⋮ KWIC ساخت حساب برای ذخیره گزیده‌ها در سرور.

24 Jeremia

1:1 Dit zijn de woorden van Jeremia, den zoon van Hilkía, uit de priesters te Anathoth, in het land van Benjamin

1:2 tot wien het woord des Heren geschiedde ten tijde van Josía, den zoon van Amon, den koning van Juda, in het dertiende jaar zijner regering

1:3 alsook daarna in de dagen van Jojakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, tot aan het einde van het elfde jaar van Zedekía, den zoon van Josía den koning van Juda, tot op de gevangenschap van Jeruzalem in de vijfde maand

1:4 En het woord des Heren geschiedde tot mij, zeggende

1:5 Ik kende u, eer Ik u in den moederschoot vormde, en zonderde u af, eer gij geboren werdt, en Ik stelde u tot een profeet onder de volken

1:6 Doch ik zeide: Ach Heere Heere, ik kan niet prediken, want ik ben te jong

1:7 Maar de Heer sprak tot mij: Zeg niet: Ik ben te jong; maar gij zult gaan waarheen ik u zend, en prediken wat Ik u gelast

1:8 vrees niet voor hen, want Ik ben met u en zal u redden, spreekt de Heer

1:9 En de Heer strekte zijne hand uit en roerde mijnen mond aan, en Hij sprak tot mij: Zie, Ik leg mijne woorden in uwen mond: zie

1:10 Ik stel u op dezen dag over allerlei volken en koninkrijken, om uit te roeien, af te breken, te vernielen en te bederven, ook om op te bouwen en te planten

1:11 En het woord des Heren geschiedde tot mij, zeggende: Jeremia, wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie een wakkeren staf

1:12 En de Heer sprak tot mij: Gij hebt wél gezien; want Ik zal wakker zijn over mijn woord om het te doen

1:13 En het woord des Heren geschiedde ten tweeden male tot mij, zeggende: Wat ziet gij? Ik zeide: Ik zie een ziedenden pot van het Noorden herwaarts

1:14 En de Heer sprak tot mij: Van het Noorden zal het ongeluk uitbreken over allen, die in het land wonen

1:15 Want zie, Ik zal alle vorsten der koninkrijken van het Noorden oproepen, spreekt de Heer, dat zij zullen komen en hunne tronen zetten tot voor de poorten van Jeruzalem, en rondom de muren heen, en voor alle steden van Juda

1:16 en Ik zal mijn oordeel over hen laten gaan vanwege al hunne boosheid, dat zij Mij verlaten en anderen goden wieroken, en de werken hunner handen aanbidden

1:17 Gord dan nu uwe lendenen en maak u op, en predik hun alwat Ik u gelasten zal: vrees niet voor hen, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla

1:18 Want Ik zal u heden maken tot ene vaste stad, tot ene ijzeren zuil, tot een koperen muur, in het gehele land: tegen de koningen van Juda, tegen zijne vorsten, tegen zijne priesters, en tegen het volk des lands

1:19 zodat, schoon zij tegen u strijden, zij nochtans niets zullen vermogen tegen u; want Ik ben met u, spreekt de Heer, om u te redden. Jeremia

2:1 En het woord des Heren geschiedde tot mij, zeggende

2:2 Ga heen en predik openlijk te Jeruzalem, zeggende: Dus spreekt de Heer: Ik denk er aan, dat gij ene vriendelijke jonge dochter en ene lieve bruid waart, toen gij Mij volgdet in de woestijn, in het land, waar men niets zaait

2:3 toen Israël den Heer ene heiligheid was, en zijne eerste vrucht; wie haar eten wilden, werden voor schuldig gehouden, en ongeluk overkwam hen, spreekt de Heer

2:4 Hoort het woord des Heren, gij huis van Jakob, en alle geslachten van het huis van Israël

2:5 Dus spreekt de Heer: Wat onrecht hebben toch uwe vaders in Mij gevonden, dat zij van Mij afweken en de ijdele goden nawandelden, daar zij toch niets verkrege

2:6 en niet eens dachten: Waar is de Heer, die ons uit Egypteland voerde, en ons leidde door de woestijn, een woest, ongebaand land; een dor en duister land, een land, waar niemand wandelt en geen mens woont

2:7 En Ik bracht u in een goed land, om zijne vruchten en gaven te eten; maar, toen gij daarin kwaamt, verontreinigdet gij mijn land, en maaktet mijn erfdeel tot een gruwel

2:8 De priesters dachten niet: Waar is de Heer? en de handhavers der wet erkenden Mij niet; en de herders leidden de lieden van Mij af; en de profeten profeteerden van Baäl, en hingen de onnutte afgoden aan

2:9 Daarom moet Ik nu nog met u en met uwe kindskinderen twisten, spreekt de Heer

2:10 Gaat heen naar de eilanden der Kitteërs en ziet toe; of zendt naar Kedar en let met vlijt op, en aanschouwt, of het aldaar ook zo toe gaat

2:11 of de heidenen ook van goden veranderen, hoewel het immers geen goden zijn? Maar mijn volk heeft zijne heerlijkheid veranderd in een onnutten afgod

2:12 Zou niet de hemel deswege zich ontzetten, en verschrikken en zeer beven? spreekt de Heer

2:13 Want mijn volk doet een dubbele zonde: Mij, de levende bron, verlaten zij, en maken zich hier en daar uitgehouwen putten, die vol gaten zijn en geen water houden

2:14 Is dan Israël een knecht of een lijfeigene, dat hij ieders roof moet zijn

2:15 Want de leeuwen brulden over hem, en verhieven hunne stem, en verwoestten zijn land; zijne steden zijn verbrand, zodat er niemand meer in woont

2:16 Daarenboven verbrijzelen die van Nof en Tachfanes u het hoofd

2:17 Dit veroorzaakt gij uzelf, doordien gij den Heer uwen God verlaat, zo dikwijls Hij u wil leiden op den rechten weg

2:18 Wat helpt het u, dat gij naar Egypte trekt, om het water van Sihor te drinken? En wat baat het u, dat gij naar Assyrië trekt, om het water van den Frath te drinken

2:19 Het is uwer boosheid schuld, dat gij zo gekastijd wordt, en uwer ongehoorzaamheid, dat gij zo gestraft wordt; want zo moet gij gewaarworden en bevinden wat al jammer en hartzeer het aanbrengt, dat gij den Heer uwen God verlaat en Hem niet vreest, spreekt de Heer, de Heer Zebaôth

2:20 Doch gij hebt reeds van ouds uw juk verbroken en uwe banden verscheurd, en gezegd: Ik wil zo niet onderworpen zijn; en op alle hoge heuvelen en onder alle groene bomen liept gij de hoererij na

2:21 Maar Ik had u geplant als een edelen wijnstok, geheel uit onvervalst zaad: hoe zijt gij dan veranderd in een bitteren, wilden wijnstok

2:22 Want al wiest gij u met salpeter, en deedt veel loog daarbij, zo blijft gij door uwe ondeugd toch vuil voor Mij, spreekt de Heere Heere

2:23 Hoe durft gij dan zeggen: Ik ben niet onrein, ik hang de Baäls niet aan? Zie uw gedrag in het dal, en bedenk wat gij gedaan hebt; gij loopt alom gelijk ene tochtige kamelin

2:24 en gelijk een wild in de woestijn pleegt te doen, als het van grote tochtigheid snakt en loopt, dat niemand het ophouden kan. Die het weten wil, behoeft niet ver te lopen; op den feestdag ziet men het wel

2:25 Spaar toch uw voet, dat hij niet ontbloot, en uwe keel, dat zij niet dorstig worde. Maar gij zegt: Er is niets aan te doen, ik moet met de vreemdelingen boeleren en hen nalopen

2:26 Gelijk een dief te schande wordt, als hij betrapt wordt, zo zal het huis Israëls te schande worden, benevens hunne koningen, vorsten, priesters en profeten

2:27 die tot een hout zeggen: Gij zijt mijn vader, en tot een steen: Gij hebt mij verwekt; want zij keren Mij den rug toe, en niet het aangezicht; maar als de nood aankomt, dan zeggen zij: Sta op en help ons

2:28 Maar waar zijn nu uwe goden, die gij u gemaakt hebt? Dat zij opstaan en u helpen ten tijde van uwen nood; want zoveel steden, zoveel goden hebt gij, o Juda

2:29 Wat wilt gij nog richten met Mij? Gij allen zijt van mij afgevallen, spreekt de Heer

2:30 Al mijne slagen zijn vruchteloos aan uwe kinderen, zij nemen immers de tucht niet aan; uw eigen zwaard verslindt uwe profeten als een woedende leeuw

2:31 Gij boos geslacht, let toch op het woord des Heren: Ben Ik dan voor Israël ene woestijn geweest of een eenzaam land? Waarom zegt dan mijn volk: Wij zijn heren, tot U willen wij niet meer komen

2:32 Immers vergeet ene jonkvrouw hare versiersels niet, noch ene bruid haren sluier; maar mijn volk vergeet Mij eeuwiglijk

2:33 Hoe schoon versiert gij uw doen, om u bij Mij bemind te maken. Maar onder zulk een schijn bedrijft gij hoe langer hoe meer boosheid

2:34 Daarenboven vindt men het bloed der onschuldige armen bij u aan alle plaatsen, en dat niet heimelijk, maar openbaar aan alle plaatsen

2:35 nochtans zegt gij: Waarlijk, ik ben onschuldig; Hij kere zijnen toorn van mij af. Zie, Ik zal met u richten, omdat gij zegt: ik heb niet gezondigd

2:36 Hoe wijkt gij toch zo gedurig af, gaande nu her [waarts] dan derwaarts? Maar gij zult ook door Egypte te schande worden, gelijk gij te schande geworden zijt door Assyrië

2:37 Ook Vandáár zult gij moeten wegtrekken met de handen op uw hoofd; want de Heer zal uwe hoop doen missen, en het zal u bij hen niet gelukken. Jeremia

3:1 En [de Heer] spreekt: Wanneer een man zich van zijne vrouw laat scheiden, en zij gaat Ván hem en neemt een anderen man, zal hij haar ook weder aannemen? Zou het land daardoor niet verontreinigd worden? Maar gij, die met vele boeleerders gehoereerd hebt, komt nochtans weder tot Mij, spreekt de Heer

3:2 Hef uwe ogen op naar de hoogten, en zie, hoe gij overal hoererij bedrijft: gij zit aan de wegen en wacht op hen, als een Arabier in de woestijn, en gij verontreinigt het land met uwe hoererijen en met uwe boosheid

3:3 Daarom moet ook de vroege regen uitblijven, en geen spade regen komen; gij hebt een hoerenvoorhoofd, en wilt u niet meer schamen

3:4 en gij roept evenwel tot mij: Lieve vader, gij echtvriend mijner jeugd

3:5 Zult Gij dan eeuwiglijk den toorn behouden, en van de gramschap niet afstaan? Zie, zo spreekt gij, en bedrijft louter boosheid, en laat er u niet van afbrengen

3:6 En de Heer sprak tot mij, ten tijde van koning Josía: Hebt gij ook gezien wat Israël, de afvallige, deed? Zij ging heen op alle hoge bergen, en onder alle groene bomen, en bedreef aldaar hoererij

3:7 En Ik sprak, toen zij dat alles gedaan had: Bekeer u tot Mij; maar zij bekeerde zich niet. En hoewel hare zuster Juda, de verstokte

3:8 gezien heeft, hoe Ik het overspel van het afvallige Israël gestraft en haar verlaten en haar een scheidbrief gegeven heb, nochtans vreest het verstokte Juda, hare zuster, niet, maar gaat heen en bedrijft zelve ook hoererij

3:9 en door het gerucht harer hoererij is het land verontreinigd, want zij bedrijft overspel met steen en met hout

3:10 En na dit alles bekeert hare zuster, het verstokte Juda, zich niet van ganser harte tot Mij, maar geveinsd, spreekt de Heer

3:11 En de Heer sprak tot mij: Het afvallige Israël is vroom in vergelijking van het verstokte Juda

3:12 Ga heen en roep deze woorden uit naar het Noorden toe, en zeg: Keer weder, gij afvallig Israël, spreekt de Heer, zo zal Ik mijn aangezicht niet tegen u veranderen; want Ik ben barmhartig; spreekt de Heer, en zal niet eeuwig den toorn behouden

3:13 Beken slechts uwe misdaad, dat gij tegen den Heer uwen God gezondigd hebt, en her [waarts] en derwaarts zijt gelopen tot vreemde goden, onder alle groene bomen, en aan mijne stem niet gehoorzaam zijt geweest, spreekt de Heer

3:14 Bekeert u, gij afvallige kinderen, spreekt de Heer; want Ik zal u trouwen, en zal u weder aannemen, [al ware het slechts] één uit elke stad en twee uit ieder geslacht, en Ik zal u brengen naar Sion

3:15 en Ik zal u herders geven naar mijn hart, die u weiden zullen met wetenschap en verstand

3:16 En het zal geschieden, als gij gewassen en vermenigvuldigd zult zijn in het land, in dien tijd, spreekt de Heer, zal men niet meer spreken van de ark des verbonds des Heren, ook niet meer daaraan gedenken noch daarvan prediken, noch naar haar vragen, en zij zal niet weder gebouwd worden

3:17 In dien tijd zal men Jeruzalem noemen den troon des Heren, en alle volken zullen zich derwaarts vergaderen te Jeruzalem, om des Heren naams wil, en zullen niet meer wandelen naar de gedachten van hun boos hart

3:18 In dien tijd zal het huis van Juda gaan met het huis van Israël, en zij zullen met elkander van het Noorden komen in het land, hetwelk Ik uwen vaderen tot een erfdeel gegeven heb

3:19 En Ik zeide: Hoeveel kinderen zal Ik u geven en welk een heerlijk land, het allerschoonste erfdeel onder de volken! Ook zeide Ik: dan zult gij Mij Vader noemen, en niet meer van Mij wijken

3:20 Maar het huis van Israël acht Mij niet, gelijk ene vrouw haar minnaar niet meer acht, spreekt de Heer

3:21 Daarom zal men horen op de hoogten een klagelijk gekerm en geween der kinderen Israëls, omdat zij kwaad gedaan en den Heer hunnen God vergeten hebben

3:22 Keert derhalve weder, gij afvallige kinderen, zo zal Ik u genezen van uwe ongehoorzaamheid. Zie, wij komen tot U, want gij zijt de Heer onze God

3:23 Voorwaar, het is niets dan bedrog met de heuvelen en met al de bergen; voorwaar, Israël heeft geen hulp dan bij den Heer onzen God

3:24 En de arbeid onzer vaderen is van onze jeugd af met schande vergaan, hunne schapen en runderen, zonen en dochters

3:25 Want waarop wij ons verlieten, is ons nu niets dan schande; en waarmede wij ons troostten, daarover moeten wij ons nu schamen; want wij zondigden tegen den Heer onzen God, zowel wij als onze vaders, van onze jeugd af, zelfs tot op dezen dag, en wij hoorden niet naar de stem van den Heer onzen God. Jeremia

4:1 Israël, wilt gij u bekeren, spreekt de Heer, zo bekeer u tot Mij; en zo gij uwe gruwelen weg doet van voor mijn aangezicht, zo zult gij niet verdreven worden

4:2 Alsdan zult gij, zonder geveinsdheid, getrouw en oprecht zweren: Zo waarachtig de Heer leeft! En de volken zullen zich in Hem zegenen en zich op Hem beroemen

4:3 Want dus spreekt de Heer tot de mannen van Juda en tot Jeruzalem: Ontgint u een nieuwen akker, en zaait niet onder de doornen

4:4 Besnijdt u voor den Heer, en doet weg de voorhuid uws harten, gij mannen van Juda en gij inwoners van Jeruzalem; opdat mijne gramschap niet uitbarste als een vuur, en brande wegens uwe boosheid, zodat niemand het blussen kan

4:5 Ja, verkondigt in Juda en roept luidkeels te Jeruzalem, en zegt: Blaast met de bazuin in het land! Roept met ene luide [stem] en zegt: Verzamelt u, en laat ons naar de vaste steden trekken

4:6 Richt ene banier op te Sion, loopt met hopen, en vertoeft niet; want Ik breng een ongeluk en een grote ellende herwaarts van het Noorden

4:7 de leeuw springt op uit zijne struiken, en de vernieler der volken trekt op uit zijne plaats, om uw land te verwoesten en uwe steden te verbranden, dat er niemand in wonen zal

4:8 Derhalve, trekt zakken aan, klaagt en kermt; want de verbolgen toorn des Heren wendt zich niet van ons af

4:9 In dien tijd, spreekt de Heer, zal den koning en den vorsten het hart ontzinken; de priesters zullen verbaasd staan en de profeten verschrikt zijn

4:10 Ik nu zeide: Ach Heere Heere, gij hebt dit volk en Jeruzalem grotelijks doen misleiden, toen men zeide: Het zal vrede bij u zijn, daar nochtans het zwaard tot aan de ziel is doorgedrongen

4:11 In dien tijd zal men tot dit volk en tot Jeruzalem zeggen: Daar komt een verzengende wind over het gebergte herwaarts uit de woestijn, den weg op naar de dochter mijns volks: geen [wind] om te wannen of te zuiveren

4:12 ja, er komt een wind, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik óók met hen richten

4:13 Zie, hij komt op als de wolken, en zijne wagens zijn als een dwarrelwind, zijne paarden zijn sneller dan arenden; wee ons, wij zijn vernield

4:14 Was dan nu, o Jeruzalem, uw hart van de boosheid, opdat gij geholpen wordt: hoelang zullen ijdele overleggingen bij u huisvesten

4:15 Want er komt een geroep van Dan, en ene kwade boodschap van het gebergte Efraïm

4:16 Zegt tot de heidenen en verkondigt het te Jeruzalem, dat er hoeders uit verre landen komen, en hunne stem verheffen tegen de steden van Juda

4:17 zij zullen haar van rondom belegeren als de hoeders op het veld, want zij hebben Mij vertoornd, spreekt de Heer

4:18 Dit hebt gij tot loon voor uw bedrijf en doen; dan zal uw hart gevoelen hoe groot uwe boosheid is

4:19 Hoezeer ben ik beangst! Mijn hart klopt mij in het lichaam, en ik heb geen rust; want mijne ziel hoort het geluid der bazuinen en het krijgsgeschreeuw

4:20 En de ene nederlaag op de andere roept men uit, want het gehele land wordt verwoest; schielijk worden mijne hutten en mijne tenten vernield

4:21 Hoe lang zal ik nog de banier zien, en het geluid der bazuin horen

4:22 Maar mijn volk is onzinnig, en zij geloven Mij niet; dwaas zijn zij, en achten het niet; zij zijn wijs genoeg om kwaad te doen, maar goed te doen, dat willen zij niet leren

4:23 Ik zag het land aan, en zie, het was woest en ledig; en naar den hemel, en hij was duister

4:24 ik zag de bergen aan, en zie, zij beefden, en al de heuvelen sidderden

4:25 Ik zag, en zie, er was geen mens, en al het gevogelte des hemels was weggevlogen

4:26 ik zag, en zie, het vruchtbare veld was ene woestijn, en al zijne steden waren afgebroken door den Heer, door zijnen grimmigen toorn

4:27 Want dus spreekt de Heer: Het gehele land zal woest worden; doch Ik zal het niet geheel verdelgen

4:28 Daarom zal het land droevig en de hemel daarboven treurig zijn; want Ik heb het gesproken, en vast besloten, en het zal Mij niet berouwen, en Ik zal ook daarvan niet aflaten

4:29 Al de steden zullen op het geroep der ruiters en der boogschutters vluchten, en zich in de dikke bossen en op de steenrotsen begeven; alle steden zullen verlaten staan, zodat niemand er in zal wonen

4:30 Wat zult gij dan doen, verwoeste? Al kleedt gij u met purper, en al versiert gij u met kleinodiën, en al blanket gij uw aangezicht, gij zult u nochtans tevergeefs aldus versieren; want uwe boeleerders verachten u, zij zullen u naar het leven staan

4:31 Want ik hoor ene stem als van ene barende, een angstgeschrei als van ene, die voor het eerst in barensnood is; de stem der dochter van Sion, die klaagt en de handen uitbreidt, [zeggende]: Wee mij, ik moet bijna vergaan vanwege de moordenaars. Jeremia

5:1 Gaat óm door de straten van Jeruzalem, en ziet toe en verneemt toch, en zoekt op hare straten, of gij iemand vindt, die recht doet en naar trouw vraagt: zo zal Ik haar genadig zijn

5:2 En of zij al zeggen: Bij den levenden Heer, zo zweren zij nochtans valschelijk

5:3 O Heer, uwe ogen zien immers naar de trouw? Gij slaat hen, maar zij voelen zich niet; Gij maakt het bijna uit met hen, maar zij verbeteren zich niet; zij hebben een gelaat, harder dan ene steenrots, en willen zich niet bekeren

5:4 Maar ik dacht: Waarlijk, deze arme hoop is onverstandig; zij kennen ook den weg des Heren niet, noch het recht van hunnen God

5:5 ik zal tot de vermogenden gaan en met hen spreken, die zullen toch den weg des Heren en het recht van hunnen God kennen: doch ook zij hadden al te zamen het juk verbroken en de banden verscheurd

5:6 Daarom zal de leeuw, die uit het bos komt, hen verscheuren, en de wolf uit de woestijn zal hen verderven, en de luipaard zal op hunne steden loeren; allen, die er uitgaan, zal hij verslinden, en zij blijven verstokt in hunne ongehoorzaamheid

5:7 Hoe zou Ik u dan genadig kunnen zijn, dewijl uwe kinderen Mij verlaten, en zweren bij wie geen God is? En nu Ik hen verzadigd heb, bedrijven zij overspel, en lopen in de verblijven der ontucht

5:8 ieder hunkert naar zijns naasten huisvrouw, zij zwerven rond als welgevoede hengsten

5:9 zou Ik hen daarvoor niet bezoeken, spreekt de Heer, en zou mijne ziel zich niet wreken aan een volk als dit

5:10 Bestormt hare muren en werpt ze omver; maar verderft ze niet geheel; neemt hare wijnranken weg, want zij zijn des Heren niet

5:11 want zij verachten Mij, zowel het huis van Israël als het huis van Juda, spreekt de Heer

5:12 Zij verloochenen den Heer, en zeggen: Hij is het niet, en het zal ons zo kwalijk niet gaan; zwaard en honger zullen wij niet zien

5:13 ja, de profeten zijn louter wind, ook hebben zij het woord Gods niet; hun zelven moge het zo gaan

5:14 Daarom, dewijl, gij zulke woorden spreekt, zie, zo zegt de Heer, de God Zebaôth, aldus: Ik zal mijne woorden in uwen mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren

5:15 Zie, spreekt de Heer, Ik zal over u, o huis van Israël, brengen een volk van verre: een volk van oude afkomst, een volk, welks taal gij niet kent, noch verstaat gij wat zij spreken

5:16 Hunne pijlkokers zijn open grafsteden; het zijn allen helden

5:17 Zij zullen uwen oogst en uw brood verteren; zij zullen uwe zonen en dochters eten; zij zullen uwe schapen en runderen verslinden; zij zullen uwe wijnstokken en vijgebomen afeten; uwe vaste steden, op welke gij u verlaat, zullen zij met het zwaard vernielen

5:18 Doch ook in die dagen, spreekt de Heer, zal Ik u niet geheel verdelgen

5:19 En als zij zeggen: Waarom doet de Heer onze God ons dit alles? zult gij hun antwoorden: Gelijk gijlieden Mij verlaat en vreemde goden dient in uw eigen land, zult gij ook vreemdelingen dienen in een land, dat het uwe niet is

5:20 Dit zult gij verkondigen aan Jakobs huis, en prediken in Juda, zeggende

5:21 Hoort nu toe, gij dwaas volk, dat geen verstand heeft, dat ogen heeft en niet ziet; dat oren heeft en niet hoort

5:22 Zult gijlieden Mij niet vrezen, spreekt de Heer, en voor mijn aangezicht niet beven? Ik, die der zee het zand tot een oever stel, tot een altijddurend perk, dat zij niet overschrijden zal; en of zij zich al beweegt, zo vermag zij nochtans niets; en of hare golven al bruisen, zo zullen zij daar toch niet overgaan

5:23 Maar dit volk heeft een afvallig en ongehoorzaam hart; zij blijven afvallig en gaan hunnen weg

5:24 en zeggen niet eens in hun hart: Laat ons toch den Heer onzen God vrezen, die ons ter rechter tijd vroegen regen en spaden regen geeft, en jaarlijks ons den oogst trouw bewaart

5:25 Maar uwe misdaden verhinderen dit, en uwe zonden wenden dat goede van u af

5:26 Want men vindt onder mijn volk goddelozen, die den lieden lagen leggen, en valstrikken bereiden om hen te vangen, gelijk de vogelvangers doen met de slagnetten

5:27 en hunne huizen zijn vol bedrog, gelijk ene vogelkooi vol lokvogels is; daardoor worden zij machtig en rijk,vet en glad; zij gaan met kwade streken om, en doen geen recht; de zaak van den wees bevorderen zij niet, en het gaat hun wél; ook handhaven zij het het recht der armen niet

5:29 Zou Ik dit dan niet bezoeken, spreekt de Heer, en zou mijne ziel zich niet wreken aan een volk als dit

5:30 Het is gruwelijk en verschrikkelijk wat in dit land geschiedt

5:31 de profeten leren vals, en de priesters heersen in hun ambt, en mijn volk heeft het gaarne alzo; maar hoe zal het u daarvoor ten laatste gaan? Jeremia

6:1 Loopt met hopen, gij kinderen Benjamins, uit Jeruzalem, en blaast de bazuinen te Tekóa, en steekt ene banier op te Beth-Kérem; want een ongeluk komt herwaarts van het Noorden, en een grote ellende

6:2 De dochter van Sion is als ene schone, aangename landouw

6:3 maar er zullen herders met hunne kudden tot haar komen, die zullen tenten rondom tegen haar opslaan, en zullen elk zijne plaats afweiden, [en zeggen]

6:4 Rust u ten oorlog tegen haar; welaan, laat ons optrekken, terwijl het nog hoog dag is; zie, het wordt avond, en de schaduwen worden lang

6:5 Welaan, laat ons wakker zijn, al zouden wij bij nacht optrekken, en hare paleizen verderven

6:6 Want dus spreekt de Heer Zebaôth: Houwt bomen af en maakt bolwerken tegen Jeruzalem; want zij is de stad, die bezocht zal worden; er is toch niets dan onrecht binnen hare muren

6:7 Want gelijk een bron haar water opgeeft, zo welt zij ook hare boosheid op; geweld en verwoesting hoort men in haar, en haar moorden en slaan is dagelijks voor mij

6:8 Verbeter u, Jeruzalem, eer mijn hart zich van u wendt, en Ik u tot een woest land maak, waarin niemand woont

6:9 Dus spreekt de Heer Zebaôth: Wat van Israël overgebleven is, moet ook, gelijk een wijngaard, geheel afgelezen worden; de wijnlezer zal het een na het ander in de korven werpen

6:10 Tot wien zal ik toch spreken en betuigen: Dat toch iemand horen wilde! Zie, hunne oren zijn onbesneden, zij willen niet horen; zie, zij houden het woord des Heren voor een spot, en begeren het niet

6:11 Daarom ben ik zo vol van het dreigen des Heren, dat ik het niet inhouden kan. Stort het uit, zowel over de kinderen op de straten, als waar zich de jongelingen saamvergaderen; want zo man als vrouw, de ouden en die vol van dagen zijn, zullen gevangen genomen worden

6:12 hunne huizen zullen het deel der vreemdelingen worden, te zamen met de akkers en vrouwen; want Ik zal mijne hand uitstrekken over de bewoners des lands, spreekt de Heer

6:13 Want zij bedrijven allen gierigheid, beiden klein en groot, en de profeten en de priesters, allen te zamen, leren valsen godsdienst

6:14 en troosten mijn volk in hun ongeval, dat zij het licht zullen achten, zeggende: Vrede, vrede!; en er is toch geen vrede

6:15 Daarom zullen zij te schande worden, dewijl zij zulke gruwelen bedrijven: ofschoon zij zonder schande willen zijn en zich niet willen schamen; daarom zullen zij overhoop vallen; en als Ik hen bezoeken zal, zullen zij bezwijken, spreekt de Heer

6:16 Dus spreekt de Heer: Staat stil bij de wegen en ziet toe, en vraagt naar de vorige wegen, waar toch de goede weg is; bewandelt dien, zo zult gij rust vinden voor uwe zielen; maar zij zeggen: Wij willen het niet doen

6:17 Ik heb wachters over u gesteld, [zeggende]: Geeft acht op het geluid der bazuinen; maar zij zeggen: Wij willen het niet doen

6:18 Daarom hoort, gij volken, en verneemt met uwe lieden

6:19 gij, aarde, hoor toe: zie, Ik zal een ongeluk over dit volk brengen, namelijk hun verdiende loon; dewijl zij op mijne woorden geen acht geven, en mijne wet verwerpen

6:20 Wat vraag Ik naar de wierook, die uit Rijk-Arabië, en de goede kaneel, die uit verre landen komt? Uwe brandoffers zijn Mij niet aangenaam, en uwe slachtoffers behagen Mij niet

6:21 Daarom spreekt de Heer aldus: Zie, Ik zal voor dit volk een aanstoot stellen, waaraan beide vaders en kinderen met elkander zich stoten zullen, en geburen en vrienden te zamen zullen omkomen

6:22 Dus spreekt de Heer: Zie, een volk zal komen van het Noorden, en een groot volk zal zich verheffen van des aardrijks uitersten

6:23 die bogen en schilden voeren, zij zijn wreed en zonder barmhartigheid; zij bruisen als ene onstuimige zee, en rijden op paarden, toegerust als krijgslieden, tegen u, o dochter van Sion

6:24 Als wij van hen zullen horen, zullen onze handen slap worden, angst en weedom zal ons aangrijpen als ene barende vrouw

6:25 Niemand ga toch uit op den akker, en niemand ga op den weg, want het is overal onveilig wegens het zwaard des vijands

6:26 O dochter mijns volks, trek een zak aan en leg u in de as; draag rouw als over een enigen zoon, en klaag als die zeer bedroefd zijn; want de verderver komt snel over ons

6:27 Ik heb u als een smelter gesteld onder mijn volk, dat hard is, opdat gij hunnen weg zoudt weten en beproeven

6:28 Zij zijn allen te zamen afvalligen, en wandelen trouweloos; zij zijn enkel koper en ijzer, als boosdoeners

6:29 De blaasbalg is verbrand, het lood verdwijnt; het smelten is tevergeefs, want het kwaad is er niet van af te scheiden

6:30 Daarom noemt men hen ook verworpen zilver, want de Heer heeft hen verworpen. Jeremia

7:1 Dit is het woord, hetwelk van den Heer tot Jeremia geschiedde, zeggende

7:2 Treed in de poort van het huis des Heren en predik aldaar dit woord, en zeg: Hoort het woord des Heren, geheel Juda, gij, die tot deze poorten ingaat om den Heer te aanbidden

7:3 Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Verbetert uw leven en doen, zo zal Ik u gerust doen wonen aan deze plaats

7:4 Verlaat u niet op valse woorden, als zij zeggen: Hier is des Heren tempel, hier is des Heren tempel, hier is des Heren tempel

7:5 Maar verbetert uw leven en gedrag, dat de een den ander recht doet

7:6 en gij de vreemdelingen, wezen en weduwen niet verdrukt, en geen onschuldig bloed vergiet in deze plaats, en geen andere goden na wandelt tot uwe eigene schade

7:7 zo zal Ik u altoos en eeuwig doen wonen aan deze plaats, in het land, hetwelk Ik uwen vaderen gegeven heb

7:8 Maar nu verlaat gij u op valse woorden, die geen nut doen

7:9 Daarenboven zijt gij dieven, moordenaars, overspelers en meineedigen, en wierookt voor Baäl, en volgt vreemde goden na, die gij niet kent

7:10 en dan komt gij en treedt Vóór Mij in dit huis, dat naar mijnen naam genoemd is, en zegt: Het heeft geen nood met ons, terwijl wij zulke gruwelen doen

7:11 Houdt gij dan dit huis, dat naar mijnen naam genoemd is, voor ene moordenaarsspelonk? Zie, Ik zie het wel, spreekt de Heer

7:12 Gaat slechts naar mijnen zetel te Silo, alwaar Vóór dezen mijn naam gewoond heeft, en ziet wat Ik aldaar gedaan heb vanwege de boosheid van mijn volk Israëls

7:13 Dewijl gij dan nu zulke daden bedrijft, spreekt de Heer, en Ik gestadig tot u laat prediken, en gij niet horen wilt, en Ik tot u roep, maar gij niet antwoorden wilt

7:14 zo zal Ik aan dit huis, dat naar mijnen naam genoemd is, waarop gij u verlaat, en aan deze plaats, die Ik u en uwen vaderen gegeven heb, eveneens doen gelijk Ik aan Silo gedaan heb

7:15 en Ik zal u van mijn aangezicht wegwerpen, gelijk Ik al uwe broeders, het gehele zaad van Efraïm, weggeworpen heb

7:16 Gij nu zult voor dit volk niet bidden, en zult voor hen geen klacht noch bede inbrengen, ook niet voor hen bij Mij spreken; want Ik zou u niet horen

7:17 Of ziet gij niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem

7:18 De kinderen zoeken hout op, en de vaders ontsteken het vuur, en de vrouwen kneden het deeg, om koeken te bakken voor de koningin des hemels, en plengen drankoffers voor vreemde goden, opdat zij mij verdriet aandoen

7:19 Maar zij zullen daarmede niet Mij, spreekt de Heer, maar zichzelven verdriet aandoen, en zullen te schande worden

7:20 Daarom spreekt de Heere Heere: Zie, mijn toorn en mijn grimmigheid is uitgestort over deze plaats, over mensen en vee, over de bomen op het veld en over de vruchten van het land; en die zal ontbranden, dat niemand hem uitblussen zal

7:21 Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Voegt vrij uwe brandoffers en slachtoffers bijeen, en eet vlees

7:22 Ik heb immers tot uwe vaderen, ten dage, toen Ik hen uit Egypteland voerde, niet gesproken, noch hun iets geboden van brandoffers of andere offers

7:23 maar dit gebood Ik hun, zeggende: Hoort naar mijn woord, zo zal Ik uw God zijn en gij zult mijn volk zijn; en bewandelt al de wegen, die Ik u gebied, opdat het u welga

7:24 Maar zij wilden niet horen, noch hunne oren daartoe neigen, maar wandelden naar hun eigen raad en naar het goeddunken hunner boze harten, en keerden Mij den rug toe toe en niet het aangezicht

7:25 Ja, van dien dag af, dat Ik uwe vaderen uit Egypteland gevoerd heb, tot op dezen dag toe, heb Ik gestadig tot u gezonden al mijne knechten, de profeten

7:26 Maar zij willen Mij niet horen, noch hunne oren daartoe neigen; maar zij zijn hardnekkig en maken het erger dan hunne vaderen

7:27 En hoewel gij hun dit alles zegt, zo zullen zij u nochtans niet horen, en of gij al tot hen roept, zo zullen zij u toch niet antwoorden

7:28 Daarom zeg tot hen: Dit is het volk, dat den Heer zijnen God niet horen noch zich verbeteren wil; de trouw is weg en uitgeroeid uit hunnen mond

7:29 Snijd uwe haren af en werp ze Ván u, en weeklaag op de hoogten; want de Heer heeft dit geslacht, over hetwelk Hij toornig is, verworpen en verstoten

7:30 Want de kinderen van Juda doen kwaad voor mijne ogen, spreekt de Heer: zij stellen hunne gruwelen in het huis, dat naar mijnen naam genoemd is, om het te verontreinigen

7:31 en zij bouwen de altaren van Tofeth, in het dal van Ben-Hinnom, om hunne zonen en dochters te verbranden, hetgeen Ik nooit geboden noch in den zin genomen heb

7:32 Daarom zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat men het niet meer Tofeth heten zal, of dal van Ben-Hinnom, maar moord-dal; en men zal hen in Tofeth moeten begraven, omdat er anders geen ruimte meer zal zijn

7:33 en de dode lichamen van dit volk zullen aan de vogels des hemels en aan de dieren der aarde tot spijs verstrekken, en niemand zal ze verjagen

7:34 en Ik zal in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem doen ophouden het gejuich van vreugde en van blijdschap, de stem des bruidegoms en der bruid; want het land zal woest zijn. Jeremia

8:1 In dien tijd, spreekt de Heer, zal men de beenderen der koningen van Juda, de beenderen hunner vorsten, de beenderen der priesters, de beenderen der profeten en de beenderen der inwoners van Jeruzalem uit hunne graven halen

8:2 en men zal ze verstrooien voor de zon en de maan en al het heir des hemels, dat zij liefgehad, dat zij gediend en nagewandeld en dat zij gezocht en aangebeden hebben; zij zullen niet weder verzameld en begraven worden, maar tot mest op den aardbodem zijn

8:3 En al de overgeblevenen van dit boos geslacht, aan welke plaats zij ook zullen zijn, waarheen Ik hen zal verstoten hebben, zullen veel liever dood dan levend willen zijn, spreekt de Heer Zebaôth

8:4 Daarom zeg tot hen: Dus spreekt de Heer: Waar is iemand, die, als hij valt, niet gaarne weder zou opstaan? Waar is iemand, die, als hij dwaalt, niet gaarne weder terecht zou komen

8:5 Maar dit volk te Jeruzalem gaat altoos dwalende voort; zij kleven den valsen godsdienst zo vast aan, dat zij er zich niet van willen laten aftrekken

8:6 Ik zie en hoor, dat zij niets goeds leren; niemand is er, wien zijne boosheid leed doet, en die zegt: Wat heb ik gedaan? Zij lopen allen hunnen loop als een hengst naar den strijd

8:7 Zelfs de ooievaar onder den hemel weet zijnen tijd; de tortel en kraanvogel en zwaluw kennen hunnen tijd, wanneer zij zullen wederkomen; maar mijn volk wil het recht des Heren niet kennen

8:8 Hoe durft gij dan zeggen: Wij weten wat recht is, en hebben de heilige schrift Vóór ons? Het is immers niets dan leugen wat uwe schriftgeleerden voorstellen

8:9 daarom moeten zulke leeraars te schande, verschrikt en gevangen worden; want wat goeds kunnen zij leren, dewijl zij het woord des Heren verwerpen

8:10 Daarom zal Ik hunne vrouwen den vreemdelingen geven, en hunne akkers aan degenen, die hen verjagen zullen; want zij allen bedrijven gierigheid, beiden klein en groot, en priesters en profeten eren enen valsen godsdienst

8:11 en troosten mijn volk in hun ongeluk, dat zij het gering zullen achten, zeggende: Vrede, vrede!; en er is toch geen vrede

8:12 Daarom zullen zij te schande worden, omdat zij zulke gruwelen bedrijven, hoewel zij niet blozen en zich niet willen schamen; daarom moeten zij overhoop vallen; en als Ik hen bezoeken zal, zullen zij vallen, spreekt de Heer

8:13 Ik zal hen voorzeker wegrapen, spreekt de Heer; er zijn geen druiven aan den wijnstok en geen vijgen aan den vijgeboom, ja, de bladeren zijn verwelkt; en wat Ik hun gegeven heb, dat zal van hen genomen worden

8:14 Waar zullen wij dan wonen? Ja, verzamelt u, en laat ons in de vaste steden trekken, opdat wij aldaar omkomen; want de Heer onze God zal ons laten omkomen en ons drenken met een bitteren drank, omdat wij tegen den Heer gezondigd hebben

8:15 Wij hoopten, het zou vrede worden, maar er komt niets goeds; wij hoopten genezen te worden, maar er is niets dan verschrikking

8:16 Men hoort hunne paarden reeds snuiven te Dan, en hunne hengsten briesen, dat het gehele land daarvan beeft; en zij komen herwaarts en zullen het land vernielen met alwat er in is, de stad en allen, die er in wonen

8:17 Want zie, Ik zal slangen en basilisken onder u zenden, die niet te bezweren zijn; die zullen u steken, spreekt de Heer

8:18 Wat kan mij in mijn jammer verkwikken? Mijn hart kwijnt weg in mij

8:19 Zie, de dochter mijns volks zal jammeren uit verren lande: Wil dan de Heer niet meer op Sion zijn, of zal zij geen koning meer hebben? Waarom hebben zij Mij zo vertoornd met hunne beelden en vreemde onnutte diensten

8:20 De oogst is voorbijgegaan, de zomer is weg: ons is geen hulp wedervaren

8:21 Het jammert mij zeer, dat mijn volk zo verdorven is; ik kwel en ontzet mij

8:22 Is er dan geen balsem in Gilead, of is er geen heelmeester aldaar? Waarom is er voor de dochter mijns volks geen genezing? Jeremia

9:1 Och, dat ik water genoeg in mijn hoofd had, en mijne ogen tranenwellen waren, opdat ik dag en nacht kon wenen over de verslagenen mijns volks

9:2 Och, dat ik ene herberg had in de woestijn, zo zou ik mijn volk verlaten en van hen wegtrekken, want het zijn enkel overspelers en een trouweloze hoop

9:3 zij schieten met den boog hunner tong enkel leugens en geen waarheid, en maken zich geweldig in het land; en zij gaan van de ene boosheid tot de andere, en achten mij niet, spreekt de Heer

9:4 Ieder wachte zich voor zijnen vriend, en vertrouwe ook zijnen broeder niet; want de een broeder onderdrukt den anderen, en de ene vriend verraadt den anderen

9:5 de ene vriend handelt bedriegelijk met den anderen, en zij spreken geen waarachtig woord; zij benaarstigen zich, dat de een den ander bedriegt, en het is hun leed, dat zij het niet erger kunnen maken

9:6 Het is overal enkel bedrog onder hen, en door bedrog weigeren zij ook mij te erkennen, spreekt de Heer

9:7 Daarom spreekt de Heer Zebaôth aldus: Zie, Ik zal hen louteren en beproeven; want wat zal Ik anders doen, als Ik aanzie de dochter mijns volks

9:8 Hunne valse tongen zijn moord-pijlen; met hunnen mond spreken zij vriendelijk tot den naaste, maar in het hart loeren zij op hem

9:9 Zou Ik hen daarom niet straffen, spreekt de Heer, en zou mijne ziel zich niet wreken aan een volk als dit

9:10 Over de bergen zal Ik ene rouw [klacht] en weeklacht aanheffen, en een klaaglied over de herdershutten der woestijn; want zij zijn afgebrand, dat niemand er meer doortrekt, en dat men ook geen geblaat der kudde meer hoort; zowel het gevogelte des hemels als het vee, het is alles weg

9:11 En Ik zal Jeruzalem tot een steenhoop en tot ene woning der draken maken, en zal de steden van Juda woest maken, dat er niemand in wonen zal

9:12 Dat nu iemand wijs ware en het ter harte name, en verkondigde wat de mond des Heren tot hem zegt, waarom het land bedorven en verwoest wordt als ene woestijn, waar niemand wandelt

9:13 En de Heer sprak: Het is, omdat zij mijne wet verlaten, die Ik voor hun aangezicht gegeven heb, en niet horen naar mijne woorden en er ook niet naar leven

9:14 maar huns harten goeddunken en de Baäls volgen, gelijk hunne vaders hun geleerd hebben

9:15 Daarom spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God, aldus: Zie, Ik zal dit volk met alsem spijzen en met gal drenken

9:16 Ik zal hen verstrooien onder de volken, die noch zij noch hunne vaders gekend hebben; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat het met hen gedaan zal zijn

9:17 Dus spreekt de Heer Zebaôth: Beschikt en bestelt klaagsters, dat zij komen; en zendt om vrouwen, in de klaagkunst ervaren, dat zij komen

9:18 dat zij spoedig over ons ene weeklacht aanheffen; opdat onze ogen van tranen overlopen, en onze oogleden van water wegvloeien

9:19 opdat men een klagelijk gekerm hore in Sion: Ach, hoe geheel zijn wij vernield en te schande geworden; wij moeten het land ruimen, want zij hebben onze woningen omvergeworpen

9:20 Hoort dan nu het woord des Heren, gij vrouwen, en neemt ter ore het woord zijns monds: leert uwe dochters wenen, en de ene lere de andere klagen

9:21 De dood is onze vensters ingeklommen en in onze paleizen gekomen, om de kinderen te vermoorden op de straten, en de jongelingen op de markten

9:22 Zeg: Dus spreekt de Heer: De dode lichamen der mensen zullen liggen als mest op het veld, en als de schoven achter den maaier, welke niemand opzamelt

9:23 Dus spreekt de Heer: Een wijze beroeme zich niet op zijne wijsheid; een sterke beroeme zich niet op zijne sterkte; een rijke beroeme zich niet op zijnen rijkdom

9:24 maar wie zich beroemen wil, die beroeme zich daarop, dat hij Mij kent, en weet, dat Ik de Heer ben, die barmhartigheid, recht en gerechtigheid oefen op aarde; want dat behaagt Mij, spreekt de Heer

9:25 Zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat Ik bezoeken zal al de besnedenen en de onbesnedenen

9:26 Egypte, Juda, Edom, de kinderen Ammons, Moab, en allen, die zich de slapen gladscheren en de woestijn bewonen, want al die volken hebben onbesneden voorhuiden, maar het gehele huis van Israël heeft een onbesneden hart. Jeremia 1

10:1 Hoort wat de Heer tot ulieden spreekt, o huis van Israël

10:2 Dus spreekt de Heer: Gij zult den godsdienst der heidenen niet leren, en zult niet vrezen voor de tekenen des hemels, zoals de heidenen vrezen

10:3 Want de inzettingen der heidenen zijn ijdelheid; hout houwen zij af in het woud, en werkmeester bearbeidt het met de bijl

10:4 hij versiert het met zilver en goud, en maakt het met nagels en hamers vast, opdat het niet omvalle

10:5 Het zijn immers niets dan overtrokken pilaren; zij kunnen niet spreken; ook moet men ze dragen, want zij kunnen niet gaan: daarom zult gij voor hen niet vrezen, want zij kunnen noch helpen noch schade doen

10:6 Maar U, o Heer, is niemand gelijk; Gij zijt groot en uw naam is groot, en Gij kunt het met de daad bewijzen

10:7 Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der volken! U behoorde men immers te gehoorzamen; want onder alle wijzen der volken en in alle koninkrijken is niets aan u gelijk

10:8 Zij zijn allen dwaas en verstandeloos: immers moet een hout een ijdele godsdienst zijn

10:9 Geslagen zilver brengt men van Tarsis herwaarts, en goud uit Ufaz, door den werkmeester en goudsmid bereid; hemelsblauw en purper trekt men hem aan, en het is alles het werk der kunstvaardigen

10:10 Maar de Heer is de rechte God, een levend God, een eeuwig Koning; voor zijnen toorn heeft de aarde, en de volken kunnen zijn dreigen niet weerstaan

10:11 Spreekt dan nu tot hen aldus: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, moeten verdelgd worden van de aarde en van onder den hemel

10:12 Maar Hij heeft de aarde door zijne kracht gemaakt, en den wereldkloot bereid door zijne wijsheid, en den hemel uitgebreid door zijn verstand

10:13 Als Hij dondert, dan is er overvloed van water onder den hemel, en Hij trekt den nevel op van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemstralen bij den regen, en brengt den wind voort uit verborgen plaatsen

10:14 Alle mensen zijn dwazen met hunne kunst, en alle goudsmeden staan beschaamd met hunne beelden: want hunne afgoden zijn bedriegerij, en hebben geen leven

10:15 het is enkel ijdelheid en een werk der begoocheling; zij moeten omkomen, als zij bezocht worden

10:16 Maar zo is Hij niet, die Jakobs deel is; maar Hij is het, die alles geschapen heeft, en Israël is zijn erfdeel: zijn naam is Heer Zebaôth

10:17 Doe uwen handel weg uit het land, gij, die in de vaste stad woont

10:18 want dus spreekt de Heer: Zie, Ik wil de inwoners des lands op eenmaal wegslingeren; Ik zal hen benauwen, dat zij het voelen zullen

10:19 Wee mij vanwege mijn jammer en hartzeer; maar ik denk: Het is mijne plaag, ik moet ze lijden

10:20 Mijne hut is verwoest, en al mijne touwen zijn losgereten; mijne kinderen zijn weggegaan en zijn niet meer; niemand richt mijne hut weder op, en niemand spant mijne tent weder uit

10:21 want de herders zijn dwaas geworden en vragen niet naar den Heer, daarom hebben zij niet verstandig gehandeld, en al hunne kudden zijn verstrooid

10:22 Zie, er komt een gerucht, ene grote verschrikking uit het land van het Noorden: dat de steden van Juda verwoest en tot ene woning der draken zullen worden

10:23 Ik weet, Heer, dat des mensen weg niet aan hem staat; en het is in niemands macht, hoe hij zal wandelen en zijnen gang richten

10:24 Kastijd mij, Heer, doch met mate, en niet in uwe gramschap, opdat Gij mij niet vernietigt

10:25 Maar stort uwen toorn uit op de heidenen, die U niet kennen, en op de geslachten, die Uwen naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob verteerd en verslonden; zij hebben hem weggenomen en zijne woning verwoest. Jeremia 1

11:1 Dit is het woord, dat van den Heer tot Jeremia geschiedde, zeggende

11:2 Hoor de woorden van dit verbond, opdat gij ze aan de mannen van Juda en aan de inwoners van Jeruzalem verkondigt

11:3 en zeg tot hen: Dus spreekt de Heer, Israëls God; Vervloekt is hij, die niet hoort naar de woorden van dit verbond

11:4 hetwelk Ik uwen vaderen geboden heb, ten dage, toen Ik hen uit Egypteland voerde, uit den ijzeroven, zeggende: Hoort naar mijne stem, en doet zoals Ik u geboden heb; zo zult gij mijn volk zijn en Ik zal uw God zijn

11:5 opdat Ik den eed houde, dien Ik uwen vaderen gezworen heb, dat Ik hun geven zou een land, waarin melk en honig vloeit, gelijk het te dezen dage is. Toen antwoordde ik en zeide: Heer, het zij zo

11:6 En de Heer sprak tot mij: Predik al deze woorden in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoort de woorden van dit verbond en doet er naar

11:7 Want Ik heb uw vaderen betuigd van dien dag af, dat Ik hen uit Egypteland voerde, tot op dezen dag toe, en betuigde steeds, zeggende: Hoort naar mijne stem

11:8 Maar zij gaven geen gehoor en neigden ook hunne oren niet, maar elk wandelde naar het goeddunken van zijn boos hart: daarom heb Ik ook over hen gebracht al de woorden van dit verbond, hetwelk Ik hun heb geboden te betrachten, doch naar hetwelk zij niet gedaan hebben

11:9 En de Heer sprak tot mij: Ik weet wel, hoe die van Juda en van Jeruzalem zich te zamen verbinden

11:10 zij keren zich tot de zonden hunner voorvaderen, die ook niet wilden horen naar mijne woorden, en ook andere goden navolgden en dienden; zo hebben het huis van Israël en het huis van Juda mijn verbond verbroken, hetwelk Ik met hunne vaderen gemaakt heb

11:11 Daarom spreekt de Heer: Zie, Ik zal een ongeluk over hen brengen, hetwelk zij niet zullen kunnen ontgaan; en als zij dan tot mij roepen, zal Ik naar hen niet horen

11:12 Dat dan de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem heengaan en roepen tot de goden, voorwelke zij gewierookt hebben; maar zij zullen hen niet kunnen helpen in hunnen nood

11:13 Want zovele steden, zovele goden hebt gij, o Juda; en zovele straten er te Jeruzalem zijn, zovele schandaltaren hebt gij opgericht om Baäl te wieroken

11:14 Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen smeeking noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, als zij tot Mij roepen zullen in hunnen nood

11:15 Wat hebben mijne vrienden in mijn huis te doen? Zij bedrijven allen dien gruwel, en menen, dat het heilige vlees het van hen zal nemen; en als zij kwaaddoen, verheugen zij zich daarover

11:16 De Heer noemde u een groenen, schonen, vruchtbaren olijfboom; maar nu heeft Hij met groot gedruis een vuur daaromheen ontstoken, dat zijne takken vergaan moeten

11:17 want de Heer Zebaôth, die u geplant heeft, heeft u met een ongeluk bedreigt om de boosheid van het huis van Israël en het huis van Juda, die zij daarmede bedrijven, dat zij Mij vertoornen en Baäl wieroken

11:18 De Heer heeft het mij geopenbaard, opdat ik het wete, en vertoonde mij hun voornemen

11:19 namelijk dat zij mij als een arm schaap ter slachtbank willen voeren; en ik wist niet, dat zij een aanslag tegen mij hadden, zeggende: Laat ons den boom met zijne vruchten verderven, en hem uit het land der levenden uitroeien, opdat aan zijn naam niet meer gedacht worde

11:20 Maar Gij, Heer Zebaôth, rechtvaardige Rechter, die nieren en harten beproeft, laat mij uwe wraak over hen zien, want ik heb U mijne zaak aanbevolen

11:21 Daarom spreekt de Heer aldus tot de mannen van Anathoth, die u naar het leven staan, zeggende: Profeteer niet in den naam des Heren, zo gij niet door onze handen wilt sterven

11:22 daarom spreekt de Heer Zebaôth aldus: Zie, Ik zal hen bezoeken: hunne jonge manschap zal met het zwaard gedood worden, en hunne zonen en dochters zullen van honger sterven, dat er niets van hen zal overblijven

11:23 want Ik zal over de mannen van Anathoth ongeluk doen komen, in het jaar, waarin zij zullen bezocht worden. Jeremia 1

12:1 Heer, of ik al met U richten wilde, zo behoudt Gij toch recht; evenwel moet ik van het recht met U spreken. Waarom gaat het toch den goddelozen zo wél, en hebben de verachters overvloed van alles

12:2 Gij hebt hen geplant, dat zij inwortelen, ook wassen zij en dragen vrucht. Gij zijt wel nabij in hunnen mond, maar ver van hun hart

12:3 Maar Gij, Heer, kent mij, en ziet mij, en beproeft mijn hart voor u. Drijf hen weg als schapen, opdat zij geslacht worden; en spaar hen voor den dag der doding

12:4 Hoelang zal toch het land zo jammerlijk staan, en het gras op het veld overal verdorren om de boosheid der inwoners, zodat er geen vee noch vogels meer zijn? Want zij zeggen: Hij ziet niet, hoe het met ons zal aflopen

12:5 Als zij, die te voet gaan, u moede maken, hoe zal het u dan gaan, als gij met de ruiters lopen zult? En zo gij slechts moed hebt in een land, waar de vrede is, wat zult gij dan doen in de verheffing van den Jordaan

12:6 Want zelfs verachten u uwe broeders en uws vaders huis, en roepen vreeselijk over u; daarom vertrouw niet op hen, al spreken zij vriendelijk tegen u

12:7 Daarom heb Ik mijn huis verlaten, en mijn erfdeel verstoten, en hetgeen mijne ziel beminde heb Ik in de hand der vijanden overgeleverd

12:8 Mijne erfenis is Mij geworden als een leeuw in het woud, en brult tegen Mij; daarom ben Ik toornig op haar geworden

12:9 Mijne erfenis is als een gesprenkelde vogel, om welken zich de vogels verzamelen. Welaan, verzamelt u, alle wild gedierte des velds; komt en verslindt

12:10 Herders in menigte hebben mijnen wijngaard verdorven en mijnen akker vertreden; zij hebben mijnen schonen akker tot ene woestijn gemaakt, tot een woeste wildernis

12:11 Ik zie alreeds, hoe jammerlijk hij verwoest is; ja, het gehele land is woest en niemand wil het ter harte nemen

12:12 Want de verwoesters komen herwaarts over alle heuvels der woestijn, en het zwaard des Heren verteert van het ene einde des lands tot aan het andere, en geen vlees zal vrede hebben

12:13 Zij zaaien tarwe, maar distels zullen zij maaien; zij doen veel moeite, maar zij zullen het niet genieten: zij zullen van hunne inkomsten niet verblijd worden, wegens den groten toorn des Heren

12:14 Dus spreekt de Heer: Aangaande al mijne boze naburen, die mijn erfdeel aantasten, hetwelk Ik aan mijn volk Israël heb uitgedeeld: zie, Ik zal hen uit hun land wegrukken, en het huis van Juda wegrukken uit het midden van hen

12:15 maar als Ik hen heb weggerukt, zal Ik mij weder over hen ontfermen, en zal een ieder weder tot zijn erfdeel en in zijn land brengen

12:16 En het zal geschieden, zo zij van mijn volk leren zullen te zweren bij mijnen naam: "Zo waarachtig de Heer leeft", gelijk zij voorheen mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baäl, zo zullen zij weder onder mijn volk gebouwd worden

12:17 Maar indien zij niet willen horen, zal Ik zodanig volk uitroeien en verdelgen, spreekt de Heer. Jeremia 1

13:1 Dus sprak de Heer tot mij: Ga heen en koop u een linnen gordel, en gord daarmede uwe lendenen; doch maak hem niet nat

13:2 En ik kocht een gordel naar het bevel des Heren, en gordde dien om mijne lendenen

13:3 Toen geschiedde het woord des Heren andermaal tot mij, zeggende

13:4 Neem den gordel, dien gij gekocht en om uwe lendenen gegord hebt, en sta op en ga heen naar den Frath, en verberg hem aldaar in ene steenkloof

13:5 En ik ging heen en verstak hem bij den Frath, zoals de Heer mij geboden had

13:6 En na een langen tijd sprak de Heer tot mij: Sta op en ga heen naar den Frath, en haal den gordel weder, dien Ik u beval aldaar te versteken

13:7 En ik ging naar den Frath, en groef, en nam den gordel van de plaats, alwaar ik hem verstoken had; en zie, de gordel was bedorven, dat hij niet meer deugde

13:8 Toen geschiedde het woord des Heren tot mij, zeggende

13:9 Dus spreekt de Heer: Alzo wil Ik ook bederven de heerlijkheid van Juda en Jeruzalem

13:10 Dit boze volk, dat mijne woorden niet horen wil, dat wandelt naar het goeddunken zijns harten, en andere goden navolgt om die te dienen en te aanbidden, zal worden als deze gordel, die niet meer deugt

13:11 Want gelijk een man den gordel om zijnen lendenen bindt, zo heb Ik, spreekt de Heer, het gehele huis van Israël en het gehele huis van Juda om Mij gegord, opdat zij Mij zouden zijn tot een volk en tot een naam en tot lof en eer; maar zij willen niet horen

13:12 Derhalve zeg hun nu dit woord: Dus spreekt de Heer, Israëls God! Alle kruiken zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Wie weet dat niet, dat men alle kruiken met wijn zal vullen

13:13 Maar zeg dan tot hen: Dus spreekt de Heer: Zie, Ik zal allen, die in dit land wonen, de koningen, die op Davids troon zitten, de priesters en de profeten, en alle inwoners van Jeruzalem vol maken, dat zij dronken zullen worden

13:14 en Ik zal den een met den ander, de vaders benevens de kinderen verstrooien, spreekt de Heer, en zal noch verschonen, noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet zou verderven

13:15 Hoort derhalve en merkt op, en verheft u niet; want de Heer heeft het gesproken

13:16 Geeft den Heer, uwen God, de eer, voordat het duister wordt, en eer uwe voeten aan de donkere bergen zich stoten; dat gij wacht naar licht, daar Hij het nochtans tot dikke duisternis zal maken

13:17 Maar wilt gij dat niet horen, zo zal mijne ziel in het verborgen wenen over zulke hoovaardij; mijne ogen zullen van tranen vloeien, omdat de kudde des Heren gevankelijk wordt weggevoerd

13:18 Zeg aan den koning en aan de vorstin: Zet u lager; want de kroon uwe heerlijkheid is van uw hoofd gevallen

13:19 De steden tegen het Zuiden zijn gesloten, en niemand is er, die ze opendoet; geheel Juda is geheel en al weggevoerd

13:20 Hef uwe ogen op en zie, hoe men van het Noorden herwaarts komt; waar is nu de kudde, die u toevertrouwd was, uwe heerlijke kudde

13:21 Wat zult gij zeggen, wanneer Hij u zo bezoeken zal? Want gij hebt hen gewend vorsten en hoofden over u te willen zijn. Zie toe, zal niet angst u aangrijpen als ene vrouw in barensnood

13:22 Als gij dan in uw hart zult zeggen: Waarom overkomt mij dit toch?: om de menigte uwe misdaden zijn uwe zomen opgetild, en uwe hielen met geweld ontbloot

13:23 Kan ook een Moor zijne huid veranderen, of een luipaard zijne vlekken? Dan kunt gij ook goeddoen, gij, die aan het kwaad gewend zijt

13:24 Daarom zal Ik hen verstrooien als stoppels, die door den wind der woestijn weggewaaid worden

13:25 Dit zal uw loon zijn, en uw deel, hetwelk Ik u toegemeten heb, spreekt de Heer; omdat gij Mij vergeten hebt en u op leugens verlaat

13:26 daarom zal Ik uwe zomen hoog ontdekken tegen u, dat men uwe schande zien zal

13:27 Want uw overspel en uw hunkeren, uwe onbeschaamde hoererij en uwe gruwelen, op de heuvelen in het open veld gepleegd, heb Ik gezien; wee u, Jeruzalem, wanneer zult gij toch eens gereinigd worden? Jeremia 1

14:1 Dit is het woord, hetwelk de Heer tot Jeremia sprak aangaande de grote droogte

14:2 Juda ligt jammerlijk, en zijne poorten kwijnen; het staat beklaaglijk op het land, en te Jeruzalem is een grote droogte

14:3 De groten zenden de kleinen om water; maar als zij tot de bron komen, vinden zij geen water, en brengen hunne vaten ledig weder; zij gaan treurig en bedroefd, en omwinden hun hoofd

14:4 omdat de aarde gespleten is, dewijl het niet regent op het aardrijk; de akkerlieden gaan treurig, en omwinden hun hoofd

14:5 Zelfs de hinden, die op het veld werpen, verlaten hare jongen, omdat er geen gras wast

14:6 Het wild gedierte staat op de hoogten, het snakt naar lucht als de draken, en versmacht, omdat er geen kruid wast

14:7 O Heer, onze misdaden hebben het immers verdiend, maar help nochtans om uws naams wil; ja onze ongehoorzaamheid is groot, waarmede wij tegen U gezondigd hebben

14:8 Gij zijt Israëls troost, en hun helper in den nood: waarom stelt Gij U, alsof Gij een gast waart in dit land, een vreemdeling, die slechts den nacht daarin doorbrengt

14:9 Waarom stelt Gij U als een held, die versaagd is, als een reus, die niet helpen kan? Gij zijt immers nog onder ons, o Heer, en wij zijn naar uwen naam genoemd; verlaat ons niet

14:10 Dus spreekt de Heer aangaande dit volk: Zij lopen gaarne heen en weder, en blijven niet gaarne tehuis; daarom is de Heer hun niet genegen, maar nu is Hij hunne misdaad gedachtig, en wil hunne zonden bezoeken

14:11 En de Heer sprak tot mij: Gij zult niet voor dit volk om genade bidden; want

14:12 of zij al vasten, zo zal Ik toch naar hun smeken niet horen; en of zij al brandoffer en spijsoffer brengen, zo behagen zij mij toch niet, maar Ik zal hen door het zwaard en door den honger en de pest verteren

14:13 Toen sprak ik: Ach, Heere, Heere, zie, de profeten zeggen tot hen: Gij zult geen zwaard zien en geen duurte onder u hebben, maar ik zal u goeden vrede geven in deze plaats

14:14 En de Heer sprak tot mij: Die profeten profeteren vals in mijnen naam; Ik heb hen niet gezonden en hun niets bevolen en niets tot hen gesproken; zij prediken ulieden valse gezichten, waarzeggerij en afgoderij en bedrog huns harten

14:15 Daarom, dus spreekt de Heer: Aangaande de profeten, die in mijnen naam profeteren, ofschoon Ik hen niet gezonden heb, en die nochtans prediken, dat geen zwaard noch duurte in dit land komen zal, die profeten zullen door het zwaard en door den honger omkomen

14:16 En het volk, voor hetwelk zij profeteren, zal vanwege het zwaard en den honger te Jeruzalem hier en daar liggen, en niemand zal hen begraven, zo ook hunne vrouwen en zonen en dochters; en Ik zal hunne eigen boosheid over hen uitstorten

14:17 En gij zult dit woord tot hen zeggen: Mijne ogen vloeien van tranen dag en nacht ja, onophoudelijk; want de jonkvrouw, de dochter mijns volks, is afgrijselijk geplaagd en jammerlijk geslagen

14:18 Ga ik uit op het veld, zie, daar liggen de verslagenen van het zwaard: kom ik in de stad, zie daar liggen zij, die van honger versmacht zijn; want zowel de profeten als de priesters moeten in een land trekken, dat zij niet kennen

14:19 Hebt Gij Juda geheel verworpen, of heeft uwe ziel een walg van Sion? Waarom hebt Gij ons zo geslagen, dat niemand ons genezen kan? Wij hoopten, dat het vrede zou worden, maar er komt niets goeds; wij hoopten, dat wij zouden genezen worden, maar zie, er is verschrikking

14:20 Heer, wij erkennen onze goddeloosheid en onzer vaderen misdaad, dat wij tegen U gezondigd hebben

14:21 Maar om uws naams wil, versmaad ons niet; laat den troon uwer heerlijkheid niet ontluisterd worden; gedenk toch aan uw verbond met ons, en laat het niet ophouden

14:22 Immers is er niemand onder de afgoden der volken, die regen kan geven; ook kan de hemel niet regenen: gij zijt de Heer onze God, op wien wij hopen, want Gij alleen kunt dit alles doen. Jeremia 1

15:1 Doch de Heer sprak tot mij: Al was het, dat Mozes en Samuël Vóór Mij stonden, nog zou Ik geen hart hebben voor dit volk: drijf hen van Mij weg en laat hen heengaan

15:2 En wanneer zij tot u zeggen: Waarheen zullen wij gaan? zo zeg tot hen: Dus spreekt de Heer: Wien de dood treft, dien treffe zij; wien het zwaard treft, dien treffe het; wien de honger treft, dien treffe hij; wien de gevangenis treft, dien treffe zij

15:3 Want Ik zal hen met vierderlei plagen bezoeken, spreekt de Heer: met het zwaard, dat zij gedood worden; met honden, die hen wegsleepen zullen; met vogelen des hemels en met het gedierte der aarde, dat zij verslonden en vernield zullen worden

15:4 En Ik zal hen voor alle koninkrijken der aarde tot een schrikbeeld stellen, om Manasse, den zoon van Hizkía, den koning van Juda, om hetgeen hij in Jeruzalem gedaan heeft

15:5 Wie zal zich dan over u ontfermen, Jeruzalem? Wie zal dan medelijden met u hebben? Wie zal dan heengaan en naar uw welzijn vragen

15:6 Gij hebt Mij verlaten, spreekt de Heer, en zijt van Mij afgevallen: daarom heb Ik mijne hand tegen u uitgestrekt om u te verderven; Ik ben des ontfermens moede geworden

15:7 Ik wil hen met de wan ten lande uitwannen; en Ik zal mijn volk, dat zich van hun doen niet bekeren wil, tot kinderlozen maken en ombrengen

15:8 Hunne weduwen zullen meer worden dan het zand aan de zee; Ik zal over de moeder des jongelings doen komen een openbaren verderver, en de stad schielijk en onvoorziens doen overvallen

15:9 dat degene, die zeven kinderen heeft, ellendig zal zijn en van harte zal zuchten; want hare zon zal op den vollen dag ondergaan, dat zowel haar roem als hare vreugd een einde zal hebben; en de overigen zal Ik aan het zwaard overgeven voor het aangezicht hunner vijanden, spreekt de Heer

15:10 Ach mijne moeder, dat gij mij gebaard hebt, tegen wien een ieder twist en krakeelt in het gehele land! Ik heb immers niet op woeker gegeven noch genomen, en nochtans vloekt mij iedereen

15:11 De Heer sprak: Welaan, Ik zal sommigen onder u doen overblijven, dezen zal het weder welgaan; en Ik zal u te hulp komen in den nood en den angst onder de vijanden

15:12 Meent gij, dat er ergens een ijzer is, dat het ijzer en koper van het Noorden zou kunnen verbreken

15:13 Maar Ik zal uw goed en uwe schatten ten roof geven, dat gij er niets voor krijgen zult; en dit om al uwe zonden, die gij in al uwe grenspalen begaan hebt

15:14 En Ik zal u tot uwe vijanden overbrengen, in een land, hetwelk gij niet kent; want het vuur is in mijnen toorn over u aangegaan

15:15 Ach Heer, Gij weet het; gedenk aan ons en neem ons aan, en wreek ons op onze vervolgers; neem ons op, en stel uwen toorn over hen niet uit; want Gij weet, dat wij om uwentwil versmaad worden

15:16 Uw woord werd mijn spijs, toen ik het ontving, en uw woord is de vreugd en troost van mijn hart; want ik ben immers naar uwen naam genoemd, Heer, God Zebaôth

15:17 Ik heb mij niet bij de spotters gevoegd, noch mij met hen verheugd; maar ik bleef afgezonderd voor uwe hand, want Gij waart zeer toornig op mij

15:18 Waarom duurt toch mijn smart zo lang, en zijn mijne wonden zo kwaadaardig, dat niemand ze helen kan? Gij zijt ons geworden als ene bron, die niet meer wil opwellen

15:19 Daarom spreekt de Heer aldus: Is het, dat gij u aan Mij houdt, zo zal Ik mij aan u houden; en gij zult mijn prediker blijven; en zo gij de vromen leert zich af te zonderen van de bozen, zo zult gij als [weleer] mijn mond zijn; en in plaats, dat gij tot hen terugkeert, moeten zij tot u terugkeren

15:20 Want Ik heb u tegen dit volk tot een vasten, koperen muur gemaakt; zo zij al tegen u strijden, zo zullen zij u echter niet overmogen; want Ik ben met u, om u te helpen en u te redden, spreekt de Heer

15:21 en Ik zal u ook redden uit de hand der bozen, en u verlossen uit de hand der geweldenaars. Jeremia 1

16:1 En het woord des Heren geschiedde tot mij, zeggende

16:2 Gij zult u geen vrouw nemen, noch zonen of dochters verwekken in deze plaats

16:3 want dus spreekt de Heer aangaande de zonen en dochters, die in deze plaats geboren worden, aangaande hunne moeders, die hen baarden, en aangaande hunne vaders, die hen verwekten in dit land

16:4 Zij zullen aan smartelijke krankheden sterven en niet beklaagd noch begraven worden, maar zij zullen tot mest op het land worden, en zij zullen door het zwaard en den honger omkomen, en hunne dode lichamen zullen den vogelen des hemels en den dieren der aarde tot spijs zijn

16:5 Want dus spreekt de Heer: Gij zult niet in het treurhuis gaan, en zult ook nergens heengaan tot rouwbeklag, noch medelijden met hen hebben, want Ik heb mijnen vrede van dit volk weggenomen, spreekt de Heer, mijne genade en barmhartigheid tevens

16:6 zodat beiden, groot en klein, in dit land zullen sterven, en niet begraven noch beklaagd worden, en niemand zal zich om hunnentwil insnijden noch kaal scheren

16:7 Ook zal men hun het brood niet breken met betrekking tot den rouw, om hen te troosten over een gestorvene, noch hun te drinken geven uit den troostbeker over iemands vader of moeder

16:8 Ook zult gij in geen drinkhuis gaan om met hen aan te zitten, om te eten en te drinken

16:9 Want dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Zie, Ik zal van deze plaats voor uwe ogen en bij uw leven doen ophouden de stem der vreugde en der blijdschap, de stem des bruidegoms en der bruid

16:10 En als gij aan dit volk dit alles zult gezegd hebben, en zij dan tot u zeggen zullen: Waarom spreekt de Heer over ons al dit grote ongeluk uit? Welke is de misdaad en de zonde, waarmede wij tegen den Heer onzen God gezondigd hebben? dan zult gij tot hen zeggen

16:11 Omdat uwe vaders Mij verlaten hebben, spreekt de Heer, en andere goden nagevolgd en die gediend en aangebeden, maar Mij verlaten en mijne wet niet onderhouden hebben

16:12 en omdat gij nog erger doet dan uwe vaders; want zie, ieder leeft naar het goeddunken van zijn boos hart, om naar Mij niet te horen

16:13 Daarom zal Ik u uit dit land stoten in een land, hetwelk gij niet gekend hebt noch uwe vaders; daar moogt gij dan, dag en nacht, andere goden dienen; want Ik zal u geen genade bewijzen

16:14 Derhalve zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat men niet meer zeggen zal: Zo waarachtig de Heer leeft, die de kinderen Israëls uit Egypteland gevoerd heeft

16:15 maar: Zo, waarachtig de Heer leeft, die de kinderen Israëls gevoerd heeft uit het land van het Noorden, en uit al de landen, waarheen Hij hen gedreven heeft; want Ik zal hen wederbrengen in hun land, hetwelk Ik hunnen vaderen gegeven heb

16:16 Zie, Ik zal vele visschers uitzenden, spreekt de Heer, die zullen hen opvissen; en daarna zal Ik vele jagers uitzenden, die zullen hen vangen op alle bergen en op alle heuvelen en in alle steenkloven

16:17 Want mijne ogen zien op al hunne wegen, zodat zij zich voor Mij niet verbergen kunnen; en hunne misdaad is voor mijne ogen niet verborgen

16:18 Maar Ik zal eerst hunne misdaad en zonde dubbel betalen, omdat zij mijn land met de dode lichamen hunner afgoden verontreinigd en mijn erfdeel met hunne gruwelen vervuld hebben

16:19 Heer, Gij zijt mijne sterkte en kracht, en mijne toevlucht in den nood; de volken zullen tot U komen van het einde der aarde, en zeggen: Onze vaders hebben valse en nietige goden gehad, die geen nut konden doen

16:20 Hoe zou een mens zich goden kunnen maken? Het zijn toch geen goden

16:21 Derhalve zie, nu zal Ik hen leren, en mijne hand en macht hun bekendmaken; en zij zullen gewaarworden, dat mijn naam Heer is. Jeremia 1

17:1 De zonde van Juda is geschreven met ene ijzeren stift en met de punt eens diamants, en gegraveerd op de tafel huns harten, als op de hoornen hunner altaren

17:2 opdat hunne kinderen nog gedenken zullen aan deze altaren, en aan de ascherabeelden bij het groen geboomte, op de hoge bergen

17:3 Maar Ik zal uwe hoogten, zo op de bergen als in de velden, benevens uwe have en al uwe schatten ten roof geven, om de zonden in al uwe grenspalen begaan

17:4 En gij zult verstoten worden uit uw erfdeel, dat Ik u gegeven heb, en Ik zal u tot knechten uwer vijanden maken in een land, dat gij niet kent; want gij hebt een vuur mijns toorns ontstoken, dat eeuwig branden zal

17:5 Dus spreekt de Heer: Vervloekt is de man, die zich op mensen verlaat, en op vlees steunt, terwijl zijn hart van den Heer afwijkt

17:6 want hij zal zijn als de heidestruik in de woestijn, en zal niet zien de toekomende troost, maar zal blijven in de dorheid der woestijn, in een onvruchtbaar land, waar niemand woont

17:7 Maar gezegend is de man, die zich op den Heer verlaat, en wiens toeverlaat de Heer is

17:8 want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en ingeworteld aan ene beek, en die het niet gevoelt als er hitte ontstaat, want zijne bladeren blijven groen, en hij bekommert zich niet als er een dor jaar komt, maar brengt vruchten voort zonder ophouden

17:9 Het hart is een trots, een versaagd ding; wie kan het doorgronden

17:10 Ik, de Heer, doorgrond het hart en beproef de nieren, om een ieder te geven naar zijn doen, naar de vruchten zijner werken

17:11 Want gelijk een vogel, die eieren uitbroedt, welke hij niet gelegd heeft, zo is hij, die door onrecht goed vergadert; want hij moet het verlaten, als hij dit het minst verwacht, en zal nog in het einde ten spot worden

17:12 Maar de plaats van ons heiligdom, de troon der goddelijke eer, is altoos vast gebleven

17:13 Want, Heer, Gij zijt Israëls hoop; allen, die U verlaten, moeten te schande worden, en de afvalligen moeten in het stof geschreven worden; want zij verlaten den Heer, de bron des levenden waters

17:14 Genees mij, Heer, zo word ik genezen; help mij, zo ben ik geholpen; want Gij zijt mijn roem

17:15 Zie, zij zeggen tot mij: Waar is dan het woord des Heren? Laat het nu toch komen

17:16 Maar ik heb mij niet ont trokken U als herder te volgen; ook heb ik den ongeluksdag niet begeerd, dat weet Gij; wat ik gepredikt heb, dat is recht voor U

17:17 Wees Gij mij slechts niet tot ene verschrikking, mijn toeverlaat in den nood

17:18 Laat hen te schande worden, die mij vervolgen, maar mij niet; laat hen verschrikken, maar mij niet; laat den dag des ongeluks over hen komen, en verbreek hen met ene dubbele verbreking

17:19 Dus spreekt de Heer tot mij: Ga heen en sta in de poort des volks, door welke de koningen van Juda uit [gaan] en ingaan, en in al de poorten van Jeruzalem

17:20 en zeg tot hen: Hoort het woord des Heren, gij koningen van Juda, en geheel Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat

17:21 dus spreekt de Heer: Wacht u en draagt geen last op den sabbatdag door de poorten in Jeruzalem

17:22 en voert geen last op den sabbatdag uit uwe huizen, en doet geen arbeid, maar heiligt den sabbatdag, zoals Ik uwen vaderen geboden heb

17:23 maar zij hoorden niet en neigden hunne oren niet, maar bleven hardnekkig, om Mij toch niet te horen noch de tucht aan te nemen

17:24 Indien gij Mij zult horen, spreekt de Heer, dat gij geen last door deze stadspoorten inbrengt op den sabbatdag, maar dien heiligt; zodat gij geen werk daarop verricht

17:25 zo zullen ook door deze stadspoorten uit [gaan] en ingaan koningen en vorsten, die op Davids troon zitten, en op wagens en paarden rijden; zij en hunne vorsten, allen, die in Juda en te Jeruzalem wonen; en deze stad zal eeuwiglijk bewoond worden

17:26 En er zullen komen uit de steden van Juda en uit de plaatsen rondom Jeruzalem; en uit het land Benjamin; uit de laagte en van het gebergte en van het Zuiden, die brandoffer, slachtoffer, spijsoffer en wierook zullen brengen tot het huis des Heren

17:27 Maar is het, dat gij naar Mij niet zult horen om den sabbatdag te heiligen en geen last in te brengen door de poorten van Jeruzalem op den sabbatdag, zo zal Ik een vuur in uwe poorten ontsteken, dat de huizen te Jeruzalem zal verteren en niet uitgeblust worden. Jeremia 1

18:1 Dit is het woord, dat van den Heer tot Jeremia geschied is, zeggende

18:2 Maak u op en ga af naar het huis des pottenbakkers, aldaar zal ik U mijne woorden doen horen

18:3 En ik ging af naar het huis des pottenbakkers, en zie, hij arbeidde juist op de schijven

18:4 en de pot, dien hij van het leem maakte, mislukte hem onder de hand; toen maakte hij daarvan weder een anderen pot, zoals het hem behaagde

18:5 Toen geschiedde het woord des Heren tot mij, zeggende

18:6 Kan Ik niet, evenals deze pottenbakker, ook met u handelen, o huis van Israël? spreekt de Heer: zie, gelijk het leem is in des pottenbakkers hand, zo zijt gijlieden in mijne hand, o huis van Israël

18:7 Schielijk spreek Ik tot een volk of koninkrijk, dat Ik het uitroeien en verbreken en verderven zal

18:8 maar als dit volk, over hetwelk Ik dat gesproken heb, zich bekeert van zijne boosheid, dan zal Mij ook berouwen het ongeluk, dat Ik gedacht had het aan te doen

18:9 En schielijk spreek Ik over een volk of koninkrijk, dat Ik het bouwen en planten zal

18:10 maar als het dan kwaaddoet voor mijne ogen, zodat het naar mijne stem niet hoort, dan zal Mij ook berouwen het goede, dat Ik beloofd had het aan te doen

18:11 Zeg dan nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem: Dus spreekt de Heer: Zie, Ik bereid ongeluk tegen u, en smeed overleggingen tegen u; bekeert u toch elk van zijnen bozen weg, en verbetert uw doen en uwen wandel

18:12 Maar zij zeggen: Er zal niets van worden; wij willen naar onze gedachten wandelen, en elk zal doen naar het goeddunken van zijn boos hart

18:13 Daarom spreekt de Heer aldus: Vraag toch onder de volken, wie heeft ooit zo iets gehoord, dat de jonkvrouw, Israël, zulk een afgrijselijk werk bedrijft

18:14 Blijft wel de sneeuw, die van den Libanon afkomt, langer op de stenen in het veld; vloeit wel het stromende water sneller

18:15 dan mijn volk Mij heeft vergeten? Zij wieroken den goden, en richten altoos ergernis op hunne wegen aan, en wandelen op ongebaande paden

18:16 opdat hun land tot ene woestijn worde, hun tot ene eeuwige schande, zodat alwie daar voorbijgaat zich verwondert en het hoofd schudt

18:17 Ik zal hen als door een Oostenwind verstrooien voor het aangezicht hunner vijanden; Ik wil hun den rug en niet het aangezicht laten zien, als zij verderven

18:18 Toen zeiden zij: Komt en laat ons aanslagen smeden tegen Jeremia; want de priesters kunnen niet dwalen in de wet, en de wijzen kunnen niet missen met raadgeven, en de profeten kunnen niet verkeerd leren. Komt en laat ons hem verslaan met de tong, en niet luisteren naar al zijne woorden

18:19 Heer, sla acht op mij, en hoor de stem mijner tegenpartijders

18:20 Zal men dan goed met kwaad vergelden? Want zij hebben voor mijne ziel een kuil gegraven. Gedenk toch, dat ik voor U gestaan heb om voor hen ten beste te spreken, en uwe verbolgenheid van hen af te wenden

18:21 Straf dan nu hunne zonen met honger, en laat hen vallen in het zwaard; dat hunne vrouwen kinderloos en weduwen worden, en hunne mannen door den dood omkomen, en hunne jongelingen in den strijd door het zwaard getroffen worden

18:22 Dat er een geschreeuw uit hunne huizen gehoord worde, wanneer Gij onverhoeds krijgsvolk over hen doet komen; want zij hebben een kuil gegraven om mij te vangen, en strikken voor mijne voeten gelegd

18:23 En dewijl Gij Heer, al hunne aanslagen tegen mij weet, dat zij mij willen doden, zo vergeef hun hunne misdaad niet, en laat hunne zonde niet uitgedelgd worden voor U, maar laat hen voor U terneder geveld worden; handel alzo met hen ten tijde uws toorns. Jeremia 1

19:1 Dus spreekt de Heer: Ga heen, met enige van de oudsten des volks en van de oudste priesters, en koop ene aarden kruik van den pottenbakker

19:2 en ga uit naar het dal van Ben-Hinnom, dat voor de Tichelpoort ligt, en predik aldaar de woorden, die Ik tot u spreek

19:3 en zeg: Hoort het woord des Heren, gij koningen van Juda en gij inwoners van Jeruzalem: dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Zie, Ik zal een ongeluk brengen over deze plaats, waarvan een ieder, die het horen zal, de oren zullen klinken

19:4 dewijl zij Mij verlaten, en deze plaats een vreemden god gegeven hebben en anderen goden aldaar gewierookt hebben, die zij noch hunne vaderen noch de koningen van Juda gekend hebben, en deze plaats met onschuldig bloed hebben vervuld

19:5 want zij hebben voor Baäl hoogten gebouwd, om hunne kinderen te verbranden, Baäl tot brandoffers; hetgeen Ik hun niet geboden en waarvan Ik niet gesproken heb, en dat nooit in mijn hart is opgekomen

19:6 Daarom zie, de tijd zal komen, spreekt de Heer, dat men deze plaats niet meer noemen zal Tofeth of dal van Ben-Hinnom, maar moord-dal

19:7 want Ik zal den godsdienst van Juda en Jeruzalem te dezer plaatse vernietigen, en zal hen door het zwaard doen vallen voor het aangezicht hunner vijanden en in de hand dergenen, die hun naar het leven staan; en Ik zal hunne dode lichamen aan de vogels des hemels en de dieren der aarde ter verslinding geven

19:8 En Ik zal deze stad woest en tot een spot maken, zodat allen, die er voorbijgaan, zich verwonderen zullen, en haar nog beschimpen in hare plagen

19:9 Ik zal hen het vlees hunner zonen en dochters doen eten, en de een zal des anderen vlees eten, in den nood en angst, met welke hunne vijanden en die hen naar het leven staan hen benauwen zullen

19:10 Dan zult gij de kruik verbreken voor de ogen der mannen, die met u gegaan zijn

19:11 en tot hen zeggen: Dus spreekt de heer Zebaôth: Zoals men een pottenbakkervat verbreekt, dat niet weder heel kan worden, zo zal Ik dit volk en deze stad ook verbreken; en men zal hen in Tofeth begraven, dewijl er geen plaats voor begraven meer zal zijn

19:12 Alzo zal Ik met deze plaats en hare inwoners doen, spreekt de Heer, dat deze stad worden zal als Tofeth

19:13 Ook zullen de huizen van Jeruzalem en de huizen der koningen van Juda even zo onrein worden als de plaatsen van Tofeth; al die huizen, op welker daken zij aan al het heir des hemels gewierookt en aan vreemde goden drankoffers geofferd hebben

19:14 En toen Jeremia weder van Tofeth kwam, waarheen de Heer hem gezonden had om te profeteren, trad hij in het voorhof des Heren, en sprak tot al het volk

19:15 Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Zie Ik zal over deze stad en over al hare steden al het ongeluk brengen, hetwelk Ik tegen haar gesproken heb, omdat zij hardnekkig zijn en naar mijne woorden niet willen horen. Jeremia 2

20:1 Toen nu Pashur, de zoon van Immer, de priester, die tot overste in het huis des Heren gesteld was, Jeremia deze woorden hoorde profeteren

20:2 sloeg hij den profeet Jeremia, en wierp hem in de gevangenis, welke is in het bovenste der poort van Benjamin, die aan het huis des Heren is

20:3 En toen het morgen werd, haalde Pashur Jeremia uit de gevangenis. Toen sprak Jeremia tot hem: De Heer noemt u voortaan niet Pashur, maar Magormissabib [schrik van rondom]

20:4 Want dus spreekt de Heer: Zie, Ik wil u met al uwe vrienden aan de vrees overgeven, en zij zullen door het zwaard hunner vijanden vallen, dat uwe ogen het zien zullen; en Ik zal geheel Juda in de hand des konings van Babel overgeven; die zal hen wegvoeren naar Babel en met het zwaard doden

20:5 Ook zal Ik al de goederen dezer stad, met al haren arbeid, en al hare kleinodiën, en al de schatten der koningen van Juda in de hand hunner vijanden geven, die ze zullen roven en wegvoeren en naar Babel brengen

20:6 En gij, Pashur, zult met al uwe huisgenoten in gevangenschap gaan, en naar Babel komen; aldaar zult gij sterven en begraven worden, met al uwe vrienden, voor wie gij leugens geprofeteerd hebt

20:7 Heer, Gij hebt mij overreed en ik heb mij laten overreden; Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmoogd; maar ik ben daarover ten spot geworden dagelijks, en iedereen beschimpt mij

20:8 Want sedert ik gesproken, geroepen en gepredikt heb van de plaag en verwoesting, is het woord des Heren mij ten hoon en spot geworden dagelijks

20:9 Toen dacht ik: Ik wil er niet meer van gewagen, en niet meer in zijnen naam prediken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, in mijn gebeente besloten, dat ik het niet verdragen kon en bijna vergaan was

20:10 Want ik hoor, dat velen mij schelden en mij verschrikken van rondom. Klaagt hem aan [zeggen zij], wij willen hem aanklagen. Al mijne vrienden loeren op mijnen val, zeggende: misschien zal hij overreed worden, zo zullen wij aan hem kunnen komen en ons aan hem wreken

20:11 Maar de Heer is met mij als een sterke held, daarom zullen mijne vervolgers vallen en niet de overhand hebben; te schande worden zij geheel en al, omdat zij zo dwaas handelen; eeuwig zal de schande zijn, men zal die niet vergeten

20:12 En nu, Heer Zebaôth, Gij, die den rechtvaardige beproeft, nieren en harten ziet, laat mij uwe wraak aan hen zien, want ik heb u mijne zaak bevolen

20:13 Zingt den Heer, roemt den Heer, die het leven des weerlozen uit de hand der bozen redt

20:14 Vervloekt zij de dag, op welken ik geboren ben; de dag, op welken mijne moeder mij baarde, zij niet gezegend

20:15 Vervloekt zij hij, die mijnen vader de goede boodschap bracht, zeggende: Gij hebt een jongen zoon, verblijd u over hem

20:16 Dat die man zij als de steden, welke de Heer heeft omgekeerd zonder zich te ontfermen; hij hore des morgens gejammer en des middags gekerm

20:17 Dat gij mij niet gedood hebt in den moederschoot, of dat mijne moeder mijn graf geweest ware, en haar schoot voor eeuwig ware zwanger gebleven

20:18 Waarom ben ik uit den moederschoot voortgekomen, om jammer en ellende te zien, en mijne dagen in schande door te brengen? Jeremia 2

21:1 Dit is het woord, dat van den Heer geschiedde tot Jeremia, toen koning Zedekía tot hem zond Pashur, den zoon van Malkía, en Zefanja, den zoon van Maäseja, den priester, zeggende

21:2 Vraag toch den Heer voor ons, want Nebukadnezar, de koning van Babel, strijdt tegen ons: dat de Heer toch met ons handele naar al zijne wonderen, opdat hij van ons wegtrekke

21:3 En Jeremia sprak tot hen: Zegt tot Zedekía

21:4 Dus spreekt de Heer, Israëls God: Zie, Ik zal de wapenen terugwenden, welke gij in uwe handen hebt, met welke gij strijdt tegen den koning van Babel en tegen de Chaldeën, die u van buiten aan den muur belegerd hebben; en Ik zal ze op een hoop verzamelen midden in de stad

21:5 En Ik zelf zal tegen u strijden met ene uitgestrekte hand en met een sterken arm, ja met gramschap en gloed des toorns en grote verbolgenheid

21:6 En Ik zal de ingezetenen dezer stad slaan, zo mensen als vee, dat zij sterven zullen door ene zware pest

21:7 En daarna, spreekt de Heer, zal Ik Zedekía den koning van Juda, benevens zijne knechten en het volk, dat in deze stad van de pest, het zwaard en den honger overblijven zal, geven in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, en in de hand hunner vijanden en in de hand dergenen, die hun naar het leven staan; en hij zal ze slaan met de scherpte des zwaards, zodat er geen verschoning, noch genade, noch barmhartigheid zal zijn

21:8 En zeg tot dit volk: Dus spreekt de Heer: Zie, Ik leg u Vóór den weg des levens en den weg des doods

21:9 wie in deze stad blijft, die zal sterven door het zwaard of door den honger of door de pest; maar, wie uitgaat tot de Chaldeën, die ulieden belegeren, zal in leven blijven, en zal zijn leven als een buit behouden

21:10 Want Ik heb mijn aangezicht tegen deze stad gesteld tot ongeluk, en niet ten goede, spreekt de Heer; zij zal den koning van Babel overgegeven worden, om ze met vuur te verbranden

21:11 En hoort ook het woord des Heren aangaande het huis des konings van Juda

21:12 gij huis van David, dus spreekt de Heer: Houdt des morgens gericht, en verlost den beroofde uit de hand des geweldenaars; opdat mijne gramschap niet uitvare als een vuur, en zo brande, dat niemand het blussen kan, om uwe kwade werken

21:13 Zie, spreekt de Heer, Ik zal tegen u [strijden], die in de laagte, op de steenrots en op de vlakte woont, en zegt: Wie zou ons overvallen of in onze sterkten komen

21:14 Ik zal ulieden bezoeken, spreekt de Heer, naar de vrucht van uw doen; Ik zal een vuur ontsteken in uw woud, dat alles rondom verteren zal. Jeremia 2

22:1 Dus spreekt de Heer: Ga af naar het huis des konings van Juda, en spreek aldaar dit woord

22:2 en zeg: Hoor het woord des Heren, gij koning van Juda, die op Davids troon zit; gij en uwe knechten en uw volk, allen, die ingaan door deze poorten

22:3 dus spreekt de Heer: Houdt recht en gerechtigheid, en redt den beroofde uit de hand des geweldenaars; en onderdrukt de vreemdelingen, wezen en weduwen niet, en doet niemand geweld, en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats

22:4 Want indien gijlieden dit zult doen, zo zullen door de poorten van dit huis koningen ingaan, die op Davids troon zitten, rijdende op wagens en paarden, met hunne knechten en hun volk

22:5 maar, indien gij naar deze woorden niet zult horen, dan heb Ik bij mijzelven gezworen, spreekt de Heer, dat dit huis vernield zal worden

22:6 Want dus spreekt de Heer aangaande het huis des konings van Juda: Gilead zijt gij Mij, het hoofd des Libanons: zie toe, dat Ik u niet tot ene woestijn make, en als steden zonder inwoners

22:7 Want Ik heb verdervers tegen u besteld, elk met zijne wapenen; die zullen uwe uitgelezen cederen omverhouwen en in het vuur werpen

22:8 Dan zullen vele volken deze stad voorbijgaan, en onder elkander zeggen: Waarom heeft de Heer met deze grote stad Zó gehandeld

22:9 En men zal antwoorden: Omdat zij het verbond van den Heer hunnen God verlaten, en andere goden aangebeden en die gediend hebben

22:10 Weent niet langer over den dode, en rouwklaagt niet meer over hem; maar weent over dengene, die heentrekt, want hij zal nooit wederkomen en zijn vaderland niet meer zien

22:11 Want dus spreekt de Heer aangaande Sallum, den zoon van Josía, den koning van Juda, die in de plaats van zijnen vader Josía regeerde, die van deze plaats uitgetrokken is: Hij zal niet weder herwaarts komen

22:12 maar hij zal sterven in die plaats, waarheen hij gevankelijk is weggevoerd, en hij zal dit land niet wederzien

22:13 Wee dengene, die zijn huis met ongerechtigheid bouwt, en zijne zalen met onrecht, die zijnen naaste omniet laat arbeiden, en hem zijn loon niet geeft

22:14 en zegt: Ik zal mij een groot huis bouwen en ruime paleizen, en zich vensters daarin laat uithouwen, en het met cederhout laat beschieten en met menie beschilderen

22:15 Meent gij, dat gij koning zijt om met cederhout te pronken? Heeft uw vader ook niet gegeten en gedronken; en hij oefende nochtans recht en gerechtigheid, en het ging hem toen wél

22:16 hij handhaafde het recht van den ellendige en arme, en het ging hem toen wél. Is dit niet Mij recht kennen, spreekt de Heer

22:17 Maar uwe ogen en uw hart zijn niet gesteld dan op uwe gierigheid, om onschuldig bloed te vergieten, te onderdrukken en overlast te doen

22:18 Daarom spreekt de Heer aldus van Jojakim, den zoon van Josía, den koning van Juda: Men zal over hem niet rouwklagen: Ach, mijn broeder, ach, mijne zuster! men zal over hem niet rouwklagen: Ach, heer, ach edele

22:19 Hij zal als een ezel begraven worden, weggesleept en naar buiten geworpen worden voor de poorten van Jeruzalem

22:20 Ga dan heen op den Libanon en roep, en laat u horen te Basan, en roep van Abarim; want al uwe vrienden zijn jammerlijk omgebracht

22:21 Ik heb het u tevoren gezegd, toen het nog wél met u stond; maar gij zeidet: Ik wil niet horen. Zo hebt gij al de dagen uws levens gedaan, dat gij naar mijne stem niet gehoord hebt

22:22 De wind zal uwe herders weiden, en uwe vrienden zullen gevankelijk wegtrekken; dan zult gij beschaamd en te schande worden vanwege al uwe boosheid

22:23 Gij, die op den Libanon woont en in cederen genesteld zijt, hoe schoon zult gij er uitzien, als de smarten en weeën u zullen aangrijpen als van ene in barensnood

22:24 Zo waarachtig Ik leef, spreekt de Heer, al ware het, dat Konía, de zoon van Jojakim, den koning van Juda, een zegelring aan mijne rechterhand was, zo zou Ik u toch vandaar wegrukken

22:25 Ja, Ik zal u geven in de hand dergenen, die u naar het leven staan en voor wie gij vreest; in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, en in de hand der Chaldeën

22:26 en Ik zal u en uwe moeder, die u gebaard heeft, naar een ander land drijven, dat uw vaderland niet is

22:27 en daar zult gij sterven; en naar het land, waarnaar zij hartelijk verlangen, zullen zij niet wederkeren

22:28 Welk een ellendig, veracht, verstoten man is Konía, een onwaardig vat! Ach, hoe is hij met zijn zaad verdreven, en naar een onbekend land heengeworpen

22:29 O land, land, land, hoor des Heren woord

22:30 Dus spreekt de Heer: Schrijft dezen man op als een kinderloze, een man, wien het al de dagen zijns levens niet wél zal gaan; want hij zal het geluk niet hebben, dat voortaan iemand van zijn zaad op Davids troon zitten en in Juda heersen zal. Jeremia 2

23:1 Wee den herders, die de schapen mijner weide ombrengen en verstrooien, spreekt de Heer

23:2 Daarom spreekt de Heer, Israëls God, aldus aangaande de herders, die mijn volk weiden: Gij hebt mijne kudde verstrooid en ze verstoten en niet bezocht; zie, Ik zal u bezoeken vanwege uwe boze handelingen, spreekt de Heer

23:3 Doch Ik zal de overgeblevenen mijner kudde vergaderen uit alle landen, waarheen ik ze weggedreven heb, en Ik zal ze wederbrengen tot hunne kooien, dat zij zullen wassen en vermenigvuldigd worden

23:4 en Ik zal herders over hen stellen, die hen weiden zullen, dat zij niet meer zullen vrezen, noch verschrikken, noch vermist worden, spreekt de Heer

23:5 Zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat Ik David ene rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal een koning zijn, die wél regeren zal, en recht en gerechtigheid oefenen op de aarde

23:6 In zijnen tijd zal Juda geholpen worden en Israël veilig wonen; en dit zal zijn naam zijn, waarmede men hem noemen zal: De Heer is onze gerechtigheid

23:7 Derhalve zie, de tijd zal komen, spreekt de Heer, dat men niet meer zeggen zal: Zo waarachtig de Heer leeft, die de kinderen Israëls uit Egypteland gevoerd heeft

23:8 maar: Zo waarachtig de Heer leeft, die het zaad van het huis Israëls heeft uitgevoerd en gebracht uit het land van het Noorden, en uit al de landen, waarheen Ik hen weggedreven heb; want zij zullen in hun land wonen

23:9 Tegen de profeten. Mijn hart dreigt in mijn lichaam te breken, al mijne beenderen sidderen; ik ben als een dronken man en als die van wijn tuimelt, vanwege den Heer en vanwege zijne heilige woorden

23:10 omdat het land vol overspelers is, omdat het land vanwege den vloek zo jammerlijk staat, en de landouwen in de woestijn verdorren; want hun leven is boos en hunne regering deugt niet

23:11 Want zo profeten als priesters zijn huichelaars, en Ik vind ook in mijn huis hunne boosheid, spreekt de Heer

23:12 Daarom is hun weg voor hen als ene gladde steilte in het donker, waar zij uitglijden en vallen; want Ik zal ongeluk over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de Heer

23:13 In de profeten van Samarië zag Ik dwaasheid, dat zij door Baäl profeteerden en mijn volk Israël verleidden

23:14 maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik gruwelen, dat zij overspel bedrijven, en met leugens omgaan, en de bozen versterken, opdat niemand zich bekere van zijne boosheid; zij zijn allen voor Mij als Sodom en hare inwoners als Gomorra

23:15 Daarom spreekt de Heer Zebaôth aangaande die profeten aldus: Zie, Ik zal hen met alsem spijzen en met gal drenken, want van de profeten van Jeruzalem heeft zich huichelarij verspreid in het gehele land

23:16 Dus spreekt de Heer Zebaôth: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij bedriegen u, want zij prediken de ingeving huns harten, en niet wat uit den mond des Heren is

23:17 zij zeggen tot degenen, die mij lasteren: De Heer heeft het gesproken, het zal ulieden welgaan; en tot allen, die naar huns harten goeddunken wandelen, zeggen zij: Ulieden zal geen ongeluk overkomen

23:18 Want wie heeft in den raad des Heren gestaan, en zijn woord gezien of gehoord? Wie kan zijn woord vernemen of horen

23:19 Zie, er zal een onweder des Heren met grimmigheid komen, en een verschrikkelijk onweder op het hoofd der goddelozen losbarsten

23:20 En de toorn des Heren zal niet ophouden, totdat Hij zal gedaan en uitgevoerd hebben, wat Hij in den zin heeft: dan zult gij het wel gewaarworden

23:21 Ik heb die profeten niet gezonden, en nochtans liepen zij; Ik sprak niet tot hen, en nochtans profeteerden zij

23:22 Want, indien zij bij mijnen raad gebleven waren, en mijne woorden aan mijn volk gepredikt hadden, zij zouden hen van hunne boosheid en van hunnen kwaden weg bekeerd hebben

23:23 Ben Ik dan slechts een God van nabij, spreekt de Heer, en niet ook een God van verre

23:24 Zou iemand zich zo heimelijk kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien, spreekt de Heer; ben Ik het niet, die hemel en aarde vervul, spreekt de Heer

23:25 Ik hoor het wel wat de profeten prediken, die leugen profeteren in mijnen naam, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd

23:26 Wanneer zullen toch de profeten ophouden, die leugen voorspellen en de bedriegerij hunner harten profeteren

23:27 die willen, dat mijn volk mijnen naam vergeten zal door hunne dromen, die zij de een den ander verhalen, zoals hunne vaderen mijnen naam wegens Baäl vergaten

23:28 Een profeet, die dromen heeft, predike die dromen; en wie mijn woord heeft, predike mijn woord naar waarheid. Wat overeenkomst heeft stro met tarwe, spreekt de Heer

23:29 Is mijn woord niet als een vuur, spreekt de Heer, en als een hamer, die steenrotsen vermorzelt

23:30 Daarom zie, Ik zal tegen de profeten zijn, spreekt de Heer, die mijne woorden stelen de een van den ander

23:31 zie, Ik zal tegen de profeten zijn, spreekt de Heer, die hun eigen woord voeren en zeggen: Hij heeft het gezegd

23:32 Zie, Ik zal tegen degenen zijn, die valse dromen profeteren, spreekt de Heer, en die ze prediken, en mijn volk verleiden met hunne leugens en loze streken: daar Ik hen nochtans niet gezonden en hun niets bevolen heb, en zij ook aan dit volk geen nut doen, spreekt de Heer

23:33 Wanneer dan dit volk, of een profeet, of een priester u vragen zal, zeggende: Welke is de last des Heren? zo zult gij tot hen zeggen: Wat de last is? Dat Ik u zal wegwerpen, spreekt de Heer

23:34 En indien een profeet, of priester, of het volk zeggen zal: Dit is de last des Heren, dien zal Ik bezoeken en zijn huis ook

23:35 Maar alzo zult gij zeggen de een tot den ander en onder elkander: Wat antwoordt de Heer en wat spreekt de Heer

23:36 En noemt het niet meer den last des Heren; want voor ieder zal zijn eigen woord een last zijn, dewijl gij de woorden van den levenden God, den Heer Zebaôth, onzen God, verdraaid hebt

23:37 Daarom zult gij tot den profeet aldus zeggen: Wat antwoordt de Heer u en wat spreekt de Heer

23:38 Maar dewijl gij zegt: De last des Heren, daarom spreekt de Heer aldus: Omdat gij dit woord den last des Heren noemt, en Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult het niet noemen den last des Heren

23:39 zie, zo zal Ik u wegnemen, en u, benevens de stad, die Ik u en uwen vaderen gegeven heb, van voor mijn aangezicht wegwerpen

23:40 en Ik zal u eeuwige schande en eeuwige smaad aandoen, die nimmer zal vergeten worden. Jeremia 2

24:1 Zie, de Heer vertoonde mij twee korven met vijgen, gesteld Vóór den tempel des Heren, nadat Nebukadnezar, de koning van Babel, Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, gevankelijk had weggevoerd, benevens de vorsten van Juda, en de timmerlieden en de smeden, en hen van Jeruzalem naar Babel had gebracht

24:2 In den enen korf waren zeer goede vijgen, gelijk de vroege vijgen zijn; in den anderen korf waren zeer slechte vijgen, die vanwege hare slechtheid niet gegeten konden worden

24:3 En de Heer sprak tot mij: Jeremia, wat ziet gij? Toen zeide ik: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de slechte zijn zeer slecht, zodat zij vanwege hare slechtheid niet gegeten kunnen worden

24:4 Toen geschiedde het woord des Heren tot mij, zeggende

24:5 Dus spreekt de Heer, Israëls God: Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik erkennen de gevangenen van Juda, die Ik uit deze plaats heb doen trekken naar het land der Chaldeën

24:6 en Ik zal hen genadig aanzien, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen en niet afbreken, en zal hen planten en niet uitroeien

24:7 en Ik zal hun een hart geven, dat zij Mij kennen zullen, dat Ik de Heer ben; en zij zullen mijn volk zijn en Ik zal hun God zijn, want zij zullen zich van ganser harte tot Mij bekeren

24:8 Maar gelijk die slechte vijgen, die vanwege hare slechtheid niet kunnen gegeten worden, alzo, spreekt de Heer, zal Ik Zedekía maken, de koning van Juda, benevens zijne vorsten, en wat er overgebleven is te Jeruzalem, en de overgeblevenen in dit land en die in Egypteland wonen

24:9 en Ik zal hun ongeluk geven en hen in geen koninkrijk op aarde laten blijven, zodat zij te schande zullen worden, tot een spreekwoord, tot ene schimprede en tot een vloek, aan alle plaatsen, waarheen Ik hen zal wegdrijven

24:10 en Ik zal het zwaard, den honger en de pest onder hen zenden, totdat zij omkomen van het land, hetwelk Ik hun en hunnen vaderen gegeven heb. Jeremia 2

25:1 Dit is het woord, dat tot Jeremia geschiedde aangaande het gehele volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, dat is het eerste jaar van Nebukadnezar, den koning van Babel

25:2 hetwelk de profeet Jeremia sprak tot al het volk van Juda en tot al de inwoners van Jeruzalem, zeggende

25:3 Sedert het dertiende jaar van Josía, den zoon van Amon, den koning van Juda, is het woord des Heren tot mij geschied tot op dezen dag toe; en ik heb ulieden nu drieëntwintig jaar vroeg en laat gepredikt, maar gij hebt nooit willen horen

25:4 Ook heeft de Heer tot u gezonden al zijne knechten, de profeten, vroeg en laat; maar gij hebt nooit willen horen, noch uwe oren geneigd om te horen

25:5 als zij spraken: Bekeert u toch een ieder van zijnen bozen weg en van uwe kwade handelingen, zo zult gij in het land, hetwelk de Heer u en uwen vaderen gegeven heeft, altoos en eeuwiglijk blijven

25:6 volgt geen andere goden om hen te dienen en te aanbidden, opdat gij Mij niet vertoornt door het werk uwer handen, en Ik een ongeluk over u brenge

25:7 Maar gij wildet Mij geen gehoor geven, spreekt de Heer, zodat gij Mij vertoorndet door het werk uwer handen, tot uw eigen ongeluk

25:8 Daarom spreekt de Heer Zebaôth aldus: Dewijl gij dan naar mijne woorden niet horen wilt

25:9 zie, zo zal Ik uitzenden en alle volken van het Noorden laten komen, spreekt de Heer, en ook mijnen knecht Nebukadnezar, den koning van Babel, en zal hen brengen over dit land en over degenen, die daarin wonen, en over al deze volken, die rondom liggen; en Ik zal hen verbannen en vernielen, en hen tot spot en tot ene eeuwige woestijn maken

25:10 En Ik zal daaruit doen vergaan al het vrolijke gezang, de stem des bruidegoms en der bruid, het geluid des molens en het licht der lamp

25:11 en dit gehele land zal woest en vernield worden, en deze volken zullen den koning van Babel dienen zeventig jaar

25:12 Maar als de zeventig jaar om zijn, zal Ik den koning van Babel bezoeken, en al dit volk, spreekt de Heer, wegens hunne misdaad, daarnevens het land der Chaldeën; en Ik zal het tot ene eeuwige woestijn maken

25:13 Alzo zal Ik over dit land brengen al mijne woorden, die Ik daartegen gesproken heb, alles wat in dit boek geschreven is, hetwelk Jeremia geprofeteerd heeft over alle volken

25:14 Want ook hen zullen machtige volken en grote koningen doen dienen, en Ik zal hun vergelden naar hunne verdiensten en naar de werken hunner handen

25:15 Want dus spreekt de Heer, Israëls God, tot mij: Neem dezen beker van den wijn der gramschap van mijne hand, en schenk daaruit aan alle volken, tot welke Ik u zend

25:16 dat zij drinken, tuimelen en onzinnig worden, wegens het zwaard, hetwelk Ik onder hen zenden zal

25:17 En ik nam den beker van de hand des Heren, en gaf daaruit te drinken aan alle volken, tot welke de Heer mij zond

25:18 Jeruzalem en de steden van Juda, en hare koningen en vorsten, dat zij woest en vernield zullen liggen, en een spot en vloek zijn, gelijk het heden ten dage is

25:19 ook Farao, den koning van Egypte, en zijne knechten, zijne vorsten en al zijn volk

25:20 en alle landen tegen het Westen; alle koningen in het land Uz, alle koningen in het land der Filistijnen, en Askalon, Gaza, Ekron en de overgeblevenen van Asdod

25:21 Edom en Moab en de kinderen Ammons

25:22 en alle koningen van Tyrus, alle koningen van Sidon, en de koningen in de eilanden, die aan gene zijde der zee zijn

25:23 Dedan, Tema en Buz, en allen, die het haar rondom afknipen

25:24 alle koningen van Arabië, en alle koningen tegen het Westen, die in de woestijn wonen

25:25 alle koningen van Zimri, alle koningen van Elam, en alle koningen van Medië

25:26 alle koningen tegen het Noorden, zowel die nabij als die verre zijn, den een zowel als den ander; en alle koninkrijken der aarde, die op den aardbodem zijn. En de koning van Sesach zal na hen drinken

25:27 Gij zult dan tot hen zeggen: Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Drinkt, dat gij dronken wordt en spuwt, en nedervalt en niet weder opstaat, vanwege het zwaard, dat Ik onder u zend

25:28 En wanneer zij den beker niet van uwe hand willen nemen om te drinken, zo zeg tot hen: Aldus spreekt de Heer Zebaôth: Gij zult en moet drinken

25:29 want zie, in de stad, die naar mijnen naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt gij ongestraft blijven? Gij zult niet ongestraft blijven; want Ik roep het zwaard over allen, die op de aarde wonen, spreekt de Heer Zebaôth

25:30 En gij zult hun al deze woorden profeteren, en zeg tot hen: De Heer zal brullen uit de hoogte, en zijnen donder laten horen uit zijne heilige woning; Hij zal brullen tegen zijne woonstede; Hij zal een lied der wijnperstreders zingen tegen alle inwoners des lands

25:31 welks weergalm klinken zal tot aan des aardrijks einde; want de Heer heeft te richten met de volken, en zal met alle vlees gericht houden: de goddelozen zal Hij aan het zwaard overgeven, spreekt de Heer

25:32 Dus spreekt de Heer Zebaôth: Zie, er zal een plaag komen van het ééne volk tot het andere, en een groot onweder zal verwekt worden van de zijden des lands

25:33 Dan zullen de verslagenen van den Heer in dien tijd liggen van het ééne einde der aarde tot aan het andere einde; die zullen niet beklaagd, noch opgenomen, noch begraven worden, maar zij moeten op het veld liggen en tot mest worden

25:34 Kermt nu, gij herders, en jammert; wentelt u in het stof, gij voorgangers der kudde, want de tijd is gekomen, dat gij geslacht en verstrooid zult worden, en vallen zult als een kostbaar vat

25:35 en de herders zullen niet kunnen ontvlieden, en de voorgangers der kudde zullen het niet kunnen ontlopen

25:36 Daar zullen dan de herders jammeren, en de voorgangers der kudde zullen kermen, omdat de Heer hunne weide zo verwoest heeft

25:37 en omdat hunne landouwen, die zo wél stonden, verdorven zijn wegens den grimmigen toorn des Heren

25:38 Hij heeft zijne hut verlaten als een jonge leeuw; en zo is hun land vernield, wegens den toorn des verdervers en wegens zijnen grimmigen toorn. Jeremia 2

26:1 In het begin der regering van Jojakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, geschiedde dit woord van den Heer, zeggende

26:2 Dus spreekt de Heer: Treed in het voorhof van het huis des Heren, en predik tot alle steden van Juda, die ingaan om te aanbidden in het huis des Heren, al de woorden, die Ik u bevolen heb hun te zeggen; doe er niets af

26:3 of zij misschien zullen horen, en zich bekeren elk van zijnen kwaden weg; opdat Mij ook berouwe het kwaad, dat Ik hun denk te doen om hunnen bozen wandel. Zeg dan tot hen

26:4 Dus spreekt de Heer: Indien gij naar Mij niet horen zult, dat gij wandelt in mijne wet, die Ik u voorgelegd heb

26:5 dat gij hoort naar de woorden van mijne knechten, de profeten, die Ik vroeg en laat tot u gezonden heb, doch die gij niet horen wildet

26:6 zo zal Ik met dit huis doen als met Silo, en deze stad tot een vloek stellen voor alle volken der aarde

26:7 Toen nu de priesters, de profeten en al het volk Jeremia deze woorden hoorden spreken in het huis des Heren

26:8 en Jeremia alles had uitgesproken, wat de Heer hem bevolen had tot het ganse volk te zeggen, grepen hem de priesters en de profeten en al het volk, zeggende: Gij moet sterven

26:9 Waarom durft gij profeteren in den naam des Heren, zeggende: Het zal dit huis gaan als Silo, en deze stad zal zo woest worden, dat er niemand meer in woont? En al het volk vergaderde zich in het huis des Heren tegen Jeremia

26:10 Toen nu de vorsten van Juda dit hoorden, gingen zij uit het huis des konings op in het huis des Heren, en zetten zich voor de nieuwe poort [van het huis] des Heren

26:11 En de priesters en profeten zeiden tot de vorsten en tot al het volk: Deze is des doods schuldig, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, gelijk gij met uwe oren gehoord hebt

26:12 Maar Jeremia sprak tot al de vorsten en tot al het volk: De Heer heeft mij gezonden, opdat ik dit alles, wat gij gehoord hebt, zou profeteren tegen dit huis en tegen deze stad

26:13 Verbetert dan nu uw doen en uwen wandel, en hoort naar de stem van den Heer, uwen God; zo zal den Heer ook berouwen het kwaad, dat Hij tegen u gesproken heeft

26:14 Zie, ik ben in uwe handen: gij kunt met mij doen zoals het u recht en goed dunkt

26:15 maar gij moet weten, dat, indien gij mij doodt, gij onschuldig bloed zult brengen over u, over deze stad en over hare inwoners; want waarlijk, de Heer heeft mij tot u gezonden, opdat ik dit alles voor uwe oren spreken zoude

26:16 Toen zeiden de vorsten en al het volk tot de priesters en de profeten: Deze is des doods niet schuldig, want hij heeft in den naam van den Heer, onzen God, tot ons gesproken

26:17 En enigen van de oudsten des lands stonden op en spraken tot de gehele menigte des volks, zeggende

26:18 Ten tijde van Hizkía, den koning van Juda, was er een profeet, Micha van Moréseth, die sprak tot al het volk van Juda, zeggende: Dus spreekt de Heer Zebaôth: Sion zal als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot een steenhoop worden, en de berg van het huis des Heren tot hoogten des wouds

26:19 Nochtans liet Hizkía, de koning van Juda, en geheel Juda hem daarvoor niet doden, ja zij vreesden veelmeer den Heer en baden voor den Heer; toen berouwde ook den Heer het kwaad, dat Hij tegen hen gesproken had. Dus zouden wij dan een groot kwaad doen tegen onze zielen

26:20 Ook was er een, die in den naam des Heren profeteerde, Uría, de zoon van Semaja, uit Kirjath-Jearim; die profeteerde tegen deze stad en tegen dit land, zoals Jeremia

26:21 En toen koning Jojakim en al zijne aanzienlijken en al de vorsten, zijne woorden hoorden, wilde de koning hem laten doden, doch Uría vernam het, werd bevreesd en vluchtte, en kwam in Egypte

26:22 En koning Jojakim zond mannen naar Egypte, Elnathan den zoon van Achbor, en andere mannen met hem

26:23 die voerden Uría uit Egypte, en brachten hem tot koning Jojakim; en deze liet hem met het zwaard doden, en deed zijn dood lichaam werpen in de gemene begraafplaatsen

26:24 Maar de hand van Ahikam, den zoon van Safan, was met Jeremia, dat men hem niet overgaf in de hand des volks om hem te doden. Jeremia 2

27:1 In het begin der regering van Jojakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, geschiedde dit woord van den Heer tot Jeremia, zeggende

27:2 Dus spreekt de Heer tot mij: Maak u touwen en jukken, en hang één daarvan aan uwen hals

27:3 en zend ze aan den koning van Edom, aan den koning van Moab, aan den koning der kinderen Ammons, aan den koning van Tyrus, en aan den koning van Sidon, door de boden, die tot Zedekía, den koning van Juda, te Jeruzalem gekomen zijn

27:4 en beveel hun, dat zij aan hunne heren zeggen: Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Zo zult gij tot uwe heren zeggen

27:5 Ik heb de aarde gemaakt, en de mensen, en het vee, dat op de aarde is, door mijne grote kracht en mijn uitgestrekten arm; en Ik geef ze aan wien Ik wil

27:6 En nu heb Ik al deze landen gegeven in de hand van mijnen knecht Nebukadnezar, den koning van Babel, en heb hem ook de wilde dieren op het veld gegeven om hem dienstbaar te zijn

27:7 En alle volken zullen hem dienen, en zijnen zoon en den zoon zijns zoons, totdat ook de tijd zijns lands zal komen; want vele volken en grote koningen zullen hem dienen

27:8 Maar welk volk en koninkrijk den koning van Babel, Nebukadnezar, niet dienen wil, en zijnen hals niet willen buigen onder het juk des konings van Babel, dat volk zal Ik bezoeken met het zwaard, den honger en de pest, spreekt de Heer, totdat Ik het door zijne hand verniel

27:9 Derhalve hoort niet naar uwe profeten, waarzeggers, droomuitleggers, wichelaars en tovenaars, die tot u zeggen: Gij zult den koning van Babel niet dienen

27:10 Want zij profeteren u leugen, om u ver uit het land te brengen, en opdat Ik u uitstote en gij omkomt

27:11 Maar het volk, dat zijnen hals gewillig zal buigen onder het juk des konings van Babel, en hem dient, dat zal Ik in zijn hand laten, om het te bouwen en te bewonen, spreekt de Heer

27:12 En ik zeide dit alles tot Zedekía, den koning van Juda, en sprak: Buig den hals onder het juk des konings van Babel, en dien hem en zijn volk, zo zult gij leven

27:13 Waarom zoudt gij sterven, gij en uw volk, door het zwaard, den honger en de pest, zoals de Heer gesproken heeft over elk volk, dat den koning van Babel niet wil dienen

27:14 Daarom hoor niet naar de woorden der profeten, die tot u zeggen: Gij zult den koning van Babel niet moeten dienen

27:15 Want zij profeteren u leugen, en Ik heb hen niet gezonden, spreekt de Heer, en zij profeteren leugen in mijnen naam, opdat Ik u uitstote en gij omkomt, te zamen met de profeten, die voor u profeteren

27:16 En tot de priesters en tot al dit volk sprak ik, zeggende: Dus spreekt de Heer: Hoort niet naar de woorden uwer profeten, die u profeteren, zeggende: Zie, de vaten van het huis des Heren zullen nu haast van Babel weder herwaarts komen; want zij profeteren u leugen

27:17 Hoort niet naar hen, maar dient den koning van Babel, zo zult gij leven: waarom zou deze stad tot ene woestijn worden

27:18 Maar zijn zij profeten, en hebben zij het woord des Heren, laat hen dan den Heer Zebaôth verbidden, dat de overgebleven vaten in het huis des Heren en in het huis des konings van Juda en in Jeruzalem, niet mede naar Babel komen

27:19 Want aldus spreekt de Heer Zebaôth aangaande de pilaren en aangaande de [koperen] zee en aangaande het gestoelte en aangaande de vaten, die nog overgebleven zijn in deze stad

27:20 die Nebukadnezar, de koning van Babel, niet wegnam, toen hij Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, van Jeruzalem wegvoerde naar Babel, benevens alle vorsten van Juda en Jeruzalem

27:21 aldus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God, aangaande de vaten, die nog overgebleven zijn in het huis des Heren en in het huis des konings van Juda en in Jeruzalem

27:22 Zij zullen naar Babel gevoerd worden, en aldaar blijven tot op den dag, dat Ik ze bezoeken zal, spreekt de Heer; dan zal Ik ze wederom in deze plaats doen brengen. Jeremia 2

28:1 En in hetzelfde jaar, in het begin der regering van Zedekía, den koning van Juda, in de vijfde maand des vierden jaars, sprak Hananja, de zoon van Azzur, een profeet van Gibeon, tot mij in het huis des Heren, in tegenwoordigheid van de priesters en van het ganse volk zeggende

28:2 Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God, zeggende: Ik heb het juk des konings van Babel verbroken

28:3 en eer twee jaren om zijn, zal Ik al de vaten van het huis des Heren, die Nebukadnezar, de koning van Babel, van deze plaats weggenomen en naar Babel gevoerd heeft, weder in deze plaats brengen

28:4 en ook Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, en al de gevangenen uit Juda, die naar Babel gevoerd zijn, zal Ik weder in deze plaats brengen, spreekt de Heer; want Ik zal het juk des konings van Babel verbreken

28:5 Toen sprak de profeet Jeremia tot den profeet Hananja, in tegenwoordigheid van de priesters en van het ganse volk, hetwelk in het huis des Heren stond

28:6 en zeide: Amen, alzo doe de Heer; de Heer bevestige uw woord, hetwelk gij geprofeteerd hebt, dat Hij de vaten van het huis des Heren van Babel wederbrenge aan deze plaats, te zamen met al de gevangenen

28:7 Maar hoor nu ook dit woord, hetwelk ik voor uwe oren spreek, en voor de oren des gansen volks

28:8 De profeten, die Vóór mij en Vóór u geweest zijn, van ouds af, hebben tegen vele landen en grote koninkrijken geprofeteerd van oorlog, van ongeluk en van pest

28:9 maar als een profeet van vrede profeteert, dien zal men kennen, of de Heer hem waarlijk gezonden heeft, wanneer zijn woord vervuld wordt

28:10 Toen nam de profeet Hananja het juk van den hals van den profeet Jeremia, en verbrak het

28:11 en Hananja sprak in tegenwoordigheid des gansen volks, zeggende: Dus spreekt de Heer: Aldus zal Ik het juk van Nebukadnezar, den koning van Babel, verbreken, eer twee jaren om zijn, van den hals aller volken. Toen ging de profeet Jeremia zijns weegs

28:12 En het woord des Heren geschiedde tot Jeremia, nadat de profeet Hananja het juk verbroken had van den hals van den profeet Jeremia, zeggende

28:13 Ga heen en zeg tot Hananja: Dus spreekt de Heer: Gij hebt het houten juk verbroken: maak dan nu in plaats daarvan een ijzeren juk

28:14 Want dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Een ijzeren juk heb Ik al dezen volken aan den hals gehangen, om Nebukadnezar, den koning van Babel, te dienen; ja dienen moeten zij hem, want Ik heb hem zelfs de wilde dieren gegeven

28:15 En de profeet Jeremia sprak tot den profeet Hananja: Hoor nu, Hananja: de Heer heeft u niet gezonden, en gij hebt gemaakt, dat dit volk zich op leugen verlaat

28:16 Daarom spreekt de Heer aldus: Zie, Ik zal u van den aardbodem wegnemen; dit jaar zult gij sterven, want gij hebt hen met uwe woorden van den Heer afgewend

28:17 Alzo stierf de profeet Hananja in datzelfde jaar in de zevende maand. Jeremia 2

29:1 Dit zijn de woorden van den brief, dien de profeet Jeremia zond van Jeruzalem aan de overige oudsten, die weggevoerd waren, en aan de priesters, de profeten, en het ganse volk, hetwelk Nebukadnezar van Jeruzalem had weggevoerd naar Babel

29:2 [nadat koning Jechonia, en de vorstin, met de kamerdienaars, de vorsten van Juda en Jeruzalem, benevens de timmerlieden en smeden van Jeruzalem weg waren]

29:3 door Elasa, den zoon van Safan, en Germarja, den zoon van Hilkía, die Zedekía, de koning van Juda, naar Babel zond tot Nebukadnezar, den koning van Babel; zeggende

29:4 Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God, tot al de gevangenen, die Ik heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel

29:5 Bouwt huizen en bewoont ze, plant hoven en eet er de vruchten van

29:6 neemt vrouwen en verwekt zonen en dochters; neemt vrouwen voor uwe zonen, en geeft mannen aan uwe dochters, opdat zij u dochters en zonen baren; vermenigvuldigt u aldaar, opdat er van u niet weinigen zijn

29:7 En zoekt het beste der stad, naar welke Ik u heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den Heer; want als het haar welgaat, gaat het u ook wél

29:8 Want dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Laat de profeten, die bij u zijn, en de waarzeggers u niet bedriegen; en hoort niet naar uwe dromen, welke gij droomt

29:9 want zij profeteren u leugen in mijnen naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de Heer

29:10 Want dus spreekt de Heer: Wanneer aan Babel zeventig jaren zullen vervuld zijn, zo zal Ik ulieden bezoeken, en zal mijn genadig woord over u tot stand brengen, om u weder te brengen aan deze plaats

29:11 Want Ik weet, welke gedachten Ik over u heb, spreekt de Heer, namelijk gedachten van vrede en niet van leed, om u te geven het einde, dat gij verwacht

29:12 En gij zult Mij aanroepen en voortgaan tot Mij te bidden, en Ik zal u verhoren

29:13 indien gij Mij zult zoeken, zult gij Mij vinden, wanneer gij Mij zoekt van ganser harte

29:14 ja Ik zal Mij van u laten vinden, spreekt de Heer, en zal uwe gevangenschap wenden, en u vergaderen uit alle volken en uit alle plaatsen, waarheen Ik u heb weggedreven, spreekt de Heer, en zal u wederbrengen aan deze plaats, vanwaar Ik u heb doen wegvoeren

29:15 omdat gij zegt, dat de Heer u profeten verwekt heeft te Babel

29:16 Daarom spreekt de Heer aldus aangaande den koning, die op Davids troon zit, en aangaande al het volk, dat in deze stad woont, uwe broeders, die niet met u gevankelijk zijn uit getrokken

29:17 aldus spreekt de Heer Zebaôth: Zie, Ik zal zwaard, honger en pest onder hen zenden, en zal met hen omgaan als met die slechte vijgen, die vanwege hare slechtheid niet gegeten kunnen worden

29:18 en Ik zal hen achternajagen met het zwaard, den honger en de pest; en Ik zal hen in geen der koninkrijken der aarde laten blijven, dat zij tot een vloek en tot ene ontzetting en tot hoon en spot onder alle volken zullen zijn, waarheen Ik hen zal wegdrijven

29:19 daarom, dat zij naar mijne woorden niet hoorden, spreekt de Heer, toen Ik mijne knechten, de profeten, vroeg en laat tot hen gezonden heb, maar gij wildet niet horen, spreekt de Heer

29:20 Doch gij allen, die gevankelijk weggevoerd zijt, die Ik uit Jeruzalem naar Babel heb doen trekken, hoort het woord des Heren

29:21 dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God, aangaande Achab, den zoon van Kolaja, en aangaande Zedekía, den zoon van Maäseja, die ulieden leugen profeteren in mijnen naam: Zie, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, die zal hen voor uwe ogen verslaan

29:22 dat men van hen een vloek zal maken onder al de gevangenen van Juda, die in Babel zijn, en zeggen: De Heer doe aan u gelijk aan Zedekía, en aan Achab, die de koning van Babel op het vuur liet braden

29:23 daarom, dat zij ene dwaasheid in Israël begingen, en overspel bedreven met vrouwen van anderen, en leugen predikten in mijnen naam, hetgeen Ik hun niet bevolen had; dit weet Ik, en getuig het, spreekt de Heer

29:24 En tot Semaja van Nehelam zult gij zeggen

29:25 Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Omdat gij onder uwen naam brieven hebt gezonden aan al het volk, dat te Jeruzalem is, en aan den priester Zefanja, den zoon van Maäseja, en al de priesters, zeggende

29:26 De Heer heeft u tot priester gesteld in plaats van den priester Jojada, dat gij opzieners zoudt zijn in het huis des Heren over alle onzinnigen en profeteerders, dat gij hen in de gevangenis en in de boeien zoudt zetten

29:27 nu dan, waarom bestraft gij Jeremia van Anathoth niet, die voor u profeteert

29:28 Omdat hij tot ons naar Babel gezonden heeft, zeggende: Het zal nog lang duren; bouwt huizen en bewoont ze, en plant hoven en eet er de vruchten van

29:29 Want de priester Zefanja had dezen brief gelezen voor de oren van den profeet Jeremia

29:30 Daarom geschiedde het woord des Heren tot Jeremia, zeggende

29:31 Zend heen tot al de gevangenen, en laat hun zeggen: Dus spreekt de Heer aangaande Semaja van Nehelam: Omdat Semaja voor ulieden profeteert, en Ik hem toch niet gezonden heb, en maakt, dat gij op leugens vertrouwt

29:32 daarom spreekt de Heer: Zie, Ik zal Semaja van Nehelam bezoeken, benevens zijn zaad, dat niemand van de zijnen onder dit volk zal blijven, noch het goede zien, hetwelk Ik aan mijn volk zal doen, spreekt de Heer; want hij heeft hen met zijne woorden afgewend van den Heer. Jeremia 3

30:1 Dit is het woord, dat van den Heer geschiedde tot Jeremia

30:2 Dus spreekt de Heer, Israëls God: Schrijf al de woorden, die Ik tot u spreek, in een boek

30:3 Want zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat Ik de gevangenschap van mijn volk, van Israël en Juda, wenden zal, spreekt de Heer, en Ik zal hen wederbrengen in het land, hetwelk Ik hunnen vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten

30:4 En dit zijn de woorden, die de Heer sprak aangaande Israël en aangaande Juda

30:5 Aldus spreekt de Heer: Wij horen ene stem der verschrikking, er is niets dan vrees en geen vrede

30:6 Onderzoekt toch en ziet, of ooit een man kinderen baarde? Hoe komt het dan, dat Ik alle mannen zie met de handen op de lendenen, gelijk vrouwen in barensnood, en dat alle gezichten zo bleek zijn

30:7 Ach, het is een Zó grote dag, dat zijnsgelijke niet geweest is, en een tijd van angst in Jakob: nochtans zal hij daaruit geholpen worden

30:8 Want het zal geschieden in dien tijd, spreekt de Heer Zebaôth, dat Ik zijn juk van uwen hals verbreken en uwe banden verscheuren zal, en geen vreemden zullen hem aan zich dienstbaar maken

30:9 maar zij zullen den Heer hunnen God, dienen, en hunnen koning David, dien Ik hun verwekken zal

30:10 Daarom vrees niet, mijn knecht Jakob, spreekt de Heer, en ontzet u niet, Israël; want zie, Ik zal u verlossen uit verre landen, en uw zaad uit het land hunner gevangenschap; en Jakob zal wederkomen en in vrede leven, en er zal niemand zijn, die hen verschrikken zal

30:11 Want Ik ben met u, spreekt de Heer, om u te helpen; Ik zal wel een einde maken aan alle volken, waarheen Ik u verstrooid heb, maar aan u zal Ik geen einde maken, maar Ik zal u kastijden met mate, opdat gij u niet onschuldig houdt

30:12 Want aldus spreekt de Heer: Uwe schade is ongeneeslijk, en uwe wonden zijn onheelbaar

30:13 niemand trekt zich uwe zaak aan om ze te genezen; niemand kan u helen

30:14 allen, die het met u hielden, vergeten u; zij vragen niet meer naar u, want Ik heb u geslagen, alsof Ik een vijand sloeg, met onbarmhartige geeseling, om uwe grote misdaad en om uwe zware zonden

30:15 Wat jammert gij dan over uwe wond en over uwe ondragelijke smart? Ik heb u dat immers gedaan om uwe grote misdaad en om uwe zware zonden

30:16 Nochtans, allen, die u verslonden hebben, zullen eens verslonden worden; en allen, die u benauwd hebben, zij zullen gevangen worden; en allen, die u beroofd hebben, zullen zelven beroofd worden, en allen, die u geplunderd hebben, zullen ook geplunderd worden

30:17 want u zal Ik weder gezond maken en u van uwe wonden genezen, spreekt de Heer, omdat men u noemde de verstotene, Sion, waar niemand naar vraagt

30:18 Dus spreekt de Heer: Zie, Ik zal de gevangenschap van Jakobs tenten wenden, en Mij over zijne woningen ontfermen; en de stad zal op hare heuvels herbouwd worden, en de tempel zal staan als tevoren

30:19 En lofen vreugdegezang zal vandaar uitgaan; want Ik zal hen vermeerderen en niet verminderen; Ik zal hen heerlijk en niet gering maken

30:20 Zijne zonen zullen zijn als voorheen, en zijne gemeente zal voor Mij bestaan; want Ik zal bezoeken allen, die hem plagen

30:21 En zijn vorst zal uit hem voortkomen, en zijn heerser van hem uitgaan; en hij zal tot Mij naderen; want wie is hij, die met een gewillig hart tot Mij komt, spreekt de Heer

30:22 En gij zult mijn volk zijn en Ik zal uw God zijn

30:23 Zie, er zal een onweder des Heren komen met grimmigheid, een schrikkelijk onweder zal op het hoofd der goddelozen losbarsten

30:24 De grimmige toorn zal niet ophouden, voordat Hij doet en uitvoert wat Hij in den zin heeft: in den laatsten tijd zult gij dat gewaarworden. Jeremia 3

31:1 In dien tijd, spreekt de Heer, zal Ik de God zijn van alle geslachten van Israël, en zij zullen mijn volk zijn

31:2 Dus spreekt de Heer: Het volk, dat overgebleven is van het zwaard, heeft genade gevonden, [als weleer] in de woestijn, toen Israël heentrok tot zijne rust

31:3 De Heer is mij verschenen van verre. Ik heb u eeuwig liefgehad, daarom heb Ik u tot mij getrokken uit enkel goedertierenheid

31:4 ik wil u weder bouwen, dat gij gebouwd zult heten, o jonkvrouw Israëls; gij zult nog vrolijk trommelen, en uitgaan ten rei

31:5 gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samarië; planten zal men, en ook hunne vruchten eten

31:6 Want de tijd zal komen, dat de wachters aan het gebergte van Efraïm zullen roepen: Komt, laat ons opgaan naar Sion, tot den Heer, onzen God

31:7 Want aldus spreekt de Heer: Springt op over Jakob met vreugde, en juicht aan het hoofd der volken; roept overluid, roemt, en zegt: Heer, geef heil aan uw volk, aan het overgeblevene van Israël

31:8 Zie, Ik zal hen voeren uit het land van het Noorden, en zal hen verzamelen van de einden der aarde: blinden en lammen, zwangere en barende vrouwen; zodat een grote menigte weder herwaarts komen zal

31:9 Zij zullen komen, wenende en biddende; Ik zal hen leiden, ja Ik zal hen leiden aan waterbeken, op een rechten weg, dat zij zich niet stoten; want Ik ben Israëls Vader, en Efraïm is mijn eerstgeboren zoon

31:10 Gij volken, hoort het woord des Heren, en verkondigt het in de verste eilanden, en zegt: Die Israël verstrooid heeft, zal het ook weder verzamelen, en zal het hoeden als een herder zijne kudde

31:11 Want de Heer zal Jakob verlossen, en van de hand des machtigen redden

31:12 En zij zullen komen en op de hoogte te Sion juichen, en zij zullen zich in menigte vergaderen tot des Heren gaven, tot het koren, den most, de olie, en tot de jonge schapen en runderen; zodat hunne ziel zal zijn als een waterrijke hof, en zij niet meer bekommerd zullen zijn

31:13 Alsdan zullen de jonkvrouwen vrolijk zijn in reien, ook jongelingen en ouden tegader; want Ik zal hunne treurigheid in vreugde veranderen, en zal hen troosten en hen verblijden na hunne droefenis

31:14 en Ik zal het hart der priesters vol vreugde maken, en mijn volk zal de volheid mijner gaven hebben, spreekt de Heer

31:15 Dus spreekt de Heer: Men hoort een klagelijke stem en een bitter geween te Rama: Rachel weent over hare kinderen, en wil zich niet laten troosten over hare kinderen, want het is uit met hen

31:16 Maar de Heer spreekt aldus: Staak uw kermen en wenen, en de tranen uwer ogen; want uw jammer zal vergolden worden, spreekt de Heer; zij zullen wederkomen uit des vijands land

31:17 en uwe nakomelingen hebben veel goeds te verwachten, spreekt de Heer, want [uwe] kinderen zullen wederkomen in hun land

31:18 Ik heb wel gehoord, hoe Efraïm klaagt: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben ook getuchtigd als een dartel kalf. Bekeer mij, zo word ik bekeerd; want Gij, Heer, zijt mijn God

31:19 Nadat ik bekeerd ben, doe ik boete; nadat ik verstandig gemaakt ben, sla ik mij op de heup; want ik ben te schande geworden en sta schaamrood, dat ik de schande mijner jeugd moet dragen

31:20 Is niet Efraïm mijn dierbare zoon en mijn troetelkind? Want Ik gedenk er aan, wat Ik hem heb toegezegd, daarom breekt Mij het hart over hem, dat Ik Mij over hem ontfermen moet, spreekt de Heer

31:21 Richt u gedenktekens op; stel u herinneringszuilen; zet uw hart op de gebaande wegen, op welke gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israëls, keer weder tot uwe steden

31:22 Hoelang zult gij ronddwalen, gij afvallige dochter? Voorwaar, de Heer zal iets nieuws op aarde scheppen: de vrouw zal den man zoeken

31:23 Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Als Ik hunne gevangenschap wenden zal, zal men in het land van Juda en in zijne steden weder dit woord spreken: De Heer zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij heilige berg

31:24 En Juda zal daarin wonen, benevens al zijne steden, ook akkerlieden en die de kudden weiden

31:25 want Ik zal de vermoeide zielen verkwikken en de bekommerde zielen verzadigen

31:26 Hierop ontwaakte ik en zag rond, en had een zoeten slaap gehad

31:27 Zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal, beide met mensen en vee

31:28 en gelijk Ik over hen gewaakt heb om uit te rukken, te verscheuren, af te breken, te verderven en te plagen, alzo zal Ik over hen waken om te bouwen en te planten, spreekt de Heer

31:29 In dien tijd zal men niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden

31:30 maar een ieder zal om zijn eigen misdrijf sterven, en ieder mens, die onrijpe druiven eet, diens tanden zullen stomp worden

31:31 Zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken

31:32 niet gelijk het verbond geweest is, dat Ik met hunne vaderen gemaakt heb, toen Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypteland te voeren, welk verbond zij niet gehouden hebben, waarom Ik hen dwingen moest, spreekt de Heer

31:33 maar dit zal het verbond zijn, hetwelk Ik met het huis van Israël maken zal na dezen tijd, spreekt de Heer: Ik zal mijn wet in hun hart geven en in hun binnenste schrijven, en zij zullen mijn volk zijn en Ik zal hun God zijn

31:34 en zij zullen niet meer de een den ander noch de ene broeder den anderen vermanen, zeggende: Erken den Heer; maar zij zullen mij allen kennen, beiden klein en groot, spreekt de Heer, want Ik zal hun hunne misdaad vergeven en hunne zonde nooit meer gedenken

31:35 Dus spreekt de Heer, die de zon tot een licht geeft des daags, en de maan en de sterren naar haren loop tot een licht des nachts; die de zee beweegt, dat hare golven woeden, Heer Zebaôth is zijn naam

31:36 Indien deze ordeningen zullen ophouden voor mijn aangezicht, spreekt de Heer, zo zal ook het zaad van Israël ophouden, dat het geen volk meer zal zijn voor mijn aangezicht eeuwiglijk

31:37 Dus spreekt de Heer: Wanneer men den hemel hierboven kan meten, en de diepte der aarde beneden doorgronden, dan zal Ik ook het gehele zaad van Israël verwerpen om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de Heer

31:38 Zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat de stad des Heren zal gebouwd worden, van den toren Hananeël af tot aan de Hoekpoort toe

31:39 en het meetsnoer zal vandaar verder uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich wenden naar Goath

31:40 en het gehele dal der dode lichamen en der as, en het gehele vlakke veld tot aan de beek Kidron, tot den hoek der Paardenpoort, tegen het Oosten, zal den Heer heilig zijn, dat het nimmer zal verwoest noch afgebroken worden. Jeremia 3

32:1 Dit is het woord, dat van den Heer geschiedde tot Jeremia, in het tiende jaar van Zedekía, den koning van Juda, dat is het achttiende jaar van Nebukadnezar

32:2 Te dien tijde belegerde het heir des konings van Babel Jeruzalem, en de profeet Jeremia zat gevangen in het voorhof der gevangenis, in het huis des konings van Juda

32:3 alwaar Zedekía, de koning van Juda, hem had laten opsluiten, zeggende: Waarom profeteert gij, zeggende: Dus spreekt de Heer: Zie, Ik geef deze stad over in de handen des konings van Babel, en hij zal ze innemen

32:4 en Zedekía, de koning van Juda, zal de Chaldeën niet ontvluchten, maar Ik zal hem in de hand des konings van Babel overleveren, dat hij van mond tot mond met hem spreken en hem met zijne ogen zien zal

32:5 en hij zal Zedekía naar Babel voeren; aldaar zal hij ook blijven, totdat Ik hem bezoek, spreekt de Heer; want al is het, dat gijlieden tegen de Chaldeën strijdt, gij zult echter geen geluk hebben

32:6 En Jeremia zeide: Het woord des Heren is tot mij geschied, zeggende

32:7 Zie, Hanameël, de zoon van Sallum, uwen oom, komt tot u, en zal zeggen: Koop toch mijnen akker te Anathoth, want gij hebt het naaste recht van bloedverwantschap om hem te kopen

32:8 Alzo kwam Hanameël, mijns ooms zoon, gelijk de Heer gezegd had, tot mij in het voorhof der gevangenis, en zeide tot mij: Koop mijnen akker te Anathoth in het land van Benjamin; want gij hebt het recht van erflossing daartoe, en gij zijt de naaste; koop hem toch. Toen merkte ik, dat dit het woord des Heren was

32:9 En ik kocht den akker te Anathoth van Hanameël, mijns ooms zoon, en woog hem het geld toe, zeven sikkels en tien zilverlingen

32:10 En ik schreef een brief en verzegelde dien, en nam getuigen daarbij, en woog hem het geld toe op ene schaal

32:11 en nam tot mij den verzegelden koopbrief, naar het recht en de gewoonte, en een open afschrift

32:12 en gaf den koopbrief aan Baruch, den zoon van Nería, den zoon van Mahseja, in tegenwoordigheid van Hanameël, mijnen neef, en van de getuigen, die in den koopbrief geschreven stonden, en van al de Joden, die in het voorhof der gevangenis woonden

32:13 En ik beval Baruch in hunne tegenwoordigheid, zeggende

32:14 Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Neem deze brieven, den verzegelden koopbrief met dit open afschrift, en leg ze in een aarden vat, opdat zij lang mogen duren

32:15 Want dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Huizen, akkers en wijngaarden zullen nog gekocht worden in dit land

32:16 En toen ik den koopbrief aan Baruch, den zoon van Nería gegeven had, bad ik tot den Heer, zeggende

32:17 Ach Heere Heere, zie, Gij hebt hemel en aarde gemaakt door uwe grote kracht en door uw uitgestrekten arm, en geen ding is voor U onmogelijk

32:18 Gij, die weldoet aan vele duizenden, en de misdaad der vaderen vergeldt in den schoot hunner kinderen na hen; Gij grote en sterke God, wiens naam is Heer Zebaôth

32:19 groot van raad en machtig van daad, wiens ogen openstaan over alle wegen van de kinderen der mensen, om ieder te geven naar zijnen wandel en naar de vrucht van zijn doen

32:20 Gij, die in Egypteland tekenen en wonderen gedaan hebt tot op dezen dag, zo aan Israël als aan andere mensen, en U een naam hebt gemaakt gelijk het te dezen dage is

32:21 en uw volk Israël uit Egypteland hebt gevoerd door tekenen en wonderen, door een machtige hand en door een uitgestrekten arm en door grote verschrikking

32:22 en hun dit land hebt gegeven, hetwelk Gij hunnen vaderen gezworen hadt hun te zullen geven; een land, waarin melk en honing vloeit

32:23 en toen zij daarin kwamen en het bezaten, hoorden zij niet naar uwe stem en wandelden ook niet naar uwe wet; en alwat Gij hun geboodt, dat zij doen zouden, dat lieten zij na; waarom Gij hun ook al dit ongeluk deedt overkomen

32:24 Zie, deze stad is belegerd, om ingenomen en door het zwaard, den honger en de pest in de hand der Chaldeën, die tegen haar strijden, overgegeven te worden; en zoals Gij gesproken hebt, zo gaat het, en Gij aanschouwt het

32:25 en, Heere Heere, Gij zegt tot mij: Koop u dezen akker voor geld, en neem getuigen daarbij; terwijl toch de stad in de hand der Chaldeën zal overgegeven worden

32:26 En het woord des Heren geschiedde tot Jeremia, zeggende

32:27 Zie, Ik, de Heer, ben een God van alle vlees: zou Mij iets onmogelijk zijn

32:28 Daarom spreekt de Heer aldus: Zie, Ik geef deze stad over in de hand der Chaldeën en in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, en hij zal ze innemen

32:29 en de Chaldeën, die tegen deze stad strijden, zullen er inkomen, en zij zullen haar met vuur aansteken en verbranden, met de huizen, op welker daken zij Baäl gewierookt en anderen goden drankoffers geofferd hebben, om Mij te vertoornen

32:30 Want de kinderen Israëls en de kinderen van Juda hebben nooit anders gedaan dan hetgeen Mij mishaagt; en de kinderen Israëls hebben Mij vertoornd door het werk hunner handen, spreekt de Heer

32:31 want sedert dien tijd, dat deze stad gebouwd is, tot op dezen dag toe, heeft zij Mij toornig en grimmig gemaakt, zodat Ik ze van voor mijn aangezicht moet wegdoen

32:32 om al de boosheid der kinderen Israëls en der kinderen van Juda, die zij bedreven hebben om Mij te vertoornen: hunne koningen, vorsten, priesters en profeten, en die in Juda en te Jeruzalem wonen

32:33 Zelfs hebben zij Mij den rug en niet het aangezicht toegekeerd, niettegenstaande Ik hen gestadig liet onderwijzen, maar zij wilden niet horen noch zich verbeteren

32:34 daarenboven hebben zij hunne gruwelen geplaatst in het huis, dat naar mijnen naam genoemd is, om het te verontreinigen

32:35 en hebben de hoogten van Baäl gebouwd in het dal van Ben-Hinnom, om hunne zonen en dochters voor Molech te verbranden; waarvan Ik hun niets geboden heb en dat Mij nooit in den zin is gekomen, dat zij zulke gruwelen zouden doen, om Juda tot zonde te verleiden

32:36 En nu, derhalve spreekt de Heer, Israëls God, aldus aangaande deze stad, van welke gij zegt, dat zij door het zwaard en den honger en de pest in de hand des konings van Babel zal worden overgegeven

32:37 Zie, Ik zal hen vergaderen uit alle landen, waarheen Ik hen heb weggedreven door mijnen groten toorn, door mijne grimmigheid en onbarmhartigheid; en Ik zal hen wederbrengen aan deze plaats, dat zij veilig zullen wonen

32:38 en zij zullen mijn volk zijn en Ik zal hun God zijn

32:39 en zal hun enerlei hart en gedrag geven, dat zij Mij vrezen zullen hun leven lang, opdat het hun en hun kinderen na hen welga

32:40 En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik niet zal ophouden hun goed te doen; en Ik zal hun mijne vrees in het hart geven, dat zij niet van Mij afwijken

32:41 En het zal mijn vermaak zijn, dat Ik hun zal goed doen; en Ik zal hen in dit land planten oprechtelijk, met mijn ganse hart en ziel

32:42 Want dus spreekt de Heer: Gelijk Ik over dit volk heb laten komen al dit grote ongeluk, zo zal Ik ook al het goede over hen laten komen, hetwelk Ik hun heb toegezegd

32:43 En er zullen weder akkers gekocht worden in dit land, van hetwelk gij zult zeggen, dat het woest is, en geen mens noch dier er in is, als het in de hand der Chaldeën zal overgegeven zijn

32:44 nochtans zal men weder akkers voor geld kopen en ze beschrijven, verzegelen en doen betuigen in het land van Benjamin en rondom Jeruzalem en in de steden van Juda, in de steden op het gebergte, in de steden der vlakte, en de steden tegen het Zuiden; want Ik zal hunne gevangenschap wenden, spreekt de Heer. Jeremia 3

33:1 En het woord des Heren geschiedde tot Jeremia ten tweeden male, toen hij nog in het voorhof der gevangenis was opgesloten, zeggende

33:2 Dus spreekt de Heer, die het doet, die het toebereidt en uitvoert, Heer is zijn naam

33:3 Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekendmaken grote en machtige dingen, die gij niet weet

33:4 Want dus spreekt de Heer, Israëls God, aangaande de huizen dezer stad en aangaande de huizen der koningen van Juda, die afgebroken zijn om bolwerken te maken tot verwering

33:5 Zij, die opkomen om tegen de Chaldeën te strijden, zullen ze vullen met de dode lichamen dergenen, die Ik in mijnen toorn en in mijne grimmigheid verslaan zal, want Ik heb om al hunne boosheid mijn aangezicht voor deze stad verborgen

33:6 Zie, Ik zal ze helen en gezondmaken, en Ik zal hen een overvloed van vrede en trouw doen genieten

33:7 Want Ik zal de gevangenschap van Juda en de gevangenschap van Israël wenden, en zal hen bouwen als voorheen

33:8 en Ik zal hen reinigen van alle misdaad, waarmede zij tegen Mij gezondigd hebben; en zal hun vergeven alle ongerechtigheden, waarmede zij tegen Mij gezondigd en zich trouweloos tegen Mij gedragen hebben

33:9 en dit zal Mij zijn tot een blijden naam, tot roem en lof onder alle volken der aarde, als zij horen zullen al het goede, dat Ik hun doe, en zich verwonderen en ontzetten zullen over al het goede en over al den vrede, dien Ik hun geven zal

33:10 Dus spreekt de Heer: In deze plaats, van welke gij [eerlang] zeggen zult: Zij is woest, zodat geen mens noch dier daarin gevonden wordt; in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, die zo verwoest zijn, dat er geen mens noch inwoner noch dier in is, daar zal men weder hore

33:11 een gejuich van vreugde en blijdschap, de stem des bruidegoms en der bruid, en de stem dergenen, die zeggen: Dankt den Heer Zebaôth, omdat Hij zo genadig is, en altijd goed doet, en dergenen, die dankoffer brengen tot het huis des Heren; want Ik zal de gevangenschap des lands wenden gelijk eertijds, spreekt de Heer

33:12 Dus spreekt de Heer Zebaôth: In deze plaats, die zo woest is, dat er noch mens noch dier in is, en in al hare steden, daar zullen weder huizen zijn van herders, die kudden weiden

33:13 in de steden op het gebergte en in de steden der vlakte en in de steden tegen het Zuiden, en in het land van Benjamin en rondom Jeruzalem en in de steden van Juda, daar zullen weder de getelde kudden uit [gaan] en ingaan, spreekt de Heer

33:14 Zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat Ik het genadige woord tot stand zal brengen, hetwelk Ik aan het huis van Israël en aan het huis van Juda heb toegezegd

33:15 In die dagen en op dien tijd zal Ik David een rechtvaardige Spruit doen opgaan, die recht en gerechtigheid zal oefenen in het land

33:16 Op dien tijd zal Juda geholpen worden en Jeruzalem veilig wonen; en men zal hem noemen: de Heer is onze gerechtigheid

33:17 Want dus spreekt de Heer: Het zal nooit missen, of er zal een van David zitten op den troon van het huis Israëls

33:18 ook zal het nooit missen, of er zullen priesters en Levieten Vóór Mij zijn, die brandoffer offeren en spijsoffer ontsteken en brandoffer offeren eeuwiglijk

33:19 En het woord des Heren geschiedde tot Jeremia, zeggende

33:20 Dus spreekt de Heer: indien mijn verbond met den dag en den nacht zal ophouden, dat er geen dag en nacht meer zij op zijnen tijd

33:21 zo zal ook mijn verbond met mijnen knecht David ophouden, dat hij geen zoon zal hebben tot koning op zijnen troon; en met de Levieten en de priesters, mijne dienaars

33:22 Gelijk men het heir des hemels niet tellen, noch het zand der zee meten kan, alzo zal Ik vermenigvuldigen het zaad van David, mijnen knecht, en de Levieten, die Mij dienen

33:23 En het woord des Heren geschiedde tot Jeremia, zeggende

33:24 Hebt gij niet opgelet wat dit volk spreekt, zeggende: De Heer heeft de twee geslachten verworpen, die Hij verkoren had? En zij lasteren mijn volk, alsof zij niet meer mijn volk zijn zullen

33:25 Dus spreekt de Heer: Indien Ik niet zal houden mijn verbond met dag en nacht, noch de ordening des hemels en der aarde

33:26 zal Ik ook verwerpen het zaad van Jakob en van mijnen knecht David, dat Ik uit hun zaad geen heerser over het zaad van Abraham, Isaäk en Jakob neme; want Ik zal hunne gevangenschap wenden en Mij over hen ontfermen. Jeremia 3

34:1 Dit is het woord, dat van den Heer geschiedde tot Jeremia, toen Nebukadnezar, de koning van Babel, met al zijn heir, en met al de koninkrijken der aarde, die onder zijne heerschappij waren, en met al de volken, tegen Jeruzalem streed, en tegen al hare steden, zeggende

34:2 Dus spreekt de Heer, Israëls God: Ga heen en spreek tot Zedekía, den koning van Juda, en zeg tot hem: Dus spreekt de Heer: Zie, Ik zal deze stad in de hand des konings van Babel overgeven, en hij zal ze met vuur verbranden

34:3 en gij zult zijne hand niet ontkomen, maar gegrepen en in zijne hand overgegeven worden, dat gij hem met uwe ogen zien en van mond tot mond met hem spreken zult, en te Babel komen

34:4 Hoor dan toch, o Zedekía, koning van Juda, het woord des Heren; dus spreekt de Heer van u: Gij zult niet door het zwaard sterven

34:5 maar in vrede zult gij sterven; en gelijk men voor uwe vaderen, de vorige koningen, die Vóór u geweest zijn, gebrand heeft, Zó zal men ook voor u branden en over u weeklagen: Ach, heer! Want Ik heb het gesproken, spreekt de Heer

34:6 En de profeet Jeremia sprak al deze woorden tot Zedekía, den koning van Juda, te Jeruzalem

34:7 terwijl het heir des konings van Babel streed tegen Jeruzalem en tegen alle overgebleven steden van Juda, tegen Lachis en Azeka; want deze waren de vaste steden, die van de steden van Juda nog waren overgebleven

34:8 Dit is het woord, dat van den Heer geschiedde tot Jeremia, nadat koning Zedekía een verbond gemaakt had met al het volk te Jeruzalem, om ene vrijlating uit te roepen

34:9 dat ieder zijnen knecht en ieder zijne dienstmaagd, die Hebreër of Hebreïn was, zou vrijlaten, zodat niemand zich van een Jood, zijnen broeder, zou doen dienen

34:10 Toen gaven alle vorsten gehoor en al het volk, zodat zij traden in dat verbond, dat ieder zijnen knecht en zijne dienstmaagd zou vrijlaten, en zich niet verder van hen laten dienen; en zij lieten hen vrij

34:11 Maar daarna eisten zij de knechten en dienstmaagden, die zij vrijgelaten hadden, weder terug, en dwongen hen om weder knechten en dienstmaagden te zijn

34:12 Toen geschiedde het woord des Heren tot Jeremia van den Heer, zeggende

34:13 Dus spreekt de Heer, Israëls God: Ik heb een verbond gemaakt met uwe vaderen, toen Ik hen uit Egypteland, uit het diensthuis voerde, zeggende

34:14 Als zeven jaren om zijn, zult gij elk zijnen broeder, die een Hebreër is, en zichzelven aan u verkocht en u zes jaren gediend heeft, vrij van u laten heengaan. Maar uwe vaderen gehoorzaamden Mij niet en zij neigden hunne oren niet

34:15 Zo hadt gijlieden u heden bekeerd en gedaan wat Mij behaagde, dat gij ene vrijlating liet uitroepen, ieder voor zijnen naaste, en een verbond hebt gemaakt voor Mij, in het huis, dat naar mijnen naam genoemd is

34:16 maar gij zijt omgekeerd en ontheiligt mijnen naam, en ieder eist zijnen knecht en zijne dienstmaagd terug, welke gij hadt vrijgelaten, dat zij vrij waren; en gij dwingt hen om weder uwe knechten en dienstmaagden te zijn

34:17 Daarom spreekt de Heer aldus: Gijlieden hoort niet naar Mij, om ene vrijlating uit te roepen, ieder voor zijnen broeder en voor zijnen naaste: zie, zo roep Ik, spreekt de Heer, voor u ene vrijlating uit tot het zwaard, tot de pest en tot den honger, en Ik zal u in geen koninkrijk op aarde laten blijven

34:18 En Ik zal de lieden, die mijn verbond overtreden, en de woorden van het verbond, hetwelk zij voor mijn aangezicht gemaakt hebben, niet houden, gelijk maken aan het kalf, hetwelk zij in twee stukken gedeeld hebben, en tussen welke stukken zij doorgegaan zijn: de vorsten van Juda

34:19 de vorsten van Jeruzalem, de kamerdienaars, de priesters, en al het volk in het land, die tussen de stukken des kalfs zijn doorgegaan

34:20 En Ik zal hen overleveren in de hand hunner vijanden en dergenen, die naar hun leven staan, opdat hunne lichamen aan de vogels des hemels en de dieren der aarde tot spijs worden

34:21 Ook Zedekía, den koning van Juda, en zijne vorsten zal Ik overleveren in de hand hunner vijanden en dergenen, die naar hun leven staan, en in de hand van het heir des konings van Babel, hetwelk [nu] van ulieden is afgetrokken

34:22 Zie, Ik zal bevel geven, spreekt de Heer, en zal hen weder voor deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden en zullen ze innemen en met vuur verbranden; en Ik zal de steden van Juda verwoesten, dat er niemand meer wonen zal. Jeremia 3

35:1 Dit is het woord, dat van den Heer geschiedde tot Jeremia, ten tijde van Jojakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, zeggende

35:2 Ga heen tot het huis der Rechabieten, en spreek met hen; en breng hen in het huis des Heren, in een der vertrekken, en schenk hun wijn in

35:3 Toen nam ik Jaäzanja, den zoon van Jeremia, den zoon van Habazzinja, en zijne broeders en al zijne zonen, en het gehele huis der Rechabieten

35:4 en ik leidde hen in het huis des Heren, in het vertrek der kinderen van Hanan, den zoon van Jigdalja, den man Gods, dat nevens het vertrek der vorsten is, boven het vertrek van Maäseja, den zoon van Sallum, den deurwachter

35:5 en ik zette den kinderen van het huis der Rechabieten bekers vol wijn en schalen voor, en sprak tot hen: Drinkt wijn

35:6 Maar zij antwoordden: Wij drinken geen wijn; want onze vader Jonadab, de zoon van Rechab, heeft ons geboden, zeggende: Gij en uwe kinderen zult nooit wijn drinken

35:7 en geen huis bouwen, geen zaad zaaien, geen wijngaard planten noch bezitten, maar zult in tenten wonen uw leven lang, opdat gij lang moogt leven in het land, waarin gij als vreemdelingen verkeert

35:8 Alzo horen wij naar de stem van onzen vader Jonadab, den zoon van Rechab, in alles wat hij ons geboden heeft; zodat wij geen wijn drinken ons leven lang, wij, noch onze vrouwen, noch onze zonen, noch onze dochters

35:9 en wij bouwen ook geen huizen om in te wonen, en hebben geen wijngaarden noch akkers noch zaad

35:10 maar wonen in tenten, en horen en doen naar alles wat onze vader Jonadab ons geboden heeft

35:11 Toen nu Nebukadnezar, de koning van Babel, optrok naar dit land, zeiden wij: Komt, laat ons naar Jeruzalem trekken vanwege het heir der Chaldeën en der Syriërs; en wij zijn alzo te Jeruzalem gebleven

35:12 Toen geschiedde het woord des Heren tot Jeremia, zeggende

35:13 Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Ga heen en zeg tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem: Zult gij u dan niet verbeteren om naar mijne woorden te horen, spreekt de Heer

35:14 De woorden van Jonadab, den zoon van Rechab, welke hij zijnen kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn zouden drinken, worden gehouden; want zij drinken geen wijn tot op dezen dag, omdat zij naar huns vaders gebod horen: en Ik heb vroeg en laat tot u gesproken, maar gij gehoorzaamdet Mij niet

35:15 Ook heb Ik vroeg en laat tot u gezonden al mijne knechten, de profeten, en laten zeggen: Bekeert u, elk van zijnen kwaden weg, en verbetert uwen wandel, en volgt geen andere goden na om hen te dienen, zo zult gij in het land blijven, hetwelk Ik u en uwen vaderen gegeven heb; maar gij wildet uwe oren niet neigen, noch Mij gehoorzamen

35:16 Daar dan de kinderen van Jonadab, den zoon van Rechab, huns vaders bevel, hetwelk hij hun geboden heeft, gehouden hebben, maar dit volk naar Mij niet heeft gehoord

35:17 daarom spreekt de Heer, de God Zebaôth, Israëls God, aldus: Zie, Ik zal over Juda en over al de inwoners van Jeruzalem al het ongeluk brengen, hetwelk Ik tegen hen gesproken heb, omdat Ik tot hen gesproken heb, maar zij niet wilden horen, en Ik tot hen geroepen heb, maar zij Mij niet wilden antwoorden

35:18 En tot het huis der Rechabieten sprak Jeremia: Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Omdat gij het gebod van uwen vader Jonadab gehoorzaamd en al zijne geboden onderhouden, en alles gedaan hebt wat hij u geboden heeft

35:19 daarom spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God, aldus: Het zal Jonadab, den zoon van Rechab, nooit missen, dat er iemand van de zijnen Vóór Mij zal staan te allen dage. Jeremia 3

36:1 In het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jeremia van den Heer, zeggende

36:2 Neem ene boekrol, en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb aangaande Israël, aangaande Juda, en aangaande alle volken, van dien tijd af, dat Ik tot u gesproken heb, van den tijd van Josía af, tot op dezen dag toe

36:3 Misschien zal het huis van Juda, als zij horen al het ongeluk, dat Ik hun denk te doen, zich bekeren, elk van zijnen kwaden weg, opdat Ik hunne misdaad en zonde vergeve

36:4 Toen riep Jeremia Baruch, den zoon van Nería; en Baruch schreef uit den mond van Jeremia al de woorden des Heren, die Hij tot hem gesproken had, in ene boekrol

36:5 En Jeremia gebood Baruch en sprak: Ik ben gevangen, zodat ik niet in het huis des Heren kan gaan

36:6 maar ga gij daarin en lees de rol, waarin gij de woorden des Heren uit mijnen mond hebt opgeschreven, voor het volk, in het huis des Heren, op den vastendag; en gij zult ze ook lezen voor de oren van geheel Juda, die uit hunne steden zullen komen

36:7 misschien zullen zij zich met bidden voor den Heer verootmoedigen, en zich bekeren, elk van zijnen kwaden weg; want groot is de toorn en de gramschap, welke de Heer tegen dit volk heeft uitgesproken

36:8 En Baruch, de zoon van Nería, deed alles wat de profeet Jeremia hem bevolen had, dat hij de woorden des Heren uit dat boek las in het huis des Heren

36:9 En het gebeurde in het vijfde jaar van Jojakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, in de negende maand, dat men tot een vasten voor den Heer opriep al het volk te Jeruzalem en al het volk, dat uit de steden van Juda naar Jeruzalem kwam

36:10 En Baruch las uit het boek de woorden van Jeremia, in het huis des Heren, in het vertrek van Gemarja, den zoon van Safan, den kanselier, in het bovenste voorhof, aan de nieuwe poort van het huis des Heren, voor al het volk

36:11 En toen Michaju, de zoon van Gemarja, den zoon van Safan, al de woorden des Heren gehoord had uit dat boek

36:12 ging hij af naar des konings huis, in het vertrek des kanseliers; en zie, daar zaten al de vorsten: Elisama, de kanselier, Delaja, de zoon van Semaja, Elnathan, de zoon van Achbor, Gemarja, de zoon van Safan, en Zedekía, de zoon van Hananja, en al de vorsten

36:13 En Michaju maakte hun bekend al de woorden, die hij gehoord had, toen Baruch uit dat boek las voor de oren van het volk

36:14 Toen zonden al de vorsten Jehudi, den zoon van Nethanja, den zoon van Selemja, den zoon van Kuschi, tot Baruch, en lieten aan hem zeggen: Neem de rol, waaruit gij voor het volk gelezen hebt, met u, en kom. En Baruch, de zoon van Nería, nam de rol met zich en kwam tot hen

36:15 En zij zeiden tot hem: Zet u neder en lees ze voor onze oren. En Baruch las voor hunne oren

36:16 En toen zij al die woorden hoorden, verschrikten zij, de een zowel als de ander, en zeiden tot Baruch: Wij zullen al deze woorden den koning te kennen geven

36:17 En zij vraagden Baruch: Zeg ons, hoe hebt gij al deze woorden uit zijnen mond opgeschreven

36:18 En Baruch zeide tot hen: Uit zijnen mond zeide hij mij al deze woorden voor, en ik schreef ze met inkt in dit boek

36:19 Toen zeiden de vorsten tot Baruch: Ga heen en verberg u, gij en Jeremia, opdat niemand wete waar gijlieden zijt

36:20 En zij gingen in tot den koning in het voorhof, maar de rol lieten zij bewaren in de kamer van Elisama, den kanselier; en zij verhaalden den koning al die woorden

36:21 Toen zond de koning Jehudi om de rol te halen, en hij nam ze uit de kamer van Elisama, den kanselier; en Jehudi las voor den koning en voor al de vorsten, die bij den koning stonden

36:22 De koning nu zat in het wintervertrek, in de negende maand, voor de haardstede

36:23 En toen Jehudi drie of vier hoofdstukken gelezen had, versneed hij ze met een schrijfmes, en wierp ze op het vuur

36:24 En niemand ontstelde noch scheurde zijne klederen, noch de koning, noch iemand zijner knechten, daar zij nochtans al deze woorden gehoord hadden

36:25 hoewel Elnathan, Delaja en Gemarja den koning baden, dat hij de rol niet zou verbranden, zo gaf hij hun echter geen gehoor

36:26 Daarenboven gebood de koning Jerahmeël, den koningszoon, en Seraja, den zoon van Azriël, en Selemja, den zoon van Abdeël, dat zij Baruch, den schrijver, en Jeremia, den profeet, zouden gevangen nemen. Maar de Heer had hen verborgen

36:27 Toen geschiedde het woord des Heren tot Jeremia, nadat de koning de rol met de woorden, die Baruch uit den mond van Jeremia had opgeschreven, verbrand had, zeggende

36:28 Neem weder ene andere rol, en schrijf daarop al de vorige woorden, die op de eerste rol stonden, welke Jojakim, de koning van Juda, verbrand heeft

36:29 En tot Jojakim, den koning van Juda, zult gij zeggen: Dus spreekt de Heer: Gij hebt deze rol verbrand, zeggende: Waarom hebt gij daarop geschreven, dat de koning van Babel zal komen en dit land zal verderven, en maken, dat er noch mens noch dier in over zij

36:30 Daarom spreekt de Heer aangaande Jojakim, den koning van Juda, aldus: Niemand van de zijnen zal op Davids troon zitten; en zijn lichaam zal weggeworpen worden, bij dag in de hitte en des nachts in de koude

36:31 en Ik zal hem en zijn zaad en zijne knechten wegens hunne misdaad bezoeken, en Ik zal over hen en over de inwoners van Jeruzalem en over de mannen van Juda al het ongeluk brengen, hetwelk Ik tot hen gesproken heb, omdat zij niet gehoorzaamd hebben

36:32 Toen nam Jeremia ene andere rol, en gaf die aan Baruch, den zoon van Nería, den schrijver; die schreef daarop, uit den mond van Jeremia, al de woorden van het boek, hetwelk Jojakim, de koning van Juda, door het vuur had doen verbranden; en daarbij werden nog vele andere woorden gevoegd. Jeremia 3

37:1 En Zedekía, de zoon van Josía, werd koning in de plaats van Konia, Jojakims zoon; want Nebukadnezar, de koning van Babel, stelde hem aan tot koning in het land van Juda

37:2 Maar hij en zijne knechten en het volk in het land hoorden niet naar de woorden des Heren, die Hij door den profeet Jeremia sprak

37:3 Nochtans zond koning Zedekía Juchal, den zoon van Selemja, en Zefanja, den zoon van Maäseja, den priester, tot den profeet Jeremia, en liet aan hem zeggen: Bid toch den Heer, onzen God voor ons

37:4 Want Jeremia ging onder het volk nog uit en in, en men had hem nog niet in de gevangenis gezet

37:5 En Farao's heir was uit Egypte opgetrokken; en de Chaldeën, die voor Jeruzalem gelegen hadden, waren, dat gerucht gehoord hebbende, van voor Jeruzalem opgebroken

37:6 En het woord des Heren geschiedde tot den profeet Jeremia, zeggende

37:7 Dus spreekt de Heer, Israëls God: Zeg tot den koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft om Mij te vragen, aldus: Zie Farao's heir, dat u tot hulp uitgetrokken is, zal weder naar huis, naar Egypte terugkeren

37:8 en de Chaldeën zullen wederkomen en tegen deze stad strijden, en zullen haar innemen en met vuur verbranden

37:9 Daarom spreekt de Heer aldus: Bedriegt uwe zielen niet met te denken: De Chaldeën zullen van ons aftrekken: zij zullen niet aftrekken

37:10 Want, al sloegt gij ook het gehele heir der Chaldeën, die tegen u strijden, en er bleven van hen slechts enigen over, die gewond lagen, zo zouden dezen, elk in zijne tent, nog opstaan en deze stad met vuur verbranden

37:11 Toen nu het heir der Chaldeën van voor Jeruzalem was opgebroken vanwege het heir van Farao

37:12 ging Jeremia uit Jeruzalem, en wilde naar het land van Benjamin gaan, om zijn akker in bezit te nemen onder het volk

37:13 Doch toen hij onder de poort van Benjamin kwam, was daar iemand gesteld tot poortwachter, wiens naam was Jería, de zoon van Selemja, den zoon van Hananja, die greep den profeet Jeremia, zeggende: Gij wilt overlopen tot de Chaldeën

37:14 Doch Jeremia zeide: Het is niet waar, ik wil niet tot de Chaldeën overlopen. Maar Jería wilde niet naar hem horen, en vatte Jeremia en bracht hem tot de vorsten

37:15 En de vorsten werden toornig op Jeremia, en lieten hem slaan en wierpen hem in de gevangenis, in het huis van Jonathan, den schrijver, en dezen maakten zij tot gevangenbewaarder

37:16 Alzo kwam Jeremia in den kuil der gevangenis, en lag aldaar een langen tijd

37:17 En koning Zedekía zond heen en liet hem halen, en ondervroeg hem in zijn huis heimelijk, en zeide: Is er ook enig woord vanwege den Heer? En Jeremia zeide: Ja; gij zult in de hand des konings van Babel overgeleverd worden

37:18 Voorts sprak Jeremia tot koning Zedekía: Wat heb ik tegen u of tegen uwe knechten of tegen dit volk gezondigd, dat gijlieden mij in de gevangenis geworpen hebt

37:19 Waar zijn nu uwe profeten, die u profeteerden, zeggende: De koning van Babel zal niet tegen u noch tegen dit land optrekken

37:20 En nu, mijn heer koning, hoor mij, en laat mijne bede bij u gelden, en laat mij niet weder in het huis van Jonathan, den schrijver, brengen, opdat ik aldaar niet sterve

37:21 Toen beval koning Zedekía, dat men Jeremia in het voorhof der gevangenis bewaren zou, en hij liet hem elken dag een bol brood geven uit de Bakkersstraat, totdat al het brood der stad was opgeteerd. Alzo bleef Jeremia in het voorhof der gevangenis. Jeremia 3

38:1 En Sefatja, de zoon van Mattan, en Gedalja, de zoon van Pashur, en Juchal, de zoon van Selemja, en Pashur, de zoon van Malkía, hoorden de woorden, welke Jeremia tot al het volk sprak, zeggende

38:2 Dus spreekt de Heer: Wie in deze stad blijft, die zal door het zwaard, den honger of de pest omkomen; maar wie naarbuiten gaat tot de Chaldeën, die zal behouden blijven, hij zal er zijn leven als een buit afbrengen

38:3 Want aldus spreekt de Heer: Deze stad zal overgeleverd worden aan het heir des konings van Babel, en hij zal ze innemen

38:4 Toen zeiden de vorsten tot den koning: Laat toch dezen man doden; want op die wijze ontmoedigt hij de krijgslieden, die nog overgebleven zijn in deze stad, desgelijks ook al het volk, dewijl hij zulke woorden tot hen zegt; want deze man zoekt niet wat dit volk tot vrede, maar alleen wat tot onheil strekt

38:5 En koning Zedekía zeide: Zie, hij is in uwe hand, want ik, koning, vermag niets tegen u

38:6 Toen namen zij Jeremia en wierpen hem in den kuil van Malkía, den koningszoon, in het voorhof der gevangenis, en lieten hem met touwen af in den kuil, in welken geen water, maar enkel slijk was; en Jeremia zonk in de modder

38:7 Doch toen Ebed-Mélech, de Moor, een kamerdienaar in des konings huis, hoorde, dat men Jeremia in den kuil geworpen had, en de koning juist zat in de poort van Benjamin

38:8 ging Ebed-Mélech uit het huis des konings, en sprak tot den koning, zeggende

38:9 Mijn heer koning, deze mannen handelen kwalijk met den profeet Jeremia, dat zij hem in den kuil hebben geworpen, waarin hij van honger moet sterven; want in de stad is geen brood meer

38:10 Toen gebood de koning den Moor Ebed-Mélech, zeggende: Neem dertig van deze mannen met u, en haal den profeet Jeremia uit den kuil, eer hij sterft

38:11 En Ebed-Mélech nam de mannen met zich, en ging in het huis des konings, onder de schatkamer, en nam aldaar verscheurde en versleten oude kleedingstukken, en liet ze met touwen af tot Jeremia in den kuil

38:12 En Ebed-Mélech, de Moor, zeide tot Jeremia: Leg nu deze verscheurde en versleten oude kleedingstukken onder de oksels uwer armen, onder het touw. En Jeremia deed alzo

38:13 En zij trokken Jeremia op uit den kuil met de touwen; en Jeremia bleef alzo in het voorhof der gevangenis

38:14 En koning Zedekía zond heen en liet den profeet Jeremia tot zich halen, in den derden ingang van het huis des Heren; en de koning zeide tot Jeremia: Ik zal u wat vragen, maar verheel mij niets

38:15 En Jeremia sprak tot Zedekía: Als ik het u zeg, zult gij mij toch doden; en al geef ik u raad, gij zult nochtans naar mij niet horen

38:16 Toen zwoer koning Zedekía aan Jeremia in het geheim zeggende: Zo waarachtig de Heer leeft, die ons deze ziel gemaakt heeft, ik zal u niet doden, u ook niet overgeven in de hand der mannen, die naar uw leven staan

38:17 En Jeremia sprak tot Zedekía: Dus spreekt de Heer, de God Zebaôth, Israëls God: Wanneer gij tot de vorsten des konings van Babel zult uitgaan, zult gij in het leven blijven, en deze stad zal niet met vuur verbrand worden, maar gij en uw huis zult het leven behouden

38:18 Maar, indien gij niet zult uitgaan tot de vorsten des konings van Babel, zal deze stad in de hand der Chaldeën worden overgeleverd, en zij zullen ze met vuur verbranden; en gij zult ook uit hunne hand niet ontkomen

38:19 Toen zeide koning Zedekía tot Jeremia: Maar ik vrees, dat ik aan de Joden, die tot de Chaldeën zijn overgelopen, zal overgeleverd worden, en dat die hunnen moedwil met mij drijven zullen

38:20 Doch Jeremia zeide: Men zal [u] niet overleveren; gehoorzaam toch de stem des Heren, welke ik u zeg, zo zal het u welgaan en gij zult in het leven blijven

38:21 Maar indien gij niet zult uitgaan, dan is dit het woord, hetwelk de Heer mij geopenbaard heeft

38:22 Zie, al de vrouwen, die er nog zijn in het huis des konings van Juda, zullen naarbuiten gebracht worden tot de vorsten des konings van Babel; die zullen dan tot u zeggen: Ach, uwe troosters hebben u opgestookt en verleid: nu uwe voeten in het slijk gezonken zijn, laten zij u zitten

38:23 Dus zullen dan al uwe vrouwen en kinderen naarbuiten gebracht worden tot de Chaldeën, en gij zelf zult uit hunne hand niet ontkomen, maar gij zult door den koning van Babel gevat, en deze stad zal met vuur verbrand worden

38:24 Toen zeide Zedekía tot Jeremia: Dat niemand iets van deze woorden wete, dan zult gij niet sterven

38:25 En zo de vorsten het vernemen mochten, dat ik met u gesproken heb, en tot u komen en zeggen: Zeg ons, wat hebt gij met den koning gesproken? Verheel het ons niet, dan zullen wij u niet doden; en wat heeft de koning met u gesproken?

38:26 zeg dan tot hen: Ik heb den koning gebeden, dat hij mij niet weder zou laten brengen in Jonathans huis om aldaar te sterven

38:27 Toen kwamen al de vorsten tot Jeremia en ondervroegen hem, en hij zeide hun gelijk de koning hem bevolen had; toen lieten zij van hem af, omdat zij niets vernemen konden

38:28 En Jeremia bleef in het voorhof der gevangenis tot op den dag, dat Jeruzalem veroverd werd. En het geschiedde, dat Jeruzalem veroverd werd; Jeremia 3

39:1 want in het negende jaar van Zedekía, den koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, en zijn ganse heir, voor Jeruzalem, en zij belegerden het

39:2 En in het elfde jaar van Zedekía, op den negenden dag der vierde maand, drong men in de stad

39:3 En al de vorsten des konings van Babel trokken naarbinnen, en hielden stil onder de middelste poort, namelijk Nergal-Sarézer, Samgar-Nebu, Sarsechim, de opperkamerdienaar, Nergal-Sarézer, de overste der wijzen, en al de overige vorsten des konings van Babel

39:4 Toen nu Zedekía, de koning van Juda, benevens zijne krijgslieden, hen zagen, vluchtten zij bij nacht de stad uit, langs den weg van des konings hof, door de poort tussen de twee muren, en trokken het vlakke veld over

39:5 Maar het heir der Chaldeën joeg hen na; en zij achterhaalden Zedekía in het veld bij Jericho; en zij namen hem gevangen, en brachten hem tot Nebukadnezar, den koning van Babel, naar Ribla in het land van Hamath; en hij sprak het vonnis over hem uit

39:6 En de koning van Babel liet de zonen van Zedekía voor zijne ogen doden te Ribla; ook doodde hij al de vorsten van Juda

39:7 en Zedekía liet hij de ogen uitsteken, en hem met ketenen binden, om hem naar Babel te doen voeren

39:8 En de Chaldeën verbrandden het huis des konings, alsook de huizen der inwoners, en braken de muren van Jeruzalem af

39:9 En wat er nog van het volk in de stad was overgebleven, en die tot hen waren overgelopen, die voerde Nebuzaradan, de hoofdman, allen te zamen gevankelijk naar Babel

39:10 Maar van het geringe volk, die niets bezaten, liet Nebuzaradan, de hoofdman, in dien tijd nog enigen in het land van Juda, en gaf hun wijnbergen en akkers

39:11 Nebukadnezar nu, de koning van Babel, had Nebuzaradan, den hoofdman, bevolen aangaande Jeremia, zeggende

39:12 Neem hem, en draag zorg voor hem, en doe hem geen leed; maar gelijk hij het van u begeert, maak het zo met hem

39:13 Toen zond Nebuzaradan, de hoofdman, en Nebusazban, de opperkamerdienaar, en Nergal-Sarézar, de overste der wijzen, en al de vorsten des konings van Babel heen

39:14 en zij lieten Jeremia halen uit het voorhof der gevangenis, en vertrouwden hem toe aan Gedalja, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, dat hij hem naarbuiten in zijn huis zou voeren: aldus verkeerde hij in het midden des volks

39:15 Ook was het woord des Heren geschied tot Jeremia, terwijl hij nog in het voorhof der gevangenis gevangen was, zeggende

39:16 Ga heen en zeg tot Ebed-Mélech, den Moor: Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Zie, Ik zal mijne woorden laten komen over deze stad ten kwade en niet ten goede, en gij zult het zien in dien tijd

39:17 Maar u zal Ik redden in dien tijd, spreekt de Heer; en gij zult niet worden overgeleverd in de hand der mannen, voor welke gij vreest

39:18 want Ik zal er u van afhelpen, dat gij niet door her zwaard zult vallen, maar gij zult uw leven als een buit daarvan afbrengen, omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de Heer. Jeremia 4

40:1 Dit is het woord, dat van den Heer geschiedde tot Jeremia, toen Nebuzaradan, de hoofdman, hem van Rama had weggezonden; want hij was ook met ketenen gebonden geweest onder al degenen, die te Jeruzalem en in Juda gevangen waren, opdat men hen naar Babel zou wegvoeren

40:2 Toen dan nu de hoofdman Jeremia tot zich had genomen, zeide hij tot hem: De Heer, uw God, heeft dit onheil over deze plaats gesproken

40:3 en Hij heeft het ook doen komen en gedaan gelijk Hij gesproken heeft; want gijlieden hebt gezondigd tegen den Heer, en aan zijne stem geen gehoor gegeven; daarom is u dit geschied

40:4 En nu, zie, ik heb u heden losgemaakt van de ketenen, met welke uwe handen gebonden waren; indien het u nu behaagt met mij naar Babel te trekken, zo kom, ik zal voor u zorg dragen; maar indien het u niet behaagt met mij naar Babel te trekken, zo laat het; zie, het gehele land is voor uw aangezicht: waar het u goeddunkt en u behaagt, trek derwaarts heen

40:5 En dewijl er geen wederkeren zal zijn, zo begeef gij u tot Gedalja, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, dien de koning van Babel gesteld heeft over de steden van Juda, en blijf bij hem in het midden des volks; of ga elders heen, waar het u behaagt. En de hoofdman gaf hem teerkost en geschenken, en liet hem gaan

40:6 Alzo kwam Jeremia tot Gedalja, den zoon van Ahikam, te Mizpa, en hij bleef bij hem in het midden van het volk, dat in het land nog overgebleven was

40:7 Toen nu de hoofdlieden, die in het veld waren, benevens hun volk, vernamen, dat de koning van Babel Gedalja, den zoon van Ahikam, over het land gesteld had, over de mannen en vrouwen en kinderen en de geringsten des lands, die niet naar Babel ge voerd waren

40:8 zo kwamen zij tot Gedalja te Mizpa, namelijk Ismaël, de zoon van Nethanja, Johanan en Jonathan, de zonen van Karéah, en Seraja, de zoon van Tanhúmeth, en de zonen van Efai den Netofathiet, en Jezanja, de zoon van Maächathiet, benevens hunne manschappen

40:9 En Gedalja, de zoon van Safan, zwoer hun en hunnen manschappen, zeggende: Vreest niet den Chaldeën onderdanig te zijn, blijft in het land en weest den koning van Babel onderdanig, zo zal het u welgaan

40:10 Zie, ik woon hier te Mizpa, om de Chaldeën, die tot ons komen, te dienen: derhalve zamelt wijn en vijgen en olie, en doet ze in vaten, en woont in uwe steden, die gij in bezit genomen hebt

40:11 Zo ook al de Joden, die in het land van Moab en onder de kinderen Ammons en in Edom en in alle andere landen waren, toen zij hoorden, dat de koning van Babel enigen van Juda had laten overblijven, en dat hij Gedalja, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, over hen gesteld had

40:12 zo kwamen zij allen weder uit alle plaatsen, waarheen zij verdreven waren, in het land van Juda tot Gedalja te Mizpa, en zij zamelden zeer veel wijn en zomervruchten

40:13 Maar Johanan, de zoon van Karéah, benevens al de hoofdlieden, die in het veld waren, kwamen tot Gedalja te Mizpa

40:14 en zeiden tot hem: Weet gij wel, dat Baälis, de koning der kinderen Ammons, Ismaël, den zoon van Nethanja, heeft uitgezonden om u te doden? Maar Gedalja, de zoon van Ahikam, wilde hen niet geloven

40:15 Toen sprak Johanan, de zoon van Karéah, tot Gedalja in het geheim te Mizpa: Laat mij toch heengaan en Ismaël, den zoon van Nethanja, doden, dat niemand het gewaar zal worden: waarom zou hij u doodslaan, dat alle Joden, die tot u verzameld zijn, verstrooid zouden worden, en die nog van Juda overgebleven zijn, omkomen

40:16 Maar Gedalja, de zoon van Ahikam, zeide tot Johanan, den zoon van Karéah: Gij zult dat niet doen, want het is niet waar, wat gij van Ismaël zegt. Jeremia 4

41:1 In de zevende maand nu kwam Ismaël, de zoon van Nethanja, den zoon van Elisama, zijnde van koninklijk geslacht, benevens de oversten des konings, en tien mannen met hem, tot Gedalja, den zoon van Ahikam, te Mizpa; en zij aten aldaar te Mizpa met elkander

41:2 En Ismaël, de zoon van Nethanja, maakte zich op, benevens de tien mannen, die bij hem waren, en zij sloegen Gedalja, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, dien de koning over dat land gesteld had, met het zwaard; en hij doodde hem

41:3 Daarenboven versloeg Ismaël al de Joden, die bij Gedalja te Mizpa waren, en de Chaldeën, die zij aldaar vonden, en alle krijgslieden

41:4 Des anderen daags nu, nadat Gedalja doodgeslagen was, toen nog niemand het wist

41:5 kwamen er tachtig mannen van Sichem, van Silo, en van Samarië; die hadden de baarden afgeschoren en hunne klederen gescheurd en zichzelven insnijdingen gemaakt, en zij droegen spijsoffer en wierook met zich, om het te brengen in het huis des Heren

41:6 En Ismaël, de zoon van Nethanja, ging uit van Mizpa, hun tegemoet, al wenende; en toen hij nabij hen kwam, zeide hij tot hen: Gij zult tot Gedalja, den zoon van Ahikam, komen

41:7 Maar toen zij midden in de stad kwamen, vermoordde hen Ismaël, de zoon van Nethanja, en de mannen, die bij hem waren, [en wierp hen] in den put

41:8 Echter waren er tien mannen onder, die tot Ismaël zeiden: Dood ons niet, want wij hebben schatten in den akker verborgen van tarwe, gerst, olie en honig. Toen hield hij op en doodde hen niet met de anderen

41:9 De put nu, waarin Ismaël de dode lichamen wierp der mannen, die hij nevens Gedalja doodgeslagen had, is dezelfde, dien koning Asa had doen maken wegens Baësa, den koning van Israël; dezen vulde Ismaël, de zoon van Nethanja, met de gedoden

41:10 En wat er nog van het overgebleven volk te Mizpa was, benevens de dochters des konings, voerde Ismaël, de zoon van Nethanja, gevankelijk weg, ja al het overige volk te Mizpa, over hetwelk Nebuzaradan, de hoofdman, Gedalja, den zoon van Ahikam, gesteld had; en hij trok heen en wilde overgaan tot de kinderen Ammons

41:11 Maar toen Johanan, de zoon van Karéah, en al de hoofdlieden des heirs, die bij hem waren, al het kwaad vernamen, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, bedreven had

41:12 namen zij tot zich al de mannen, en trokken op om tegen Ismaël, den zoon van Nethanja, te strijden; en zij troffen hem aan bij het grote water te Gibeon

41:13 Toen nu al het volk, dat bij Ismaël was, Johanan, den zoon van Karéah, en al de hoofdlieden des heirs zag, die bij hem waren, verheugden zij zich

41:14 en al het volk, hetwelk Ismaël van Mizpa weggevoerd had, wendde zich om en ging over tot Johanan, den zoon van Karéah

41:15 Maar Ismaël, de zoon van Nethanja, ontkwam met acht mannen, en trok heen tot de kinderen Ammons

41:16 En Johanan, de zoon van Karéah, benevens al de hoofdlieden des heirs, die bij hem waren, namen al het overige volk, hetwelk zij wedergebracht hadden van Ismaël, den zoon van Nethanja, uit Mizpa tot zich, nadat Gedalja, de zoon van Ahikam, gedood was; namelijk krijgslieden, vrouwen en kinderen, en kamerdienaars, die zij van Gibeon hadden weggebracht

41:17 en zij trokken heen en namen hunnen intrek in het verblijf bij Kimham, nabij Betlehem, en wilden naar Egypte trekken

41:18 wegens de Chaldeën; want zij vreesden voor hen, omdat Ismaël, de zoon van Nethanja, Gedalja, den zoon van Ahikam, gedood had, dien de koning van Babel over het land had gesteld. Jeremia 4

42:1 Toen traden al de hoofdlieden des heirs toe, ook Johanan, de zoon van Karéah, en Jezanja, de zoon van Hosaja, benevens al het volk, zo klein als groot

42:2 en zeiden tot den profeet Jeremia: Laat toch ons gebed bij u gelden, en bid voor ons tot den Heer, uwen God, voor al deze overgeblevenen; want van ons zijn er weinigen overgebleven uit velen, gelijk gij ons ziet met uwe ogen

42:3 opdat de Heer uw God ons bekendmake, waarheen wij trekken en wat wij doen moeten

42:4 En de profeet Jeremia zeide tot hen: Ik heb het gehoord; zie, ik zal tot den Heer, uwen God, bidden, zoals gij gezegd hebt; en alwat de Heer u antwoorden zal, dat zal ik u bekendmaken, en zal u niets verzwijgen

42:5 En zij zeiden tot Jeremia: De Heer zij een gewis en waarachtig getuige tussen ons, indien wij niet doen zullen alwat de Heer, uw God, ons door u bevelen zal

42:6 Hetzij goed of kwaad, wij zullen horen naar de stem van den Heer, onzen God, tot wien wij u zenden, opdat het ons welga, als wij naar de stem van den Heer, onzen God, horen

42:7 En na tien dagen geschiedde het woord des Heren tot Jeremia

42:8 Toen riep hij Johanan, den zoon van Karéah, en al de hoofdlieden des heirs, die bij hem waren, en al het volk, zo klein als groot

42:9 en zeide tot hen: Dus spreekt de Heer, Israëls God, tot wien gij mij gezonden hebt om uw gebed voor Hem te brengen

42:10 Indien gijlieden in dit land zult blijven, zo zal Ik u bouwen en niet afbreken; Ik zal u planten en niet uitroeien; want Mij heeft alreeds berouwd het kwaad, dat Ik u heb aangedaan

42:11 Gij zult niet vrezen voor den koning van Babel, voor wien gij vreest, spreekt de Heer; gij zult voor hem niet vrezen, want Ik zal met u zijn, om u te helpen en u van zijne hand te bevrijden

42:12 en Ik zal u barmhartigheid bewijzen en Mij over u erbarmen en u wederbrengen in uw land

42:13 Maar indien gij zult zeggen; Wij willen in dit land niet blijven, zodat gij niet hoort naar de stem van den Heer, uwen God

42:14 zeggende: Neen, maar wij willen naar Egypteland trekken, waar wij geen oorlog zullen zien noch het geluid der bazuin zullen horen, en niet hongeren zullen naar brood; Aldáár willen wij blijven

42:15 nu dan, zo hoort naar het woord des Heren, gij overgeblevenen van Juda; dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Indien gij uw aangezicht zult richten om naar Egypteland te trekken, en aldaar uw verblijf te hebben

42:16 zo zal het zwaard, voor hetwelk gij vreest, u treffen in Egypteland, en de honger, waarvoor gij bezorgd zijt, zal gestadig achter u zijn in Egypte; en gij zult aldaar sterven

42:17 Zo zullen alle mannen zijn, die hun aangezicht richten om naar Egypte te trekken, en aldaar hun verblijf te hebben; zij zullen sterven door het zwaard, den honger en de pest; en niemand zal overblijven noch het kwaad ontkomen, dat Ik over hen brengen zal

42:18 Want dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Gelijk mijn toorn en mijne verbolgenheid over de inwoners van Jeruzalem werd uitgestort, zo zal die zich ook over u uitstorten, indien gij naar Egypte trekt; zodat gij zijn zult tot een vloek, tot ene verwoesting, tot ene vervloeking en versmading, en gij deze plaats niet meer zult zien

42:19 Het woord des Heren geldt u, o gij overgeblevenen van Juda: Gaat niet naar Egypte, en weet, dat ik heden tegen u getuigd heb

42:20 Voorzeker, gij zult anders uw leven verliezen; want gij hebt mij gezonden tot den Heer, uwen God, zeggende: Bid tot den Heer, onzen God, voor ons, en alwat de Heer, onze God, zeggen zal, maak ons dat bekend: wij zullen er naar doen

42:21 Dit nu heb ik u heden bekendgemaakt; maar gij wilt naar de stem van den Heer, uwen God, niet horen, noch naar al hetgeen hij door Mij aan u bevolen heeft

42:22 Zo zult gij nu weten, dat gij door het zwaard, den honger en de pest zult sterven, ter plaatse, waarheen gij denkt te trekken om aldaar uw verblijf te hebben. Jeremia 4

43:1 Toen nu Jeremia al de woorden van den Heer, hunnen God, had uitgesproken tot al het volk, gelijk de Heer, hun God, door hem al die woorden aan hen bevolen had

43:2 sprak Azarja, de zoon van Hosaja, en Johanan, de zoon van Karéah, en al die trotse mannen, tot Jeremia: Gij liegt, de Heer, onze God, heeft u niet gezonden om te zeggen: Gij moet niet naar Egypte trekken, om aldaar uw verblijf te hebben

43:3 maar Baruch, de zoon van Nería, heeft u tegen ons opgestookt, om ons over te leveren in de hand der Chaldeën, dat zij ons doden of gevankelijk wegvoeren naar Babel

43:4 Alzo hoorden Johanan, de zoon van Karéah, en al de hoofdlieden des heirs, met al het volk naar de stem des Heren niet, om in het land van Juda te blijven

43:5 maar Johanan, de zoon van Karéah, en al de hoofdlieden des heirs namen tot zich al de overgeblevenen van Juda, die uit alle volken, tot welke zij waren gevlucht, wedergekomen waren om zich in het land van Juda neder te zetten

43:6 de mannen, de vrouwen en de kleine kinderen, benevens des konings dochters, en alle zielen, die Nebuzaradan, de hoofdman, bij Gedalja, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, had achtergelaten; ook den profeet Jeremia, en Baruch, den zoon van Nería

43:7 En zij trokken naar Egypteland, want zij wilden naar de stem des Heren niet horen; en zij kwamen te Tachpanhes

43:8 Toen geschiedde het woord des Heren tot Jeremia te Tachpanhes, zeggende

43:9 Neem grote stenen, en verberg ze in den ticheloven, die voor de deur van Farao's huis te Tachpanhes is, dat de mannen van Juda het zien

43:10 en zeg tot hen: Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Zie, Ik zal heenzenden en mijnen knecht Nebukadnezar, den koning van Babel, ontbieden, en zal zijnen troon boven op deze stenen zetten, die Ik verborgen heb, en hij zal zijne tent daarover uitspannen

43:11 En hij zal komen en Egypteland slaan; en wien de dood treft, dien treffe hij; wien de gevangenis, die worde gevankelijk weggevoerd; wien het zwaard, die valle door het zwaard

43:12 En Ik zal de huizen der goden van Egypte met vuur aansteken, opdat hij ze verbrande en wegvoere; en hij zal Egypteland overdekken, gelijk een herder zich met zijn kleed bedekt, en in vrede vandaar vertrekken

43:13 En hij zal de opgerichte zuilen te Beth-Sémes in Egypteland verbreken, en de huizen der afgoden van Egypte zal hij met vuur verbranden. Jeremia 4

44:1 Dit is het woord, dat tot Jeremia geschiedde aan alle Joden, die in Egypteland woonden, namelijk die te Migdol, te Tachpanhes, te Nof en in het land Pathros, zeggende

44:2 Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Gij hebt gezien al het kwaad, dat Ik heb doen komen over Jeruzalem en over alle steden van Juda; en zie, heden ten dage zijn zij woest en niemand woont daarin

44:3 vanwege hunne boosheid, die zij bedreven, omdat zij Mij vertoornden, en heengingen en wierookten en andere goden dienden, die noch zij, noch gij, noch uwe vaders gekend hebben

44:4 En Ik zond tot u vroeg en laat al mijne knechten, de profeten, en liet aan u zeggen: Doet toch zulke gruwelen niet, die Ik haat

44:5 maar zij gaven geen gehoor, noch neigden hunne oren, om zich van hunne boosheid te bekeren en voor geen andere goden te wieroken

44:6 Daarom werd ook mijn toorn en mijne verbolgenheid uitgestort, en ontstak over de steden van Juda en over de straten van Jeruzalem; zodat zij tot ene woestijn en tot ene eenzaamheid geworden zijn, gelijk het heden ten dage is

44:7 Nu dan, dus spreekt de Heer, de God Zebaôth, Israëls God: Waarom doet gij toch zulk een groot kwaad tegen uw eigen leven, opdat van u uitgeroeid worde man en vrouw, kind en zuigeling uit Juda, en er niets van u overblijve

44:8 dat gij Mij zo vertoornt door de werken uwer handen, en wierookt voor andere goden in Egypteland, naar hetwelk gij heengetrokken zijt om aldaar als vreemdelingen uw verblijf te hebben; opdat gij uitgeroeid en tot een vloek en ene versmaadheid wordt onder alle volken der aarde

44:9 Hebt gij vergeten het kwaad uwer vaderen, het kwaad der koningen van Juda, het kwaad hunner vrouwen, alsook uw eigen kwaad, en het kwaad uwer vrouwen, hetwelk u overkomen is in het land van Juda en op de straten van Jeruzalem

44:10 Nochtans zijn zij tot op dezen dag niet verootmoedigd; zij vrezen ook niet, en wandelen niet naar mijne wet en mijne rechten, die Ik u en uwen vaderen gegeven heb

44:11 Daarom spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God, aldus: Zie, Ik zal mijn aangezicht tegen ulieden stellen tot ongeluk, en geheel Juda zal uitgeroeid worden

44:12 en Ik zal de overgeblevenen van Juda wegnemen, die hun aangezicht gesteld hebben om naar Egypteland te trekken, en aldaar als vreemdelingen verblijf te hebben; want zij zullen allen omkomen in Egypteland; door het zwaard zullen zij vallen, en door den honger zullen zij vergaan, zowel klein als groot; zij zullen door het zwaard en door den honger sterven, en zullen tot een vloek, tot ene verwoesting, tot ene vervloeking en tot ene versmading worden

44:13 En Ik zal ook de inwoners van Egypteland met het zwaard, den honger en de pest bezoeken, gelijk Ik Jeruzalem gedaan heb

44:14 zodat niemand van de overgeblevenen van Juda zal ontkomen noch overblijven, die herwaarts gekomen zijn om in Egypteland als vreemdelingen verblijf te hebben; niemand, die terug zal keren naar het land van Juda, waarheen zij zo gaarne willen wederkeren om er te wonen; neen, niemand zal wederkeren, behalve wie ontkomen zullen

44:15 Toen antwoordden Jeremia alle mannen, die wisten, dat hunne vrouwen voor andere goden wierookten, en alle vrouwen, die in grote menigte daar stonden, benevens al het volk, dat in Egypteland, in Pathros woonde, zeggende

44:16 Aangaande het woord, dat gij in den naam des Heren tot ons gesprken hebt, wij willen u geen gehoor geven

44:17 maar wij zullen doen naar al hetgeen uit onzen mond gaat, en zullen voor de koningin des hemels wieroken en voor haar drankoffers plegen, zoals wij en onze vaderen, onze koningen en vorsten gedaan hebben in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem; toen hadden wij ook brood genoeg, en het ging ons wél, en wij zagen geen ongeluk

44:18 Maar sedert dien tijd, dat wij opgehouden hebben voor de koningin des hemels te wieroken en haar drankoffers te offeren, hebben wij aan alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door den honger verteerd

44:19 En ook wanneer wij voor de koningin des hemels wieroken en haar drankoffers plegen, doen wij dat immers niet zonder bewilliging onzer mannen, dat wij haar offerkoeken bereiden en drankoffers plengen, opdat zij zich om ons bekommere

44:20 Toen sprak Jeremia tot al het volk, zo tot de mannen als tot de vrouwen, en tot al het volk, dat hem zo geantwoord had, zeggende

44:21 Ik meen, dat de Heer gedacht heeft aan het wieroken, dat gij in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem gedaan hebt, gij en uwe vaderen, uwe koningen en vorsten, en al het volk in het land, en dat Hij dit ter harte genomen heeft

44:22 zodat Hij niet meer verdragen kon uwen kwaden wandel en de gruwelen, die gij deedt; daarom is ook uw land tot ene woestijn, tot ene verwoesting en tot een vloek geworden, dat er niemand in woont, gelijk het heden ten dage is

44:23 Daarom, dewijl gij gewierookt hebt, en tegen den Heer gezondigd, en naar de stem des Heren niet gehoord, en naar zijne wet, zijne rechten en getuigenissen niet gewandeld hebt, daarom is u ook dit ongeluk overkomen, gelijk het heden ten dage is

44:24 En Jeremia zeide tot al het volk en tot al de vrouwen: Hoort het woord des Heren, gij allen van Juda, die in Egypteland zijt

44:25 dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God, zeggende: Gij en uwe vrouwen hebt met uwen mond gesproken, en met uwe handen volbracht wat gij zeidet: Wij zullen onze geloften houden, die wij beloofd hebben aan de koningin des hemels, dat wij haar wieroken, en drankoffers voor haar plengen zullen: voorwaar, gij hebt uwe geloften vervuld; gij hebt uwe geloften tenvolle gehouden

44:26 Hoort dan nu het woord des Heren, gij allen van Juda, die in Egypteland woont: Zie, Ik zweer bij mijnen groten naam, spreekt de Heer, dat mijn naam niet meer door den mond van enig mens uit Juda zal genoemd worden in geheel Egypteland, zeggende: Zo waarachtig de Heer leeft

44:27 Zie, Ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; zodat alwie van Juda in Egypteland is, door het zwaard en den honger zal omkomen, totdat het een einde met hen heeft

44:28 En die het zwaard ontkomen, en uit Egypteland naar het land van Juda zullen wederkeren, zullen weinig in getal zijn; en alzo zullen dan al de overgeblevenen van Juda, die in Egypteland getrokken waren om aldaar als vreemdelingen verblijf te hebben, vernemen wiens woord waar geworden is, het mijne of het hunne

44:29 En tot een teken spreekt de Heer, dat Ik u aan deze plaats bezoeken zal, opdat gij weten moogt, dat mijn woord gewis waar zal worden, u tot ongeluk

44:30 zo spreekt de Heer aldus: Zie, Ik zal Farao Hofra, den koning van Egypte, overgeven in de hand zijner vijanden en dergenen, die naar zijn leven staan, gelijk Ik Zedekía, den koning van Juda, heb overgeleverd in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, zijnen vijand en die naar zijn leven stond. Jeremia 4

45:1 Dit is het woord, hetwelk de profeet Jeremia sprak tot Baruch, den zoon van Nería, toen hij deze woorden uit den mond van Jeremia in een boek schreef, in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, zeggende

45:2 Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God, aangaande u, o Baruch

45:3 Gij zegt: Wee mij, de Heer heeft jammer aan mijne smart toegevoegd; ik zucht mij moede en vind geen rust

45:4 Zeg tot hem aldus: Zo spreekt de Heer; Zie, hetgeen Ik gebouwd heb, dat breek Ik af, en hetgeen Ik geplant heb, dat roei Ik uit, ja zelfs dit ganse land

45:5 en gij zoudt voor u grote dingen begeren? Begeer ze niet; want zie, Ik zal ongeluk doen komen over alle vlees, spreekt de Heer; maar u zal Ik uwe ziel tot een buit geven, aan elke plaats, waarheen gij u begeven zult. Jeremia 4

46:1 Dit is het woord des Heren, dat tot den profeet Jeremia geschiedde aangaande de volken

46:2 Betreffende Egypte. Aangaande het heir van Farao Necho, den koning van Egypte, dat aan de rivier Frath bij Karkemis stond, hetwelk de koning van Babel, Nebukadnezar, sloeg in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josía, den koning van Juda

46:3 Maakt schild en rondas gereed, en rukt aan ten strijde

46:4 Spant de paarden aan, en laat de ruiters opzitten; zet de helmen op, en scherpt de spiesen, trekt de pantsers aan

46:5 Hoe komt het, dat Ik hen versaagd en achterwaarts geweken zie? Hunne helden zijn verslagen, en zij vluchten, dat zij zelfs niet omzien; er is schrik van rondom, spreekt de Heer

46:6 De snelle kan niet ontvlieden en de sterke niet ontkomen; tegen het Noorden, aan de rivier Frath, zijn zij gevallen en ternedergeveld

46:7 Wie is hij, die optrekt als een stroom, wiens golven zich verheffen als die van het water

46:8 Egypte trekt op als een stroom, en zijne golven verheffen zich als die van het water; en hij zeide: Ik zal opkomen, het land bedekken, en de stad verderven met degenen, die er in wonen

46:9 Welaan, trekt op met paarden, rent met wagens; dat de helden uittrekken, de Moren en die van Pût, die het schild voeren, en de schutters uit Lydië

46:10 Want dit is de dag des Heren, des Heren Zebaôth, een dag der wraak om zich te wreken aan zijne vijanden, daar het zwaard zal verslinden en van hun bloed verzadigd en dronken worden; want zij moeten den Heere Heere Zebaôth een slachtoffer worden in het land tegen het Noorden, aan de rivier Frath

46:11 Ga op naar Gilead en haal balsem, gij jonkvrouw, dochter van Egypte: het is tevergeefs, dat gij vele geneesmiddelen gebruikt; gij wordt toch niet genezen

46:12 Uwe schande is onder de volken ruchtbaar geworden; het land is vervuld van uw gekerm: want de ene held valt over den anderen, en zij liggen beiden terneder

46:13 Dit is het woord des Heren, hetwelk hij tot den profeet Jeremia sprak, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, in aantocht was om Egypteland te slaan

46:14 Verkondigt het in Egypte en maakt het bekend te Migdol, meldt het te Nof en te Tachpanhes, en zegt: Stelt u teweer, want het zwaard verslindt wat rondom u is

46:15 Hoe komt het, dat uwe helden ter aarde vallen, en niet kunnen standhouden? De Heer heeft hen ternedergeveld

46:16 Hij maakt, dat er velen van hen vallen, dat de een met den ander ternederligt, terwijl zij zeggen: Komt, laat ons wederkeren tot ons volk en naar ons vaderland, vanwege het zwaard des dwingelands

46:17 Daar riep men: Farao, de koning van Egypte, is verdelgd; hij heeft zijne tenten achtergelaten

46:18 Zo waarachtig Ik leef, spreekt de Koning wiens naam is Heer Zebaôth, hij zal optrekken, gelijk de berg Tabor is onder de bergen, en gelijk Karmel aan de zee

46:19 Vervaardig u het gewaad der ballingschap, gij inwoneres, dochter van Egypte; want Nof zal woest en verbrand worden, dat er niemand in wonen zal

46:20 Egypte is ene zeer schone vaars, maar van het Noorden komt de slachter

46:21 Ook hare gehuurde knechten in haar midden zijn als gemeste kalveren, maar ook zij moeten den rug wenden, met elkander vluchten, en zullen niet standhouden; want de dag huns ongeluks zal hun overkomen, de tijd hunner bezoeking

46:22 Haar geluid gaat voort als dat van ene slang; want zij komen met krijgsmacht, en brengen bijlen over haar, als om hout te vellen

46:23 Zij zullen haar woud omhouwen, spreekt de Heer, schoon het niet te tellen is; want zij zijn meer dan de sprinkhanen, zodat men ze niet tellen kan

46:24 De dochter van Egypte staat beschaamd, want zij is in de hand van het volk van het Noorden overgeleverd

46:25 De Heer Zebaôth, Israëls God, spreekt: Zie, Ik zal bezoeken Amon te No, en Farao, en Egypte, benevens hare goden en koningen, ook Farao met allen, die op hem vertrouwen

46:26 en Ik zal hen overgeven in de hand dergenen, die naar hun leven staan, en in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, en zijne knechten; en daarna zal het weder bewoond worden als van ouds, spreekt de Heer

46:27 Maar gij, mijn knecht Jakob, vrees niet; en gij Israël, versaag niet; want zie, Ik zal u redden uit verre landen, en uw zaad uit het land zijner gevangenschap; en Jakob zal wederkomen en vrede genieten en overvloed hebben, en niemand zal hem verschrikken

46:28 Daarom vrees niet, Jakob, mijn knecht, spreekt de Heer, want Ik ben met u; aan alle volken, waarheen Ik u verdreven heb, zal Ik een einde maken, maar met u zal Ik geen einde maken; maar Ik zal u kastijden met mate, opdat Ik u niet ongestraft late. Jeremia 4

47:1 Dit is het woord des Heren, dat tot den profeet Jeremia geschiedde aangaande de Filistijnen, eer Farao Gaza overwon

47:2 Dus spreekt de Heer: Zie, er komen wateren herwaarts van het Noorden, die tot een overstromenden vloed zullen worden, en het land en alles, wat er in is, zo de steden als die er in wonen, wegdrijven zullen; dat de lieden kermen en al de inwoners in het land jammeren zullen

47:3 vanwege het gedruis hunner sterke paarden, die daar heendraven, en het gerammel hunner wagens, en het geraas hunner raderen; dat de vaders niet zullen omzien naar de kinderen, zo versaagd zullen zij zijn

47:4 vanwege den dag, die komt om alle Filistijnen te vernielen, en om Tyrus en Sidon benevens hunne andere helpers uit te roeien; want de Heer zal de Filistijnen, het overblijfsel van het eiland Kaftor, vernielen

47:5 Gaza zal kaal worden, en Askelon, benevens het overgeblevene in hunne dalen, te gronde gaan. Hoelang zult gij u nog insnijdingen maken

47:6 O gij zwaard des Heren, wanneer zult gij toch stilhouden? Keer weder in uwe schede, rust en wees stil

47:7 Maar hoe kunt gij stilhouden, dewijl de Heer u bevel gegeven heeft tegen Askelon, en u tegen de zeehaven heeft bestemd? Jeremia 4

48:1 Aangaande Moab. Dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: Wee de stad Nebo, want zij is vernield en te schande geworden; Kirjathaïm is veroverd; de hoge vesting is te schande geworden en verplet

48:2 De roem van Moab over Hesbon is uit; want men bedenkt kwaad tegen haar: Komt, laat ons haar uitroeien, dat zij geen volk meer zij. En gij, Madmen, moet óók verdorven worden; het zwaard zal achter u komen

48:3 Men hoort een gejammer uit Horonaïm over de verwoesting en groot ongeluk

48:4 Moab is verslagen; men hoort zijne jonge lieden kermen

48:5 men gaat met geween den weg op naar Luhith, en de vijanden horen een jammerkreet op den weg van Horonaïm af

48:6 Maakt u weg, redt uw leven; maar gij zult zijn als de heidestruik in de woestijn

48:7 Omdat gij u op uwe gebouwen verlaat en op uwe schatten, zult gij ook veroverd worden, en Kamos zal gevankelijk weggevoerd worden met zijne priesters en vorsten

48:8 Want de verwoester zal over alle steden komen, dat niet één stad ontkomen zal; zowel de dalen zullen verdorven, als het vlakke veld vernield worden; want de Heer heeft het gezegd

48:9 Geeft Moab vleugels, hij zal uitgaan als vloog hij; en zijne steden zullen woest liggen, dat er niemand in wonen zal

48:10 Vervloekt zij wie het werk des Heren met traagheid doet; vervloekt zij wie zijn zwaard weerhoudt van bloed [te vergieten]

48:11 Moab is van zijne jeugd af onaangeroerd geweest, en heeft op zijne heffe stil gelegen; hij is nooit uit het ene vat in het andere overgegoten, en is nooit gevankelijk weggevoerd; daarom is zijn smaak bij hem gebleven, en zijn geur niet veranderd geworden

48:12 Daarom zie, spreekt de Heer, de tijd komt, dat Ik hem overgieters zal zenden, die hem overgieten zullen, en zijne vaten ledigen, en zijne kruiken in stukken slaan

48:13 en Moab zal wegens Kamos te schande worden, gelijk het huis van Israël wegens Beth-El te schande geworden is, waarop zij zich verlieten

48:14 Hoe durft gij zeggen: Wij zijn helden, dappere krijgslieden

48:15 Moab moet vernield, en zijne steden beklommen, en zijne beste manschap ter slachtbank afgevoerd worden, spreekt de Koning, wiens naam is Heer Zebaôth

48:16 Moabs ongeluk zal schielijk komen, en zijn ondergang spoedt haastig aan

48:17 Weeklaagt over hem, gij allen, die rondom hem woont en zijnen naam kent; en zegt: Hoe is die sterke staf, die heerlijke schepter verbroken

48:18 Daal neder van uwe heerlijkheid, gij dochter, die te Dibon woont, en zit in het dorre; want de verwoester van Moab zal tegen u opkomen, en uwe vestingen vernielen

48:19 Treed op de straten en zie toe, gij inwoners van Aroër; vraag dengenen, die vluchten en ontlopen, en zeg: Hoe gaat het

48:20 Moab is verwoest en verdorven; jammert en kermt; maakt het langs de Arnon bekend, dat Moab vernield is

48:21 De straf is over het vlakke land gegaan, over Holon, Jahza, Mefaäth

48:22 Dibon, Nebo, Beth-Diblathaïm

48:23 Kirjathaïm, Beth-Gamul, Beth-Meon

48:24 Kerioth, Bozra, en over alle steden in het land van Moab, die ver af en die nabij zijn

48:25 Moabs hoorn is afgehouwen en zijn arm is verbroken, spreekt de Heer

48:26 Maakt hem dronken, want hij heeft zich tegen den Heer verheven; opdat hij zich spuwe en de handen wringe, en tot ene bespotting worde

48:27 Want Israël heeft tot ene bespotting moeten zijn, als ware hij onder de dieven gevonden; en dewijl gij zo tegen hem spreekt, zult gij ook weg moeten

48:28 Gij inwoners van Moab, verlaat de steden en woont in de steenrotsen, en doet als de duiven, die nestelen in de kloven aan den ingang der holen

48:29 Men heeft gezegd van den hoogmoedigen Moab, dat hij zeer vermetel is, hoovaardig, hoogmoedig, trots en laatdunkend

48:30 Maar de Heer spreekt: Ik ken zijnen toorn wel, dat hij niet zoveel vermag, en zich onderstaat om meer te doen dan zijn vermogen is

48:31 Daarom moet ik over Moab jammeren, en over geheel Moab kermen, en over de lieden van Kir-Héres klagen

48:32 Meer dan Jaëzer moet ik over u wenen, gij wijnstok van Sibma; want uwe wijnranken verspreidden zich over de zee, en reikten tot aan de zee van Jaëzer: de vernieler is in uwen oogst en in uwe wijnlezing gevallen

48:33 De vreugd en blijdschap is uit het veld weg en uit het land van Moab, en men zal geen wijn meer persen; de wijntreder zal zijn lied niet meer zingen

48:34 vanwege het noodgeschrei uit Hesbon, hetwelk tot Elealé, tot Jahaz toe klinkt; van Zoar af tot aan Horonaïm, die driejarige vaars; want ook de wateren van Nimrim zullen verdrogen

48:35 En Ik zal, spreekt de Heer, in Moab een einde maken aan het offeren op de hoogten en aan het wieroken voor hunne goden

48:36 Daarom heft mijn hart over Moab de klaagtonen der fluiten aan; ja, over de lieden van Kir-Héres heft mijn hart de klaagtonen der fluiten aan; want het laatste overschot, dat zij verzameld hadden, gaat verloren

48:37 Alle hoofden zullen kaal zijn, en alle baarden afgeschoren; alle handen ingesneden, en elk zal zakken aanhebben

48:38 op alle daken en straten in Moab zal men klagen; want Ik heb Moab verbroken als een onwaardig vat, spreekt de Heer

48:39 Ach, hoe is hij verdorven! hoe kermen zij! hoe schandelijk hangen hunne hoofden! Ja, Moab is tot ene bespotting en tot ene verschrikking geworden voor allen, die rondom hem wonen

48:40 Want dus spreekt de Heer: Zie, hij vliegt heen als een arend, en breidt zijne vleugels over Moab uit

48:41 Kerioth is veroverd, de vaste steden zijn ingenomen, en het hart der helden van Moab zal in dien tijd zijn als het hart van ene vrouw in barensnood

48:42 want Moab zal verdelgd worden, dat hij geen volk meer zijn zal, omdat hij zich tegen den Heer verheven heeft

48:43 Schrik en kuil en strik komen over u, o inwoners van Moab, spreekt de Heer

48:44 wie den schrik ontvliedt, die zal in den kuil vallen, en wie uit den kuil opklimt, die zal in den strik gevangen worden; want Ik zal over Moab doen komen het jaar zijner bezoeking, spreekt de Heer

48:45 De uit den slag ontvlodenen zullen toevlucht zoeken te Hesbon, maar er zal een vuur uit Hesbon en ene vlam uit Sihon gaan, die Moabs plaatsen en de krijgslieden verteren zal

48:46 Wee u, Moab; verloren is het volk van Kamos; want men heeft uwe zonen en dochters genomen en gevankelijk weggevoerd

48:47 Maar in den toekomenden tijd zal Ik de gevangenschap van Moab wenden, spreekt de Heer. Tot hiertoe de straf over Moab. Jeremia 4

49:1 Aangaande de kinderen Ammons spreekt de Heer aldus: Heeft dan Israël geen kinderen, heeft hij geen erfgenaam? Waarom bezit dan Malkam het land van Gad, en woont zijn volk in deszelfs steden

49:2 Daarom zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat Ik een krijgsgeschreeuw zal doen horen tegen Rabba der kinderen Ammons, dat zij op een hoop woest zal liggen, en hare onderhorige plaatsen zullen met vuur aangestoken worden; maar Israël zal bezitten wie hem bezaten, spreekt de Heer

49:3 Jammer, o Hesbon, want Ai is vernield; kermt gij dochters van Rabba, en trekt zakken aan, klaagt en loopt rondom op de muren; want Malkam wordt gevankelijk weggevoerd met zijne priesters en vorsten tegader

49:4 Wat roemt gij op uwe landouwen? Uwe landouwen zijn verdronken, gij ongehoorzame dochter, gij, die u op uwe schatten verlaat, zeggende in uw hart: Wie durft mij genaken

49:5 Zie, spreekt de Heere Heere Zebaôth, Ik zal verschrikking over u brengen, boven allen die rondom u wonen; opdat een ieder voor zich heen weggevoerd worde, en er niemand zij, die de vluchtenden verzamelt

49:6 Maar daarna zal Ik de gevangenschap der kinderen Ammons weder wenden, spreekt de Heer

49:7 Aangaande Edom. Dus spreekt de Heer Zebaôth: Is er dan geen wijsheid meer in Teman? Is er geen raad meer bij de schranderen; is hunne wijsheid tenietgegaan

49:8 Vliedt, wendt u en verbergt u diep, inwoners van Dedan; want Ik doe een ongeluk over Esau komen, den tijd zijner bezoeking

49:9 Er zullen wijnlezers over u komen, die u geen nalezing overlaten; of dieven zullen bij nacht over u komen, die zullen verderven zoveel hun genoeg is

49:10 Maar Ik heb Esau ontbloot, en zijne verborgen schuilplaatsen ontdekt, dat hij zich niet verschuilen kan; zijn zaad, zijne broeders en zijne geburen zijn vernield, dat geen van hen meer over is

49:11 Doch wat er overblijft van uwe wezen, zal Ik in het leven behouden; en uwe weduwen zullen op Mij vertrouwen

49:12 Want dus spreekt de Heer: Zie, zelfs zij, die niet verschuldigd zijn den kelk te drinken, moeten dien nochtans drinken: en zoudt gij ongestraft blijven? Gij zult niet ongestraft blijven, maar óók drinken

49:13 Want Ik heb bij mijzelven gezworen, spreekt de Heer, dat Bozra ene verwoesting, ene versmaadheid, een puinhoop en vloek zal wezen, en al hare steden ene eeuwige woestijn zullen worden

49:14 Ik heb gehoord van den Heer, dat er ene boodschap onder de volken gezonden is: Vergadert u en komt herwaarts tegen haar; maakt u op tot den strijd

49:15 Want zie, Ik heb u klein gemaakt onder de volken, en veracht onder de mensen

49:16 uwe trotschheid en uws harten hoogmoed heeft u bedrogen, gij, die in de kloven der steenrotsen woont en op hoge gebergten: al ware het ook, dat gij uw nest zo hoog maaktet als de arend, nochtans zal Ik u vandaar ternederwerpen, spreekt de Heer

49:17 Alzo zal Edom woest worden, dat allen, die er voorbijgaan zich verwonderen en fluiten zullen over al hare plagen

49:18 Gelijk Sodom en Gomorra en hare omstreken omgekeerd zijn, spreekt de Heer, zo zal niemand aldaar wonen, geen mens daarin verkeren

49:19 Want zie, hij komt herwaarts op, als een leeuw van de verheffing des Jordaans, tegen de vaste woonsteden; want Ik zal hem vandaar herwaarts doen lopen; en wie weet wie de verkorene is, dien Ik tegen u toerusten zal? Want wie is Mij gelijk; wie zal Mij iets voorschrijven, en wie is de herder, die Mij kan tegenstaan

49:20 Hoort dan nu den raadslag des Heren over Edom, en zijne gedachten over de inwoners van Teman: Zie, toe, of niet de herdersjongens hen zullen wegsleepen en hunne woning vernielen

49:21 De aarde zal beven van het geluid huns vals, en hun angstgeschrei zal men aan de Schelfzee horen

49:22 Zie, hij vliegt opwaarts als een arend, en zal zijne vleugels uitbreiden over Bozra, en in dien tijd zal het hart der helden van Edom zijn als het hart ener vrouw in barensnood

49:23 Aangaande Damaskus. Hamath en Arpad staan beschaamd: zij zijn versaagd, want zij horen een kwaad gerucht; die aan de zee wonen zijn zo verschrikt, dat zij geen rust kunnen hebben

49:24 Damaskus is versaagd en neemt de vlucht; zij siddert, en is in angst en smarten als ene vrouw in barensnood

49:25 Hoe verlaten is zij nu, die vermaarde en vrolijke stad

49:26 Daarom zal hare jongemanschap op hare straten ter neder liggen, en al hare krijgslieden zullen te gronde gaan in dien tijd, spreekt de Heer Zebaôth

49:27 en Ik zal de muren van Damaskus met vuur aansteken, dat het de paleizen van Benhadad verteren zal

49:28 Aangaande Kedar en de koninkrijken van Hazor, die Nebukadnezar, de koning van Babel, overwon. Dus spreekt de Heer: Maakt u op, trekt uit tegen Kedar en vernielt de kinderen van het Oosten

49:29 Men zal hunne hutten en kudden wegnemen; hunne tenten, al hun gereedschap, en de kamelen zullen zij wegvoeren, en men zal tegen hen uitroepen: Schrik van rondom

49:30 Vliedt, maakt u spoedig weg, verbergt u diep, gij inwoners van Hazor, spreekt de Heer; want Nebukadnezar, de koning van Babel, heeft een raadslag tegen u en ene gedachte tegen u overlegd

49:31 Maakt u op, trekt uit tegen een volk, dat zorgeloos is en gerust woont, spreekt de Heer; zij hebben noch deuren noch grendels, en wonen op zichzelven

49:32 Hunne kamelen zullen geroofd, en de menigte van hun vee zal weggenomen worden; en Ik zal hen verstrooien in alle winden, hen, die zich de slapen glad scheren; en van alle plaatsen zal Ik het verderf over hen brengen, spreekt de Heer

49:33 zodat Hazor ene woning der draken en ene eeuwige woestijn zal worden, dat niemand aldaar wonen en geen mens daarin verkeren zal

49:34 Dit is het woord des Heren, dat tot den profeet Jeremia geschiedde aangaande Elam, in het begin der regering van Zedekía, den koning van Juda, zeggende

49:35 Dus spreekt de Heer Zebaôth: Zie, Ik zal den boog van Elam verbreken, hunne voornaamste macht

49:36 en Ik zal de vier winden uit de vier hoeken des hemels over hen brengen, en zal hen in al die winden verstrooien, dat er geen volk zal zijn, waarheen Elams verdrevenen niet zullen komen

49:37 En Ik zal Elam versaagd maken voor hunne vijanden en voor degenen, die naar hun leven staan; en Ik zal ongeluk over hen brengen, den heten gloed mijns toorns, spreekt de Heer; en Ik zal het zwaard hun achterna zenden, totdat Ik hen verdelgd zal hebben

49:38 Mijnen troon zal Ik in Elam stellen, en zal beiden den koning en de vorsten aldaar ombrengen, spreekt de Heer

49:39 Maar in den toekomenden tijd zal Ik de gevangenschap van Elam weder wenden, spreekt de Heer. Jeremia 5

50:1 Dit is het woord, hetwelk de Heer door den profeet Jeremia gesproken heeft aangaande Babel, aangaande het land der Chaldeën

50:2 Verkondigt onder de volken en maakt het ruchtbaar, richt ene banier op; maakt ruchtbaar en verzwijgt het niet, en zegt: Babel is verpletterd, Bel staat met schande, Merodach is verpletterd, hare afgoden staan verlegen, en hare goden zijn verpletterd

50:3 Want er trekt een volk van het Noorden tegen haar op, dat haar land tot ene woestijn zal maken, dat er niemand in wonen zal, maar beide mensen en vee zullen vandaar vlieden

50:4 In die dagen en op dien tijd, spreekt de Heer, zullen de kinderen Israëls komen met de kinderen van Juda, en wenende heentrekken en den Heer hunnen God zoeken

50:5 Zij zullen vragen naar den weg naar Sion, en zich derwaarts keren: Komt en hechten wij ons aan den Heer met een eeuwig verbond, dat nooit vergeten zal worden

50:6 Want mijn volk is als een dwalende kudde; hunne herders hebben hen verleid en op de bergen doen dolen, dat zij van de bergen op de heuvel gegaan zijn, en hunne kooien vergeten hebben

50:7 alwie hen vonden, verslonden hen, en hunne vijanden zeiden: Wij hebben geen schuld, omdat zij gezondigd hebben tegen den Heer in de woning der gerechtigheid, en tegen den Heer, die de hoop hunner vaderen was

50:8 Vliedt uit Babel, en trekt uit het land der Chaldeën, en stelt u als de bokken, die Vóór de kudde uitgaan

50:9 Want zie, Ik zal grote volken bij menigte uit het land van het Noorden verwekken, en tegen Babel opvoeren, die zich tegen haar zullen toerusten, door welke zij ook zal ingenomen worden; hunne pijlen zijn als die eens kloeken helds, die nimmer mist

50:10 En het land der Chaldeën zal tot een roof worden, dat allen, die het beroven, volop zullen hebben, spreekt de Heer

50:11 Immers, gij verblijdt en beroemt u, dat gij mijn erfdeel geplunderd hebt; immers, gij springt op als de gemeste kalveren, en hinnikt als de hengsten

50:12 Uwe moeder staat grotelijks beschaamd; die u gebaard heeft is tot ene bespotting geworden; zie, onder de volken is zij de minste, woest, dor en eenzaam

50:13 vanwege den toorn des Heren moet zij onbewoond en geheel woest blijven, zodat allen, die voor Babel voorbijgaan, zich zullen verwonderen en fluiten over al hare plagen

50:14 Rust u toe tegen Babel rondom, gij allen, die den boog spant, schiet in haar; spaart de pijlen niet; want zij heeft tegen den Heer gezondigd

50:15 Juicht over haar rondom; zij moet zich overgeven; hare grondvesten zijn gevallen, hare muren zijn afgebroken; want dit is de wraak des Heren: wreekt u aan haar, doet haar zoals zij gedaan heeft

50:16 Roeit uit van Babel den zaaier en den maaier in den oogsttijd; dat ieder vanwege het vernielend zwaard zich tot zijn volk kere, en ieder naar zijn land vliede

50:17 Israël heeft moeten zijn ene verstrooide kudde, welke de leeuwen verjaagd hebben; eerst verslond hen de koning van Assyrië; daarna overweldigde hen Nebukadnezar, de koning van Babel

50:18 Daarom spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God, aldus: Zie, Ik zal den koning van Babel bezoeken en zijn land, gelijk Ik den koning van Assyrië bezocht heb

50:19 en Israël zal Ik weder tot zijne woning brengen, dat zij op Karmel en Basan weiden, en hunne ziel zal op het gebergte Efraïm en in Gilead verzadigd worden

50:20 In die dagen en in dien tijd zal men naar Israëls misdaad zoeken, spreekt de Heer, maar zij zal er niet zijn, en naar de zonde van Juda, maar men zal ze niet vinden; want Ik zal ze vergeven dengenen, die Ik zal laten overblijven

50:21 Trek op tegen het land, dat alles verbitterd heeft, en tegen de inwoners der bezoeking; verwoest en verban hunne nakomelingen, spreekt de Heer, en doe alles wat Ik u bevolen heb

50:22 Er is een krijgsgeroep in het land, en een grote ramp

50:23 Hoe is de hamer der gehele wereld verbroken en in stukken geslagen; hoe is Babel tot een schriktoneel geworden onder de volken

50:24 Ik heb u een strik gelegd, o Babel, daarom zijt gij ook gevangen, eer gij het vermoeddet; gij zijt gevonden en gegrepen, want gij hebt den Heer getergd

50:25 De Heer heeft zijn schatkamer opengedaan, en de wapenen zijns toorns daaruit te voorschijn gebracht: want dit heeft de Heere Heere Zebaôth in het land der Chaldeën uitgevoerd

50:26 Komt op tegen haar van het einde; opent hare korenhuizen, werpt ze overhoop en verbant ze, dat haar niets overblijve

50:27 Doodt al hare runderen, voert ze af ter slachtbank; wee hun, want hun dag is gekomen, de tijd hunner bezoeking

50:28 Er is ene stem der gevluchten en dergenen, die ontkomen zijn uit het land van Babel, opdat zij te Sion verkondigen de wraak van den Heer, onzen God, de wraak wegens zijnen tempel

50:29 Roept velen tegen Babel; belegert haar van rondom, allen gij boogschutters, en laat niemand ontkomen; vergeldt haar zoals zij verdiend heeft; doet haar zoals zij gedaan heeft; want zij heeft trots gehandeld tegen den Heer, den Heilige van Israël

50:30 Daarom zal hare jongemanschap vallen op hare straten, en al hare krijgslieden zullen te gronde gaan in dien tijd, spreekt de Heer

50:31 Zie, gij trotse, Ik kom tot u, spreekt de Heer, de Heer Zebaôth; want uw dag is gekomen, de tijd uwer bezoeking

50:32 Dan zal de trotse zich stoten en vallen, zonder dat iemand hem opricht; Ik zal zijne steden met vuur aansteken, dat alles, wat rondom hem is, verteren zal

50:33 Dus spreekt de Heer Zebaôth: De kinderen van Israël en de kinderen van Juda moeten geweld en onrecht lijden; allen, die hen gevankelijk weggevoerd hebben, houden hen vast en willen hen niet loslaten

50:34 Doch hun Verlosser is sterk, wiens naam is Heer Zebaôth; die zal hunne zaak zo uitvoeren, dat Hij het land zal doen beven en de inwoners van Babel zal doen sidderen

50:35 Het zwaard zal komen, spreekt de Heer, over de Chaldeën, en over de inwoners van Babel, en over hare vorsten, en over hare wijzen

50:36 het zwaard zal komen over hare profeteerders, dat zij dwaas worden; het zwaard zal komen over hare sterken, dat zij versagen

50:37 het zwaard zal komen over hare paarden en wagens, en over den gehelen gemengden hoop, die er in is, dat zij tot vrouwen zullen worden; het zwaard zal komen over hare schatten, dat zij geplunderd worden

50:38 droogte zal komen over hare wateren, zodat zij uitdrogen; want het is een land van afgodsbeelden, en zij roemen op hunne verschrikkelijke [afgodsbeelden]

50:39 Daarom zullen de dieren der woestijn en wilde honden er in wonen, en de jonge struisvogels er hun verblijf houden; het zal nimmer bewoond worden, en niemand zal daarin blijven immer en altoos

50:40 gelijk God Sodom en Gomorra met hare omstreken heeft omgekeerd, spreekt de Heer, dat niemand daarin woont en geen mens aldaar huisvest

50:41 Zie, er komt een volk van het Noorden af; vele volken en vele koningen zullen van de einden der aarde zich opmaken

50:42 Zij hebben bogen en schilden; zij zijn wreed en onbarmhartig; hunne stem is als het bruisen der zee; zij rijden op paarden, toegerust als krijgslieden, tegen u, o dochter van Babel

50:43 Als de koning van Babel hun gerucht zal horen, zullen hem de vuisten slap worden, hij zal beangst en bang worden als ene vrouw in barensnood

50:44 Zie, hij komt op, als een leeuw uit de verheffing des Jordaans, tegen de vaste woning; want Ik zal hem vandaar herwaarts doen lopen; en wie weet wie de verkorene is, dien Ik tegen haar toerusten zal? Want wie is Mij gelijk; wie zal Mij iets voorschrijven, en wie is de herder, die Mij kan tegenstaan

50:45 Hoort dan nu den raadslag des Heren over Babel, en zijne gedachten over het land der Chaldeën: Ziet toe, of niet de herdersjongens hen zullen wegsleepen en hunne woning vernielen

50:46 De aarde zal beven van het geschreeuw, en zal onder de volken ruchtbaar worden, als Babel is ingenomen. Jeremia 5

51:1 Dus spreekt de Heer: Zie, Ik zal een verdervenden wind verwekken tegen Babel en tegen hare inwoners, die zich tegen Mij gesteld hebben

51:2 Ik zal ook wanners naar Babel zenden, die haar wannen en haar land ledigen zullen; die overal rondom haar zijn ten dage haars ongeluks

51:3 Want hare schutters zullen niet schieten, en hare geharnasten zullen zich niet kunnen weren; verschoont dan nu hare jongemanschap niet, verbant al haar heir

51:4 dat de verslagenen liggen in de hand der Chaldeën, en de doorstokenen op hare straten

51:5 Want Israël en Juda zullen niet in weduwschap gelaten worden door hunnen God, den Heer Zebaôth; want hunlieder land heeft de schuld vol gemaakt tegen den Heilige van Israël

51:6 Vliedt uit Babel, opdat ieder zijne ziel redde, en gij niet mede omkomt in hare misdaad; want de tijd der wraak des Heren is daar: Hij is een vergelder en zal haar betalen

51:7 Een gouden kelk was Babel, die de gehele wereld dronken gemaakt heeft, in de hand des Heren; alle volken hebben van haren wijn gedronken, daarom zijn de volken van zinnen beroofd geworden

51:8 Hoe schielijk is Babel gevallen en verpletterd! Jammert over haar; neemt ook zalf voor hare wonden, of zij misschien mocht genezen

51:9 Wij hebben Babel geneesmiddelen toegediend, maar zij is niet te genezen; laat haar dan varen, en laat ons ieder naar zijn land trekken; want hare straf reikt tot aan den hemel, en is verheven tot aan de wolken

51:10 De Heer heeft onze gerechtigheid aan het licht gebracht; komt, laat ons te Sion de werken van den Heer, onzen God, vermelden

51:11 Wet de pijlen, en maakt de schilden gereed; de Heer heeft den moed der koningen van Medië opgewekt; want zijne gedachten zijn tegen Babel, om haar te verderven; want dit is de wraak des Heren, de wraak over zijnen tempel

51:12 Plant nu de banieren op de muren van Babel; neemt de wacht waar, stelt posten uit, legt hinderlagen; want de Heer heeft iets voorgenomen, en Hij doet ook wat Hij tegen de inwoners van Babel gesproken heeft

51:13 Gij, die aan grote wateren woont en grote schatten hebt, uw einde is gekomen, en uwe gierigheid is uit

51:14 De Heer Zebaôth heeft bij zijne ziel gezworen: Ik zal u met mensen vervullen, als waren het kevers; die zullen een vreugdekreet over u aanheffen

51:15 Hij heeft de aarde door zijne kracht gemaakt, en den wereldkloot door zijne wijsheid bereid, en den hemel door zijn verstand uitgespannen

51:16 Als Hij dondert, dan is er ene menigte van water onder den hemel; Hij trekt de nevels op van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemstralen met den regen, en laat den wind komen uit verborgen plaatsen

51:17 Alle mensen zijn dwazen met hunne kunst, en alle goudsmeden staan beschaamd met hunne beelden; want hunne afgoden zijn bedriegerij, en zij hebben geen leven

51:18 zij zijn ijdelheid, een werk der verleiding, zij moeten omkomen, als zij bezocht worden

51:19 Maar zo is Hij niet, die Jakobs schat is, want Hij is het, die alle dingen maakt, en Israël is de stam zijner erfenis: Heer Zebaôth is zijn naam

51:20 Gij zijt mijn hamer, mijne oorlogswapenen; door u heb Ik volken verbrijzeld en koninkrijken vernield

51:21 Ik heb door u paarden en ruiters verpletterd; Ik heb door u wagens en die daarop rijden verbrijzeld

51:22 Ik heb door u mannen en vrouwen verbrijzeld; Ik heb door u ouden en jongen verbrijzeld; Ik heb door u jongelingen en jonkvrouwen verbrijzeld

51:23 Ik heb door u herders en kudden verbrijzeld, Ik heb door u landlieden en jukken verbrijzeld; Ik heb door u vorsten en overheden verbrijzeld

51:24 En Ik zal nu aan Babel en aan alle inwoners van Chaldéa vergelden al hunne boosheid, die zij aan Sion begaan hebben voor uwe ogen, spreekt de Heer

51:25 Zie, Ik verhef Mij tegen u, gij alvernielende berg, gij, die de ganse aarde verderft, spreekt de Heer; Ik zal mijne hand tegen u uitstrekken en u van de steenrotsen afwentelen, en zal een uitgebranden berg van u maken

51:26 zodat men noch hoeksteen noch grondsteen van u zal kunnen nemen, maar ene eeuwige woestijn zult gij zijn, spreekt de Heer

51:27 Verheft de banieren in het land; blaast de bazuinen onder de volken; heiligt de volken tegen haar; roept tegen haar samen de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz; bestelt hoofdlieden tegen haar; brengt paarden opwaarts als keverzwermen

51:28 heiligt de volken tegen haar, de koningen van Medië, benevens al hunne vorsten en overheden, en het gehele land hunner heerschappij

51:29 opdat het land beve en verschrikke, want de overleggingen des Heren zullen vervuld worden tegen Babel, dat Hij het land Babel tot ene woestijn zal maken, waarin niemand woont

51:30 De helden van Babel zullen niet durven te velde trekken, maar blijven in de vestingen; hunne sterkte is weg, en zij zijn als vrouwen geworden; hare woningen zijn aangestoken, en hare grendels verbroken

51:31 Hier loopt er een en daar een, den ander tegemoet, en de ene boodschap vervangt de andere, om den koning van Babel te boodschappen, dat zijne stad ingenomen is tot aan de uiterste einden toe

51:32 en dat de overtochten bemachtigd en de rietpoelen uitgebrand zijn, en dat de krijgslieden bloohartig zijn geworden

51:33 Want dus spreekt de Heer Zebaôth, Israëls God: De dochter van Babel is als een dorsvloer, als men er op dorst; haar oogsttijd zal spoedig komen

51:34 Nebukadnezar, de koning van Babel, heeft mij verteerd en omgebracht; hij heeft mij als een ledig vat gemaakt; hij heeft mij verslonden als een draak; hij heeft zijn buik gevuld met mijne lekkernijen; hij heeft mij verstoten

51:35 Maar nu kome de moedwil, die mij en mijn vlees aangedaan is, over Babel, spreke de inwoneres van Sion; en mijn bloed over de inwoners van Chaldéa, spreke Jeruzalem

51:36 Daarom spreekt de Heer aldus: Zie, Ik zal uwe zaak voeren en u wreken; Ik zal hare zee droogmaken en hare springbronnen doen uitdrogen

51:37 en Babel zal tot een puinhoop en tot ene woning der draken worden, tot een verwoesting en tot ene beschimping, dat er niemand in zal wonen

51:38 Zij zullen tezamen brullen als de leeuwen, en schreeuwen als de jonge leeuwen

51:39 Ik zal hen met hunnen drank in de hitte zetten, en zal hen dronken maken, dat zij vrolijk worden, en den eeuwigen slaap slapen, van welken zij nooit weder zullen ontwaken, spreekt de Heer

51:40 Ik zal hen afvoeren als lammeren ter slachtbank, als rammen en als bokken

51:41 Hoe is Sesach veroverd, en de roem der gehele wereld ingenomen. Hoe is Babel tot ene verwoesting geworden onder de volken

51:42 Ene zee is over Babel gegaan, en door de veelheid harer golven is zij bedekt

51:43 hare steden zijn tot ene woestijn en tot een dor, eenzaam land geworden; tot een land, waarin niemand woont en waar geen mens doortrekt

51:44 Want Ik heb Bel te Babel bezocht, en heb uit zijne keel gerukt hetgeen hij verslonden had; en de volken zullen niet meer tot hem lopen, want ook de muren van Babel zijn gevallen

51:45 Trekt er uit, mijn volk, en red een ieder zijne ziel vanwege den grim migen toorn des Heren

51:46 uw hart mocht anders week worden en versagen vanwege het gerucht, hetwelk men in het land horen zal; want er zal een gerucht gaan in dit jaar, en daarna in het andere jaar; ook zal er geweld zijn in het land, en de ene vorst zal tegen den anderen zijn

51:47 Want zie, de tijd komt, dat Ik de afgoden te Babel zal bezoeken, en haar gehele land zal te schande worden, en hare verslagenen zullen in het midden van haar liggen

51:48 Hemel en aarde en alwat er in is zullen juichen over Babel, dat hare vernielers van het Noorden gekomen zijn, spreekt de Heer

51:49 En gelijk Babel in Israël de verslagenen heeft ter neder geveld, zo zullen te Babel de verslagenen ter neder geveld worden in het gehele land

51:50 Trekt dan nu heen, gij, die het zwaard ontkomen zijt, en vertoeft niet; gedenkt aan den Heer in verren lande, en laat Jeruzalem in uw hart zijn

51:51 Wij waren te schande geworden, toen wij de versmaadheid horen moesten, en schande bedekte ons aangezicht, dat vreemden tot het heiligdom van het huis des Heren waren ingedrongen

51:52 daarom zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat Ik hare afgoden bezoeken zal; in het gehele land zullen de dodelijk gewonden zuchten

51:53 En al klom Babel opwaarts naar den hemel, en maakte hare macht in de hoogte vast, zo zullen nochtans van mijnentwege verwoesters over haar komen, spreekt de Heer

51:54 Men hoort een gekerm te Babel, en een groot gejammer in het land der Chaldeën

51:55 want de Heer verwoest Babel; Hij verderft ze met zulk een groot geschreeuw en gewoel, dat hunne golven bruisen als de grote wateren

51:56 Want de verwoester is over Babel gekomen; hare helden worden gevangen; hunne bogen worden verbroken; want de God der wraak, de Heer, betaalt haar

51:57 Ik zal hare vorsten en wijzen, hare overheden, hoofdlieden en krijgslieden dronken maken, dat zij een eeuwigen slaap zullen slapen, waaruit zij nooit weder zullen ontwaken, spreekt de Koning, wiens naam is Heer Zebaôth

51:58 Dus spreekt de Heer Zebaôth: De brede muren van Babel zullen ondergraven, en hare hoge poorten met vuur aangestoken worden; opdat de arbeid der volken verloren zij, en verbrand worde hetgeen de volken met moeite opgebouwd hebben

51:59 Dit is het woord, hetwelk de profeet Jeremia beval aan Seraja, den zoon van Nería, den zoon van Mahseja, toen hij met Zedekía, den koning van Juda, naar Babel trok, in het vierde jaar zijner regering. En Seraja was een vreedzaam vorst

51:60 En Jeremia schreef al het ongeluk, hetwelk Babel zou overkomen, in een boek, namelijk al deze woorden, die tegen Babel geschreven zijn

51:61 En Jeremia sprak tot Seraja: Als gij te Babel komt, zo zie toe en lees al deze woorden

51:62 en zeg: Heer, Gij hebt gesproken tegen deze plaats, dat Gij ze zult uitroeien, zodat niemand aldaar wone, noch mens noch vee, maar dat zij eeuwiglijk woest zal zijn

51:63 En als gij dit boek zult uitgelezen hebben, zult gij een steen daaraan binden en het in den Frath werpen

51:64 en zeggen: Zó zal Babel zinken en niet weder opkomen van het ongeluk, hetwelk Ik over haar zal brengen, maar vergaan. Tot dusver de woorden van Jeremia. Jeremia 5

52:1 Zedekía was éénentwintig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar te Jeruzalem; en zijne moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna

52:2 En hij deed hetgeen den Heer kwalijk behaagde, zoals Jojakim gedaan had

52:3 Want de toorn des Heren ging over Jeruzalem en Juda, totdat Hij hen van zijn aangezicht zou verwerpen. En Zedekía viel af van den koning van Babel

52:4 In het negende jaar nu zijner regering, op den tienden dag der tiende maand, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, met zijn gehele heir tegen Jeruzalem, en belegerde het; en zij maakten er ene schans rondom

52:5 Alzo bleef de stad belegerd tot in het elfde jaar van koning Zedekía

52:6 Op den negenden dag nu der vierde maand nam de honger in de stad de overhand, en het volk van het land had niets meer te eten

52:7 toen drong men in de stad, en al de krijgslieden namen de vlucht en trokken bij nacht uit de stad, langs den weg naar de poort, tussen de twee muren bij des konings hof; de Chaldeën nu lagen rondom de stad. En toen zij langs den weg door het veld trokken

52:8 joeg het heir der Chaldeën den koning na, en achterhaalde Zedekía in het veld bij Jericho; toen verstrooide zich al zijn heir

52:9 En zij grepen den koning, en brachten hem opwaarts tot den koning van Babel te Ribla in het land van Hamath, en hij sprak het oordeel over hem uit

52:10 Aldaar liet de koning van Babel de zonen van Zedekía voor zijne ogen slachten, en ook al de vorsten van Juda slachtte hij te Ribla

52:11 en Zedekía liet hij de ogen uitsteken, en liet hem met twee ketenen binden, en de koning van Babel voerde hem naar Babel, en zette hem in de gevangenis, totdat hij stierf

52:12 Op den tienden dag der vijfde maand, in het negentiende jaar van Nebukadnezar, den koning van Babel, kwam Nebuzaradan, de hoofdman, die gestadig bij den koning van Babel was, te Jeruzalem

52:13 en hij verbrandde het huis des Heren en het huis des konings, en al de huizen van Jeruzalem, ook alle grote huizen verbrandde hij met vuur

52:14 en het gehele heir der Chaldeën, dat bij den hoofdman was, brak al de muren te Jeruzalem rondom af

52:15 Het arme volk nu, en het volk, dat nog in de stad overig was, en wie den koning van Babel toevielen, en den overigen groten hoop, voerde Nebuzaradan, de hoofdman, gevankelijk weg

52:16 En van het arme volk op het land liet Nebuzaradan, de hoofdman, enigen blijven tot wijngaardeniers en akkerlieden

52:17 En de koperen pilaren aan het huis des Heren, en de stellingen, en de koperen zee aan het huis des Heren verbraken de Chaldeën, en voerden al het koper daarvan naar Babel

52:18 En de ketels, asschoppen, messen, bekkens, schalen, en al de koperen vaten, welke men bij den dienst gebruikte, namen zij weg

52:19 Ook nam de hoofdman wat goud en zilver was aan de bekers, rookpannen, bekkens, ketels, kandelaars, lepels en schalen

52:20 De twee pilaren, de ene zee, de twaalf koperen runderen, die in de plaats van de stellingen stonden, welke koning Salomo had laten maken voor het huis des Heren: het koper van al dat gereedschap was niet te wegen

52:21 En elk der twee pilaren was achttien el hoog, en een snoer van twaalf el lang omving ze, en elk was vier vingers dik, en van binnen hol

52:22 en op elk stond een koperen knop, vijf el hoog; en netten en granaatappelen waren aan elken knop rondom alles van koper; en de ene pilaar was als de andere, en de granaatappelen ook

52:23 Zesennegentig granaatappelen waren daaraan, en honderd granaatappelen waren aan een net rondom

52:24 En de hoofdman nam den priester Seraja van den eersten rang, en den priester Zefanja van den tweeden rang, en drie deurwachters

52:25 en éénen kamerdienaar uit de stad, die over de krijgslieden gesteld was, en zeven mannen, die bij den koning zijn moesten, die in de stad gevonden werden; daarbij den schrijver van den krijgsoverste, die het landvolk tot den krijgsdienst opschreef; en zestig mannen van het landvolk, die in de stad gevonden werden

52:26 die nam Nebuzaradan, de hoofdman, en bracht hen tot den koning van Babel te Ribla

52:27 en de koning van Babel sloeg hen dood te Ribla in het land Hamath. Aldus werd Juda uit zijn land weggevoerd

52:28 Dit is het volk dat Nebukadnezar weggevoerd heeft; in het zevende jaar drieduizend drieëntwintig Joden

52:29 en in het achttiende jaar van Nebukadnezar, achthonderd tweeëndertig zielen uit Jeruzalem

52:30 en in het drieëntwintigste jaar van Nebukadnezar voerde Nebuzaradan, de hoofdman, zevenhonderd vijfenveertig zielen weg uit Juda: allen tezamen vierduizend zeshonderd zielen

52:31 En in het zevenendertigste jaar, nadat Jojachin, koning van Juda, weggevoerd was, op den vijfentwintigsten dag der twaalfde maand, verhief Evil-Merodach, koning van Babel, in het jaar, dat hij koning werd, het hoofd van Jojachin, den koning van Juda, en liet hem uit de gevangenis

52:32 en hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijnen stoel boven den stoel der koningen, die bij hem te Babel waren

52:33 en hij veranderde de klederen zijner gevangenschap, en hij at gestadig bij hem, zijn leven lang

52:34 en hem werd een vast onderhoud van den koning van Babel gegeven, gelijk het hem toegekend was, al de dagen zijns levens, tot aan zijn einde