal uwen lof zingen onder de natiën

57:11 want uwe goedheid is zo wijd de hemel is, en uwe waarheid gaat zo ver de wolken gaan

57:12 Verhef U, o God, boven den hemel; en uwe eer over de gehele wereld. Psalmen 58 1 Een gouden kleinood van David, om voor te zingen. Omdat hij niet omkwam

58:2 Zijt gij dan stom, dat gij niet spreken wilt wat recht is, en vonnissen wat billijk is, o mensenkinderen

58:3 Ja, moedwillig doet gij onrecht in het land, en gaat steeds voort met uwe handen geweld te bedrijven

58:4 De goddelozen zijn verkeerd van den moederschoot af, de leugenaars dolen van de geboorte af

58:5 Hun woeden is als het woeden ener slang, als van ene dove adder, die hare oren toestopt

58:6 opdat zij niet hore de stem des tovenaars, des bezweerders, die ervaren is in het belezen

58:7 God, verbreek hunne tanden in hunnen mond; verbrijzel, Heer, de slagtanden der jonge leeuwen

58:8 Zij zullen vergaan als water, dat wegvliet; zij mikken met hunne pijlen, maar die breken in stukken

58:9 Zij vergaan gelijk een slak, die versmelt, als de ontijdige geboorte ener vrouw zien zij de zon niet

58:10 Eer uwe doornen rijp worden aan den doornstruik, zal uw toorn hen met geweld wegrukken

58:11 De rechtvaardige zal zich verheugen, als hij zulke wraak ziet, hij zal zijne voeten baden in het bloed des goddelozen

58:12 Dan zullen de lieden zeggen: De rechtvaardige zal immers vrucht genieten, God is immers nog rechter op aarde! Psalmen 58 1 Een gouden kleinood van David, om voor te zingen. Omdat hij niet omkwam

58:2 Zijt gij dan stom, dat gij niet spreken wilt wat recht is, en vonnissen wat billijk is, o mensenkinderen

58:3 Ja, moedwillig doet gij onrecht in het land, en gaat steeds voort met uwe handen geweld te bedrijven

58:4 De goddelozen zijn verkeerd van den moederschoot af, de leugenaars dolen van de geboorte af

58:5 Hun woeden is als het woeden ener slang, als van ene dove adder, die hare oren toestopt

58:6 opdat zij niet hore de stem des tovenaars, des bezweerders, die ervaren is in het belezen

58:7 God, verbreek hunne tanden in hunnen mond; verbrijzel, Heer, de slagtanden der jonge leeuwen

58:8 Zij zullen vergaan als water, dat wegvliet; zij mikken met hunne pijlen, maar die breken in stukken

58:9 Zij vergaan gelijk een slak, die versmelt, als de ontijdige geboorte ener vrouw zien zij de zon niet

58:10 Eer uwe doornen rijp worden aan den doornstruik, zal uw toorn hen met geweld wegrukken

58:11 De rechtvaardige zal zich verheugen, als hij zulke wraak ziet, hij zal zijne voeten baden in het bloed des goddelozen

58:12 Dan zullen de lieden zeggen: De rechtvaardige zal immers vrucht genieten, God is immers nog rechter op aarde! Psalmen 59 1 Een gouden kleinood van David, om voor te zingen. Omdat hij niet omkwam, toen Saul gezonden had en zij zijn huis bewaakten om hem te doden

59:2 Red mij, o mijn God, van mijne vijanden; en beschut mij voor degenen, die zich tegen mij stellen

59:3 Red mij van de kwaaddoeners, en verlos mij van de bloedgierigen

59:4 Want zie, Heer, zij loeren op mijne ziel, de sterken vergaderen zich tegen mij, zonder mijne schuld en misdaad

59:5 Zij vallen, zonder mijne schuld, op mij aan, en rusten tegen mij zich toe; waak op en ontmoet mij, en zie toe

59:6 Gij, Heer, God Zebaôth, God van Israël, waak op en bezoek alle heidenen; wees niemand van hen genadig, die zulke trouweloze kwaaddoeners zijn. Sela

59:7 Des avonds huilen zij wederom als de honden, en lopen in de stad rond

59:8 Zie, zij klappen met elkander; zwaarden zijn op hunne lippen: Wie zou het horen

59:9 Maar gij, Heer, zult hen belachen, en al de heidenen bespotten

59:10 Tegen hunne macht houd ik mij aan U, want God is mijne beschutting

59:11 God betoont mij zijne goedheid rijkelijk, God doet mij nederzien op mijne vijanden

59:12 Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; maar verstrooi hen door uwe macht, Heer, ons schild, en stort hen neder

59:13 Het woord hunner lippen is enkel zonde; daarom moeten zij gevangen worden in hunne hoovaardij; want zij spreken enkel vervloeking en leugentaal

59:14 Verdelg hen zonder genade, verdelg hen, dat zij niet meer zijn, dat men gewaar worde, dat God heerser is in Jakob, tot aan de einden der wereld. Sela

59:15 Des avonds huilen zij wederom als de honden, en lopen in de stad rond

59:16 laat hen hier en daar lopen om spijs, en murmureren, als zij niet verzadigd worden

59:17 Maar ik zal van uwe macht zingen, en des morgens uwe goedheid roemen; want Gij zijt mijne beschutting, ene toevlucht in mijnen nood

59:18 Ik zal uwen lof zingen, o mijne sterkte; want Gij, God, zijt mijne beschutting en mijn genadige God. Psalmen 59 1 Een gouden kleinood van David, om voor te zingen. Omdat hij niet omkwam, toen Saul gezonden had en zij zijn huis bewaakten om hem te doden

59:2 Red mij, o mijn God, van mijne vijanden; en beschut mij voor degenen, die zich tegen mij stellen

59:3 Red mij van de kwaaddoeners, en verlos mij van de bloedgierigen

59:4 Want zie, Heer, zij loeren op mijne ziel, de sterken vergaderen zich tegen mij, zonder mijne schuld en misdaad

59:5 Zij vallen, zonder mijne schuld, op mij aan, en rusten tegen mij zich toe; waak op en ontmoet mij, en zie toe

59:6 Gij, Heer, God Zebaôth, God van Israël, waak op en bezoek alle heidenen; wees niemand van hen genadig, die zulke trouweloze kwaaddoeners zijn. Sela

59:7 Des avonds huilen zij wederom als de honden, en lopen in de stad rond

59:8 Zie, zij klappen met elkander; zwaarden zijn op hunne lippen: Wie zou het horen

59:9 Maar gij, Heer, zult hen belachen, en al de heidenen bespotten

59:10 Tegen hunne macht houd ik mij aan U, want God is mijne beschutting

59:11 God betoont mij zijne goedheid rijkelijk, God doet mij nederzien op mijne vijanden

59:12 Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; maar verstrooi hen door uwe macht, Heer, ons schild, en stort hen neder

59:13 Het woord hunner lippen is enkel zonde; daarom moeten zij gevangen worden in hunne hoovaardij; want zij spreken enkel vervloeking en leugentaal

59:14 Verdelg hen zonder genade, verdelg hen, dat zij niet meer zijn, dat men gewaar worde, dat God heerser is in Jakob, tot aan de einden der wereld. Sela

59:15 Des avonds huilen zij wederom als de honden, en lopen in de stad rond

59:16 laat hen hier en daar lopen om spijs, en murmureren, als zij niet verzadigd worden

59:17 Maar ik zal van uwe macht zingen, en des morgens uwe goedheid roemen; want Gij zijt mijne beschutting, ene toevlucht in mijnen nood

59:18 Ik zal uwen lof zingen, o mijne sterkte; want Gij, God, zijt mijne beschutting en mijn genadige God. Psalmen 59 1 Een gouden kleinood van David, om voor te zingen. Omdat hij niet omkwam, toen Saul gezonden had en zij zijn huis bewaakten om hem te doden

59:2 Red mij, o mijn God, van mijne vijanden; en beschut mij voor degenen, die zich tegen mij stellen

59:3 Red mij van de kwaaddoeners, en verlos mij van de bloedgierigen

59:4 Want zie, Heer, zij loeren op mijne ziel, de sterken vergaderen zich tegen mij, zonder mijne schuld en misdaad

59:5 Zij vallen, zonder mijne schuld, op mij aan, en rusten tegen mij zich toe; waak op en ontmoet mij, en zie toe

59:6 Gij, Heer, God Zebaôth, God van Israël, waak op en bezoek alle heidenen; wees niemand van hen genadig, die zulke trouweloze kwaaddoeners zijn. Sela

59:7 Des avonds huilen zij wederom als de honden, en lopen in de stad rond

59:8 Zie, zij klappen met elkander; zwaarden zijn op hunne lippen: Wie zou het horen

59:9 Maar gij, Heer, zult hen belachen, en al de heidenen bespotten

59:10 Tegen hunne macht houd ik mij aan U, want God is mijne beschutting

59:11 God betoont mij zijne goedheid rijkelijk, God doet mij nederzien op mijne vijanden

59:12 Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; maar verstrooi hen door uwe macht, Heer, ons schild, en stort hen neder

59:13 Het woord hunner lippen is enkel zonde; daarom moeten zij gevangen worden in hunne hoovaardij; want zij spreken enkel vervloeking en leugentaal

59:14 Verdelg hen zonder genade, verdelg hen, dat zij niet meer zijn, dat men gewaar worde, dat God heerser is in Jakob, tot aan de einden der wereld. Sela

59:15 Des avonds huilen zij wederom als de honden, en lopen in de stad rond

59:16 laat hen hier en daar lopen om spijs, en murmureren, als zij niet verzadigd worden

59:17 Maar ik zal van uwe macht zingen, en des morgens uwe goedheid roemen; want Gij zijt mijne beschutting, ene toevlucht in mijnen nood

59:18 Ik zal uwen lof zingen, o mijne sterkte; want Gij, God, zijt mijne beschutting en mijn genadige God. Psalmen 60 1 Een gouden kleinood van David, om voor te zingen; van de roos der getuigenis, om te leren

60:2 toen hij gestreden had tegen de Syriërs van Mesopotamië en tegen de Syriërs van Zoba, toen Joab omkeerde en in het Zoutdal twaalf duizend man der Edomieten versloeg

60:3 God, Gij, die ons hadt verstoten en verstrooid, en toornig waart, troost ons nu weder

60:4 Gij, die het land hebt geschud en gescheurd, heel zijne breuk, want het is gespleten

60:5 Ja, Gij hebt uw volk ene harde zaak doen ondervinden; Gij hebt ons een dronk wijn gegeven, dat wij tuimelden

60:6 Maar Gij hebt voor degenen, die u vrezen een teken gesteld, hetwelk zij oprichtten en dat hen veilig maakte. Sela

60:7 Opdat uwe geliefden bevrijd worden, zo help nu met uwe rechterhand en verhoor ons

60:8 God spreekt in zijn heiligdom, weshalve ik mij verblijd: Ik zal Sichem verdelen, en het dal Sukkoth afmeten

60:9 Gilead is mijn, en mijn is Manassa. Efraïm is de macht mijns hoofds, Juda is mijn schepter

60:10 Moab is mijn waschvat; mijnen schoen strek ik uit over Edom; Filistéa juicht Mij toe

60:11 Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij geleiden tot in Edom

60:12 Zult Gij het niet doen, o God, Gij, die ons verstoten hadt, en niet mede uittrokt, God, met ons heir

60:13 Verleen ons bijstand in den nood, want mensenhulp is van geen nut

60:14 Met God zullen wij daden doen; Hij zal onze vijanden onder den voet treden. Psalmen 61 1 Een psalm van David, om voor te zingen op snarenspel

61:2 God, hoor mijn geschrei, en geef acht op mijn gebed

61:3 Hier beneden op de aarde roep ik tot U, wanneer mijn hart in angst is, wil mij toch voeren op ene hoge steenrots

61:4 Want Gij zijt mijn toeverlaat, een sterke toren tegen mijne vijanden

61:5 Laat mij wonen in uwe hut eeuwiglijk, en toevlucht nemen onder uwe vleugelen. Sela

61:6 Want Gij, o God, hoort mijne geloften, Gij beloont degenen, die uwen naam vrezen

61:7 Gij geeft den koning een lang leven, dat zijne jaren duren van geslacht tot geslacht

61:8 dat hij altoos blijft voor God; betoon hem goedertierenheid en trouw, dat die hem behoeden

61:9 Zo zal ik den lof uws naams zingen eeuwiglijk, terwijl ik dagelijks mijne geloften betaal. Psalmen 61 1 Een psalm van David, om voor te zingen op snarenspel

61:2 God, hoor mijn geschrei, en geef acht op mijn gebed

61:3 Hier beneden op de aarde roep ik tot U, wanneer mijn hart in angst is, wil mij toch voeren op ene hoge steenrots

61:4 Want Gij zijt mijn toeverlaat, een sterke toren tegen mijne vijanden

61:5 Laat mij wonen in uwe hut eeuwiglijk, en toevlucht nemen onder uwe vleugelen. Sela

61:6 Want Gij, o God, hoort mijne geloften, Gij beloont degenen, die uwen naam vrezen

61:7 Gij geeft den koning een lang leven, dat zijne jaren duren van geslacht tot geslacht

61:8 dat hij altoos blijft voor God; betoon hem goedertierenheid en trouw, dat die hem behoeden

61:9 Zo zal ik den lof uws naams zingen eeuwiglijk, terwijl ik dagelijks mijne geloften betaal. Psalmen 62 1 Een gebed van David voor Jeduthun om voor te zingen

62:2 Mijne ziel is stil voor God, die mij helpt

62:3 Want Hij is mijn rots, mijn hulp, mijn beschutting, zodat geen val mij zal nederwerpen, hoe groot die ook zij

62:4 Hoe lang belaagt gij allen éénen man, om hem te doden, als een hangenden wand en een gescheurden muur

62:5 Zij bedenken slechts, hoe zij hem vernederen zullen, leggen zich toe op leugens, spreken goede woorden, maar vloeken in hun hart. Sela

62:6 Maar, mijne ziel, wees slechts stil voor God, want Hij is mijne verwachting

62:7 Hij is mijn rots, mijn hulp en mijn beschutting, zodat ik niet wankelen zal

62:8 Bij God is mijn heil, mijn eer; de steenrots mijner sterkte, mijn toeverlaat is God

62:9 Hoopt op Hem altijd, o lieden; schud uw hart voor Hem uit; God is ons een toeverlaat. Sela

62:10 Maar de mensen zijn immers als niets; grote lieden falen ook; zij wegen minder dan niets, zovelen als er zijn

62:11 Verlaat u niet op onrecht en roof; houdt u niet aan hetgeen niets is; valt u rijkdom toe, zo hecht er uw hart niet aan

62:12 God heeft een woord gesproken; dat heb ik meermalen gehoord: God alleen is machtig

62:13 En Gij, Heer, zijt genadig, en betaalt ieder naar zijn werk. Psalmen 63 1 Een psalm van David, toen hij in de woestijn van Juda was

63:2 God, Gij zijt mijn God, vroeg zoek ik U, mijne ziel dorst naar U, mijn vlees verlangt naar U in een droog en dor land, waar geen water is

63:3 Aldaar zie ik naar U in uw heiligdom, ik wilde gaarne aanschouwen uwe macht en heerlijkheid

63:4 Want uwe goedheid is beter dan het leven; mijne lippen prijzen U

63:5 Aldaar wilde ik U gaarne loven, mijn ganse leven door, en mijne handen in uwen naam opheffen

63:6 Dat zou mijns harten vreugd en blijdschap zijn, als ik U met vrolijken mond loven kon

63:7 Als ik mij te bed leg, zo denk ik aan U; als ik ontwaak, zo spreek ik van U

63:8 Want Gij zijt mijn helper, en onder de schaduw uwer vleugelen roem ik

63:9 Mijne ziel hangt U aan, uwe rechterhand onderhoudt mij

63:10 Maar zij staan mij naar het leven om mij te overvallen; zij zullen nederwaarts varen onder de aarde

63:11 zij zullen in het zwaard vallen, en den vossen ten deel worden

63:12 Maar de koning verheugt zich in God. Wie bij hem zweert, zal geroemd worden; want de leugenmonden zullen toegestopt worden. Psalmen 63 1 Een psalm van David, toen hij in de woestijn van Juda was

63:2 God, Gij zijt mijn God, vroeg zoek ik U, mijne ziel dorst naar U, mijn vlees verlangt naar U in een droog en dor land, waar geen water is

63:3 Aldaar zie ik naar U in uw heiligdom, ik wilde gaarne aanschouwen uwe macht en heerlijkheid

63:4 Want uwe goedheid is beter dan het leven; mijne lippen prijzen U

63:5 Aldaar wilde ik U gaarne loven, mijn ganse leven door, en mijne handen in uwen naam opheffen

63:6 Dat zou mijns harten vreugd en blijdschap zijn, als ik U met vrolijken mond loven kon

63:7 Als ik mij te bed leg, zo denk ik aan U; als ik ontwaak, zo spreek ik van U

63:8 Want Gij zijt mijn helper, en onder de schaduw uwer vleugelen roem ik

63:9 Mijne ziel hangt U aan, uwe rechterhand onderhoudt mij

63:10 Maar zij staan mij naar het leven om mij te overvallen; zij zullen nederwaarts varen onder de aarde

63:11 zij zullen in het zwaard vallen, en den vossen ten deel worden

63:12 Maar de koning verheugt zich in God. Wie bij hem zweert, zal geroemd worden; want de leugenmonden zullen toegestopt worden. Psalmen 64 1 Een psalm van David om voor te zingen

64:2 God, hoor mijn stem, als ik klaag; behoed mijn leven voor den gruwzamen vijand

64:3 Verberg mij voor de vergadering der bozen, voor den hoop der kwaaddoeners

64:4 die hunne tongen scherpen als een zwaard, die met hunne vergiftige woorden mikken als met pijlen

64:5 opdat zij heimelijk den vrome treffen; onverhoeds schieten zij op hem, en zonder enigen schroom

64:6 Zij zijn stout in hunne kwade aanslagen, en spreken af, hoe zij strikken zullen spannen, en zeggen: Wie kan ze zien

64:7 Zij beramen euveldaden, en houden het geheim; zij zijn loos, en hebben listige streken

64:8 Maar God zal hen ook onverhoeds treffen met een pijl, zodat het hun pijn zal doen; hun eigen tong zal hen vellen

64:9 zodat hen bespotten zal wie hen ziet

64:10 En alle mensen zullen vrezen en zeggen: Dat heeft God gedaan! en merken, dat het zijn werk is

64:11 De rechtvaardigen zullen zich in den Heer verheugen, en op Hem vertrouwen; en alle vromen van hart zullen zich beroemen. Psalmen 65 1 Een psalm van david, een lied om voor te zingen

65:2 God, in stilte looft men U te Sion; en U betaalt men de geloften

65:3 Gij verhoort het gebed, daarom komt alle vlees tot U

65:4 Onze misdaad drukt ons zwaar; wil toch onze zonden vergeven

65:5 Welgelukzalig hij, dien Gij verkiest en tot U laat komen, opdat hij wone in uwe voorhoven; die heeft rijken troost van uw huis, van uwen heiligen tempel

65:6 Verhoor ons naar de wonderbare gerechtigheid, God, onze Heiland, Gij, die aller toeverlaat zijt op de aarde, en der vergelegenen aan de zee

65:7 die de bergen bevestigt door uwe kracht, en toegerust zijt met macht; Gij

65:8 die het bruisen der zee stilt, het bruisen harer golven en het razen der volken; dat zij

65:9 die aan hare einden wonen, zich ontzetten over uwe tekenen. Alwat zich roert maakt Gij vrolijk, zo des morgens als des avonds

65:10 Gij bezoekt het land, en drenkt het, en maakt het zeer rijk; Gods beek heeft overvloed van water; Gij laat het koren wél gedijen, en bouwt aldus het land

65:11 Gij drenkt zijne voren, en bevochtigt het geploegde; met regen maakt Gij het week, en zegent zijn gewas

65:12 Gij kroont het jaar met uwe goedheid, en uwe voetstappen druipen van vettigheid

65:13 de weiden in de woestijn zijn ook zo vet, dat zij druipen, en de heuvels zijn rondom vrolijk

65:14 De velden zijn vol schapen, en de landouwen staan bedekt met koren, zodat men juicht en zingt. Psalmen 6

68:1 Een psalm, een lied om voor te zingen. Juicht Gode, gij ganse aarde

68:2 Zingt ter eer van zijnen naam, roemt Hem heerlijk

68:3 Zegt tot God: Hoe wonderbaar zijn uwe werken! Het zal uw vijanden mislukken wegens uwe grote macht

68:4 Het gehele land aanbidde U, het zinge uwen lof en love uwen naam, Sela

68:5 Komt herwaarts en ziet de werken Gods, die zo wonderbaar is in zijn doen onder de mensenkinderen

68:6 Hij verandert de zee in het droge, dat men te voet door het water gaat; deswege verheugen wij ons in Hem

68:7 Hij heerst met zijne macht eeuwiglijk; zijne ogen zien op de volken; de afvalligen zullen zich niet kunnen verheffen. Sela

68:8 Looft, gij volken, onzen God, en doet zijnen roem alom ruchtbaar worden

68:9 die onze ziel in het leven behoudt, en onze voeten niet laat wankelen

68:10 Want Gij hebt ons wel beproefd, o God, Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert

68:11 Gij hebt ons laten werpen in den toren, Gij hebt een last gelegd op onze lendenen

68:12 Gij hebt mensen laten gaan over ons hoofd, wij zijn in vuur en water gekomen, maar Gij hebt er ons ook weder uitgevoerd en ons verkwikt

68:13 Daarom wil ik met brandoffers in uw huis gaan, en U mijne geloften betalen

68:14 alzo heb ik mijne lippen geopend, en mijn mond heeft gesproken in mijnen nood

68:15 Ik zal U brandoffers offeren van vette schapen, met den rook van rammen, ik zal offeren runderen en bokken. Sela

68:16 Komt herwaarts, hoort toe, gij allen die God vreest, ik zal verhalen hetgeen Hij aan mijne ziel gedaan heeft

68:17 Tot Hem riep ik met mijnen mond, en ik prees Hem met mijne tong

68:18 Zo ik enig onrecht voorhad in mijn hart, dan zou de Heer mij niet verhoren

68:19 Maar God verhoort mij, en geeft acht op mijn smeken

68:20 Geloofd zij God, die mijn gebed niet verwerpt, noch zijne goedheid van mij afwendt. Psalmen 67 1 Een psalm, een lied om voor te zingen op snarenspel

67:2 God zij ons genadig en zegene ons, Hij doe zijn aangezicht over ons lichten

67:3 Sela, opdat men op de aarde zijnen weg erkenne, onder alle volken zijn heil

67:4 God, U loven de volken, U loven alle volken

67:5 De natiën verheugen zich en juichen, omdat Gij de volken oordeelt met billijkheid, en de lieden op de aarde regeert. Sela

67:6 God, U loven de volken, U loven alle volken

67:7 Het land geeft zijn gewas; God, onze God, zegene ons

67:8 God zegene ons, en al de wereld vreze Hem! Psalmen 68 1 Een psalm, een lied van David, om voor te zingen

68:2 God staat op, opdat zijne vijanden verstrooid worden, en die Hem haten voor Hem vluchten

68:3 Verdrijf hen gelijk de rook verdreven wordt; gelijk was versmelt voor het vuur, zo mogen de goddelozen omkomen voor God

68:4 Maar de rechtvaardigen mogen zich verblijden, en vrolijk zijn voor God, en zich van harte verheugen

68:5 Zingt Gode, looft zijnen naam: maakt een gebaanden weg voor Hem, die door de woestijn daar heenvaart: zijn naam is Heer; en verheugt u voor Hem

68:6 die een vader der wezen is en een rechter der weduwen; Hij is God, in zijne heilige woning, een God

68:7 die den eenzamen het huis vol kinderen geeft, die de gevangenen uitvoert ter rechter tijd, en de afvalligen laat blijven in het dorre

68:8 God, toen Gij voor uw volk uittrokt, toen Gij daarheen gingt in de woestijn, sela, toen beefde de aarde

68:9 en de hemelen dropen voor God, deze Sinaï voor dien God, die Israëls God is

68:10 Maar Gij gaaft, o God, een genadigen regen, en uw erfdeel, dat dor is, verkwiktet Gij

68:11 opdat uwe kudde daarin kon wonen; God, Gij laafdet de ellendigen met uwe goederen

68:12 De Heer gaf het woord door grote scharen van verkondigers ener blijde boodschap

68:13 De koningen der heirscharen zijn weggedreven; en zij, die tehuis bleven, deelden den buit uit

68:14 Wanneer gijlieden tussen de omheiningen nederlaagt, glinsterde het als de vleugels der duiven, die als zilver en goud blinken

68:15 Toen de Almachtige de koningen in het land verstrooide, werd het helder waar het donker was

68:16 Een gebergte Gods is het Bazangebergte, een groot gebergte is het Bazangebergte

68:17 Wat ziet gij vol nijd, gij grote bergen, op den berg, waarop God lust heeft om te wonen? En de Heer blijft daar ook altijd

68:18 De wagens Gods zijn vele duizendmaal duizenden; de Heer is onder hen, heilig als op Sinaï

68:19 Gij zijt in de hoogte gevaren, en hebt de gevangenis gevangen genomen; Gij hebt gaven ontvangen voor de mensen, ook de afvalligen, opdat God de Heer aldaar wone

68:20 Geloofd zij de Heer dagelijks. God legt ons een last op, maar Hij helpt ons ook. Sela

68:21 Wij hebben een God, die helpt; en bij den Heere Heere is uitkomst tegen den dood

68:22 Maar God zal den kop zijner vijanden in stukken breken, den harigen schedel dergenen, die in hunne zonden voortgaan

68:23 De Heer heeft gezegd: Uit Bazan zal Ik hen terug halen; uit de diepte der zee zal Ik hen halen

68:24 daarom zal uw voet in het bloed der vijanden geverfd worden, en uwe honden zullen het likken

68:25 Men ziet, o God, hoe Gij daarheen trekt; hoe Gij, mijn God en koning, daarheen trekt in het heiligdom

68:26 De zangers gaan vooruit, daarna de speellieden, te midden der trommelende maagden

68:27 Looft God den Heer, in de vergadering, gij van de fontein van Israël

68:28 Daar heerst onder hen de kleine stam Benjamin, de vorsten van Juda met hunne scharen; de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali

68:29 Uw God heeft uw rijk opgericht; wil ons dat, o God, bevestigen, want het is uw werk

68:30 Om uws tempels wil te Jeruzalem zullen de koningen U geschenken brengen

68:31 Scheld het gedierte in het riet, de menigte der stieren met hunne kalveren, de volken, die vertreden ter wille van het geld. Hij verstrooit de volken, die gaarne oorlogen

68:32 De vorsten van Egypte zullen komen, Morenland zal zijne handen uitstrekken tot God

68:33 Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode lof; prijst den Heer, Sela Hem

68:34 die door den hemel vaart, welke is van den beginne af aan; zie, Hij zal zijnen donder kracht geven

68:35 Geeft Gode eer! Zijne heerlijkheid is in Israël, en zijne macht is in de wolken

68:36 God is wonderbaar in zijn heiligdom; Hij is de God van Israël, Hij zal zijn volk macht en kracht geven. Geloofd zij God. Psalmen 69 1 Een psalm van David om voor te zingen; van de rozen

69:2 God, help mij; want het water is tot aan de ziel gekomen

69:3 Ik zink in diepen modder, waar geen grond is, ik ben in diepe wateren, en de vloed overstelpt mij

69:4 Ik heb mij moede geroepen, mijne keel is hees, het gezicht vergaat mij, omdat ik zolang moet wachten op mijnen God

69:5 Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan ik haren op mijn hoofd heb; die mij onverdiend vijandig zijn en mij verderven, zijn machtig; ik moet betalen hetgeen ik niet geroofd heb

69:6 God, Gij weet mijne dwaasheid, en mijne schulden zijn U niet verborgen

69:7 Laat in mij niet te schande worden wie U verwachten, Heer; Heer Zebaôth laat in mij niet schaamrood worden wie U zoeken, God van Israël

69:8 Want om uwentwil draag ik smaad, mijn aangezicht is bedekt met schande

69:9 ik ben een vreemde geworden voor mijne broeders, en een onbekende voor de kinderen mijner moeder

69:10 Want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd, en de smaadredenen dergenen, die u smaden, vallen op mij

69:11 En ik ween en vast bitterlijk, en men bespot mij nog daarenboven

69:12 Ik heb een zak aangetrokken, maar zij drijven met mij temeer den spot; die in de poort zitten praten van mij

69:13 en in de drinkgelagen zingt men van mij

69:14 Maar ik bid, Heer, tot U, in den aangenamen tijd, door uwe grote goedheid, o God: verhoor mij met uwe trouwe hulp

69:15 Red mij uit het slijk, opdat ik niet verzinke; red mij van mijne haters en uit het diepe water

69:16 opdat de watervloed mij niet overstelpe, en de diepte mij niet verslinde, en de mond des kuils niet over mij toega

69:17 Verhoor mij, o Heer, want uwe goedheid is troostrijk; keer U tot mij, naar uwe grote barmhartigheid

69:18 en verberg uw aangezicht niet voor uwen knecht, want mij is bang; verhoor mij spoedig

69:19 Nader tot mijne ziel en verlos haar; om mijner vijanden wil, verlos mij

69:20 Gij kent mijne smaadheid, schande en schaamte; mijne tegenpartijders zijn allen Vóór U

69:21 De smaad breekt mij het hart en krenkt mij, ik wacht, of het iemand jammert, maar er is niemand, en op vertroosters, maar ik vind er geen

69:22 En zij geven mij gal te eten, en edik te drinken in mijnen groten dorst

69:23 Hunne tafel moge voor hen tot een strik worden, tot ene vergelding en tot een valstrik

69:24 hunne ogen mogen duister worden, dat zij niet zien, en laat hunne lendenen altoos waggelen

69:25 Stort uwe ongenade over hen uit, en de gloed uws toorns grijpe hen aan

69:26 Hunne woning moge woest worden, en er zij niemand, die in hunne hutten woont

69:27 Want zij vervolgen, wie Gij geslagen hebt, en roemen, dat Gij de uwen zeer slaat

69:28 Laat hen vallen uit de ene zonde in de andere, zodat zij niet komen tot uwe gerechtigheid

69:29 Delg hen uit het boek der levenden, zodat zij met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden

69:30 Maar ik ben ellendig en in smart; God, uwe hulp beschutte mij

69:31 Ik wil den naam Gods loven met een lied, en zal Hem hogelijk eren met dankzegging

69:32 Dit zal den Heer beter behagen dan varren, die hoornen en verdeelde klauwen hebben

69:33 De ellendigen zien het en verheugen zich; en gij, die God zoekt, dat dit uw hart verkwikke

69:34 Want de Heer hoort de armen, en veracht zijne gevangenen niet

69:35 Hem love hemel, aarde en zee en al wat zich daarin beweegt

69:36 Want God zal Sion helpen, en de steden van Juda bouwen, opdat men aldaar wone en ze bezitte; en het zaad aldaar wone en ze bezitte

69:37 en het zaad zijner knechten zal ze beërven, en wie zijnen naam liefhebben zullen daarin wonen. Psalmen 70 1 Een psalm van David om voor te zingen tot ene gedachtenis

70:2 Haast U, o God, om mij te redden, Heer, om mij te helpen

70:3 Mogen zij zich schamen en te schande worden, die naar mijne ziel staan, mogen zij terugkeren en gehoond worden, die mij kwaad wensen

70:4 Dat zij wederom te schande worden, die over mij schreeuwen: Zo, zo

70:5 Verheugd en vrolijk mogen in U zijn wie naar U vragen; en wie uw heil liefhebben mogen altoos zeggen: Hooggeloofd zij God

70:6 Maar ik ben ellendig en arm; God, haast U tot mij, want gij zijt mijn helper en verlosser; mijn God, vertoef niet! Psalmen 7

71:1 Heer, ik vertrouw op U, laat mij nimmer te schande worden

71:2 Red mij door uwe gerechtigheid en help mij uit, neig uwe oren tot mij en help mij

71:3 Wees mij ene steenrots, waarheen ik altoos vlieden kan, Gij, die toegezegd hebt mij te helpen; want Gij zijt mijne steenrots en mijn burg

71:4 Mijn God, help mij uit de hand des goddelozen, uit de hand des onrechtvaardigen en wreden

71:5 Want Gij zijt mijn toeverlaat, Heere Heere, mijne hoop van mijne jeugd af

71:6 Op U heb ik mij verlaten van mijne geboorte af; Gij hebt mij uit den moederschoot getogen; in U was steeds mijn roem

71:7 Ik ben voor velen als een wonder, want Gij zijt mij een sterke toeverlaat

71:8 Laat mijn mond van uwen roem en uwen lof vol zijn, dagelijks

71:9 Verwerp mij niet in mijnen ouderdom, verlaat mij niet, wanneer ik zwak word

71:10 Want mijne vijanden spreken tegen mij, en die op mijne ziel loeren, beraadslagen met elkande

71:11 en zeggen: God heeft hem verlaten; jaagt hem na en grijpt hem, want er is geen verlosser

71:12 God, wees niet verre van mij; mijn God, haast U om mij te helpen

71:13 Mogen zich schamen en omkomen wie tegen mijne ziel zijn, mogen zij met schande en hoon overdekt worden, die mijn ongeluk zoeken

71:14 Maar ik zal altoos verbeiden, en uwen roem gestadig groter maken

71:15 Mijn mond zal uwe gerechtigheid verkondigen, dagelijks uw heil, ofschoon ik het alles niet tellen kan

71:16 Ik ga voort in de kracht des Heren Heren; ik prijs uwe gerechtigheid alleen

71:17 God, Gij hebt mij van jongs af geleerd; daarom verkondig ik uwe wonderen

71:18 Verlaat mij ook niet, o God, in den ouderdom, als ik grijs word, opdat ik uwen arm verkondige aan kindskinderen, en uwe kracht aan allen, die nog komen zullen

71:19 God, uwe gerechtigheid is hoog, Gij, die grote dingen doet; God, wie is U gelijk

71:20 Gij liet mij vele en grote angsten wedervaren, en maakt mij weder levend, en haalt mij weder opwaarts uit de diepte der aarde

71:21 Gij maakt mij zeer groot en troost mij weder

71:22 Daarom dank ik U ook met de luit voor uwe trouw, mijn God; ik prijs U op de harp, o Heilige in Israël

71:23 Mijne lippen en mijne ziel, die Gij verlost hebt, zijn vrolijk en zingen uwen lof

71:24 Ook vermeldt mijne tong dagelijks uwe gerechtigheid, want schamen mogen zich en te schande worden wie mijn ongeluk zoeken. Psalmen 7

72:1 Voor Salomo. God, geef uw gericht aan den koning, en uwe gerechtigheid aan 's konings zoon

72:2 opdat hij uw volk richte met gerechtigheid, en uwe ellendigen redde

72:3 Laat de bergen den vrede brengen aan het volk, en de heuvelen de gerechtigheid

72:4 Hij zal het ellendige volk bij het recht behouden, en de armen helpen, en de lasteraars verbrijzelen

72:5 Men zal U vrezen, zolang er zon en maan zullen zijn, van kind tot kindskinderen

72:6 Hij zal nederdalen als de regen op het veld, als de druppels, die het land bevochtigen

72:7 In zijnen tijd zal de rechtvaardige bloeien, en grote vrede, tot de maan niet meer zijn zal

72:8 Hij zal heersen van de ene zee tot de andere, en van de rivier af tot aan des werelds einden toe

72:9 Voor Hem zullen zich buigen die in de woestijn zijn, en de vijanden zullen het stof likken

72:10 De koningen van Tarsis en op de eilanden zullen geschenken brengen, de koningen uit Rijk Arabië en Seba zullen gaven toevoeren

72:11 Alle koningen zullen zich voor Hem nederbuigen, alle volken zullen Hem dienen

72:12 Want Hij zal den arme redden, die roept, en de ellendige, die geen helper heeft

72:13 Hij zal den geringe en arme genadig zijn, en de zielen der armen zal Hij helpen

72:14 Hij zal hunne zielen van het bedrog en geweld verlossen, en hun bloed zal dierbaar geacht worden bij Hem

72:15 Hij zal leven, en men zal Hem van het goud uit Rijk Arabië geven, en men zal altoos voor Hem bidden; dagelijks zal men Hem loven

72:16 Op de aarde boven op de bergen zal het koren dik staan, zijne vrucht zal ruisen als de Libanon, en zij zullen bloeien in de steden als het kruid der aarde

72:17 Zijn naam zal eeuwiglijk blijven; zolang de zon duurt, zal zijn naam op de nakomelingen voortgeplant worden, en zij zullen door Hem gezegend zijn; alle volken zullen Hem prijzen

72:18 Geloofd zij God de Heer, Israëls God, die alléén wonderen doet

72:19 en geloofd zij zijn heerlijke naam eeuwiglijk, en alle landen mogen van zijne eer vol worden. Amen, amen

72:20 De gebeden van David, den zoon van Isaï, hebben een einde. Psalmen 7

73:1 Een psalm van Asaf. Israël heeft immers God tot een troost, wie slechts rein van hart is

73:2 Maar ik had schier gestruikeld met mijne voeten, mijne treden waren bijna uitgegleden

73:3 Want het verdroot mij vanwege de roemzuchtigen, toen ik zag, dat het den goddelozen zo wél ging

73:4 Want zij verkeren niet in doodsgevaar, maar staan vast als een paleis

73:5 Zij zijn niet in ongeluk gelijk andere lieden, en worden niet als andere mensen geplaagd

73:6 Daarom moet hunne trotschheid een kostelijk ding wezen en hunne vermetelheid moet welgedaan heten

73:7 Hun persoon is opgeblazen als een gemeste buik; zij doen wat zij slechts denken

73:8 Zij achten alles voor niets, en spreken er kwaad van, en spreken en lasteren hoogmoedig

73:9 Hetgeen zij spreken, dat moet als van den hemel gesproken zijn; wat zij zeggen, dat moet gelden op de aarde

73:10 Daarom valt hun het gemene volk toe, en zij lopen naar hen toe bij hopen, als water

73:11 Zij zeggen: Hoe zou God naar hen vragen, en de Allerhoogste op hen acht geven

73:12 Zie, zo zijn de goddelozen: zij zijn gelukkig in de wereld en worden rijk

73:13 Zal het dan vergeefs zijn, dat mijn hart onbestrafbaar leeft, en ik mijne handen in onschuld was

73:14 Maar ik ben geplaagd dagelijks, en mijne straf is iederen morgen daar

73:15 Ik had ook schier zo gezegd als zij; maar neen, dan zou ik veroordeeld hebben al uwe kinderen, die ooit geweest zijn

73:16 Ik peinsde, of ik het begrijpen kon, maar het was mij te zwaar

73:17 totdat ik in Gods heiligdom ging, en lette op hun einde

73:18 Want Gij plaatst hen op gladde steilten, en stort hen tegronde

73:19 Hoe worden zij zo plotseling vernietigd, zij gaan onder en nemen een einde met verschrikkin

73:20 Als een droom, wanneer men ontwaakt, zo maakt Gij, Heer, hun beeld in de stad versmaad

73:21 Maar toen het mij in het harte leed deed, en mij in mijne nieren stak

73:22 toen was ik een dwaas en moest als een redeloos dier voor U zijn

73:23 Nochtans blijf ik steeds bij U, want gij houdt mij bij mijne rechterhand

73:24 Gij leidt mij naar uwen raad, en neemt mij eindelijk in heerlijkheid op

73:25 Wanneer ik slechts U heb, zo vraag ik niets naar hemel en aarde

73:26 Al ware het ook, dat mij lijf en ziel versmachtte, zo zijt Gij toch, o God, altijd de troost mijns harten en mijn deel

73:27 Want zie, wie van U wijken, zullen omkomen; Gij roeit allen uit, die van U afvallen

73:28 Maar dit is mijne vreugd, dat ik mij nabij God houd, en den Heere Heere tot mijn toeverlaat stel, om al uw doen te verkondigen. Psalmen 7

74:1 Ene onderwijzing van Asaf. God, waarom verstoot Gij ons zo geheel, en ontbrandt uw toorn tegen de schapen uwer weide

74:2 Gedenk aan uwe gemeente, die Gij van ouds verworven en U tot een erfdeel verlost hebt, aan den berg Sion, waarop Gij woont

74:3 Hef uwe voeten op, tot hetgeen zo lang woest ligt, de vijand heeft alles vernield in het heiligdom

74:4 Uwe wederpartijders brullen in uwe huizen, zij zetten hunne afgoden daarin

74:5 Men ziet de opgeheven bijlen blinken, gelijk men in een woud houwt

74:6 zij houwen al het beeldhouwwerk in stukken met bijlen en hamers

74:7 Zij verbranden uw heiligdom, zij ontwijden de woning uws naams tot de aarde toe

74:8 Zij zeggen in hun hart: Laat ons hen plunderen! Zij verbranden alle huizen Gods in het land

74:9 Onze tekenen zien wij niet, en geen profeet predikt meer, en niemand is er bij ons, die weet hoe lang

74:10 Ach God, hoelang zal de wederpartij smaden? Zal de vijand uwen naam eeuwig lasteren

74:11 Waarom wendt gij uwe hand af? Trek uwe rechterhand uit uwen boezem, en maak er een eind aan

74:12 Maar God is mijn koning van ouds af, die alle hulp verleent, welke op de aarde geschiedt

74:13 Gij verdeelt de zee door uwe kracht, en verbreekt de koppen der draken in het water

74:14 Gij verslaat de koppen der walvissen, en geeft ze tot spijs aan het volk in de woestijn

74:15 Gij laat fonteinen en beken ontspringen, Gij laat sterke stromen uitdrogen

74:16 Dag en nacht zijn de uwe; Gij maakt, dat zon en gesternten hunnen vasten loop hebben

74:17 Gij stelt aan elk land zijne grenzen; zomer en winter maakt Gij

74:18 Zo gedenk toch daaraan, dat de vijand den Heer smaadt, en een dwaas volk uwen naam lastert

74:19 Wil toch aan het gedierte de ziel uwer tortelduif niet geven, en de schaar uwer ellendigen niet zo geheel vergeten

74:20 Gedenk aan het verbond, want het land is overal jammerlijk overheerd, en de huizen zijn vol van geweld

74:21 Laat de geringe niet met schande weggaan, laat de armen en ellendigen uwen naam roemen

74:22 Sta op, o God, en voer uwe zaak uit; gedenk aan den smaad, die U dagelijks van de dwazen wedervaart

74:23 Vergeet niet het geroep uwer vijanden; het razen uwer wederpartijders wordt hoe langer hoe groter. Psalmen 7

78:1 Ene onderwijzing van Asaf. Hoor, o mijn volk, naar mijne onderwijzing; neig uwe oren tot de redenen mijns monds

78:2 Ik zal mijnen mond openen met dichtspreuken, en oude verhalen uitspreken

78:3 die wij gehoord hebben en weten, en die onze vaders ons verhaald hebben

78:4 opdat wij ze niet verbergen zouden voor hunne kinderen, die namaals komen, verkondigende den roem des Heren, en zijne macht en wonderen, die Hij gedaan heeft

78:5 Hij richtte ene getuigenis op in Jakob, en gaf ene wet in Israël, welke Hij onzen vaderen gebood aan hunne kinderen bekend te maken

78:6 opdat de nakomelingen die leren mochten, en de kinderen, die nog zouden geboren worden; en dat, wanneer die opgroeiden, zij die weder aan hunne kinderen verkondigen zouden

78:7 en zij hunne hoop op God zouden stellen, en de daden Gods niet vergeten, en zijne geboden onderhouden

78:8 en niet zouden zijn als hunne vaderen, een afvallig en ongehoorzaam geslacht, welks hart niet vast was, en welks geest niet getrouw bleef aan God

78:9 gelijk de kinderen van Efraïm, die geharnast den boog voerden, afvielen ten tijde des strijds

78:10 Zij onderhielden Gods verbond niet, en wilden naar zijne wet niet wandelen

78:11 maar vergaten zijne daden en wonderen, welke Hij hun getoond had

78:12 Voor hunner vaderen oog deed Hij wonderen in Egypteland, in het veld van Zoan

78:13 Hij deelde de zee en liet hen er doorgaan, en stelde het water als een muur

78:14 Hij leidde hen bij dag door een wolk, en bij nacht door een lichtgevend vuur

78:15 Hij spleet de steenrotsen in de woestijn, en drenkte hen met water in overvloed

78:16 en liet beken uit de steenrots vlieten, dat zij overvloeden als waterstromen

78:17 Maar nog gingen zij voort tegen hem te zondigen, en vertoornden den Allerhoogste in de woestijn

78:18 en verzochten God in hun hart, begerend spijse naar hunnen lust

78:19 En zij spraken tegen God en zeiden: Ja, zou God wel een tafel kunnen bereiden in de woestijn

78:20 Zie, Hij heeft wel de steenrots geslagen, dat de wateren vloeiden en beken stroomden; maar hoe kan Hij brood geven en aan zijn volk vlees beschikken

78:21 Toen nu de Heer dat hoorde, ontstak Hij in toorn, en vuur ontbrandde over Jakob, en toorn kwam over Israël

78:22 omdat zij niet geloofden aan God, en niet hoopten op zijne hulp

78:23 En Hij gebood den wolken daarboven, en deed de deuren des hemels open

78:24 en liet manna op hen regenen tot spijs, en gaf hun hemelbrood

78:25 Zij aten engelen-brood; Hij zond hun spijs in menigte

78:26 Hij liet den Oostenwind waaien onder den hemel, en verwekte door zijne sterkte den Zuidenwind

78:27 en liet vlees op hen regenen als stof, en vogels als zand aan de zee

78:28 en liet ze vallen in hun leger, overal waar zij woonden

78:29 Toen aten zij en werden verzadigd, en Hij liet hen hunnen lust bevredigen

78:30 Toen zij nu hunnen lust nog niet gestild hadden en zij er nog van aten

78:31 kwam Gods toorn over hen, en doodde de voornaamsten van hen, en sloeg de besten van Israël terneder

78:32 Maar boven dat alles zondigden zij nog meer, en geloofden niet bij al zijne wonderen

78:33 Daarom liet Hij hen wegsterven, dat zij niets verkregen, en zij moesten hun leven lang geplaagd zijn

78:34 Als Hij hen doodde, zochten zij Hem, en keerden zich met ijver tot God

78:35 en gedachten, dat God hun rots was, en God, de Allerhoogste, hun verlosser

78:36 Doch zij vleiden Hem slechts met hunnen mond, en logen voor Hem met hunne tong

78:37 want hun hart was niet vast aan Hem, en zij waren niet getrouw aan zijn verbond

78:38 Maar Hij was barmhartig, en vergaf de misdaad en verdelgde hen niet, en wendde dikwijls zijnen toorn af, en deed niet zijnen gehelen toorn ontbranden

78:39 want Hij was indachtig, dat zij vlees waren, een wind, die daarheen vaart en niet wederkomt

78:40 Zij vertoornden Hem zeer dikwijls in de woestijn, en ontrustten Hem in de woestijn

78:41 Zij verzochten God altoos weder, en stelden den Heilige in Israël een perk

78:42 Zij dachten niet meer aan zijne hand, op dien dag toen Hij hen van de vijanden verloste

78:43 toen Hij zijne tekenen gedaan had in Egypte, en zijne wonderen in het land Zoan

78:44 toen Hij hunne stromen in bloed veranderde, hunne beken, dat zij ze niet drinken konden

78:45 toen Hij ongedierte onder hen zond dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven

78:46 en hun gewas aan de rupsen gaf, en hun zaad aan de sprinkhanen

78:47 toen Hij hunne wijnstokken met hagel sloeg, en hunne moerbeziebomen met hagelstenen; toen Hij hun vee sloeg met hagel

78:48 en hunne kudden met vurige stralen

78:49 toen Hij Engelen des verderfs onder hen zond, in zijnen grimmigen toorn, en ze liet razen, woeden en leed doen

78:50 toen Hij zijnen toorn liet voortgaan, en hunnen zielen van den dood niet verschoonde, en hun leven overgaf aan de pestilentie

78:51 toen Hij alle eerstgeborenen in Egypte sloeg, de eerstelingen hunner kracht in de hutten van Cham

78:52 en zijn volk liet uittrekken als schapen, en hen leidde als een kudde in de woestijn

78:53 en Hij leidde hen veilig, dat zij niet vreesden, maar de zee bedekte hunne vijanden

78:54 En Hij bracht hen in zijne heilige grenzen, tot het gebergte door zijne rechterhand veroverd

78:55 en verdreef de volken voor hen uit, en liet hen het erf uitdelen, en liet de stammen Israëls in hunne hutten wonen

78:56 Maar zij verzochten en vertoornden God den Allerhoogste, en hielden zijne getuigenissen niet

78:57 en vielen terug en verachtten alles gelijk hunne vaders, en weken af, gelijk een verslapte boog

78:58 en vertoornden Hem met hunne hoogten, en tergden Hem met hunne afgoden

78:59 En toen God dat hoorde, ontstak Hij in toorn en verwierp Israël zeer

78:60 zo dat Hij zijne woning te Silo verliet, de hut, waarin Hij onder de mensen woonde

78:61 en Hij gaf zijne macht in de gevangenschap, en zijne heerlijkheid in de hand des vijands

78:62 en gaf zijn volk over aan het zwaard, en ontstak in gramschap over zijn erfdeel

78:63 Het vuur verteerde hunne jonge manschap, en hunne jonge dochters moesten ongehuwd blijven

78:64 Hunne priesters vielen door het zwaard, en hunne weduwen weenden niet

78:65 En de Heer ontwaakte als uit den slaap, gelijk een sterke juicht, die van den wijn komt

78:66 en Hij sloeg zijne vijanden van achteren, en deed hun ene eeuwige schande aan

78:67 Doch Hij verwierp de hut van Jozef, en verkoos den stam van Efraïm niet

78:68 maar Hij verkoos den stam van Juda, en den berg Sion, dien Hij liefhad

78:69 en bouwde zijn heiligdom hoog, als het aardrijk, dat eeuwiglijk vast staat

78:70 En Hij verkoos zijnen knecht David, en nam hem van de schaapskooien

78:71 van achter de zogende schapen haalde Hij hem, opdat hij zijn volk Jakob weiden zou en zijn erfdeel Israël

78:72 En Hij weidde hen ook met alle getrouwheid, en regeerde ze met alle naarstigheid. Psalmen 7

79:1 Een psalm van Asaf. Heer, heidenen zijn in uw erfdeel gevallen, zij hebben uwen heiligen tempel verontreinigd, en van Jeruzalem steenhopen gemaakt

79:2 Zij hebben de lijken uwer knechten aan de vogelen des hemels te verslinden gegeven, en het vlees uwer heiligen aan de dieren in het land

79:3 Zij hebben hun bloed vergoten rondom Jeruzalem als water, en er was niemand, die hen begroef

79:4 Wij zijn onzen naburen tot een smaad geworden, tot een spot en hoon dengenen, die rondom ons zijn

79:5 Heer, hoelang zult gij zo geheel toornig zijn, en uwen ijver als vuur laten branden

79:6 Schud uwe grimmigheid uit op de heidenen, die U niet kennen, en op koninkrijken, die uwen naam niet aanroepen

79:7 Want zij hebben Jakob verslonden, en zijne huizen verwoest

79:8 Gedenk niet onze vorige misdaden; ontferm U spoedig over ons, want wij zijn zeer verminderd

79:9 Help ons, God onze helper, om de eer uws naams; red ons en vergeef ons onze zonden, om uws naams wil

79:10 Waarom laat gij de heidenen zeggen: Waar is nu hun God? Laat onder de heidenen voor onze ogen bekend worden de wraak over het bloed uwer knechten, dat vergoten is

79:11 Laat het zuchten der gevangenen voor U komen; behoud nog door uwen groten arm de kinderen des doods

79:12 en vergeld onzen naburen zevenvoudig in hunnen boezem den smaad, waarmede zij U, Heer, gesmaad hebben

79:13 Maar wij, uw volk, de schapen uwer weide, danken U eeuwiglijk, en verkondigen uwen roem immer en altoos. Psalmen 80 1 Een psalm en getuigenis van Asaf; van de rozen, om voor te zingen

80:2 Gij herder van Israël, hoor; Gij, die Jozef leiddet als schapen; verschijn, Gij, die zit boven de cherubim

80:3 Verhef uwe macht, Gij, die voor Efraïm, Benjamin en Manasse zijt, en kom ons te hulp

80:4 God, troost ons, en laat uw aangezicht lichten, zo worden wij genezen

80:5 Heer, God Zebaôth, hoelang zult Gij toornig zijn bij het gebed uws volks

80:6 Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met ene maat vol tranen

80:7 Gij maakt ons tot een twistappel onzer naburen, en onze vijanden bespotten ons

80:8 God Zebaôth, troost ons, laat uw aangezicht lichten, zo worden wij genezen

80:9 Gij hebt een wijnstok uit Egypte gehaald, en hebt de heidenen verdreven en hem geplant

80:10 Gij hebt den grond voor hem bereid, en hem laten inwortelen, zodat hij het land vervuld heeft

80:11 Bergen zijn met zijne schaduw bedekt, en met zijne ranken de cederen Gods

80:12 Gij hebt zijn gewas uitgebreid tot aan de zee, en zijne scheuten tot aan de rivier

80:13 Waarom hebt Gij zijne heining gebroken, daar ieder, die voorbijgaat, hem verscheurt

80:14 De wilde zwijnen hebben hem doorwroet, en de wilde dieren hebben hem verdorven

80:15 God Zebaôth, keer toch weder; staar uit den hemel en zie, en bezoek dezen wijnstok

80:16 Onderhoud hem, dien uwe rechterhand geplant heeft, om den zoon, dien Gij U vast verkoren hebt

80:17 Zie neder en scheld, opdat het branden en scheuren een einde neme

80:18 Uwe hand beschutte het volk uwer rechterhand, en de lieden, die Gij U vast verkoren hebt

80:19 Zo zullen wij niet van U afwijken; laat ons leven, zo zullen wij uwen naam aanroepen

80:20 Heer, God Zebaôth, troost ons; laat uw aangezicht lichten, zo worden wij genezen. Psalmen 81 1 Op de gittith, om voor te zingen. Van Asaf

81:2 Zingt vrolijk Gode, die onze sterkte is; juicht den God van Jakob

81:3 Heft aan met psalmen, en geeft herwaarts de trommels, liefelijke harpen en luiten

81:4 Blaast de bazuinen op den dag der nieuwe maan, ter bestemder tijd, op onzen feestdag

81:5 Want dit is ene inzetting in Israël, en een recht van Jakobs God

81:6 Dat heeft Hij tot ene getuigenis gesteld onder Jozef, toen zij uit Egypteland trokken, en ene vreemde spraak gehoord hadden

81:7 toen Ik hunnen schouder van den last ontslagen had, en hunne handen van de korven bevrijd

81:8 Toen gij Mij in den nood aanriept, hielp Ik u uit; Ik verhoorde u uit de schuilplaatsen des donders; Ik verzocht u aan het water der twisting. Sela

81:9 Hoor, mijn volk, Ik wil onder u getuigen; Israël, gij zult Mij horen

81:10 Onder u zal geen ander god zijn, en gij zult geen vreemden god aanbidden

81:11 Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypteland gevoerd heeft. Doe uwen mond wijd open, laat Mij hem vullen

81:12 Maar mijn volk hoorde niet naar mijne stem, en Israël had geen lust aan Mij

81:13 Daarom heb Ik hen gelaten in het goeddunken huns harten, dat zij wandelen naar hunnen raad

81:14 Wilde mijn volk Mij gehoorzaam zijn, en Israël in mijne wegen wandelen

81:15 dan zou Ik hunne vijanden ras vernederen, en mijne hand tegen hunne wederpartijders wenden

81:16 Die den Heer haten, zonder zich geveinsdelijk aan Hem onderworpen hebben, maar hun tijd zou eeuwig duren

81:17 En Ik zou hen met de beste tarwe spijzen, en met honig uit de steenrotsen verzadigen. Psalmen 8

82:1 Een psalm van Asaf. God staat in de gemeente Gods, en is rechter onder de goden

82:2 Hoelang zult gij onrechtvaardig richten, en den persoon der goddelozen voortrekken? Sela

82:3 Doet recht den arme en den wees, en helpt den ellendige en behoeftige tot het recht; redt den geringe en arme

82:4 en verlost hem uit het geweld der goddelozen

82:5 Maar zij laten zich niet gezeggen, en slaan er geen acht op; zij gaan altoos heen in de duisternis; daarom moeten alle grondvesten des lands wankelen

82:6 Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden, allen zonen des Allerhoogsten

82:7 maar gij zult echter sterven als mensen, en gelijk een tyran te gronde gaan; God

82:8 sta op en richt het aardrijk; want Gij zijt een heer over alle volken! Psalmen 83 1 Een psalm, een lied van Asaf

83:2 God, zwijg toch niet en wees niet stil; God, houd U niet als doof

83:3 Want zie, uwe vijanden razen, en die U haten steken het hoofd omhoog

83:4 Zij smeden listige aanslagen tegen uw volk, en houden samen raad tegen uwe verborgenen

83:5 Welaan, zeggen zij, laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn, opdat aan Israëls naam niet meer gedacht worde

83:6 Want zij hebben zich met elkander verenigd, en een verbond tegen U gemaakt

83:7 de hutten der Edomieten en Ismaëlieten, der Moabieten en Hagarenen, der Gebalieten

83:8 Ammonieten en Amalekieten; de Filistijnen met de inwoners van Tyrus

83:9 Assur heeft zich ook bij hen gevoegd, en zij helpen de kinderen van Lot. Sela

83:10 Doe hun als den Midianieten, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison; die verdelgd werden bij Endor

83:11 en werden tot slijk op de aarde

83:12 Maak hunne vorsten als Oreb en Zeëb, al hunne oversten als Zebah en Zalmunna, die zeiden

83:13 Wij willen de huizen Gods bemachtigen

83:14 God, maak hen gelijk het dwarrelend zand, gelijk stoppels voor den wind

83:15 Gelijk een vuur het woud verbrandt, en gelijk ene vlam de bergen aansteekt

83:16 vervolg hen alzo met uw onweder, en verschrik hen met uwen wervelwind

83:17 Bedek hun aangezicht met schaamte, opdat zij naar uwen naam mogen vragen

83:18 Mogen zij zich schamen en verschrikken, altoos meer en meer, en te schande worden en omkomen: zo zullen zij erkennen

83:19 dat Gij alleen, wiens naam Heer is, de Allerhoogste zijt in de gehele wereld. Psalmen 84 1 Een psalm voor de kinderen van Korach, om voor te zingen op de gittith

84:2 Hoe liefelijk zijn uwe woningen, Heer Zebaôth

84:3 Mijne ziel verlangt en haakt naar de voorhoven des Heren, mijn lichaam en mijne ziel verheugen zich in den levenden God

84:4 De mus zelfs heeft een huis gevonden, en de zwaluw haar nest, waar zij hare jongen legt, namelijk bij uwe altaren, Heer Zebaôth, mijn koning en mijn God

84:5 Welgelukzalig zijn degenen, die in uw huis wonen, en U altoos mogen loven. Sela

84:6 Welgelukzalig zijn die mensen, die U voor hunne sterkte houden, en van harte U nawandelen

84:7 Gaan zij door dorre dalen, zij maken die tot fonteinen, zodat een milde regen hen rijkelijk overdekt

84:8 Zij behalen de ene overwinning na de andere, zodat men ziet, dat de rechte God te Sion is

84:9 Heer, God Zebaôth, hoor mijn gebed; verneem het, Jakobs God. Sela

84:10 God, ons schild, zie neer, en aanschouw het aangezicht van uwen gezalfde

84:11 Want één dag in uwe voorhoven is beter dan duizend elders; ik wil liever de deur bewaren van het huis mijns Gods, dan vertoeven in de hutten der goddelozen

84:12 Want God de Heer is zon en schild, de Heer geeft genade en eer, Hij zal het goede den vromen niet onthouden

84:13 Heer Zebaôth, welgelukzalig is de mens, die zich op U verlaat. Psalmen 84 1 Een psalm voor de kinderen van Korach, om voor te zingen op de gittith

84:2 Hoe liefelijk zijn uwe woningen, Heer Zebaôth

84:3 Mijne ziel verlangt en haakt naar de voorhoven des Heren, mijn lichaam en mijne ziel verheugen zich in den levenden God

84:4 De mus zelfs heeft een huis gevonden, en de zwaluw haar nest, waar zij hare jongen legt, namelijk bij uwe altaren, Heer Zebaôth, mijn koning en mijn God

84:5 Welgelukzalig zijn degenen, die in uw huis wonen, en U altoos mogen loven. Sela

84:6 Welgelukzalig zijn die mensen, die U voor hunne sterkte houden, en van harte U nawandelen

84:7 Gaan zij door dorre dalen, zij maken die tot fonteinen, zodat een milde regen hen rijkelijk overdekt

84:8 Zij behalen de ene overwinning na de andere, zodat men ziet, dat de rechte God te Sion is

84:9 Heer, God Zebaôth, hoor mijn gebed; verneem het, Jakobs God. Sela

84:10 God, ons schild, zie neer, en aanschouw het aangezicht van uwen gezalfde

84:11 Want één dag in uwe voorhoven is beter dan duizend elders; ik wil liever de deur bewaren van het huis mijns Gods, dan vertoeven in de hutten der goddelozen

84:12 Want God de Heer is zon en schild, de Heer geeft genade en eer, Hij zal het goede den vromen niet onthouden

84:13 Heer Zebaôth, welgelukzalig is de mens, die zich op U verlaat. Psalmen 85 1 Een psalm voor de kinderen van Korach, om voor te zingen

85:2 Heer, Gij, die eertijds uw land genadig zijt geweest, en Jakobs gevangenen hebt verlost

85:3 Gij, die eertijds de misdaad hebt vergeven aan uw volk, en al hunne zonden bedekt, Sela

85:4 Gij, die eertijds uwen gansen toorn hebt ingehouden, en afgelaten van de hitte uwer grimmigheid; troost ons

85:5 o God onze Heiland, en laat af van uwe ongenade over ons

85:6 Wilt gij dan eeuwiglijk over ons toornig zijn, en uwe gramschap uitstrekken van geslacht tot geslacht

85:7 Wilt gij ons dan niet weder verkwikken, opdat uw volk zich in U verheuge

85:8 Heer, toon ons uwe genade, en help ons

85:9 Och, dat ik horen mocht, dat God, de Heer, sprak, dat Hij vrede toezeide aan zijn volk, aan zijne heiligen, opdat zij niet weder tot dwaasheid mochten komen

85:10 Doch gewis is zijne hulp nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer wone

85:11 Dat goedertierenheid en trouw elkander ontmoeten, gerechtigheid en vrede elkander kussen

85:12 Dat waarheid uit de aarde opwasse, en gerechtigheid van den hemel nederzie

85:13 Ook zal de Heer ons het goede schenken, en ons land zijn gewas geven

85:14 Gerechtigheid zal voor Hem uitgaan en zal zijne voetstappen volgen. Psalmen 8

86:1 Een gebed van David. Heer, neig uwe oren en verhoor mij, want ik ben ellendig en arm

86:2 Bewaar mijne ziel, want ik ben onschuldig; help Gij, mijn God, uwen knecht, die zich op U verlaat

86:3 Heer, wees mij genadig, daar ik dagelijks tot U roep

86:4 Verheug de ziel van uwen knecht, want naar U, Heer, verlang ik

86:5 Want Gij, o Heer, zijt goed en genadig, van grote goedheid voor allen, die U aanroepen

86:6 Verneem, o Heer, mijn gebed, en geef acht op de stem mijns smekens

86:7 In den nood roep ik tot U: wil mij toch verhoren

86:8 Heer, niemand is U gelijk onder de goden, en niemand is er, dien, doen kan zoals Gij

86:9 Alle volken, die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en voor U aanbidden, Heer, en uwen naam eren

86:10 omdat Gij zo groot zijt, en wonderen doet, en alleen God zijt

86:11 Wijs mij, Heer, uwen weg, opdat ik wandele in uwe waarheid; bewaar mijn hart bij het enige, dat ik uwen naam vreze

86:12 Ik dank U, Heer mijn God, van ganser harte, en eer uwen naam eeuwiglijk

86:13 want uwe goedheid is groot over mij, Gij hebt mijne ziel gered uit den diepsten afgrond

86:14 God, de hoogmoedigen stellen zich tegen mij, en de hoop der tyrannen staat naar mijne ziel; zij hebben U niet voor ogen

86:15 Maar Gij, Heere God, zijt barmhartig en genadig, lankmoedig en van grote goedheid en trouw

86:16 Wend U tot mij, wees mij genadig; sterk uwen knecht met uwe macht, en help den zoon uwer dienstmaagd

86:17 Doe mij ten goede een teken, opdat die mij haten het zien en zich moeten schamen, dat Gij mij bijstaat, Heer, en mij troost. Psalmen 8

87:1 Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach. Zij is vast gegrond op de heilige bergen

87:2 De Heer bemint de poorten van Sion boven alle woningen van Jakob

87:3 Heerlijke dingen worden in u gepredikt, o stad van God. Sela

87:4 Ik zal laten prediken aan Rahab en Babel, opdat zij Mij mogen kennen; zie, de Filistijnen en de Tyriërs benevens de Moren zullen aldaar geboren worden

87:5 Men zal van Sion zeggen, dat allerlei lieden aldaar geboren worden; en Hij, de Allerhoogste, zal zelf haar bevestigen

87:6 De Heer zal tellen, als Hij de volken opschrijft: deze zijn aldaar geboren. Sela

87:7 En de zangers, zowel als de reien, zullen allen in u zingen om beurten. Psalmen 88 1 Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach, om voor te zingen; van de zwakheid der ellendigen; ene onderwijzing van Heman den Ezrahiet

88:2 Heere God, mijn Heiland, ik roep dag en nacht voor U: laat mijn gebed voor U komen

88:3 neig uwe oren tot mijn geschrei

88:4 Want mijne ziel is vol jammer en mijn leven is nabij het graf

88:5 Ik ben geacht als degenen, die ten grave dalen, ik ben als een man, die geen hulp heeft, ik lig onder de doden verlaten als de verslagenen

88:6 of die in het graf liggen, aan welke Gij niet meer denkt, en die van uwe hand afgezonderd zijn

88:7 Gij hebt mij nederwaarts in den kuil gelegd, in de duisternis en in de diepte

88:8 Uwe gramschap drukt mij, en Gij overstroomt mij met al uwe vloeden. Sela

88:9 Mijne vrienden hebt Gij van mij verwijderd, ik lig gevangen en kan er niet uitkomen

88:10 Mijne gedaante is jammerlijk van ellende; ik roep U, o Heer, dagelijks aan, ik breid mijne handen tot U uit

88:11 Zult Gij dan aan doden wonderen doen, of zullen de gestorvenen opstaan en U loven? Sela

88:12 Zal men in de graven uwe goedheid vermelden, en uwe trouw in het verderf

88:13 Zullen dan uwe wonderen in de duisternis bekend worden, en uwe gerechtigheid in het land der vergetelheid

88:14 Maar ik roep tot U, o Heer, en mijn gebed komt elken morgen voor U

88:15 Waarom, o Heer, verstoot Gij mijne ziel, en verbergt uw aangezicht voor mij

88:16 Ik ben ellendig en machteloos, dat ik zo verstoten ben; ik tors al uwe verschrikkingen en ben wanhopig

88:17 Uwe gramschap gaat over mij, uwe verschrikkingen drukken mij

88:18 Zij omgeven mij dagelijks als water, en omringen mij alle tegelijk

88:19 Gij maakt, dat mijne vrienden en metgezellen en mijne bekenden zich verre van mij begeven wegens zulk ene ellende. Psalmen 89 1 Ene onderwijzing van Ethan, den Ezrahiet

89:2 Ik wil zingen van de genade des Heren eeuwiglijk, en zijne waarheid verkondigen met mijnen mond immer en altoos

89:3 Want dus spreek ik: Er zal ene eeuwige genade opgaan, en Gij zult uwe waarheid getrouwelijk houden in den hemel, zeggende

89:4 Ik heb een verbond gesloten met mijnen uitverkorene, Ik heb aan mijnen knecht David gezworen

89:5 Ik zal u eeuwiglijk raad geven, en uwen troon bouwen immer en altoos. Sela

89:6 De hemelen zullen, o Heer, uwe wonderen prijzen, en uwe waarheid in de gemeente der heiligen

89:7 Want wie kan in den hemel den Heer gelijk geacht worden, en onder de zonen der goden den Heer gelijk zijn

89:8 God is zeer machtig in de vergadering der heiligen, en wonderbaar boven allen, die rondom Hem staan

89:9 Heer, God Zebaôth, wie is als Gij, een machtig God, en uwe trouw is rondom U

89:10 Gij heerst over de woede der zee; Gij stilt hare baren, als zij zich verheffen

89:11 Gij veldet Raheb neer, Gij verstrooidet uwe vijanden door uw sterken arm

89:12 Hemel en aarde zijn de uwe; Gij hebt den aardbodem gegrond, en wat daarop is

89:13 Noorden en Zuiden hebt Gij geschapen; Tabor en Hermon juichen in uwen naam

89:14 Gij hebt een machtigen arm; sterk is uwe hand, en uwe rechterhand is hoog

89:15 Gerechtigheid en gericht zijn de grondvesten van uwen troon, genade en waarheid zijn voor uw aangezicht

89:16 Welgelukzalig is het volk, dat juichen kan! Heer, zij zullen in het licht uws aangezichts wandelen

89:17 Zij zullen zich dagelijks in uwen naam verheugen, en in uwe gerechtigheid heerlijk zijn

89:18 Want Gij zijt de roem hunner sterkte, en door uwe genade zult Gij onzen hoorn verhogen

89:19 De Heer is ons schild, en de Heilige in Israël is onze koning

89:20 In dien tijd spraakt Gij in een gezicht tot uwen heilige, en zeidet: Ik heb een held verwekt, die helpen zal; Ik heb een uitverkorene uit het volk verhoogd

89:21 Ik heb mijnen knecht David gevonden, Ik heb hem gezalfd met mijne heilige olie

89:22 Mijne hand zal hem bestendig ondersteunen, en mijn arm zal hem versterken

89:23 De vijanden zullen hem niet overweldigen, en de onrechtvaardigen zullen hem niet onderdrukken

89:24 Maar Ik zal zijne wederpartijders slaan voor hem uit, en wie hem haten, zal Ik plagen

89:25 En mijne waarheid en genade zullen bij hem zijn, en zijn hoorn zal in mijnen naam verhoogd worden

89:26 Ik zal zijne hand uitstrekken tot aan de zee, en zijne rechterhand tot aan de grote rivier

89:27 Hij zal mij noemen: Gij zijt mijn Vader, mijn God en mijn rots, die mij helpt

89:28 En Ik zal hem tot eersten zoon maken, den hoogsten onder de koningen der aarde

89:29 Ik zal mijne genade voor hem eeuwiglijk behouden, en mijn verbond met hem zal vast blijven

89:30 Ik zal hem eeuwiglijk zaad geven, en zijnen troon onderhouden, zolang de hemel duurt

89:31 Maar indien zijne kinderen mijne wet verlaten en naar mijne rechten niet wandelen

89:32 indien zij mijne inzettingen ontheiligen en mijne gebodene niet onderhouden

89:33 zo zal ik hunne zonde met de roede bezoeken, en hunne misdaad met plagen

89:34 Maar mijne genade zal Ik niet van hem wenden, en mijne waarheid niet tot leugen maken

89:35 Ik zal mijn verbond niet ontheiligen, en niet veranderen wat uit mijnen mond gegaan is

89:36 Ik heb eens gezworen bij mijne heiligheid: Ik zal aan David niet liegen

89:37 Zijn zaad zal eeuwig zijn, en zijn troon voor Mij gelijk de zon

89:38 Gelijk de maan zal hij eeuwiglijk bevestigd zijn, en als de getuige in de wolken gewis zijn. Sela

89:39 Maar nu verstoot en verwerpt Gij uwen gezalfde, en zijt toornig op hem

89:40 Gij versmaadt het verbond uws knechts, en werpt zijne kroon ter aarde

89:41 Gij verscheurt al zijne muren, en laat zijne vestingen afbreken

89:42 Allen, die voorbijgaan, beroven hem; hij is zijn naburen ten spot geworden

89:43 Gij verhoogt de rechterhand zijner wederpartijders, en verheugt al zijne vijanden

89:44 Ook hebt Gij de kracht zijns zwaards weggenomen, en laat hem niet overwinnen in den strijd

89:45 Gij verstoort zijne reinheid en werpt zijnen troon ter aarde

89:46 Gij verkort den tijd zijner jeugd, en bedekt hem met hoon. Sela

89:47 Heer, hoelang zult Gij u zo geheel verbergen, en uwe gramschap als een vuur doen blaken

89:48 Gedenk toch hoe kort mijn leven is; waarom zoudt Gij alle mensen vergeefs geschapen hebben

89:49 Waar is iemand, die leeft en den dood niet ziet, die zijne ziel kan redden uit de macht des grafs? Sela

89:50 Heer, waar is uwe vorige genade, welke Gij aan David gezworen hebt bij uwe trouw

89:51 Gedenk, Heer, aan den smaad uwer knechten, die ik draag in mijnen boezem van zovele volken; met welken U

89:52 Heer, uwe vijanden smaden, met welken zij smaden de voetstappen van uwen gezalfde

89:53 Geloofd zij de Heer eeuwiglijk. Amen, amen. Psalmen 9

90:1 Een gebed van Mozes, den man Gods. Heere God, Gij zijt onze toevlucht immer en altoos

90:2 Eer de bergen werden, en de aarde en de wereld geschapen waren, zijt Gij, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid

90:3 Gij doet de mensen sterven, en spreekt: Komt weder, gij mensenkinderen

90:4 Want duizend jaren zijn voor U gelijk de dag van gisteren, die voorbij is, en als ene nachtwaak

90:5 Gij laat hen heenvaren als een stroom, en zij zijn gelijk een slaap, als gras dat spoedig verwelkt

90:6 dat vroeg bloeit en schielijk verwelkt, en des avonds afgesneden wordt en verdort

90:7 Het is uw toorn, dat wij zo vergaan, en uwe gramschap, dat wij zo verschrikt worden

90:8 Want onze misdaden stelt Gij U voor ogen, onze heimelijke zonden in het licht van uw aangezicht

90:9 Zo gaan al onze dagen daarheen in uwen toorn, wij brengen onze jaren door als een gesprek

90:10 Ons leven duurt zeventig jaren: zo het hoog komt, zijn het tachtig jaren; en als het kostelijk geweest is, is het moeite en arbeid geweest; want het vaart snel weg, als vlogen wij heen

90:11 Maar wie gelooft het, dat Gij zo toornig zijt, en wie vreest voor deze uwe grimmigheid

90:12 Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij verstandig worden

90:13 Heer, keer U toch weder tot ons, en wees uwen knechten genadig

90:14 Vervul ons vroeg met uwe gunst, zo willen wij roemen en vrolijk zijn ons leven lang

90:15 Verblijd ons nu weder naar de dagen, dat Gij ons geplaagd hebt, naar de jaren, dat wij ongeluk leden

90:16 Toon aan uwe knechten uwe werken, en uwe eer aan hunne kinderen

90:17 En de Heer, onze God, zij ons goedgunstig, en bevordere het werk onzer handen bij ons; ja, het werk onzer handen moge Hij bevorderen! Psalmen 9

91:1 Wie onder de bescherming des Allerhoogsten gezeten is, en onder de schaduw des Almachtigen blijft

91:2 die zegt tot den Heer: Mijn toeverlaat en mijn burg, mijn God, op wien ik hoop

91:3 Want Hij redt u uit den strik des jagers, en van de verderfelijke pest

91:4 Hij zal u met zijne wieken dekken, en uw toeverzicht zal zijn onder zijne vleugelen; zijne trouw is u tot scherm en schild

91:5 dat gij niet vrezen zult voor den schrik des nachts, voor de pijlen, die bij dag vliegen

91:6 voor de pest, die in het duister waart, voor de ziekte, die op den middag woedt

91:7 Of er al duizend vallen aan uwe zijde, en tien duizend aan uwe rechterhand, het zal u niet treffen

91:8 Ja, gij zult met uwe ogen uwen lust zien, en aanschouwen, hoe het den goddelozen vergolden wordt

91:9 Want de Heer is uw toeverzicht, de Allerhoogste is uwe toevlucht

91:10 u zal geen kwaad ontmoeten, en geen plaag zal tot uwe hut genaken

91:11 Want Hij heeft voor u zijn Engelen bevolen, dat zij u behoeden op al uwe wegen

91:12 dat zij u op de handen dragen, en gij aan geen steen uwe voeten stoot

91:13 Op leeuwen en adders zult gij treden, en jonge leeuwen en draken vertrappen

91:14 Hij begeert Mij, dus wil Ik hem uithelpen; hij kent mijnen naam, daarom wil Ik hem beschutten

91:15 Hij roept Mij aan, dus wil Ik hem verhoren; Ik ben bij hem in den nood, Ik zal hem daaruit verlossen en tot eer brengen

91:16 Ik zal hem verzadigen met een lang leven, en zal hem mijn heil tonen. Psalmen 92 1 Een psalm, een lied voor den sabbatdag

92:2 Het is een kostelijk ding den Heer te danken, en uwen naam lof te zingen, o Allerhoogste

92:3 des morgens uwe genade en des nachts uwe trouw te verkondigen

92:4 op de tien snaren en de luit, met den klank der harp

92:5 Want, Heer, Gij laat mij vrolijk zingen van uwe werken, en ik roem van de daden uwer handen

92:6 Heer, hoe groot zijn uwe werken, hoe grondeloos diep uwe gedachten

92:7 Een verstandeloze beseft dit niet, en een dwaas slaat er geen acht op

92:8 de goddelozen groeien als het gras, en alle kwaaddoeners bloeien, totdat zij verdelgd worden in eeuwigheid

92:9 Maar Gij, o Heer, zijt de Allerhoogste, en blijft eeuwiglijk

92:10 Want zie, uwe vijanden, o Heer, zie, uwe vijanden zullen omkomen; en alle kwaaddoeners moeten verstrooid worden

92:11 Maar mijn hoorn zal verhoogd worden als die van een eenhoorn, en ik ben met verse olie overgoten

92:12 En mijn oog zal zijnen lust zien aan mijne vijanden, en mijn oor zal zijnen lust horen aan de bozen, die zich tegen mij stellen

92:13 De rechtvaardige zal groeien als een palmboom, hij zal wassen gelijk een ceder op den Libanon

92:14 Wie in het huis des Heren geplant zijn, zullen bloeien in de voorhoven onzes Gods

92:15 En of zij al oud worden, zij zullen nochtans bloeien, vruchtbaar en sappig zijn, om te vermelden

92:16 dat de Heer onberispelijk is: mijne rots, in wien geen onrecht is. Psalmen 9

93:1 De Heer is koning en heerlijk versierd; de Heer is versierd en heeft een rijk begonnen, zover de wereld is, en toebereid, dat het zal blijven

93:2 Van den beginne af staat uw troon vast; Gij zijt eeuwig

93:3 De waterstromen verheffen, o Heer, de waterstromen verheffen hun bruisen; de waterstromen verheffen hunne stuivende golven

93:4 De baren der zee zijn groot, en bruisen geweldig; maar de Heer, hoogverheven, is nog groter

93:5 Uw woord is ene rechte leer, heiligheid is het sieraad van uw huis, Psalmen 9

94:1 Heere God, wiens de wraak is, God, wiens de wraak is, verschijn

94:2 Verhef u, gij Rechter der wereld, vergeld den hoovaardigen wat zij verdienen

94:3 Hoelang nog zullen de goddelozen, o Heer, hoelang nog zullen de goddelozen snoeven

94:4 en trotschelijk spreken, en alle kwaaddoeners zich beroemen

94:5 Heer, zij verslaan uw volk en plagen uw erfdeel

94:6 Weduwen en vreemdelingen vermoorden zij, en doden de wezen

94:7 en zeggen: De Heer ziet het niet, en Jakobs God telt het niet

94:8 Geeft toch acht, o gij onverstandigen onder het volk; en gij dwazen, wanneer zult gij verstandig worden

94:9 Die het oor geplant heeft, zou die niet horen? Die het oog gemaakt heeft, zou die niet zien

94:10 Die de volken kastijdt, zou die niet straffen, Hij, die de mensen leert hetgeen zij weten

94:11 De Heer kent de gedachten der mensen, dat zij ijdel zijn

94:12 Welgelukzalig is hij, dien Gij, o Heer, kastijdt en dien Gij leert door uwe wet

94:13 opdat hij rust hebbe, als het kwalijk gaat, totdat den goddelozen de kuil bereid wordt

94:14 Want de Heer zal zijn volk niet verstoten, noch zijn erfdeel verlaten

94:15 maar recht moet altijd recht blijven, en alle vromen harten zullen het navolgen

94:16 Wie staat mij bij tegen de boosdoeners, wie treedt in mijne plaats tegen de werkers der ongerechtigheid

94:17 Ware de Heer mij niet te hulp gekomen, mijne ziel zou reeds in het stille graf rusten

94:18 Ik sprak: Mijn voet heeft gestruikeld, maar uwe genade, o Heer, hield mij staande

94:19 Ik had vele bekommernissen in mijn hart, maar uwe vertroostingen verkwikten mijne ziel

94:20 Gij verenigt u immers nooit met den zetel der gruwelen, die de wet kwalijk duidt

94:21 Zij rusten zich toe tegen de ziel des rechtvaardigen en verdoemen onschuldig bloed

94:22 Maar de Heer is mijne beschutting, mijn God is de rots mijner toevlucht

94:23 en Hij zal hun onrecht op hen doen wederkeren, en zal hen om hunne boosheid verdelgen; de Heer onze God zal hen verdelgen. Psalmen 9

95:1 Komt herwaarts, laat ons den Heer vrolijk loven, en juichen den rotssteen onzes heils ter eer

95:2 Laat ons met lofgezang voor zijn aangezicht komen, en met snarenspel voor Hem juichen

95:3 Want de Heer is een groot God, en een groot koning boven alle goden

95:4 Want in zijne hand is wat de aarde draagt, en de hoogten der bergen zijn ook zijne

95:5 Zijn is de zee, en Hij heeft ze gemaakt; en zijne handen hebben het droge bereid

95:6 Komt, laat ons aanbidden en knielen, en nedervallen voor den Heer, die ons gemaakt heeft

95:7 Want Hij is onze God, en wij zijn het volk zijner weide en de schapen zijner kudde. Heden, daar gij zijne stem hoort

95:8 verhardt uwe harten niet, gelijk te Meriba geschiedde, gelijk te Massa in de woestijn

95:9 waar uwe vaderen Mij verzochten en beproefden, maar ook mijn werk zagen

95:10 Veertig jaar had Ik moeite met dit volk, en sprak: Het zijn lieden, wier hart altoos den doolweg wil, en die mijne wegen niet willen kennen

95:11 zodat Ik zwoer in Mijnen toorn: Zij zullen tot mijne rust niet komen. Psalmen 9

96:1 Zingt den Heer een nieuw lied, zingt den Heer, gij ganse aarde

96:2 Zingt den Heer en looft zijnen naam; predikt den enen dag na den anderen zijn heil

96:3 Vermeldt onder de volken zijne eer, onder alle natiën zijne wonderen

96:4 Want de Heer is groot en zeer te loven, wonderbaar boven alle goden

96:5 Want alle goden der volken zijn afgoden, maar de Heer heeft den hemel gemaakt

96:6 Majesteit en heerlijkheid zijn voor zijn aangezicht, sterkte en sieraad in zijn heiligdom

96:7 Gij volken, brengt herwaarts den Heer, brengt herwaarts den Heer eer en macht

96:8 Brengt herwaarts den Heer de eer zijns naams, brengt geschenken en komt in zijne voorhoven

96:9 Aanbidt den Heer in heilig sieraad; de gehele wereld vreze Hem

96:10 Zegt onder de volken, dat de Heer koning is en zijn rijk bereid heeft, zover de wereld is, dat het blijven zal; en Hij richt de volken in rechtvaardigheid

96:11 De hemel verheuge zich en de aarde zij vrolijk, de zee bruise en wat er in is

96:12 Het veld zij vrolijk en al wat daarop is, en laat alle bomen in het woud roemen voor den Heer

96:13 want Hij komt, ja Hij komt om het aardrijk te richten: Hij zal den aardbodem richten met rechtvaardigheid, en de volken met zijne waarheid. Psalmen 9

97:1 De Heer is koning; dat de aarde zich verblijde, en alle eilanden vrolijk zijn

97:2 Wolken en donkerheid zijn rondom Hem, gerechtigheid en gericht zijn de grondvesten van zijnen troon

97:3 Vuur gaat voor Hem uit, en steekt rondom zijne vijanden aan

97:4 Zijne bliksemstralen lichten op den aardbodem, het aardrijk ziet ze en verschrikt

97:5 Bergen smelten weg als was voor den Heer, voor den heerser der ganse aarde

97:6 De hemelen verkondigen zijne gerechtigheid, en alle volken zien zijne eer

97:7 Schamen moeten zich allen, die beelden dienen, en zich op afgoden beroemen; aanbidt Hem, gij goden allen

97:8 Sion hoort het en is verblijd, en de dochters van Juda zijn vrolijk, Heer, over uwe regering

97:9 Want Gij, Heer, zijt de Allerhoogste in alle landen, Gij zijt ver verheven boven alle goden

97:10 Gij, die den Heer bemint, haat het kwade: Hìj bewaart de zielen zijner heiligen, uit de hand der goddelozen zal hij ze redden

97:11 Voor den rechtvaardigen moet het licht altoos opgaan, en vreugd voor de vromen van hart

97:12 Gij rechtvaardigen, verheugt u in den Heer, en dankt Hem en prijst zijne heiligheid. Psalmen 9

98:1 Een psalm. Zingt den Heer een nieuw lied, want Hij doet wonderen; Hij overwint met zijne rechterhand en met zijnen heiligen arm

98:2 De Heer laat zijn heil verkondigen; voor de volken openbaart Hij zijne gerechtigheid

98:3 Hij gedenkt aan zijne genade en trouw jegens het huis van Israël; alle einden der wereld zien het heil van onzen God

98:4 Juicht den Heer, gij ganse aarde, zingt, roemt en looft

98:5 Looft den Heer met harpen, met harpen en allerlei snarenspel

98:6 met trompetten en bazuinen; juicht voor den Heer, den koning

98:7 De zee bruise en wat er in is, de aardbodem en wie daarop wonen

98:8 Dat de waterstromen een vrolijk geluid maken, en alle bergen juiche

98:9 voor den Heer, want Hij komt om het aardrijk te richten: Hij zal den aardbodem richten met rechtvaardigheid, en de volken met recht. Psalmen 9

99:1 De Heer is koning, daarom beven de volken; Hij zit op cherubim; daarom beweegt zich de wereld

99:2 De Heer is groot te Sion, en hoogverheven boven alle volken

99:3 Men prijze uw groten en wonderbaren naam, die heilig is

99:4 In het rijk van dezen koning heeft men het recht lief. Gij geeft vroomheid, Gij verordent gericht en rechtvaardigheid in Jakob

99:5 Verheft den Heer onzen God, buigt u neder voor zijne voetbank; want Hij is heilig

99:6 Mozes en Aäron waren onder zijne priesters, en Samuël onder degenen, die zijnen naam aanriepen; zij riepen tot den Heer en Hij verhoorde hen

99:7 Hij sprak met hen in ene wolkkolom; zij onderhielden zijne getuigenissen en geboden, die Hij hun gaf

99:8 Heer onze God, Gij verhoordet hen; Gij, God, vergaaft hun, maar straftet nochtans hun vergrijp

99:9 Verhoogt den Heer onzen God, en buigt u neder voor zijnen heiligen berg, want de Heer onze God is heilig. Psalmen 10

100:1 Een lofpsalm. Juicht den Heer, gij ganse aarde

100:2 Dient den Heer met vreugde, komt voor zijn aangezicht met vrolijk geluid

100:3 Erkent, dat de Heer God is; Hij heeft ons gemaakt, en niet wij zelven, tot zijn volk en tot schapen zijner weide

100:4 Gaat in tot zijne poorten met lof, tot zijne voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst zijnen naam

100:5 Want de Heer is vriendelijk, zijne genade duurt eeuwiglijk, en zijne trouw immer en altoos. Psalmen 10

101:1 Een psalm van David. Van genade en recht zal ik zingen, en U, o Heer, lofzingen

101:2 Ik handel voorzichtig en oprecht bij degenen, die mij toebehoren, en wandel getrouwelijk in mijn huis

101:3 Ik neem geen kwade zaak voor mij; ik haat den overtreder, en laat hem niet bij mij blijven

101:4 Een verkeerd hart moet van mij wijken; den boze duld ik niet

101:5 Wie van zijnen naaste heimelijk kwaad spreekt, dien verdelg ik; ik mag hem niet, die hoog van ogen en trots van hart is

101:6 Mijne ogen zien naar de getrouwen in het land, opdat zij bij mij wonen; en ik heb gaarne vrome dienaars

101:7 Valse lieden houd ik niet in mijn huis, leugenaars zullen niet voor mij bestendig zijn

101:8 Iederen morgen wil ik verdelgen alle goddelozen in het land, om alle kwaaddoeners uit te roeien uit de stad des Heren. Psalmen 102 1 Het gebed eens ellendigen, die bedroefd is en zijne klacht voor den Heer uitstort

102:2 Heer, hoor mijn gebed, en laat mijn roepen tot U komen

102:3 Verberg uw aangezicht niet voor mij in den nood, neig uwe oren tot mij; wanneer ik tot U roep, zo verhoor mij schielijk

102:4 Want mijne dagen zijn vergaan als een rook, en mijne beenderen zijn verbrand als een verbrand hout

102:5 Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeet mijn brood te eten

102:6 Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees van kermen en zuchten

102:7 Ik ben gelijk een roerdomp in de woestijn, ik ben als een steenuil in verwoeste steden

102:8 Ik waak en ben als een eenzame vogel op het dak

102:9 Dagelijks smaden mij mijne vijanden; en die mij bespotten zweren bij mij

102:10 Want ik eet as als brood, en meng mijnen drank met tranen

102:11 wegens uw dreigen en uwen toorn, dat Gij mij opgeheven en weder op den grond neergeworpen hebt

102:12 Mijne dagen zijn vergaan als ene schaduw, en ik verdor als gras

102:13 Maar Gij, o Heer, blijft eeuwig, en uwe gedachtenis immer en altoos

102:14 Wil toch opstaan en U over Sion ontfermen; want het is tijd, dat Gij haar genadig zijt, en de ure is gekomen

102:15 Want uwe knechten wilden gaarne, dat zij gebouwd werd, en zagen gaarne, dat hare stenen en kalk bereid werden

102:16 opdat de heidenen den naam des Heren vrezen mochten, en alle koningen der aarde uwe eer

102:17 wanneer de Heer Sion zal hebben opgebouwd, en verschijnen zal in zijne heerlijkheid

102:18 Hij wendt zich tot het gebed der verlatenen, en versmaadt hun smeken niet

102:19 Dat worde opgeschreven voor de nakomelingen, en het volk, dat nog geschapen moet worden, zal den Heer loven

102:20 want Hij schouwt neder van zijne heilige hoogte, en de Heer ziet van den hemel af op de aarde

102:21 om het zuchten der gevangenen te horen, en vrij te maken de kinderen des doods

102:22 opdat zij te Sion prediken den naam des Heren, en zijnen lof te Jeruzalem; als de volken tezamenkomen

102:23 en de koninkrijken zich verenigen, om den Heer te dienen

102:24 Hij onderdrukt mijne kracht op den weg, Hij verkort mijne dagen

102:25 Ik zeg: O mijn God, neem mij niet weg in de helft mijner dagen; uwe jaren duren immer en altoos

102:26 Gij hebt voorheen de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk uwer handen

102:27 Zij zullen vergaan, maar Gij blijft; zij zullen allen verouderen als een kleed, zij zullen veranderd worden als een gewaad, wanneer Gij ze veranderen zult

102:28 Maar Gij blijft gelijk Gij zijt, en uwe jaren nemen geen einde

102:29 De kinderen uwer knechten zullen blijven, en hun zaad zal voor U bestendig zijn. Psalmen 10

103:1 Een psalm van David. Loof den Heer, mijne ziel, en al wat in mij is zijnen heiligen naam

103:2 Loof den Heer, mijne ziel, en vergeet niet wat Hij u goeds gedaan heeft

103:3 die u al uwe zonden vergeeft, en al uwe zwakheden geneest

103:4 die uw leven van het verderf verlost, die u kroont met genade en barmhartigheid

103:5 die uwen mond met het goede verzadigt, uwe jeugd vernieuwt als van een arend

103:6 De Heer beschikt gerechtigheid en gericht aan allen, die onrecht lijden

103:7 Hij heeft zijne wegen aan Mozes laten weten, aan de kinderen lsraëls zijn doen

103:8 Barmhartig en genadig is de Heer, geduldig en van grote goedheid

103:9 Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden

103:10 Hij handelt niet met ons naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze misdaden

103:11 Want zo hoog de hemel is boven de aarde, laat Hij zijne genade machtig zijn over degenen, die Hem vrezen

103:12 Zo ver het Oosten is van het Westen, verwijdert Hij onze overtredingen van ons

103:13 Gelijk een vader zich ontfermt over zijne kinderen, zo ontfermt zich de Heer over degenen, die Hem vrezen

103:14 Want Hij weet welk maaksel wij zijn, en gedenkt er aan, dat wij stof zijn

103:15 Een mens is in zijn leven gelijk het gras, hij bloeit gelijk ene bloem op het veld

103:16 als de wind daarover heen waait, is zij er niet meer, en hare plaats kent haar niet meer

103:17 Maar de genade des Heren duurt van eeuwigheid tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, zijne gerechtigheid tot op de kindskinderen

103:18 bij degenen, die zijn verbond houden, en aan zijne geboden denken om er naar te doen

103:19 De Heer heeft zijnen troon in den hemel bereid, en zijn gebied heerst over alles

103:20 Looft den Heer, gij zijne Engelen, gij sterke helden, die zijn bevel uitvoert, gij die hoort naar de stem zijns woords

103:21 Looft den Heer, al zijne heirscharen, gij, zijne dienaars die zijnen wil volvoert

103:22 Looft den Heer, al zijne werken, aan alle plaatsen zijner heerschappij. Loof den Heer, mijne ziel! Psalmen 10

104:1 Loof den Heer, mijne ziel; Heer mijn God, Gij zijt heerlijk, met majesteit en heerlijkheid zijt Gij bekleed

104:2 Het licht is uw kleed, hetwelk Gij aanhebt, Gij breidt den hemel uit als een tapijt

104:3 Gij maakt omhoog een gewelf van water; Gij vaart op de wolken als op een wagen, en wandelt op de vleugelen des winds

104:4 Gij maakt de winden tot uwe Engelen, en de vuurvlammen tot uwe dienaars

104:5 Gij hebt het aardrijk op zijnen bodem gegrondvest, dat het blijve altoos en eeuwig

104:6 Met de zee hadt Gij het bedekt als met een kleed, en wateren stonden boven de bergen

104:7 Maar voor uw dreigen vloden zij, voor uwen donder voeren zij heen

104:8 De bergen rezen hoog op, de dalen daalden ter plaatse, welke Gij voor hen hadt bereid

104:9 Gij hebt ene grens gesteld, daar komen zij niet over; zij mogen niet wederom het aardrijk bedekken

104:10 Gij laat fonteinen ontspringen in de dalen, dat de wateren tussen de bergen heenvlieten

104:11 opdat alle dieren des velds drinken, en het wild zijnen dorst lesse

104:12 De vogelen des hemels zitten er bij, en zingen onder de takken

104:13 Van boven af bevochtigt Gij de bergen; Gij maakt het land vol vruchten, welke Gij beschikt

104:14 Gij laat gras wassen voor het vee, en zaad tot nut der mensen; Gij brengt brood uit de aarde voort

104:15 en wijn, die des mensen hart verheugt, en maakt, dat zijne gedaante schoon wordt van olie, en dat het brood des mensen hart versterkt

104:16 dat de bomen des Heren vol sap staan, de cederen Libanons, die Hij geplant heeft

104:17 Aldaar nestelen de vogels, en de reigers wonen op de dennen

104:18 De hoge bergen zijn de toevlucht der steengeiten, en de steenkloven die der konijnen

104:19 Gij maakt de maan om er het jaar naar te delen; de zon weet haren ondergang

104:20 Gij maakt duisternis, dat het nacht wordt; dan gaat al het wild gedierte uit

104:21 de jonge leeuwen, die naar den roof brullen, en van God hunne spijs vragen

104:22 Maar als de zon opgaat, maken zij zich weg en leggen zich in hunne holen

104:23 Dan gaat de mens uit tot zijnen arbeid, en tot zijn akkerwerk tot aan den avond

104:24 Heer, wat zijn uwe werken groot en veel! Gij hebt ze alle wijselijk geschikt, en de aarde is vol van uwe goederen

104:25 De zee, die zo groot en wijd is, daar wemelt het van grote en kleine dieren zonder getal

104:26 Daar gaan de schepen; daar zijn walvissen, die Gij gemaakt hebt om daarin te spelen

104:27 Het wacht alles op U, dat Gij hun spijs geeft op zijn tijd

104:28 Als Gij ze hun geeft, dan vergaderen zij ze; als Gij uwe hand opendoet, dan worden zij met het goede verzadigd

104:29 Verbergt Gij uw aangezicht, dan verschrikken zij; neemt Gij hunnen adem weg, dan vergaan zij weder tot stof

104:30 Laat Gij uwen adem uit, dan worden zij geschapen, en Gij vernieuwt de gedaante der aarde

104:31 De heerlijkheid des Heren is eeuwig; de Heer heet een welbehagen aan zijne werken

104:32 ziet Hij de aarde aan, dan beeft zij; roert Hij de bergen aan, dan roken zij

104:33 Ik wil den Heer zingen mijn leven lang, en mijnen God loven zolang ik ben

104:34 Mijne rede moge Hem welgevallig zijn; ik verheug mij in den Heer

104:35 De zondaars moeten een einde nemen op de aarde, en de goddelozen niet meer zijn. Loof den Heer, mijne ziel. Hallelujah! Psalmen 10

105:1 Looft den Heer, predikt zijnen naam, maakt zijn doen bekend onder de volken

105:2 zingt van Hem en looft Hem, spreekt van al zijne wonderen

105:3 Roemt zijnen heiligen naam; het hart dergenen, die den Heer zoeken, verblijde zich

105:4 Vraagt naar den Heer en naar zijne macht, zoekt zijn aangezicht altijd

105:5 Gedenkt aan zijne wonderen, die Hij gedaan heeft, aan zijne wonderen en aan de gerichten zijns monds

105:6 O zaad van zijnen knecht Abraham, kinderen van Jakob zijnen uitverkorene

105:7 Hij is de Heer onze God: Hij oordeelt over de gehele wereld

105:8 Hij gedenkt eeuwiglijk aan zijn verbond, aan het woord, hetwelk Hij vastgesteld heeft tot in duizend geslachten

105:9 dat Hij gemaakt heeft met Abraham, en aan zijnen eed met Isaäk

105:10 welken Hij aan Jakob bevestigd heeft tot een recht, en aan Israël tot een eeuwig verbond

105:11 zeggende: U zal ik het land Kanaän geven tot het lot uws erfdeels

105:12 toen zij nog weinig en gering waren, en vreemdelingen daarin

105:13 En zij trokken van het ene volk tot het andere, en uit het ene koninkrijk tot de andere natie

105:14 Hij liet aan niemand toe hen te verdrukken, en bestrafte koningen om hunnentwil, zeggende

105:15 Tast mijne gezalfden niet aan, en doet mijn profeten geen leed

105:16 En Hij deed een duren tijd in het land komen, en onttrok allen voorraad van brood

105:17 En Hij zond een man voor hen uit, Jozef, die als knecht werd verkocht

105:18 zij kluisterden zijne voeten in den stok, zijn lichaam moest in ijzer liggen

105:19 totdat zijn woord kwam en de rede des Heren hem had gelouterd

105:20 Toen zond de koning heen en deed hem in vrijheid stellen, de heer over de volken beval hem los te laten

105:21 hij stelde hem tot heer over zijn huis, en tot heerser over al zijne goederen

105:22 opdat hij zijne vorsten zou onderwijzen naar zijnen lust en zijn oudsten wijsheid leren

105:23 En Israël trok in Egypte, en Jakob werd een vreemdeling in het land van Cham

105:24 En Hij liet zijn volk zeer wassen, en maakte het machtiger dan zijne verdrukkers

105:25 Hij verkeerde hun hart, dat zij op zijn volk vergramd werden, en zijne knechten met list verdrukten

105:26 Doch Hij zond zijnen knecht Mozes, en Aäron, dien Hij verkoren had

105:27 die deden zijne tekenen onder hen, en zijne wonderen in het land van Cham

105:28 Hij liet duisternis komen en maakte het stikdonker; toen waren zij aan zijne woorden niet langer ongehoorzaam

105:29 Hij veranderde hunne wateren in bloed, en doodde hunne vissen

105:30 Hun land wemelde van vorsen, zelfs in de kamers hunner koningen

105:31 Hij sprak en er kwam ongedierte, stekende muggen, binnen al hunne grenspalen

105:32 Hij gaf hun hagel tot regen, vuurvlammen in hun land

105:33 en sloeg hunne wijnstokken en vijgebomen, en verbrak de bomen binnen hunne grenspalen

105:34 Hij sprak en er kwamen sprinkhanen, en kevers zonder getal

105:35 en zij aten het gras op in hun land, en aten de vruchten van hun veld

105:36 En Hij sloeg alle eerstgeborenen in Egypte, al de eerstelingen hunner kracht

105:37 Hij voerde hen uit met zilver en goud; en er was geen gebrekkige onder hunne stammen

105:38 Egypte werd vrolijk, omdat zij uittrokken, want hunne vrees was op hen gevallen

105:39 Hij breidde ene wolk uit tot ene bedekking, en een vuur om des nachts te lichten

105:40 Zij baden, en Hij deed kwakkels komen, en Hij verzadigde hen met brood van den hemel

105:41 Hij opende ene steenrots, en er stroomden wateren uit, zodat beken vloeiden in de dorre woestijn

105:42 Want Hij gedacht aan zijn heilig woord, tot Abraham, zijnen knecht, gesproken

105:43 Alzo voerde Hij zijn volk uit met vreugde, en zijne uitverkorenen met blijdschap

105:44 en Hij gaf hun de landen der volken, dat zij de goederen der natiën zouden erven

105:45 opdat zij zijne rechten zouden onderhouden en zijne wetten bewaren. Psalmen 10

106:1 Hallelujah. Looft den Heer, want Hij is vriendelijk, en zijne goedheid duurt eeuwig

106:2 Wie kan de grote daden des Heren uitspreken, en al zijne loffelijke werken prijzen

106:3 Welgelukzalig zijn zij, die het gebod onderhouden, die altoos recht doen

106:4 Heer, gedenk aan mij, naar de genade, die Gij aan uw volk beloofd hebt; betoon ons uwe hulp

106:5 opdat wij de welvaart uwer uitverkorenen mogen zien, en ons verheugen, dat het uw volk wélgaat, en ons beroemen met uw erfdeel

106:6 Wij hebben gezondigd, benevens onze vaderen, wij hebben verkeerd gehandeld en zijn goddeloos geweest

106:7 Onze vaderen in Egypte wilden op uwe wonderen geen acht geven; zij gedachten niet aan uwe grote goedheid, en waren ongehoorzaam aan de zee, namelijk aan de Schelfzee

106:8 Maar Hij hielp hen om zijns naams wil, om zijne macht te betonen

106:9 en Hij dreigde de Schelfzee, toen werd zij droog, en Hij voerde hen door de diepte als in ene woestijn

106:10 en redde hen van de hand desgenen, die hen haatte, en verloste hen van de hand des vijands

106:11 en de wateren bedekten hunne wederpartijders, zodat er niet één overbleef

106:12 Toen geloofden zij aan zijne woorden, en zongen zijnen lof

106:13 Maar zij vergaten weldra zijne werken, en verbreidden zijnen raad niet

106:14 en zij werden belust in de woestijn, en verzochten God in de wildernis

106:15 En Hij gaf hun hunne bede, en zond hun genoeg, totdat zij er van walgden

106:16 En zij stonden tegen Mozes op in het leger, tegen Aäron, den geheiligde des Heren

106:17 De aarde opende zich en verslond Dathan, en overdekte het rot van Abiram

106:18 en vuur werd onder hun rot ontstoken, en ene vlam verteerde de goddelozen

106:19 Zij maakten een kalf bij Horeb, en aanbaden het gegoten beeld

106:20 en zij veranderden hunne ere in de gelijkenis van een stier, die gras eet

106:21 Zij vergaten God, hunnen Heiland, die in Egypte zulke grote dingen gedaan had

106:22 wonderen in het land van Cham, geduchte daden aan de Schelfzee

106:23 En Hij sprak er van hen te verdelgen, had niet Mozes, zijn uitverkorene, zich voor zijn aangezicht in de bres gesteld, om zijne gramschap af te wenden, dat Hij hen niet geheel vernielde

106:24 En zij verachtten het gewenste land; zij geloofden zijn woord niet

106:25 en murmureerden in hunne hutten; zij hoorden niet naar de stem des Heren

106:26 En Hij hief zijne hand tegen hen op, om hen terneder te slaan in de woestijn

106:27 en hun kroost te werpen onder de volken, en ze te verstrooien in de landen

106:28 En zij hingen Baäl-Peor aan, en aten van de offers der dode afgoden

106:29 en vertoornden Hem met hun doen, zodat ene plaag onder hen uitbrak

106:30 Doch Pinehas trad toe en beslechtte de zaak, toen werd de plaag gestuit

106:31 en het werd hem tot gerechtigheid gerekend altoos en eeuwiglijk

106:32 En zij vertoornden Hem aan het water der twisting, en zij plaagden Mozes zeer

106:33 want zij bedroefden zijn hart, zodat hem enige woorden ontvielen

106:34 Ook verdelgden zij de volken niet, gelijk de Heer hun geboden had

106:35 maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden hunne werken

106:36 en dienden hunne afgoden, die hun ten valstrik werden

106:37 en zij offerden hunne zonen en hunne dochters aan de wrede godheden op, en vergoten onschuldig bloed

106:38 het bloed hunner zonen en hunner dochters, die zij offerden aan de afgoden van Kanaän, zodat het land met bloedschulden bevlekt werd

106:39 En zij verontreinigden zich met hunne werken, en hoereerden met hun doen

106:40 Toen ontstak de toorn des Heren over zijn volk, en Hij kreeg een afschuw van zijn erfdeel

106:41 en Hij gaf hen in de hand der heidenen, dat degenen over hen heerschten, die vergramd op hen waren

106:42 en hunne vijanden benauwden hen, en zij werden verootmoedigd onder hunne handen

106:43 Hij verloste hen dikwijls, maar zij vertoornden Hem met hun voornemen, en werden weinig wegens hunne misdaad

106:44 En Hij zag hunnen nood aan, toen Hij hunne klachten hoorde, en Hi

106:45 gedacht aan zijn verbond met hen gemaakt, en het berouwde Hem naar zijne grote goedheid

106:46 en Hij deed hun barmhartigheid wedervaren voor het gezicht van allen, die hen gevangen hadden

106:47 Help ons, Heer onze God, en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij uwen heiligen naam danken, en uwen lof roemen

106:48 Geloofd zij de Heer, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid; en al het volk zegge: Amen. Hallelujah! Psalmen 10

107:1 Looft den Heer, want Hij is vriendelijk, en zijne goedheid duurt eeuwig

107:2 Dat zij dit zeggen, die verlost zijn door den Heer, die Hij uit den nood verlost heeft

107:3 en die Hij uit de landen samengebracht heeft, van het Oosten en van het Westen, van het Noorden en van de zee

107:4 Die dwalende gingen in de woestijn, op een ongebaanden weg, en geen stad vonden, waar zij wonen konden

107:5 zij waren hongerig en dorstig, zodat hunne zielen versmachten

107:6 En zij riepen tot den Heer in hunnen nood, en Hij redde hen uit hunne angsten

107:7 en voerde hen op den rechten weg, opdat zij gingen naar ene stad, waar zij wonen konden

107:8 Dat zij den Heer danken voor zijne goedheid, en voor zijne wonderen, die Hij aan de mensenkinderen doet

107:9 dat Hij de dorstige ziel verzadigt, en de hongerige ziel met het goede vervult

107:10 Die zitten moesten in de duisternis en donkerheid, gevangen in dwang en ijzer

107:11 omdat zij aan Gods geboden ongehoorzaam geweest waren, en de wet des Allerhoogsten geschonden hadden

107:12 daarom moest hun hart met ongeluk geplaagd worden, dat zij daar lagen en niemand hen hielp

107:13 zodat zij tot den Heer riepen in hunnen nood, en Hij hen hielp uit hunne angsten

107:14 en hen voerde uit de duisternis en donkerheid, en hunne banden verscheurde

107:15 dat zij den Heer danken voor zijne goedheid, en voor zijne wonderen, die Hij aan de mensenkinderen doet

107:16 dat Hij de koperen deuren verbrak en de ijzeren grendels in stukken sloeg

107:17 De dwazen, die geplaagd waren om hunne overtredingen en om hunne zonden

107:18 zodat zij een walg hadden van alle spijs, en doodkrank werden

107:19 zij riepen tot den Heer in hunnen nood, en Hij hielp hen uit hunne angsten

107:20 en zond hun zijn woord, en maakte hen gezond, en redde hen, dat zij niet stierven

107:21 Dat zij den Heer danken voor zijne goedheid, en voor zijne wonderen, die Hij aan de mensenkinderen doet

107:22 en dank offeren, en zijne werken met vreugde vermelden

107:23 Die met schepen op de zee voeren en hunnen handel op grote wateren dreven

107:24 die de werken des Heren ondervonden hebben, en zijne wonderen in de zee

107:25 toen Hij sprak en een stormwind verwekte, dat de baren zich verhieven

107:26 en naar den hemel opvoeren, en in den afgrond daalden, dat hunne ziel van angst versaagde

107:27 dat zij tuimelden en waggelden als dronken, en geen raad meer wisten

107:28 en tot den Heer riepen in hunnen nood, en Hij hen uit hunne angsten voerde

107:29 en het onweder stilde, dat de baren zich legden

107:30 en zij blijde werden, dat het stil geworden was, en Hij hen aan land bracht naar hunnen wens

107:31 Dat zij den Heer danken voor zijne goedheid, en voor zijne wonderen, die Hij aan de mensenkinderen doet

107:32 en hem in de gemeente prijzen en bij de ouden roemen

107:33 Hij is het, die beken deed verdrogen en waterbronnen verlopen

107:34 zodat een vruchtbaar land niets droeg, wegens de boosheid dergenen, die daarin woonden

107:35 Hij maakte het droge wederom waterrijk, en in het dorre land waterbronnen

107:36 en deed de hongerigen aldaar wonen, opdat zij ene stad bereidden, waar zij wonen konden

107:37 en akkers bezaaien en wijnbergen planten, en de jaarlijkse vruchten inzamelen mochten

107:38 En Hij zegende hen, dat zij zich zeer vermenigvuldigden, en gaf hun veel vee

107:39 Daarom werden zij onderdrukt en tenonder gebracht door het kwade, dat hen gedwongen en gedrongen had

107:40 Hij schudde verachting op de vorsten en liet hen dwalen, waar het woest was

107:41 Maar Hij beschutte den arme voor ellende, en vermeerderde hun geslacht als ene kudde

107:42 Dit zullen de vromen zien en zich verblijden, maar alle boosheid zal verstomd staan

107:43 Wie is wijs? Die geve hierop acht; zo zal men bemerken hoevele weldaden de Heer bewijst. Psalmen 108 1 Een psalm, een lied van David

108:2 God, mijn hart is bereid, ik wil zingen en dichten, mijne eer ook

108:3 Waak op, mijne luit en harp; vroeg zal ik opwaken

108:4 Ik zal U danken, Heer, onder de volken; ik zal uwen lof zingen onder de natiën

108:5 Want uwe goedheid strekt zo ver de hemel is, en uwe waarheid zo ver de wolken gaan

108:6 Verhef U, o God, boven den hemel; en uwe eer zij over de gehele wereld

108:7 Opdat uwe geliefde vrienden bevrijd worden, zo help nu met uwe rechterhand en verhoor mij

108:8 God spreekt in zijn heiligdom, weshalve ik mij verblijd: Ik zal Sichem verdelen, en het dal Sukkoth afmeten

108:9 Gilead is mijn, en mijn is Manasse; Efraïm is de macht mijns hoofds, Juda is mijn schepter; Moab is mijn waschpot

108:10 mijnen schoen strek Ik uit over Edom; over de Filistijnen wil Ik juichen

108:11 Wie zal mij voeren in ene vaste stad? Wie zal mij geleiden tot in Edom

108:12 Zult Gij het niet doen, o God, Gij die ons verstoten hadt, en niet mede uittrokt, God, met ons heir

108:13 Verleen ons bijstand in den nood, want mensenhulp is van geen nut

108:14 Met God zullen wij daden doen; Hij zal onze vijanden onder den voet treden. Psalmen 10

109:1 Een psalm van David om voor te zingen. God, mijn roem, zwijg niet

109:2 Want zij hebben hun goddelozen en valsen mond tegen mij geopend, en spreken tegen mij met ene valse tong

109:3 zij spreken giftige woorden tegen mij, en strijden tegen mij zonder oorzaak

109:4 Ter beloning van mijne liefde zijn zij tegen mij; maar ik, ik bid

109:5 Zij bewijzen mij kwaad voor goed, en haat voor liefde

109:6 Stel een goddeloze over hem, en een satan moge staan aan zijne rechterhand

109:7 Wanneer hij in het gericht komt, moge hij schuldig uitgaan, en zijn gebed moge tot zonde zijn

109:8 Zijne dagen mogen weinig worden, en een ander moge zijn ambt ontvangen

109:9 Zijne kinderen mogen wezen worden, en zijne vrouw weduwe

109:10 zijne kinderen mogen gaan zwerven en bedelen, en hunne nooddruft zoeken ver van hunne verwoeste plaatsen

109:11 De woekeraar moge uitzuigen al wat hij heeft, en vreemden mogen zijne goederen roven

109:12 Niemand moge hem goed doen, en niemand ontferme zich over zijne wezen

109:13 Zijne nakomelingen mogen uitgeroeid worden, hun naam moge in het volgende geslacht verdelgd worden

109:14 Aan de misdaad zijner vaderen moge gedacht worden bij den Heer, en de zonde zijner moeder moge niet uitgedelgd worden

109:15 de Heer houde hen steeds in het oog, en hunne gedachtenis moge uitgeroeid worden van de aarde

109:16 omdat hij in het geheel geen barmhartigheid had, maar den ellendige en arme en den bedroefde vervolgde om hem te doden

109:17 En hij heeft den vloek bemind, die zal hem ook overkomen; hij wilde den zegen niet, dus zal die ook verre van hem blijven

109:18 Hij trok den vloek aan als zijn kleed, en die zal in zijn binnenste gaan als water, en als olie in zijne beenderen

109:19 Zo worde die hem als het kleed, hetwelk hij aanheeft, en als de gordel, met welken hij zich altijd omgordt

109:20 Zo geschiede hun van den Heer; hun, die tegen mij zijn, en kwaad spreken tegen mijne ziel

109:21 Maar Gij, Heere Heere, wees Gij met mij om uws naams wil; want uwe genade is mijn troost, red mij

109:22 Want ik ben arm en ellendig; mijn hart is verslagen in mij

109:23 Ik vaar heen als een schaduw, die verdreven wordt, en word verjaagd gelijk de sprinkhanen

109:24 Mijne knieën zijn zwak van vasten, en mijn vlees is mager en heeft geen vet

109:25 En ik moet hun ten spot zijn; wanneer zij mij zien, schudden zij hun hoofd

109:26 Sta mij bij, Heer mijn God, help mij naar uwe genade

109:27 opdat zij bevinden, dat dit uwe hand is, dat Gij, Heer, het doet

109:28 Vloeken zij, zo zegen Gij; stellen zij zich tegen mij, zo mogen zij te schande worden, en uw knecht moge zich verblijden

109:29 Mijne wederpartijders mogen met smaad worden bekleed, en met hunne schande zich bedekken als met een rok

109:30 Ik zal den Heer hogelijk prijzen met mijnen mond, en Hem roemen in het midden der menigte

109:31 Want Hij staat den arme ter rechterhand, om hem te verlossen van degenen, die zijn leven veroordelen. Psalmen 11

110:1 Een psalm van David. De Heer sprak tot mijnen Heer: Zet u aan mijne rechterhand, totdat Ik uwe vijanden leg tot ene voetbank uwer voeten

110:2 De Heer zal uit Sion zenden den schepter uws rijks: Heers in het midden uwer vijanden

110:3 Na uwe overwinning zal uw volk gewillig offeren in heilig sieraad; uwe kinderen worden u geboren gelijk de dauw uit den dageraad

110:4 De Heer heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt priester eeuwiglijk, naar de wijze van Melchizedek

110:5 De Heer is aan uwe rechterhand, ten tijde zijns toorns zal Hij koningen verslaan

110:6 Hij zal gerichten oefenen onder de volken; Hij zal ene grote slachting aanrichten; Hij zal verslaan het hoofd over grote landen

110:7 Hij zal drinken uit ene beek op den weg; daarom zal Hij het hoofd weder opheffen. Psalmen 11

111:1 Hallelujah! Ik zal den Heer loven van ganser harte, in den raad der vromen en in de gemeente

111:2 Groot zijn de werken des Heren, van allen gezocht, die er lust aan hebben

111:3 Wat Hij verordent, is loffelijk en heerlijk, en zijne gerechtigheid blijft eeuwig

111:4 Hij heeft ene gedachtenis zijner wonderen gesticht, Hij, de genadige en barmhartige Heer

111:5 Hij geeft spijs aan degenen, die Hem vrezen, Hij gedenkt eeuwig aan zijn verbond

111:6 Hij laat zijne machtige daden verkondigen aan zijn volk, om hun te geven het erfdeel der volken

111:7 De werken zijner handen zijn waarheid en recht, al zijne geboden zijn getrouw

111:8 Zij worden altoos en eeuwig onderhouden en geschieden in getrouwheid en oprechtheid

111:9 Hij zendt ene verlossing aan zijn volk; Hij belooft, dat zijn verbond eeuwig zal blijven; zijn naam is heilig en geducht

111:10 De vreze des Heren is het begin der wijsheid; dit is het rechte verstand: wie er naar doet, diens lof blijft eeuwig. Psalmen 11

112:1 Hallelujah! Welgelukzalig is Hij, die den Heer vreest, die groten lust heeft aan zijne geboden

112:2 Diens zaad zal vermogend zijn op de aarde, het geslacht der vromen zal gezegend zijn

112:3 Rijkdom en overvloed zal zijn in hun huis; en hunne gerechtigheid blijft eeuwig

112:4 Den vromen gaat het licht op in de duisternis, van den genadige, barmhartige en rechtvaardige

112:5 Welgelukzalig is hij, die barmhartig is en gaarne leent, en zijne zaken verricht zonder dat hij iemand onrecht doet

112:6 Want hij zal eeuwig blijven; de rechtvaardige wordt nimmer vergeten

112:7 Als er ene plaag komen zal, zo vreest hij niet; zijn hart vertrouwt onwankelbaar op den Heer

112:8 Zijn hart is gerust en vreest niet, totdat hij zijnen lust zal zien aan zijne vijanden

112:9 Hij strooit uit, en geeft den armen; zijne gerechtigheid blijft eeuwig, zijn hoorn wordt verhoogd met eer

112:10 De goddeloze zal het zien en het zal hem verdrieten; hij zal op zijne tanden knersen en vergaan, want der goddelozen begeerte zal te niet gaan. Psalmen 11

113:1 Hallelujah! Looft, gij knechten des Heren, looft den naam des Heren

113:2 Geloofd zij de naam des Heren, van nu af tot in eeuwigheid

113:3 Van den opgang der zon tot haren ondergang zij de naam des Heren geloofd

113:4 Hoog boven alle volken is de Heer; zijne eer gaat zover de hemel is

113:5 Wie is als de Heer onze God, die zo hoog gezeten is

113:6 en echter ziet op het nederige, in den hemel en op de aarde

113:7 die den geringe opricht uit het stof, en den arme verhoogt uit het slijk

113:8 om hem te zetten nevens de vorsten, nevens de vorsten zijns volks

113:9 die de onvruchtbare in het huis doet wonen, zodat zij ene blijde moeder van kinderen wordt. Hallelujah! Psalmen 11

114:1 Toen Israël uit Egypte trok, Jakobs huis uit het vreemde volk

114:2 toen werd Juda zijn heiligdom, Israël zijne heerschappij

114:3 De zee zag het en vlood, de Jordaan keerde terug

114:4 De bergen huppelden als lammeren, de heuvelen als jonge schapen

114:5 Wat overkwam u, gij zee, dat gij vloodt, gij Jordaan, dat gij terugkeerdet

114:6 gij bergen, dat gij huppeldet als lammeren, gij heuvels, als jonge schapen

114:7 De aarde beefde voor den Heer, voor Jakobs God

114:8 die de steenrots veranderde in een vloed, de keistenen in waterfonteinen. Psalmen 11

115:1 Niet ons, o Heer, niet ons, maar uwen naam geef eer, om uwer genade en waarheid wil

115:2 Waarom zouden de volken zeggen: Waar is nu hun God

115:3 Onze God is in den hemel, Hij kan doen al wat Hij wil

115:4 Maar hunne afgoden zijn zilver en goud, door mensenhanden gemaakt

115:5 Zij hebben monden en spreken niet, zij hebben ogen en zien niet

115:6 zij hebben oren en horen niet, zij hebben neuzen en ruiken niet

115:7 zij hebben handen en grijpen niet, voeten hebben zij en gaan niet, en spreken niet door hunne keel

115:8 Wie hen maken, mogen ook zo worden, en allen die op hen vertrouwen

115:9 Maar Israël vertrouwe op den Heer; die is hunne hulp en hun schild

115:10 Aärons huis vertrouwe op den Heer; die is hunne hulp en hun schild

115:11 Dat zij, die den Heer vrezen, vertrouwen op den Heer; die is hunne hulp en hun schild

115:12 De Heer heeft aan ons gedacht; Hij zegene ons, Hij zegene Israëls huis, Hij zegene het huis van Aäron

115:13 Hij zegene wie den Heer vrezen, beiden geringen en groten

115:14 De Heer zegene u meer en meer, u en uwe kinderen

115:15 Gij zijt de gezegenden des Heren, die hemel en aarde gemaakt heeft

115:16 De hemelen zijn des Heren, maar de aarde heeft Hij den mensenkinderen gegeven

115:17 Heer, de doden kunnen U niet loven, noch die nederwaarts dalen in de stilte

115:18 Maar wij loven den Heer, van nu af tot in der eeuwigheid. Hallelujah! Psalmen 11

116:1 Het is mij lief, dat de Heer mijne stem en mijn smeken hoort

116:2 want Hij neigde zijn oor tot mij; daarom zal ik Hem aanroepen mijn leven lang

116:3 Banden des doods hadden mij omvangen, en angsten des grafs hadden mij getroffen; ik kwam in jammer en nood

116:4 Maar ik riep den naam des Heren aan: O Heer, red mijne ziel

116:5 De Heer is genadig en rechtvaardig, en onze God is barmhartig

116:6 De Heer behoedt de eenvoudigen; als ik tegronde zou gaan, verloste Hij mij

116:7 Wees nu weder tevreden, o mijne ziel, want de Heer doet u wél

116:8 Ja, Gij hebt mijne ziel van den dood gered, mijn oog van tranen, mijn voet van uitglijden

116:9 Ik zal wandelen voor den Heer, in het land der levenden

116:10 Ik geloof, daarom spreek ik; ik word zeer geplaagd

116:11 Ik sprak in mijnen angst: De mensen zijn allen leugenaars

116:12 Hoe zal ik den Heer vergelden al zijne weldaden, die Hij aan mij bewezen heeft

116:13 Ik zal den beker der erkentelijkheid nemen en den naam des Heren aanroepen

116:14 Ik zal den Heer mijne beloften betalen in de tegenwoordigheid van al zijn volk

116:15 De dood zijner heiligen is dierbaar gehouden bij den Heer

116:16 O Heer, ik ben uw knecht, ik ben uw knecht, de zoon uwer dienstmaagd; Gij hebt mijne banden losgemaakt

116:17 U zal ik het dankoffer offeren, en den naam des Heren verkondigen

116:18 Ik zal den Heer mijne geloften betalen, in de tegen woordigheid van al zijn volk

116:19 in de voorhoven van het huis des Heren, in u, o Jeruzalem. Hallelujah! Psalmen 11

117:1 Looft den Heer, alle volken, prijst Hem, alle natiën

117:2 Want zijne genade en trouw zijn machtig over ons tot in eeuwigheid. Hallelujah! Psalmen 11

118:1 Looft den Heer, want Hij is vriendelijk, en zijne goedheid duurt tot in eeuwigheid

118:2 Nu zegge Israël: Zijne goedheid duurt tot in eeuwigheid

118:3 Nu zegge Aärons huis: Zijne goedheid duurt tot in eeuwigheid

118:4 Nu zeggen die den Heer vrezen: Zijne goedheid duurt tot in eeuwigheid

118:5 In den angst riep ik den Heer aan, en de Heer verhoorde mij en troostte mij

118:6 De Heer is met mij, daarom vrees ik niet: wat kunnen mensen mij doen

118:7 De Heer is met mij om mij te helpen, en ik zal mijnen lust zien aan mijne vijanden

118:8 Het is goed op den Heer te vertrouwen, en zich niet op mensen te verlaten

118:9 het is goed op den Heer te vertrouwen, en zich niet op vorsten te verlaten

118:10 Al de heidenen omringen mij, maar in den naam des Heren wil ik hen in stukken houwen

118:11 Zij omringen mij overal, maar in den naam des Heren wil ik hen ik stukken houwen

118:12 Zij omringen mij als bijen, zij branden als een doornenvuur, maar in den naam des Heren wil ik hen in stukken houwen

118:13 Men stoot mij, opdat ik zou vallen; maar de Heer helpt mij

118:14 De Heer is mijne kracht en mijn lied, want Hij is mijn heil

118:15 Met vreugde zingt men in de hutten der rechtvaardigen van de overwinningen; de rechterhand des Heren behaalt de overwinning

118:16 De rechterhand des Heren is verhoogd, de rechterhand des Heren behaalt de overwinning

118:17 Ik zal niet sterven maar leven, en de werken des Heren verkondigen

118:18 De Heer kastijdt mij wel, maar Hij geeft mij aan den dood niet over

118:19 Doet mij de poorten der gerechtigheid open, opdat ik daardoor inga en den Heer love

118:20 Dit is de poort des Heren, waardoor de rechtvaardigen ingaan

118:21 Ik loof U, dat Gij mij verhoord hebt en mij helpt

118:22 De steen, dien de bouwlieden verwierpen, is tot een hoeksteen geworden

118:23 Dit is van den Heer geschied, en het is een wonder in onze ogen

118:24 Dit is de dag, dien de Heer gemaakt heeft; verheugen wij ons daarop en zijn wij vrolijk

118:25 O Heer, help; o Heer, laat het wél gelukken

118:26 Geloofd zij die daar komt in den naam des Heren. Wij zegene u, die van het huis des Heren zijt

118:27 De Heer is God, die ons verlicht. Versiert het feest met meitakken, tot aan de hoornen des altaars

118:28 Gij zijt mijn God; en ik loof U; mijn God, ik zal U prijzen

118:29 Looft den Heer, want Hij is vriendelijk, en zijne goedheid duurt tot in eeuwigheid. Psalmen 11

119:1 Welgelukzalig zijn degenen, die oprecht leven, die wandelen in de wet des Heren

119:2 Welgelukzalig wie zijne getuigenissen onderhouden, en Hem zoeken van ganser harte

119:3 want wie op zijne wegen wandelen, doen geen kwaad

119:4 Gij hebt bevolen uwe geboden vlijtig te houden

119:5 O, dat mijn leven uwe rechten met ernst onderhield

119:6 Wanneer ik op al uwe geboden zie, dan word ik niet te schande

119:7 Ik dank U met een oprecht hart, dat Gij mij de rechten uwer gerechtigheid leert

119:8 Uwe rechten zal ik onderhouden; verlaat mij nimmermeer

119:9 Hoe zal een jongeling zijnen weg onbestrafbaar gaan? Als hij zich houdt aan uwe woorden

119:10 Ik zoek U van ganser harte; laat mij niet afdwalen van uwe geboden

119:11 Ik bewaar uw woord in mijn hart, opdat ik niet tegen U zondige

119:12 Geloofd zijt gij, o Heer, leer mij uwe rechten

119:13 Ik zal al de rechten uws monds met mijne lippen vermelden

119:14 Ik verheug mij wegens uwe getuigenissen meer dan wegens allerlei rijkdom

119:15 Ik spreek van hetgeen Gij bevolen hebt, en zie op uwe wegen

119:16 Ik heb lust in uwe rechten, en vergeet uwe woorden niet

119:17 Doe wél aan uwen knecht, opdat ik leve en uw woord houde

119:18 Open mij de ogen, opdat ik de wonderen uwer wet zie

119:19 Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uwe geboden niet voor mij

119:20 Mijne ziel bezwijkt van verlangen naar uwe rechten te allen tijde

119:21 Gij bedreigt de hoovaardigen; vervloekt zijn, die van uwe geboden afdwalen

119:22 Wend smaad en verachting van mij af, want ik onderhoud uwe getuigenissen

119:23 De vorsten zitten ook en spreken tegen mij, maar uw knecht spreekt van uwe rechten

119:24 Ik heb lust in uwe getuigenissen; die zijn mijne raadslieden

119:25 Mijne ziel ligt in het stof: verkwik mij naar uw woord

119:26 Ik leg mijne wegen open, en Gij verhoort mij; leer mij uwe rechten

119:27 Onderwijs mij den weg uwer bevelen, zo zal ik spreken van uwe wonderen

119:28 Ik kwel mij, dat mij het hart versmacht: sterk mij naar uw woord

119:29 Wend van mij af den valsen weg, en vergun mij genadig uwe wet

119:30 Ik heb den weg der waarheid verkoren, uwe rechten heb ik mij voorgesteld

119:31 Ik ben gehecht aan uwe getuigenissen; Heer, laat mij niet te schande worden

119:32 Als Gij mijn hart troost, zo loop ik den weg uwer geboden

119:33 Wijs mij, Heer, den weg uwer rechten, opdat ik ze beware ten einde toe

119:34 Onderwijs mij, opdat ik uwe wet beware, en ze houde van ganser harte

119:35 Doe mij treden op het pad uwer geboden, want daarin heb ik lust

119:36 Neig mijn hart tot uwe getuigenissen, en niet tot gierigheid

119:37 Wend mijne ogen af, dat zij niet zien naar de ijdele leer, maar verkwik mij op uwen weg

119:38 Bevestig uwe toezegging aan uwen knecht, die aan uwe vreze is verknocht

119:39 Wend van mij af den smaad, dien ik schuw, want uwe rechten zijn liefelijk

119:40 Zie, ik begeer uwe bevelen: verkwik mij met uwe gerechtigheid

119:41 Heer, laat mij uwe genade ervaren, uwe hulp, naar uwe belofte

119:42 opdat ik mijnen lasteraar kunne antwoorden; want ik verlaat mij op uw woord

119:43 Neem het woord der waarheid toch niet uit mijnen mond, want ik hoop op uwe rechten

119:44 Ik zal uwe wet gestadig onderhouden, altoos en eeuwig

119:45 Ik wandel welgemoed, want ik onderzoek uwe bevelen

119:46 Voor koningen spreek ik van uwe getuigenissen, en schaam mij die niet

119:47 Ik heb lust aan uwe geboden, en zij zijn mij lief

119:48 Ik hef mijne handen op tot uwe geboden, die mij lief zijn, en spreek van uwe rechten

119:49 Gedenk aan uwen knecht volgens uwe toezegging, op welke Gij mij laat hopen

119:50 Dit is mijn troost in mijne ellende, want uw woord verkwikt mij

119:51 De hoovaardigen drijven den spot met mij, nochtans wijk ik niet van uwe wet

119:52 Heer, wanneer ik gedenk, hoe Gij geoordeeld hebt van oudsher, dan word ik getroost

119:53 Ik ben ontstoken over de goddelozen, die uwe wet verlaten

119:54 Uwe rechten zijn mijn lied in het huis mijner vreemdelingschap

119:55 Heer, des nachts gedenk ik aan uwen naam, en onderhoud uwe wet

119:56 Dit is mijn schat, dat ik uwe bevelen onderhoud

119:57 Ik heb gezegd: Heer, dit zal mijn erfdeel zijn, dat ik uwe woorden onderhoud

119:58 Ik smeek voor uw aangezicht van ganser harte, wees mij genadig naar uwe toezegging

119:59 Ik overdenk mijne wegen, en keer mijne voeten tot uwe getuigenissen

119:60 Ik haast mij en verzuim niet uwe geboden te onderhouden

119:61 Het rot der goddelozen berooft mij, maar ik vergeet uwe wet niet

119:62 Te middernacht sta ik op om U te loven voor de rechten uwer gerechtigheid

119:63 Ik houd mij bij degenen, die U vrezen en uw bevel onderhouden

119:64 Heer, de aarde is vol van uwe goederen; leer mij uwe rechten

119:65 Gij doet uwen knecht wél, o Heer, naar uw woord

119:66 Leer mij heilzame zeden en kennis, want ik geloof aan uwe geboden

119:67 Eer ik verootmoedigd werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik uw woord

119:68 Gij zijt goedertieren en vriendelijk; leer mij uwe rechten

119:69 De hoovaardigen verdichten leugens tegen mij, maar ik onderhoud uwe bevelen van ganser harte

119:70 Hun hart is als met vet omtogen, maar ik heb lust aan uwe wet

119:71 Het is mij lief, dat Gij mij verootmoedigd hebt, opdat ik uwe rechten lere

119:72 De wet uws monds is mij liever dan veel duizend stukken goud en zilver

119:73 Uwe hand heeft mij gemaakt en bereid; onderwijs mij, opdat ik uwe geboden lere

119:74 Wie U vrezen, zullen op mij zien en zich verblijden, want ik hoop op uwe belofte

119:75 Heer, ik weet, dat uwe oordelen rechtvaardig zijn, en dat Gij mij met getrouwheid hebt verootmoedigd

119:76 Uwe genade moge mijn troost zijn, zoals gij uwen knecht hebt beloofd

119:77 Laat mij uwe barmhartigheid ervaren, opdat ik leve; want ik heb lust aan uwe wet

119:78 Och, dat de hoovaardigen, die mij met leugens onderdrukken, te schande mochten worden; maar ik spreek slechts van uwe bevelen

119:79 Och, dat zich tot mij mochten keren wie U vrezen en uwe getuigenissen kennen

119:80 Mijn hart blijve oprecht in uwe rechten, opdat ik niet te schande worde

119:81 Mijne ziel verlangt naar uw heil; ik hoop op uwe belofte

119:82 Mijne ogen zien smachtend uit naar uwe toezegging, en ik spreek: Wanneer vertroost Gij mij

119:83 Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; echter vergeet ik uwe rechten niet

119:84 Hoelang zal uw knecht wachten? Wanneer zult Gij gericht houden over Mijne vervolgers

119:85 De hoovaardigen graven mij kuilen; zij doen niet naar uwe wet

119:86 Uwe geboden zijn enkel waarheid. Zij vervolgen mij met leugens, help mij

119:87 Zij hebben mij bijna verdelgd van de aarde, maar ik verlaat uwe bevelen niet

119:88 Verkwik mij door uwe genade, opdat ik de getuigenissen uws monds houde

119:89 Heer, uw woord blijft eeuwig in den hemel

119:90 Uwe trouw duurt van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde bereid, en zij staat onwankelbaar

119:91 het staat alles nog heden volgens uwe verordening, want alles moet U dienen

119:92 Indien uwe wet mijn troost niet was geweest, ik ware al lang vergaan in mijne ellende

119:93 Uwe bevelen zal ik nooit vergeten, want daarmede verkwikt Gij mij

119:94 Ik ben de uwe, help mij dus; want ik vraag naar uwe bevelen. De goddelozen loeren op mij om mij om te brengen

119:95 maar ik let op uwe getuigenissen

119:96 Ik heb aan alle dingen een einde gezien, maar uw gebod is bestendig

119:97 Hoe lief heb ik uwe wet! Dagelijks overpeins ik haar

119:98 Gij maakt mij door uw gebod veel wijzer dan mijne vijanden, want het is eeuwig mijn schat

119:99 Ik ben geleerder dan al mijne leeraars, want uwe getuigenissen zijn mijne overdenking

119:100 ik ben schranderder dan de ouden, want ik onderhoud uwe bevelen

119:101 Ik bewaar mijnen voet voor alle kwade wegen, om mij te houden aan uw woord

119:102 Ik wijk niet van uwe rechten, want Gij onderwijst mij

119:103 Uw woord is mijnen mond zoeter dan honig

119:104 Uw woord maakt mij verstandig; daarom haat ik alle valse wegen

119:105 Uw woord is ene lamp voor mijnen voet en een licht op mijnen weg

119:106 Ik zweer, en zal het houden, dat ik de rechten uwer gerechtigheid ondenhouden zal

119:107 Ik ben zeer bedrukt; Heer, verkwik mij naar uw woord

119:108 Laat, o Heer, het vrijwillige offer mijns monds u behagen en leer mij uwe rechten

119:109 Ik draag mijne ziel altoos in mijne handen, en ik vergeet uwe wet niet

119:110 De goddelozen leggen mij strikken, maar ik dwaal niet af van uwe geboden

119:111 Uwe getuigenissen zijn mijn eeuwig erfdeel, want zij zijn de blijdschap mijns harten

119:112 Ik neig mijn hart om te doen naar uwe rechten, altoos en eeuwig

119:113 Ik haat de wargeesten, maar bemin uw wet

119:114 Gij zijt mijne bescherming en mijn schild; ik hoop op uw woord

119:115 Wijkt van mij, gij boosdoeners; ik wil de geboden mijns Gods onderhouden

119:116 Onderhoud mij door uw woord, opdat ik leve, en laat mij niet te schande worden in mijne hoop

119:117 Sterk mij, opdat ik gered worde; zo zal ik steeds mijnen lust hebben aan uwe rechten

119:118 Gij vertreedt al degenen, die van uwe rechten afdwalen, en hunne bedriegerij is niets dan leugen

119:119 Alle goddelozen der aarde werpt Gij weg als schuim, daarom bemin ik uwe getuigenissen

119:120 Ik vrees voor U, dat mij de huid rilt, en ik sidder voor uwe oordelen

119:121 Ik betracht recht en gerechtigheid, geef mij daarom niet over aan degenen, die mij geweld willen aandoen

119:122 Bescherm uwen knecht en troost hem, opdat de hoovaardigen mij geen geweld doen

119:123 Mijne ogen zien smachtend naar uw heil en naar het woord uwer gerechtigheid

119:124 Handel met uwen knecht naar uwe genade, en leer mij uwe rechten

119:125 Ik ben uw knecht, onderwijs mij, opdat ik uwe getuigenissen kenne

119:126 Het is tijd, dat de Heer toetreedt: zij hebben uwe wet verscheurd

119:127 Daarom bemin ik uwe geboden ver boven goud, ja boven het fijnste goud

119:128 Daarom houd ik al uwe bevelen voor recht; ik haat den valsen weg

119:129 Uwe getuigenissen zijn wonderbaar, daarom onderhoudt mijne ziel die

119:130 Wanneer uw woord geopend wordt, verlicht het, en maakt de eenvoudigen verstandig

119:131 Ik doe mijnen mond open en begeer uwe geboden, want ik verlang er naar

119:132 Wend U tot mij, en ontferm U over mij, gelijk Gij pleegt te handelen met degenen, die uwen naam beminnen

119:133 Laat mijne treden vast zijn in uw woord, en laat geen onrecht over mij heersen

119:134 Verlos mij van het geweld der mensen, zo zal ik uwe bevelen onderhouden

119:135 Laat uw aangezicht lichten over uwen knecht, en leer mij uwe rechten

119:136 Mijne ogen vlieten van water, omdat men uwe wet niet onderhoudt

119:137 Heer, Gij zijt rechtvaardig, en uw woord is recht

119:138 Gij hebt de rechtvaardigheid en de waarheid nadrukkelijk geboden

119:139 Ik heb mij bijna dood geijverd, omdat mijne wederpartijders uwe woorden vergeten

119:140 Uw woord is welbeproefd, en uw knecht heeft het lief

119:141 Ik ben gering en veracht, maar ik vergeet uwe bevelen niet

119:142 Uwe gerechtigheid is ene eeuwige gerechtigheid, en uwe wet is waarheid

119:143 Angst en nood hebben mij getroffen, doch uwe geboden zijn mijne verlustiging

119:144 De gerechtigheid uwer getuigenissen is eeuwig; onderwijs mij, zo zal ik leven

119:145 Ik roep van ganser harte: verhoor mij, Heer, opdat ik uwe rechten onderhoude

119:146 Ik roep tot U: help mij, opdat ik uwe getuigenissen betrachte

119:147 Ik kom vroeg en jammer; op uwe belofte hoop ik

119:148 Ik ontwaak, als het nog nacht is, om na te denken over uw woord

119:149 Hoor mijne stem naar uwe genade; Heer, verkwik mij naar uwe rechten

119:150 Mijne boosaardige vervolgers zijn nabij, maar zij zijn verre van uwe wet

119:151 Heer, Gij zijt nabij, en al uwe geboden zijn enkel waarheid

119:152 Maar ik weet van ouds, dat Gij uwe getuigenissen eeuwig hebt gegrond

119:153 Zie mijne ellende aan, en help mij uit, want ik vergeet uwe wet niet

119:154 Voer mijne zaak uit en verlos mij: verkwik mij door uw woord

119:155 Het heil is verre van de goddelozen, want zij achten uwe rechten niet

119:156 Heer, uwe barmhartigheid is groot; verkwik mij naar uwe rechten

119:157 Mijne vervolgers en wederpartijders zijn vele, maar ik wijk niet van uwe getuigenissen

119:158 Ik zie de verachters, en het doet mij wee, dat zij uw woord niet houden

119:159 Zie, ik bemin uwe bevelen; Heer, verkwik mij naar uwe genade

119:160 Uw woord is niets dan waarheid, en alle rechten uwer gerechtigheid duren eeuwig

119:161 De vorsten vervolgen mij zonder oorzaak, en mijn hart vreest voor uwe woorden

119:162 Ik verheug mij over uw woord, als een die een groten buit verkrijgt

119:163 De leugens haat ik en heb er een afkeer van, maar uwe wet heb ik lief

119:164 Ik loof u zevenmaal 's daags om de rechten uwer gerechtigheid

119:165 Wie uwe wet beminnen, hebben groten vrede en zullen niet struikelen

119:166 Heer, ik wacht op uw heil en doe naar uwe geboden

119:167 Mijne ziel houdt uwe getuigenissen, en ik bemin ze zeer

119:168 Ik onderhoud uwe bevelen en uwe getuigenissen, want al mijne wegen zijn voor U

119:169 Heer, laat mijn klagen voor U komen, en onderwijs mij naar uw woord

119:170 Laat mijn smeken voor U komen, red mij naar uw woord

119:171 Mijne lippen zullen loven, als gij mij uwe rechten leert

119:172 Mijne tong zal gewagen van uw woord, want al uwe geboden zijn recht

119:173 Laat uwe hand mij ondersteunen, want ik heb uw bevelen verkozen

119:174 Heer, ik verlang naar uw heil, en heb lust aan uwe wet

119:175 Laat mijne ziel leven, opdat zij U love, en laat uwe rechten mij helpen

119:176 Ik ben als een verdwaald en verloren schaap: zoek uwen knecht op, want ik vergeet uwe geboden niet. Psalmen 12

120:1 Een lied in het hoge koor. Ik roep tot den Heer in mijnen nood, en Hij verhoort mij

120:2 Heer, red mijne ziel van de bedriegelijke lippen en van de valse tongen

120:3 Wat kan de valse tong u doen, en wat kan zij uitvoeren

120:4 Zij is als de scherpe pijlen eens geweldenaars, als vuur in jeneverhout

120:5 Wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, ik moet wonen in de hutten van Kedar

120:6 Het valt mijne ziel lang, te wonen bij degenen, die den vrede haten

120:7 Ik houd vrede; maar spreek ik, dan beginnen zij strijd. Psalmen 12

121:1 Een lied in het hoge koor. Ik hef mijne ogen op tot de bergen, vanwaar mijne hulp komen zal

121:2 Mijne hulp komt van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft

121:3 Hij zal uwen voet niet laten glijden, en die u behoedt slaapt niet

121:4 Zie, de behoeder Israëls slaapt noch sluimert

121:5 De Heer behoedt u, de Heer is uwe schaduw aan uwe rechterhand

121:6 opdat u bij dag de zon niet steke, noch de maan bij nacht

121:7 De Heer behoede u voor alle kwaad, Hij behoede uwe ziel

121:8 De Heer behoede uwen uitgang en ingang, van nu af tot in eeuwigheid. Psalmen 12

122:1 Een lied van David, in het hoge koor. Ik verheug mij, omdat mij gezegd is: Laat ons in het huis des Heren gaan

122:2 Onze voeten zullen staan in uwe poorten, o Jeruzalem

122:3 Jeruzalem is gebouwd, opdat er ene stad zij, waar men zal samenkomen

122:4 waarheen de stammen zullen opgaan, namelijk de stammen des Heren, om te prediken voor het volk Israël, om den naam des Heren te loven

122:5 Want aldaar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van Davids huis

122:6 Wenst Jeruzalem geluk; het moge wél gaan dengenen, die u beminnen

122:7 Vrede moge zijn binnen uwe muren, en geluk in uwe paleizen

122:8 Om mijne broederen en vrienden zal ik u vrede wensen

122:9 Om het huis van den Heer onzen God zal ik uw heil zoeken. Psalmen 12

123:1 Een lied in het hoge koor. Ik hef mijne ogen op tot U, die in den hemel gezeten zijt

123:2 Zie, gelijk de ogen der knechten op de handen hunner heren, gelijk de ogen der dienstmaagd op de handen harer vrouw zien, zo zien onze ogen op den Heer onzen God, totdat Hij ons genadig worde

123:3 Wees ons genadig Heer, wees ons genadig, want wij zijn overstelpt met verachting

123:4 Onze ziel is overstelpt met de bespotting der hoogmoedigen, en met de verachting der hoovaardigen. Psalmen 12

124:1 Een lied van David, in het hoge koor

124:2 Was de Heer niet met ons geweest, zo spreke Israël nu: was de Heer niet met ons geweest, toen de mensen zich tegen ons stelden

124:3 dan hadden zij ons levend verslonden, toen hun toorn tegen ons ontbrandde

124:4 dan hadden wateren ons overstelpt, en stromen zouden over onze ziel gegaan zijn

124:5 de wateren zouden al te hoog over onze ziel gegaan zijn

124:6 Geloofd zij de Heer, dat Hij ons niet overgaf ten roof in hunne tanden

124:7 Onze ziel is ontkomen, gelijk een vogel aan den strik des vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn vrij

124:8 Onze hulp bestaat in den naam des Heren, die hemel en aarde gemaakt heeft. Psalmen 12

125:1 Een lied in het hoge koor. Wie op den Heer hopen, zullen niet vallen, maar eeuwig blijven als de berg Sion

125:2 Rondom Jeruzalem zijn bergen; en de Heer is rondom zijn volk, van nu af tot in eeuwigheid

125:3 Want de schepter der goddelozen zal niet blijven over het erfdeel der rechtvaardigen, opdat de rechtvaardigen hunne hand niet uitstrekken tot ongerechtigheid

125:4 Heer, doe wél aan de goeden en vromen van hart

125:5 Maar wie afwijken op hunne kromme wegen, die verdelge de Heer met de kwaaddoeners; maar vrede zij over Israël. Psalmen 12

126:1 Een lied in het hoge koor. Wanneer de Heer Sions gevangenen verlossen zal, zal het ons zijn, alsof wij dromen

126:2 Dan zal onze mond vol lachen en onze tong vol gejuich zijn; dan zal men zeggen onder de heidenen: De Heer heeft grote dingen aan hen gedaan

126:3 De Heer heeft grote dingen aan ons gedaan, dies zijn wij vrolijk

126:4 Heer, breng onze gevangenen terug, gelijk de wateren in het Zuiden

126:5 Wie met tranen zaaien, zullen met vreugde maaien

126:6 Zij gaan heen en wenen, en dragen edel zaad, en komen met vreugde, en brengen hunne schoven. Psalmen 12

127:1 Een lied van Salomo, in het hoge koor. Zo de Heer het huis niet bouwt, zo arbeiden vergeefs wie daaraan bouwen; zo de Heer de stad niet bewaart, zo waakt de wachter vergeefs

127:2 Het is vergeefs, dat gij vroeg opstaat, en laat opblijft, en uw brood met zorgen eet; want Hij geeft het zijn vrienden in den slaap

127:3 Zie, kinderen zijn ene gave des Heren, en des lichaams vrucht is een geschenk

127:4 Gelijk de pijlen in de hand eens helds, zo zijn de zonen der jeugd

127:5 Gelukkig is hij, die zijnen koker daarvan vol heeft, zij worden niet te schande, als zij met hunne vijanden een geschil hebben in de poort. Psalmen 12

128:1 Een lied in het hoge koor. Welgelukzalig is hij, die den Heer vreest, en op zijne wegen gaat

128:2 Gij zult u voeden van den arbeid uwer handen; gij zult gelukkig zijn, het zal u welgaan

128:3 Uwe huisvrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok binnen in uw huis, uwe kinderen als olijftakken rondom uwe tafel

128:4 Zie, Zó wordt de man gezegend, die den Heer vreest

128:5 De Heer zal u zegenen uit Sion, dat gij ziet het geluk van Jeruzalem uw leven lang

128:6 en uwe kindskinderen ziet. Vrede zij over Israël! Psalmen 12

129:1 Een lied in het hoge koor. Zij hebben mij dikwijls gedrongen van mijne jeugd af aan, zo spreke Israël nu

129:2 zij hebben mij dikwijls gedrongen van mijne jeugd af aan, maar zij hebben mij niet overmocht

129:3 De ploegers hebben op mijnen rug geploegd, en hunne voren lang getrokken

129:4 De Heer, die rechtvaardig is, heeft de koorden der goddelozen verbroken

129:5 Och, dat zij toch te schande wierden en terugweken, allen die Sion haten

129:6 Och, dat zij werden als het gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt

129:7 waarmede de maaier zijne hand niet vult, noch de garvenbinder zijnen arm, terwijl zij

129:8 die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des Heren zij over u, wij zegenen u in den naam des Heren! Psalmen 13

130:1 Een lied in het hoge koor. Uit de diepte, o Heer, roep ik tot U

130:2 Heer, hoor mijne stem; laat uwe oren acht geven op de stem mijns smekens

130:3 Zo Gij, o Heer, de zonden wilt toerekenen, Heer, wie kan dan bestaan

130:4 Maar bij U is vergeving, opdat men U vreze

130:5 Ik verwacht den Heer, mijne ziel verwacht, en ik hoop op zijn woord

130:6 Mijne ziel wacht op den Heer, van de ene morgenwake tot de andere

130:7 Israël hope op den Heer; want bij den Heer is genade, en bij Hem is verlossing

130:8 en Hij zal Israël verlossen uit al zijne zonden. Psalmen 13

131:1 Een lied van David, in het hoge koor. Heer, mijn hart is niet hoovaardig en mijne ogen zijn niet hoogmoedig, en ik wandel niet in grote dingen, die mij te hoog zijn

131:2 Ja, ik heb mijne ziel effen en stil gehouden; zo is mijne ziel als een gespeend kind bij zijne moeder

131:3 Israël hope op den Heer van nu af tot in eeuwigheid. Psalmen 13

132:1 Een lied in het hoge koor. Gedenk, Heer, aan David, en aan al zijn lijden

132:2 die den Heer zwoer, en gelofte deed aan den Machtige van Jakob

132:3 Ik wil niet in de hut van mijn huis gaan, noch de sponde mijner legerstede beklimmen

132:4 ik wil aan mijne ogen geen slaap gunnen, aan mijne oogleden geen sluimering

132:5 tot ik een vast verblijf vinde voor den Heer, een woning voor den Machtige van Jakob

132:6 Zie, wij hoorden van haar in Efratha, wij hebben haar gevonden op de velden des wouds

132:7 Wij willen in zijne woning gaan, en aanbidden voor de voetbank zijner voeten

132:8 Heer, maak U op tot uwe rust, Gij en de ark uwer macht

132:9 Laat uwe priesters zich bekleden met gerechtigheid, en uwe heiligen zich verheugen

132:10 Wend niet af het aangezicht van uwen gezalfde, terwille van uwen knecht David

132:11 De Heer heeft David een waarachtigen eed gezworen, daarvan zal Hij niet wijken: Ik wil de vrucht uws lichaams op uwen troon zetten

132:12 Indien uwe kinderen mijn verbond houden en mijne getuigenissen, die Ik hun leren zal, zo zullen ook hunne kinderen op uwen troon zitten eeuwiglijk

132:13 Want de Heer heeft Sion verkoren, en heeft lust aldaar te wonen

132:14 Dit is mijne rust eeuwiglijk, hier wil Ik wonen, want dit behaagt mij

132:15 Ik zal hare spijs zegenen, en haren armen brood genoeg geven

132:16 Hare priesters zal ik met heil bekleden, en hare heiligen zullen vrolijk zijn

132:17 Aldaar zal opgaan de hoorn van David; Ik heb voor mijnen gezalfde ene lamp toegericht

132:18 Zijne vijanden zal Ik met schande bekleden, maar op hem zal zijne kroon schitteren. Psalmen 13

133:1 Een lied van David, in het hoge koor. Zie, hoe goed en liefelijk is het, dat broeders eendrachtig bij elkander wonen

133:2 Het is gelijk de kostelijke balsem, die van Aärons hoofd afvloeit op zijn gehelen baard, die afdaalt tot op zijn gewaad

133:3 gelijk de dauw van Hermon, die op Sions bergen nederdaalt; want daar belooft de Heer den zegen en het leven altoos en eeuwiglijk. Psalmen 13

134:1 Een lied in het hoge koor. Zie, looft den Heer, alle knechten des Heren, gij, die des nachts in het huis des Heren staat

134:2 Heft uwe handen op naar het heiligdom en looft den Heer

134:3 De Heer zegene u uit Sion; Hij, die hemel en aarde gemaakt heeft. Psalmen 13

135:1 Hallelujah! Looft den naam des Heren; looft, gij knechten des Heren

135:2 gij, die in het huis des Heren staat, in de voorhoven van het huis onzes Gods

135:3 Looft den Heer, want de Heer is goed; zingt den lof zijns naams, want Hij is vriendelijk

135:4 Want de Heer heeft zich Jakob uitverkoren, Israël tot zijn eigendom

135:5 Ja, ik weet, dat de Heer groot is, en onze Heer boven alle goden

135:6 Al wat Hij wil, dat doet Hij, in den hemel en op de aarde, in de zeeën en in alle diepten

135:7 die de wolken laat opgaan van het einde der aarde, die bliksemstralen met den regen maakt, die den wind laat komen uit zijne voorraadkamers

135:8 die de eerstgeborenen sloeg in Egypte, zo van mensen als van vee

135:9 en zijne tekenen en wonderen liet komen over u, Egypteland, over Farao en al zijne knechten

135:10 die vele volken sloeg, en machtige koningen doodde

135:11 Sihon den koning der Amorieten, en Og den koning van Basan, en alle koninkrijken in Kanaän

135:12 en Hij gaf hun land tot erfdeel, tot een erfdeel aan zijn volk Israël

135:13 Heer, uw naam duurt eeuwig; uwe gedachtenis, Heer, duurt immer en altoos

135:14 Want de Heer zal zijn volk richten, en zijn knechten genadig zijn

135:15 De afgoden der heidenen zijn zilver en goud, door mensenhanden gemaakt

135:16 Zij hebben monden en spreken niet, zij hebben ogen en zien niet

135:17 zij hebben oren en horen niet, ook is er geen adem in hunnen mond

135:18 Wie ze maken zijn hun gelijk, en allen, die er op vertrouwen

135:19 Het huis van Israël love den Heer; looft den Heer, gij huis van Aäron

135:20 gij huis van Levi, looft den Heer; gij, die den Heer vreest, looft den Heer

135:21 Geloofd zij de Heer uit Sion, Hij die te Jeruzalem woont. Hallelujah! Psalmen 13

136:1 Looft den Heer, want Hij is goed, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:2 Looft den God aller goden, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:3 Looft den Heer aller heren, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:4 die alleen wonderen doet, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:5 die de hemelen met wijsheid gemaakt heeft, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:6 die de aarde over het water uitgebreid heeft, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:7 die grote lichten gemaakt heeft, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:8 de zon om den dag te besturen, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:9 de maan en de sterren om den nacht te besturen, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:10 Die Egypte sloeg in hare eerstgeborenen, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:11 en Israël daaruit leidde, want zijne goedheid duurt eeuwi

136:12 door een machtige hand en een uitgestrekten arm, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:13 die de Schelfzee in twee delen deelde, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:14 en Israël daardoor liet gaan, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:15 die Farao en zijn heir in de Schelfzee stortte, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:16 die zijn volk leidde door de woestijn, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:17 die grote koningen sloeg, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:18 en machtige koningen doodde, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:19 Sihon, den koning der Amorieten, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:20 en Og, den koning van Basan, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:21 en hun land tot een erfdeel gaf, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:22 tot een erfdeel aan zijnen knecht Israël, want zijne goedheid duurt eeuwi

136:23 die aan ons gedacht, toen wij onderdrukt waren, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:24 en ons verloste van onze vijanden, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:25 die spijs geeft aan alle vlees, want zijne goedheid duurt eeuwig

136:26 Looft den God des hemels, want zijne goedheid duurt eeuwig. Psalmen 13

137:1 Aan de wateren van Babel zaten wij, en weenden, als wij dachten aan Sion

137:2 Onze harpen hingen wij aan de wilgen, die daarin zijn

137:3 want daar bevalen zij, die ons gevangen hielden, ons te zingen, en in ons leed vrolijk tezijn, zeggende: Zingt ons toch een van Sions liederen

137:4 Hoe zouden wij een lied des Heren zingen in vreemde landen

137:5 Indien ik u, o Jeruzalem, vergeet, zo worde mijne rechterhand vergeten

137:6 mijne tong moge aan mijn gehemelte kleven, indien ik aan u niet gedenk, indien ik Jeruzalem niet mijn hoogste vreugd laat zijn

137:7 Heer, vergeld aan de kinderen van Edom den dag van Jeruzalems ongeluk, die zeggen: Slecht haar, slecht haar, tot op haren grondslag toe

137:8 Gij verwoeste dochter Babels, gelukkig hij, die u vergeldt al wat gij aan ons gedaan hebt

137:9 gelukkig hij, die uwe jonge kinderen neemt en ze aan de rots verplettert. Psalmen 13

138:1 Van David. Ik loof U van ganser harte, voor de goden wil ik uwen lof zingen

138:2 Ik zal aanbidden voor uwen heiligen tempel, en uwen naam loven, voor uwe goedheid en trouw; want Gij hebt uwen naam boven alles heerlijk gemaakt door uwe belofte

138:3 Wanneer ik U aanroep, verhoort Gij mij, en geeft aan mijne ziel grote kracht

138:4 Heer, alle koningen der aarde loven u, omdat zij het woord uws monds horen

138:5 en zij bezingen de wegen des Heren, dat de heerlijkheid des Heren groot is

138:6 Want de Heer is hoog, en ziet op het nederige, en kent de hoovaardigen van verre

138:7 Als ik wandel in het midden van den angst, verkwikt Gij mij, en strekt uwe hand uit tegen den toorn mijner vijanden, en helpt mij met uwe rechterhand

138:8 De Heer zal er een einde aan maken om mijnentwil; Heer, uwe goedheid is eeuwig, wil toch het werk uwer handen niet verlaten. Psalmen 13

139:1 Een psalm van David om voor te zingen. Heer, Gij doorgrondt mij en kent mij

139:2 Hetzij ik zit of opsta, zo weet Gij het; Gij verstaat mijne gedachten van verre

139:3 Hetzij ik ga of lig, zo zijt Gij rondom mij, en ziet al mijne wegen

139:4 Want zie, geen woord is er op mijne tong, of Gij, Heer, weet het alles

139:5 Van alle kanten omringt Gij mij, en houdt uwe hand over mij

139:6 Zulke kennis is mij te wonderbaar en te hoog, ik kan ze niet bereiken

139:7 Waar zou ik heengaan voor uwen Geest, en waar zou ik heenvlieden voor uw aangezicht

139:8 Voer ik op ten hemel, Gij zijt Dáár; spreidde ik mijn leger in den afgrond, zie, Gij zijt ook Dáár

139:9 nam ik de vleugelen des dageraads, en bleef aan het uiterste der zee

139:10 ook Dáár zou uwe hand mij geleiden, en uwe rechterhand mij houden

139:11 Sprak ik: Duisternis moge mij bedekken, dan zou de nacht rondom mij licht zijn

139:12 Want ook de duisternis verdonkert niet voor U, de nacht zelfs licht als de dag, de duisternis is als het licht

139:13 Want Gij hebt mijne nieren toebereid, en hebt mij gevormd in den moederschoot

139:14 Ik loof U, dat ik wonderbaar gemaakt ben; wonderbaar zijn uwe werken, en dit erkent mijne ziel zeer goed

139:15 Mijn gebeente was U niet verholen, toen ik in het verborgen gemaakt werd, toen ik gevormd werd onder in de aarde

139:16 Uwe ogen zagen mij, toen ik nog onbereid was; en alle dagen waren in uw boek geschreven, die nog worden moesten, waarvan nog geen aanwezig was

139:17 Maar hoe kostelijk zijn mij, o God, uwe gedachten! Wat zijn zij een grote som

139:18 Zou ik ze tellen, zij zouden meer zijn dan het zand; als ik ontwaak, ben ik nog bij U

139:19 Ach God, dat Gij de goddelozen dooddet, en dat de bloedgierigen van mij wijken mochten

139:20 Want zij spreken lasterlijk van U, en uwe vijanden verheffen zich zonder oorzaak

139:21 Ik haat immers, Heer, wie U haten, en ik heb een afkeer van hen, die zich tegen U stellen

139:22 Ik haat hen recht ernstig; daarom zijn zij mij vijandig

139:23 Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijne overleggingen

139:24 en zie, of ik op een kwaden weg ben, en leid mij op den eeuwigen weg. Psalmen 140 1 Een psalm van David om voor te zingen

140:2 Red mij, Heer, van de boze mensen, behoed mij voor de lieden des gewelds

140:3 die in hun hart kwaad denken, en dagelijks strijd verwekken

140:4 Zij scherpen hunne tong als een slang, addervergif is onder hunne lippen. Sela

140:5 Bewaar mij, o Heer, voor de hand der goddelozen; behoed mij voor de lieden des gewelds, die mijne voeten onder mij zoeken weg te stoten

140:6 De hoovaardigen leggen mij strikken en spreiden touwen uit, mij tot een net; zij spannen mij valstrikken op den weg. Sela

140:7 Maar ik zeg tot den Heer: Gij zijt mijn God; Heer, verneem de stem mijns smekens

140:8 Heere Heere, mijne sterke hulp, Gij beschermt mijn hoofd ten tijde des strijds

140:9 Heer, geef den goddelozen zijne begeerten niet, sterk zijne moedwilligheid niet: zij mochten zich deswege verheffen. Sela

140:10 Het ongeluk, over hetwelk mijne vijanden beraadslagen, moge op hun hoofd vallen

140:11 Hij zal kolen vuur over hen uitstorten; Hij zal hen met vuur diep in de aarde slaan, dat zij niet weder opstaan

140:12 Een boze mond zal geen geluk hebben op de aarde; een boos man des gewelds zal verjaagd en nedergestort worden

140:13 Want ik weet, dat de Heer de zaak des ellendigen en het recht der armen zal uitvoeren

140:14 Ook zullen de rechtvaardigen uwen naam loven, en de vromen zullen voor uw aangezicht blijven. Psalmen 14

141:1 Een psalm van David. Heer, ik roep tot U, haast U tot mij, verneem mijne stem, wanneer ik tot U roep

141:2 Mijn gebed moge U behagen als een reukoffer, het opheffen mijner handen als het avondoffer

141:3 Heer, behoed mijnen mond, en bewaar mijne lippen

141:4 Neig nooit mijn hart tot iets kwaads, om een goddeloos leven te leiden met de kwaaddoeners; en laat mij nooit eten van hetgeen hun behaagt

141:5 De rechtvaardige sla mij vriendelijk en bestraffe mij: het zal mij ene weldaad zijn, als een balsem op mijn hoofd. Ja, ik bid steeds, dat zij mij geen schade doen

141:6 Hunne rechters moeten nedergestort worden over ene steenrots; dan zal men mijne leer horen, dat zij liefelijk is

141:7 Ons gebeente ligt verstrooid om het graf heen, gelijk iemand, die het land doorklooft en doorwroet

141:8 Want op U, Heer, zien mijne ogen; ik vertrouw op U, verstoot mijne ziel niet

141:9 Bewaar mij voor den strik, dien zij mij gespannen hebben, voor de valstrikken der kwaaddoeners

141:10 Dat de goddelozen in hun eigen net vallen met elkander, maar ik altoos voorbijga. Psalmen 142 1 Ene onderwijzing van David, toen hij in de spelonk was. Een gebed

142:2 Ik roep tot den Heer met mijne stem, ik smeek den Heer met mijne stem

142:3 ìk stort mijne klacht voor Hem uit, ik maak Hem mijnen nood bekend

142:4 Als mijn geest in angst is, neemt Gij u mijner aan; zij spannen mij strikken op den weg, dien ik ga

142:5 Aanschouw ter rechterhand en zie, daar wil niemand mij kennen; ik kan niet ontvlieden, niemand neemt zich mijner ziel aan

142:6 Heer, tot U roep ik en zeg: Gij zijt mijne toevlucht, mijn deel in het land der levenden

142:7 Geef acht op mijn klagen, want ik word zeer geplaagd; red mij van mijne vervolgers, want zij zijn mij te machtig

142:8 Voer mijne ziel uit den kerker, opdat ik uwen naam love; de rechtvaardigen zullen zich tot mij vergaderen, wanneer Gij mij goed doet. Psalmen 14

143:1 Een psalm van David. Heer, verhoor mijn gebed, verneem mijn smeken om uwer waarheid wil, verhoor mij naar uwe gerechtigheid

143:2 en ga niet in het gericht met uwen knecht, want voor U is geen levend mens rechtvaardig

143:3 Want de vijand vervolgt mijne ziel, en vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in het duister, gelijk de sedert lang gestorvenen

143:4 En mijn geest in mij is beangst, mijn hart in mijn lijf is verteerd

143:5 Ik gedenk aan de verledene tijden, ik spreek van al uwe daden, en overpeins de werken uwer handen

143:6 Ik breid mijne handen tot U uit; mijne ziel dorst naar U, gelijk een dor land. Sela

143:7 Heer, verhoor mij schielijk, mijn geest vergaat; verberg uw aangezicht niet voor mij, opdat ik niet gelijk worde aan degenen, die in den kuil dalen

143:8 Laat mij vroeg uwe genade vernemen, want ik vertrouw op U; maak mij den weg bekend, dien ik moet gaan, want ik verlang naar U

143:9 Red mij, Heer, van mijne vijanden; tot U neem ik mijne toevlucht

143:10 Leer mij doen naar uw welbehagen, want Gij zijt mijn God; uw goede Geest leide mij op een effen baan

143:11 Heer, verkwik mij om uws naams wil, voer mijne ziel uit den nood naar uwe gerechtigheìd

143:12 En verniel mijne vijanden, naar uwe goedheid, en breng allen om, die mijne ziel beangstigen; want ik ben uw knecht. Psalmen 14

144:1 Van David. Geloofd zij de Heer, mijn rots, die mijne handen leert strijden en mijne vuisten oorlogen

144:2 mijn weldoener en mijn burg, mijn beschutting en mijn verlosser, mijn schild, waarop ik vertrouw; die mijn volk aan mij onderwerpt

144:3 Heer, wat is de mens, dat Gij u zijner aanneemt, en des mensen zoon, dat Gij acht op hem slaat

144:4 Immers is de mens als niets, zijn tijd gaat voorbij als ene schaduw

144:5 Heer, buig uwe hemelen en daal neder; roer de bergen aan, dat zij roken

144:6 Werp den bliksem en verstrooi ze, zend uwe stralen uit en verschrik ze

144:7 Strek uwe hand uit van de hoogte, en verlos mij en red mij uit grote wateren, uit de hand der vreemden

144:8 wier leer niet nut is en wier werken vals zijn

144:9 God, ik wil U een nieuw lied zingen, ik zal voor U spelen op de luit van tien snaren

144:10 U, die aan koningen de overwinning geeft en uwen knecht David verlost van het moorddadige zwaard der bozen

144:11 Verlos mij ook en red mij van de hand der vreemden, wier leer niet nut is en wier werken vals zijn

144:12 Dat onze zonen opwassen in hunne jeugd als planten, en onze dochters als uitgehouwen standbeelden, gelijk zij in de paleizen staan

144:13 Dat onze voorraadkamers vol zijn, en voorraad bij voorraad uitleveren; dat onze schapen duizend en honderdduizend dragen op onze hoeven

144:14 Dat onze ossen veel arbeid voortbrengen; dat er geen schade, geen verlies noch klacht op onze straten zij

144:15 Welgelukzalig is het volk, waarmede het alzo gaat, welgelukzalig is het volk, welks God de Heer is. Psalmen 14

145:1 Een lofzang van David. Ik wil U verhogen, o mijn God, o koning, en uwen naam loven altoos en eeuwiglijk

145:2 Ik zal U dagelijks loven, en uwen naam roemen altoos en eeuwiglijk

145:3 De Heer is groot en zeer te loven, en zijne grootheid is onuitsprekelijk

145:4 Kindskinderen zullen uwe werken prijzen, en van uwe macht spreken

145:5 Ik zal spreken van uwe heerlijk schone pracht, en van uwe wonderen

145:6 opdat men spreke van uwe heerlijke daden, en dat men uwe heerlijkheid verkondige

145:7 dat men uwe grote goedheid prijze, en uwe gerechtigheid roeme

145:8 Genadig en barmhartig is de Heer, lankmoedig en van grote goedertierenheid

145:9 De Heer is jegens allen goedertieren, en ontfermt zich over al zijne werken

145:10 Al uwe werken zullen U prijzen, Heer, en uwe heiligen zullen U loven

145:11 en de eer uws koninkrijks roemen, en spreken van uwe macht

145:12 opdat aan de mensenkinderen uwe macht bekend gemaakt worde, en de heerlijke pracht van uw koninkrìjk

145:13 Uw rijk is een eeuwig rijk, uwe heerschappij duurt immer en altoos

145:14 De Heer onderhoudt allen, die vallen, en richt allen op die ternedergeslagen zijn

145:15 Aller ogen wachten op U, en Gij geeft hun hunne spijs te zijner tijd

145:16 Gij doet uwe hand open en verzadigt alles wat leeft met welbehagen

145:17 De Heer is rechtvaardig in al zijne wegen, en heilig in al zijne werken

145:18 De Heer is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem met ernst aanroepen

145:19 Hij doet wat de godvrezenden begeren, en hoort hun geschrei en helpt hen

145:20 De Heer behoedt allen, die Hem liefhebben, en zal alle goddelozen verdelgen

145:21 Mijn mond zal den lof des Heren verkondigen, en alle vlees love zijnen heiligen naam altoos en eeuwiglijk. Psalmen 14

146:1 Hallelujah! Loof den Heer, mijne ziel

146:2 Ik zal den Heer loven, zolang ik leef, en voor mijnen God lofzingen zolang ik ben

146:3 Verlaat u niet op vorsten, zij zijn mensen, die niet kunnen helpen

146:4 Want des mensen geest moet vanhier, en hij moet weder tot aarde worden: alsdan zijn al zijne aanslagen verloren

146:5 Welgelukzalig is hij, wiens hulp Jakobs God is, wiens hoop is op den Heer zijnen God

146:6 die hemel, aarde, zee, en al wat er in is, gemaakt heeft; die woord houdt eeuwiglijk

146:7 die recht doet aan degenen, die geweld lijden; die de hongerigen spijst. De Heer verlost de gevangenen

146:8 De Heer maakt de blinden ziende; de Heer richt op wie ternedergeslagen zijn

146:9 de Heer behoedt de vreemdelingen en wezen, en onderhoudt de weduwen; maar den weg der goddelozen keert Hij om

146:10 De Heer is koning eeuwiglijk; uw God, o Sion, immer en altoos. Hallelujah! Psalmen 14

147:1 Looft den Heer; want onzen God te loven is een kostelijk ding, zijn lof is liefelijk en schoon

147:2 De Heer bouwt Jeruzalem, en brengt de verjaagden van Israël te zamen

147:3 Hij geneest de gebrokenen van hart, en verbindt hunne wonden

147:4 Hij telt de sterren, en noemt ze alle bij namen

147:5 Onze Heer is groot en van grote kracht, en het is onbegrijpelijk, hoe Hij regeert

147:6 De Heer richt de ellendigen op, en stoot de goddelozen tegronde

147:7 Zingt bij beurte den lof des Heren, en looft onzen God met harpen

147:8 die den hemel met wolken bedekt, en regen geeft op de aarde; die het gras op de bergen laat wassen

147:9 die aan het vee zijn voeder geeft, aan de jonge raven, als zij tot hem roepen

147:10 Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards, noch behagen aan de benen des mans

147:11 de Heer heeft behagen aan degenen, die Hem vrezen, die op zijne goedheid hopen

147:12 Jeruzalem, prijs den Heer; Sion, loof uwen God

147:13 Want Hij maakt de grendels uwer poorten vast, en zegent uwe kinderen daarbinnen

147:14 Hij beschikt aan uwe grenzen vrede, en verzadigt u met de beste tarwe

147:15 Hij zendt zijn bevel uit op aarde en zijn woord loopt snel

147:16 Hij geeft sneeuw als wol, Hij strooit den rijp als as

147:17 Hij werpt zijne hagelstenen als brokken: wie kan zijne koude uitstaan

147:18 Hij spreekt en het smelt; Hij doet zijnen wind waaien, en het ontdooit

147:19 Hij maakt aan Jakob zijn woord bekend, aan Israël zijne instellingen en rechten

147:20 Zo doet Hij aan geen ander volk, en laat aan hen zijne rechten niet weten. Hallelujah! Psalmen 14

148:1 Hallelujah! Looft gij hemelen, den Heer; looft Hem in de hoogte

148:2 Looft Hem al zijne Engelen; looft Hem al zijne heirscharen

148:3 Looft Hem zon en maan, looft hem al gij lichtende sterren

148:4 Looft Hem, gij hemelen overal, en gij wateren, die boven aan den hemel zijt

148:5 Die zullen den naam des Heren loven; toen Hij gebood, werden zij geschapen

148:6 Hij onderhoudt ze altoos en eeuwiglijk; Hij stelt ze in ene orde, dat zij niet anders kunnen gaan

148:7 Looft den Heer op de aarde; gij walvissen en alle diepten

148:8 vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwinden, die zijn bevel uitvoert

148:9 gij bergen en alle heuvels, vruchtbare bomen en alle cederen

148:10 gij dieren en al het vee, gij gewormte en vogels

148:11 gij koningen der aarde en alle lieden, vorsten, en alle rechters op de aarde

148:12 jongelingen en ook maagden, ouden en kinderen samen

148:13 dat zij den naam des Heren loven, want zijn naam alleen is hoogverheven, zijn lof gaat zover hemel en aarde is

148:14 En Hij verhoogt den hoorn zijns volks: al zijne heiligen zullen loven, de kinderen Israëls, het volk, dat Hem dient. Hallelujah! Psalmen 14

149:1 Hallelujah! Zingt den Heer een nieuw lied, de gemeente der heiligen love Hem

149:2 Dat Israël zich verheuge in dengene, die hem gemaakt heeft, de kinderen van Sion vrolijk zijn over hunnen koning

149:3 Dat zij zijnen naam loven in reien, met trommels en harpen voor Hem spelen

149:4 Want de Heer heeft een welbehagen aan zijn volk, Hij helpt de ellendigen heerlijk

149:5 Dat de heiligen vrolijk zijn en prijzen, en roemen op hunne legersteden

149:6 Hun mond zal God verhoren, en zij zullen scherpe zwaarden in hunne handen hebben

149:7 om wraak te oefenen onder de heidenen, straf onder de volken

149:8 om hunne koningen te binden met ketenen, en hunne edelen met ijzeren boeien

149:9 om hun te doen naar het recht, waarvan geschreven is. Zulk ene eer zullen al zijne heiligen hebben. Hallelujah! Psalmen 15

150:1 Hallelujah! Looft den Heer in zijn heiligdom, looft Hem in het uitspansel zijner macht

150:2 Looft Hem in zijne daden, looft Hem in zijne grote heerlijkheid

150:3 Looft Hem met bazuinen, looft Hem met luiten en harpen

150:4 Looft Hem met trommels en reien, looft Hem met snaar [spel] en orgelspel

150:5 Looft Hem met heldere cymbalen, looft Hem met welklinkende cymbalen

150:6 Alles wat adem heeft, love den Heer. Hallelujah