# Baha'i Gebeden

*Exported from [Holy-Writings.com](https://www.holy-writings.com/) on 2026-06-19 — 1 clipping.*

---

> BAHÁ'Í GEBEDEN
> Een keuze uit gebeden geopenbaard door 
> de Báb, Bahá'u'lláh en 'Abdu'l-Bahá 
>   
>   
> 
>       "Gezegend zijn de plek en het huis en de plaats en de stad en het hart en 
>       de berg en de schuilplaats en de grot en het dal en het land en de zee en 
>       het eiland en de weide waar God wordt genoemd en Zijn eer wordt 
>       verheerlijkt." 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   INHOUD (weggelaten ivm dubbele zoekresultaten)
>   
> 
>       Uit het Engels vertaald onder toezicht van de Nationale Geestelijke Raad 
>       van de bahá'ís van Nederland. 
>         
>       1e druk 1952 
>       2e geheel herziene druk 1970 
>       3e geheel herziene druk 1978 
>       4e geheel herziene druk 1988 
>       electronische publicatie 1998 
>         
>       ISBN 90-70765-31-4 
>       © 1988, 1998 Stichting Bahá'í Literatuur, Den Haag 
>       Alle rechten voorbehouden. 
> 
>   WOORD VOORAF 
>       Zing, o Mijn dienaar, de verzen Gods welke gij hebt ontvangen, gelijk door 
>       hen aangeheven die Hem nabij zijn, opdat de zoetheid van uw melodie uw 
>       eigen ziel mag doen ontbranden en het hart aller mensen aantrekken. De 
>       rondwarende engelen van de Almachtige zullen alom de geur verspreiden van 
>       de woorden, geuit door al wie zo in de stilte van zijn kamer de door God 
>       geopenbaarde verzen zegt, en zullen het hart van ieder rechtvaardig mens 
>       doen kloppen. Ofschoon deze uitwerking hem eerst onbewust mag blijven, zal 
>       de kracht van de hem geschonken genade vroeg of laat haar invloed op zijn 
>       ziel doen gelden. Aldus zijn de geheimen der Openbaring Gods krachtens de 
>       wil van Hem, Die de bron is van macht en wijsheid, vastgesteld. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   VERPLICHTE GEBEDEN 
>       "Er zijn drie verplichte gebeden. De gelovige is geheel vrij één van deze 
>       drie gebeden uit te kiezen, maar heeft de verplichting om één hiervan te 
>       bidden met de aanwijzingen die daarbij gegeven zijn." 
>         Uit een brief geschreven namens Shoghi Effendi.
>       "Met "ochtend", "middag" en "avond", genoemd in verband met de verplichte 
>       gebeden, wordt bedoeld respectievelijk de tijd tussen zonsopgang en het 
>       middaguur, tussen het middaguur en zonsondergang, en van zonsondergang tot 
>       twee uur na zonsondergang." 
>         Uit "Een Synopsis en Codificatie van de wetten en verordeningen van de 
>         Kitáb-i-Aqdas."
>         
>       HET KORTE VERPLICHTE GEBED 
>       1
>       Ik getuig, o mijn God, dat Gij mij hebt geschapen om U te kennen en U te 
>       aanbidden. Ik betuig op dit ogenblik mijn machteloosheid en Uw macht, mijn 
>       armoede en Uw rijkdom. Er is geen ander God dan Gij, de Helper in nood, de 
>       Bij-Zich-Bestaande. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   HET MIDDELLANGE VERPLICHTE GEBED 
>       2
>       Wanneer het volgende gebed wordt gekozen, moet het 's ochtends, 's middags 
>       en 's avonds worden gezegd. 
>         Al wie wenst te bidden, wasse zijn handen en zegge al wassende: 
>       Sterk mijn hand, o mijn God, dat zij Uw Boek zo onwrikbaar moge 
>       vasthouden, dat de wereldse scharen er geen macht over zullen hebben. 
>       Behoed haar voor bemoeienis met enig ding dat haar niet toebehoort. Gij 
>       zijt waarlijk de Almachtige, de Almogende. 
>         Laat hij, terwijl hij zijn gezicht wast, zeggen: En terwijl hij zijn 
>         gezicht wast zegge hij: 
>       Ik heb mijn gelaat naar U gekeerd, o mijn Heer! Verlicht het met het licht 
>       van Uw aanschijn. Bescherm het, dat het zich tot niemand wende buiten U. 
>         Laat hij dan rechtop staande zijn gezicht wenden naar de Qiblih (Plaats 
>         van verering, dat is Bahjí, `Akká) en zeggen: 
>       God betuigt dat er geen ander God is dan Hij. Hem behoren de rijken der 
>       Openbaring en der schepping. Hij heeft in waarheid Hem geopenbaard Die de 
>       Dageraad van openbaring is, Die op de Sinai heeft gesproken, door Wie de 
>       Allerhoogste Horizont is gaan lichten en de Lotusboom, waaraan geen mens 
>       voorbij kan gaan, heeft gesproken en door Wie aan allen in de hemel en op 
>       aarde de roep is verkondigd: "Ziet, de Albezitter is gekomen. Hemel en 
>       aarde, glorie en heerschappij zijn van God, de Heer aller mensen en de 
>       Bezitter van de Troon in den hoge en van de aarde hier beneden!" 
>         Laat hij zich dan neerbuigen, met de handen rustend op de knieën, en 
>         zeggen: 
>       Verheven zijt Gij boven mijn lof en de lof van een ieder buiten mij, boven 
>       mijn beschrijving en de beschrijving van allen die in de hemel en allen 
>       die op aarde zijn! 
>         Laat hij dan, staande met open handen, de palmen naar zijn gezicht 
>         geheven, zeggen: 
>       Stel, o mijn God, hem die zich met smekende vingers aan de zoom van Uw 
>       genade en barmhartigheid vastklemt niet teleur, o Gij Die van hen die 
>       erbarmen tonen de Barmhartigste zijt. 
>         Laat hij dan gaan zitten en zeggen: 
>       Ik getuig van Uw eenheid en Uw een-zijn, en dat Gij God zijt, en dat er 
>       geen ander God is dan Gij. Waarlijk, Gij hebt Uw Zaak geopenbaard, Uw 
>       Verbond vervuld en de deur van Uw barmhartigheid wijd geopend voor allen 
>       die in de hemel en op aarde verwijlen. Zegen en vrede, heil en 
>       heerlijkheid rusten op Uw geliefden die door het wel en wee der wereld 
>       niet zijn weerhouden zich tot U te wenden en die alles geven in de hoop te 
>       verkrijgen hetgeen bij U is. Gij zijt, in waarheid, de Immer Vergevende, 
>       de Almilddadige. 
>       (Als iemand in plaats van het lange vers de volgende woorden verkiest te 
>       zeggen: "God betuigt dat er geen ander God is dan Hij, de Helper in nood, 
>       de Bij-Zich-Bestaande", zal dit voldoende zijn. Ook zal het voldoende zijn 
>       als hij zittende deze woorden zegt: "Ik getuig van Uw eenheid en Uw 
>       een-zijn, en dat Gij God zijt, en dat er geen ander God is dan Gij.") 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   HET LANGE VERPLICHTE GEBED 
>       3
>         Al wie dit gebed wenst te zeggen, moet gaan staan en zich tot God wenden 
>         en naar rechts en links kijken als verwacht hij de genade van zijn Heer, 
>         de Albarmhartige, de Meedogende. Laat hij dan zeggen: 
>       O Gij, Die de Heer aller namen zijt en de Maker der hemelen! Ik smeek U, 
>       bij Hen Die de Dageraden zijn van Uw onzichtbaar Wezen, het Verhevenste, 
>       het Alglorierijke, mijn gebed te maken tot een vuur dat de sluiers die mij 
>       van Uw schoonheid uitsluiten zal wegbranden en tot een licht dat mij naar 
>       de oceaan van Uw tegenwoordigheid zal leiden. 
>         Laat hij dan smekend zijn handen opheffen tot God - gezegend en verheven 
>         zij Hij - en zeggen: 
>       O Gij Verlangen der wereld en Geliefde der volkeren! Gij ziet hoe ik mij 
>       naar U keer, bevrijd van alle gehechtheid aan eenieder buiten U, en mij 
>       vastklem aan Uw koord door welks beweging de gehele schepping in beroering 
>       is gebracht. Ik ben Uw dienaar, o mijn Heer, en de zoon van Uw dienaar. 
>       Aanschouw mij, bereid Uw wil te doen en Uw verlangen te vervullen, en 
>       niets anders wensende dan Uw welbehagen. Ik smeek U bij de Oceaan van uw 
>       erbarmen en de Dagster van Uw genade om met Uw dienaar te doen naar Uw wil 
>       en behagen. Bij Uw macht die alle vermelding en lof verre te boven gaat! 
>       Al hetgeen door U is geopenbaard, is wat mijn hart verlangt en mijn ziel 
>       liefheeft. O God, mijn God! Zie niet naar wat ik hoop en doe, neen, zie 
>       liever naar Uw wil die hemelen en aarde omvat. Bij Uw Allergrootste Naam, 
>       o Gij Heer aller volkeren! Ik verlang slechts hetgeen Gij verlangt en heb 
>       slechts lief hetgeen Gij liefhebt. 
>         Laat hij dan neerknielen en zijn voorhoofd naar de grond buigend zeggen: 
> 
>       Verheven zijt Gij boven de beschrijving van ieder ander dan Uzelf en boven 
>       het begrip van alles buiten U. 
>         Laat hij opstaan en zeggen: 
>       Maak mijn gebed, o mijn Heer, tot een bron van levend water waardoor ik 
>       leve zolang als Uw heerschappij voortduurt en melding van U make in elk 
>       van Uw werelden. 
>         Laat hij opnieuw zijn handen in smeking opheffen en zeggen: 
>       O Gij, om Wie harten en zielen, wanneer van U gescheiden, wegkwijnen en 
>       door het vuur van Wiens liefde de gehele wereld in vlam is gezet! Ik smeek 
>       U, bij Uw Naam door welke Gij de gehele schepping onderwerpt, aan mij niet 
>       te onthouden hetgeen bij U is, o Gij Die over alle mensen heerst! Gij 
>       ziet, o mijn Heer, deze vreemdeling zich haasten naar zijn verhevenste 
>       woning onder het baldakijn van Uw majesteit en in het rijk van Uw 
>       barmhartigheid, deze zondaar de oceaan van Uw vergiffenis, deze ootmoedige 
>       het hof van Uw heerlijkheid en dit arme schepsel de luister van Uw rijkdom 
>       zoeken. Aan U is het gezag om al hetgeen Gij wilt te bevelen. Ik getuig 
>       dat Gij moet worden geprezen in Uw werken en gehoorzaamd in Uw bevelen en 
>       dat Gij steeds onbeperkt blijft in Uw gebod. 
>         Laat hij dan zijn handen opheffen en driemaal de Grootste Naam zeggen. 
>         Laat hij zich dan met zijn handen op zijn knieën voor God - gezegend en 
>         verheven zij Hij - neerbuigen en zeggen: 
>       Gij ziet, o mijn God, hoe mijn geest in merg en been wakker geschud is, in 
>       zijn verlangen U te aanbidden en in zijn hunkering U te gedenken en U te 
>       loven; hoe hij betuigt hetgeen de Tong van Uw gebod betuigt in het 
>       Koninkrijk van Uw woord en in de hemel van Uw kennis. In deze staat, o 
>       mijn Heer, smeek ik U graag om al hetgeen bij U is, opdat ik mijn armoede 
>       tone en Uw milddadigheid en Uw rijkdom verheerlijke, mijn machteloosheid 
>       verkondige en Uw kracht en Uw macht openbare. 
>         Laat hij dan opstaan, tweemaal zijn handen smekend heffen, en zeggen: 
>       Er is geen God dan Gij, de Almachtige, de Almilddadige. Er is geen God dan 
>       Gij, de Beschikker, zowel in den beginne als in het einde. O God, mijn 
>       God! Uw vergiffenis heeft mij moed gegeven en Uw barmhartigheid heeft mij 
>       gesterkt; Uw roep heeft mij gewekt en Uw genade heeft mij opgericht en mij 
>       tot U geleid. Wie immers ben ik dat ik aan de poort van de stad van Uw 
>       nabijheid zou durven staan of mijn gelaat zou durven keren naar het licht 
>       dat uit de hemel van Uw wil schijnt? Gij ziet, o mijn Heer, dit armzalige 
>       schepsel aan de deur van Uw genade kloppen en deze vergankelijke ziel de 
>       rivier van eeuwig leven zoeken uit de handen van Uw milddadigheid. Aan U 
>       staat het te allen tijde te bevelen, o Gij Die de Heer aller namen zijt; 
>       en aan mij mij over te geven en mij gewillig te onderwerpen aan Uw wil, o 
>       Schepper der hemelen! 
>         Laat hij dan driemaal zijn handen heffen en zeggen: 
>       God is groter dan ieder die groot is! 
>         Laat hij dan neerknielen en zijn voorhoofd naar de grond buigend zeggen: 
> 
>       Te verheven zijt Gij, dat de lof van hen die U nabij zijn kan opstijgen 
>       naar de hemel van Uw nabijheid, of de vogelen der harten van hen die U 
>       zijn toegewijd de deur van Uw poort kunnen bereiken. Ik getuig dat Gij 
>       boven alle eigenschappen zijt verheven en boven alle namen zijt geheiligd. 
>       Geen God is er dan Gij, de Verhevenste, de Alglorierijke. 
>         Laat hij dan gaan zitten en zeggen: 
>       Ik betuig hetgeen al het geschapene en de Schare in den hoge en de 
>       bewoners van het allerhoogste Paradijs en daarenboven de Tong van 
>       Grootheid zelf vanaf de alglorierijke Horizont betuigen: dat Gij God zijt, 
>       dat er geen God is dan Gij en dat Hij Die is geopenbaard het verborgen 
>       Mysterie is, het gekoesterde Symbool door Wie de letters W, E, E, en S 
>       (wees) zijn samengevoegd en verbonden. Ik betuig dat Hij Degeen is Wiens 
>       naam is neergeschreven door de Pen van de Allerhoogste en Die vermeld is 
>       in de Boeken Gods, de Heer van de Troon in den hoge en van de aarde hier 
>       beneden. 
>         Laat hij dan gaan staan en zeggen: 
>       O Heer van alle zijn en Bezitter van al het zichtbare en onzichtbare! Gij 
>       bemerkt mijn tranen en de zuchten die ik slaak, en hoort mijn steunen, 
>       mijn jammeren en het weeklagen van mijn hart. Bij Uw macht! Mijn 
>       overtredingen beletten mij U te naderen en mijn zonden houden mij ver van 
>       het hof van Uw heiligheid. Uw liefde, o mijn Heer, verrijkt mij, het 
>       gescheiden zijn van U vernietigt mij en het veraf zijn van U verteert mij. 
>       Ik smeek U bij Uw voetstappen in deze wildernis en bij de woorden "Hier 
>       ben Ik. Hier ben Ik" die Uw Uitverkorenen in deze woestijn hebben geuit, 
>       en bij de ademtocht van Uw Openbaring en de zachte bries van de Dageraad 
>       van Uw Manifestatie te beschikken dat ik Uw schoonheid moge aanschouwen en 
>       al hetgeen in Uw Boek is neergelegd nakome. 
>         Laat hij dan driemaal de Grootste Naam zeggen, zich neerbuigen en, 
>         terwijl zijn handen op zijn knieën rusten, zeggen: 
>       Ere zij U, o mijn God, dat Gij mij hebt bijgestaan U te gedenken en U te 
>       loven, en dat Gij Hem Die de Dageraad van Uw tekenen is aan mij hebt 
>       bekendgemaakt; dat Gij mij ertoe gebracht hebt mij voor Uw Heerschappij te 
>       buigen, mij voor Uw Godheid te verootmoedigen en hetgeen door de Tong van 
>       Uw grootheid is geuit te erkennen. 
>         Laat hij dan gaan staan en zeggen: 
>       O God, mijn God! Mijn rug is gebogen onder de last van mijn zonden en mijn 
>       onachtzaamheid heeft mij vernietigd. Steeds wanneer ik mijn boze werken en 
>       Uw weldadigheid overdenk, smelt mijn hart in mij en kookt het bloed in 
>       mijn aderen. Bij Uw Schoonheid, o Gij Verlangen der wereld! Ik schaam mij 
>       mijn gelaat tot U te heffen en mijn verlangende handen schromen zich uit 
>       te strekken naar de hemel van Uw milddadigheid. Gij ziet, o mijn God, hoe 
>       mijn tranen mij verhinderen U te gedenken en Uw deugden te prijzen, o Gij, 
>       de Heer van de Troon in den hoge en van de aarde hier beneden! Ik smeek U, 
>       bij de tekenen van Uw Koninkrijk en de geheimen van Uw heerschappij, met 
>       Uw geliefden te doen zoals het Uw milddadigheid betaamt, o Heer van alle 
>       zijn, en zoals Uw genade waardig is, o Koning van het geziene en het 
>       ongeziene! 
>         Laat hij dan driemaal de Grootste Naam zeggen en neerknielen met zijn 
>         voorhoofd op de grond en zeggen: 
>       Ere zij U, o onze God, dat Gij tot ons hebt neergezonden hetgeen ons U 
>       doet naderen en dat Gij ons voorziet van al het goede dat door U in Uw 
>       Boeken en Geschriften tot ons is gezonden. Wij smeken U, o Heer, bescherm 
>       ons tegen de scharen van ijdele waan en nutteloze verbeelding. Gij zijt in 
>       waarheid de Machtige, de Alwetende. 
>         Laat hij dan zijn hoofd oprichten en gaan zitten en zeggen: 
>       Ik betuig, o mijn God, hetgeen Uw uitverkorenen betuigen en erken hetgeen 
>       de bewoners van het allerhoogste Paradijs en zij die Uw machtige Troon 
>       omringen erkennen. De koninkrijken van hemel en aarde zijn de Uwe, o Heer 
>       der werelden! 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   ALGEMENE GEBEDEN 
>       AVOND 
>       4
>       O mijn God, mijn Meester, Doel van mijn verlangen! Deze dienaar van U 
>       zoekt de slaap in de beschutting van Uw barmhartigheid en de rust onder 
>       het baldakijn van Uw genade, smekende om Uw zorg en Uw bescherming. 
>       Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uw oog dat niet slaapt, mijn ogen te behoeden 
>       iets anders te zien dan U. Sterk dan hun blik, zodat zij Uw tekenen kunnen 
>       waarnemen en de Horizont Uwer openbaring kunnen aanschouwen. Gij zijt 
>       Degeen voor Wiens openbaringen van almacht de kern van macht beeft. 
>       Geen God is er dan Gij, de Almachtige, de Albeheerser, de Absolute. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   5
>       Hoe kan ik wensen te slapen, o God, mijn God, wanneer zij die naar U 
>       hunkeren niet kunnen slapen omdat zij van U gescheiden zijn, en hoe kan ik 
>       gaan rusten terwijl de zielen van Uw geliefden worden gepijnigd doordat 
>       zij veraf zijn van Uw tegenwoordigheid? 
>       Ik heb mijn geest en mijn gehele wezen, o mijn Heer, toevertrouwd aan de 
>       rechterhand van Uw macht en Uw bescherming; door Uw kracht leg ik mijn 
>       hoofd op mijn kussen en naar Uw wil en Uw welbehagen hef ik het op. Gij 
>       zijt waarlijk de Behoeder, de Bewaker, de Almachtige, de Almogende. 
>       Bij Uw macht! Slapend of wakend vraag ik slechts hetgeen Gij wenst. Ik ben 
>       Uw dienaar en ik ben in Uw handen. Helpt Gij mij genadiglijk te doen 
>       hetgeen de geur van Uw welbehagen zal verspreiden. Dit is waarlijk mijn 
>       hoop en de hoop van hen die U nabij zijn. Geprezen zijt Gij, o Heer der 
>       werelden! 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   BEPROEVINGEN EN MOEILIJKHEDEN 
>       6
>       Is er iemand die moeilijkheden wegneemt buiten God? Zeg: Ere zij God. Hij 
>       is God. Allen zijn Zijn dienaren en allen verblijven bij Zijn gebod. 
>       de Báb 
> 
>   7
>       Zeg: God voldoet alle dingen boven alle dingen en niets in de hemelen of 
>       op aarde behalve God is genoeg. Waarlijk, Hij is in Zichzelf de Wetende, 
>       de Helper, de Almachtige. 
>       de Báb 
> 
>   8
>       Ik smeek U bij Uw macht, o mijn God! Laat mij geen kwaad overkomen in 
>       tijden van beproevingen en leid mijn schreden in ogenblikken van 
>       achteloosheid op de goede weg door Uw bezieling. Gij zijt God, machtig 
>       zijt Gij te doen wat Gij wenst. Niemand kan Uw Wil weerstaan of Uw Plan 
>       verijdelen. 
>       de Báb 
> 
>   9
>       O God, mijn God! Wees niet ver van mij, want beproeving op beproeving 
>       stapelt zich op mij. O God, mijn God! Laat mij niet aan mijzelf over, want 
>       de zwaarste tegenspoed heeft mij getroffen. Geef mij te drinken van de 
>       zuivere melk die uit de boezem van Uw goedertierenheid vloeit, want ik 
>       word geheel door dorst verteerd. Beschut mij onder de schaduw van de 
>       vleugelen van Uw barmhartigheid, want al mijn tegenstanders hebben zich 
>       als ŽŽn man op mij geworpen. 
>       Houd mij dicht bij de troon van Uw majesteit, oog in oog met de openbaring 
>       van de tekenen van Uw heerlijkheid, want diepe ellende treft mij. Voed mij 
>       met de vruchten van de Boom van eeuwigheid, want uiterste zwakte heeft mij 
>       overmand. Laaf mij uit de bekers van vreugde, die de hand van Uw 
>       liefderijke genade aanreikt, want menigvuldige smarten houden mij in hun 
>       machtige greep. 
>       Tooi mij met het rijk bestikte gewaad van Uw almachtige soevereiniteit, 
>       want ik ben tot de bedelstaf gebracht. Laat mij inslapen onder het 
>       rustgevende gekoer van de Duif van Uw eenheid, want de zwaarste rampen 
>       hebben mij getroffen. Laat mij voor de troon van Uw eenheid verblijven, in 
>       het volle licht van Uw aanschijn, want vrees en beven hebben mij 
>       verpletterd. Dompel mij in de oceaan van Uw vergeving, in het aangezicht 
>       van de rusteloosheid van de leviathan van heerlijkheid, want mijn zonden 
>       zijn mijn ondergang. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   10
>       Verdrijf mijn smart met Uw milddadigheid en Uw barmhartigheid, o God, mijn 
>       God, en verban mijn angst door Uw soevereiniteit en Uw macht. Gij ziet 
>       mij, o mijn God, met naar U geheven gelaat op een ogenblik dat leed mij 
>       van alle kanten omgeeft. Ik smeek U, o Gij, Die de Heer zijt van alle 
>       zijn, en Die al het zichtbare en onzichtbare overschaduwt, bij Uw Naam 
>       waardoor Gij hart en ziel der mensen onderwerpt, en bij de golven van de 
>       Oceaan Uwer genade en de pracht van de Dagster Uwer milddadigheid, mij te 
>       rekenen tot hen die door niets worden weerhouden hun gelaat tot U te 
>       heffen, o Gij Heer aller namen en Maker der hemelen. 
>       Gij ziet, o mijn Heer, hetgeen mij in Uw dagen is overkomen. Ik smeek U, 
>       bij Hem Die de Dageraad van Uw namen en eigenschappen is, voor mij te 
>       bestemmen hetgeen mij in staat zal stellen mij te verheffen om U te dienen 
>       en Uw krachten te prijzen. Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Almogende, 
>       Die de gebeden aller mensen pleegt te verhoren. 
>       En ten laatste smeek ik U, bij het licht van Uw aanschijn, mijn 
>       aangelegenheden te zegenen, mij van mijn schulden te bevrijden en mijn 
>       behoeften te bevredigen. Gij zijt Degeen van Wiens macht en van Wiens 
>       heerschappij iedere tong getuigt, en Wiens majesteit en Wiens 
>       soevereiniteit ieder begrijpend hart erkent. Geen God is er dan Gij, Die 
>       luistert en bereid zijt te antwoorden. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   11
>       Ere zij U, o mijn God! Hoe zouden Uw ware geliefden anders worden herkend 
>       dan door de beproevingen die zij te verduren krijgen op Uw pad; en hoe kan 
>       de rang van hen die naar U verlangen onthuld worden als bezoekingen niet 
>       werden verdragen uit liefde tot U? Uw macht zij mij tot getuige! Allen die 
>       U aanbidden hebben hun eigen tranen tot metgezel, en zij die U zoeken 
>       worden vertroost door hun kreunen, en het voedsel van hen die zich tot U 
>       haasten bestaat uit de scherven van hun gebroken hart. 
>       Hoe zoet smaakt mij de bitterheid van de dood op Uw pad, en hoe kostbaar 
>       schat ik de pijlen van Uw vijanden, die ik het hoofd bied omwille van de 
>       verheerlijking van Uw woord! Laat mij in Uw Zaak, o mijn God, met diepe 
>       teugen drinken van al wat Gij verlangt, en zend mij in Uw liefde al 
>       hetgeen Gij hebt verordend. Bij Uw heerlijkheid! Ik wens slechts hetgeen 
>       Gij wenst, en heb lief hetgeen Gij liefhebt. In U heb ik te allen tijde 
>       mijn gehele hoop en vertrouwen gesteld. 
>       Ik smeek U, o mijn God, laat als helpers van deze openbaring dezulken 
>       opstaan als Uw Naam en Uw Soevereiniteit waardig geacht zullen worden, 
>       zodat zij Mij zullen gedenken onder Uw schepselen, en het vaandel van Uw 
>       zege in Uw land zullen heffen. 
>       Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Geen God is er dan Gij, de 
>       Helper-in-nood, de Bij-Zich-Bestaande. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   12
>       O God! Verkwik en verblijd mijn ziel. Zuiver mijn hart. Verlicht mijn 
>       geest. Ik leg alles in Uw hand. Gij zijt mijn Gids en mijn Toevlucht. Ik 
>       wil niet langer treurig en bedroefd zijn; ik wil gelukkig en blij zijn. O 
>       God! ik wil niet langer vol vrees zijn, noch wil ik mij door zorgen laten 
>       kwellen. Ik wil niet bij de onaangename dingen des levens stilstaan. 
>       O God! Gij zijt een groter vriend voor mij dan ik voor mijzelf ben. Ik 
>       wijd mij aan U, o Heer! 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   BESCHERMING 
>       13
>       Hij is de Meedogende, de Almilddadige! 
>       O God, mijn God! Gij ziet mij, Gij kent mij; Gij zijt mijn Haven en mijn 
>       Toevlucht. Niemand heb ik gezocht noch zal ik zoeken buiten U; geen pad 
>       heb ik betreden noch zal ik betreden dan het pad van Uw liefde. In de 
>       duistere nacht van wanhoop wendt mijn oog zich vol verwachting en hoop 
>       naar de morgen van Uw grenzeloze gunst en bij het aanbreken van de dag 
>       wordt mijn kwijnende ziel verkwikt en gesterkt door de herinnering aan Uw 
>       schoonheid en volmaaktheid. Hij die door de gunst van Uw genade wordt 
>       geholpen, al ware hij slechts een druppel, zal een grenzeloze oceaan 
>       worden en het kleinste stofje zal, dankzij de uitstorting van Uw 
>       goedertierenheid, schitteren als een stralende ster. 
>       Beschut onder Uw bescherming, o Gij Geest van zuiverheid, Gij Die de 
>       almilddadige Verzorger zijt, deze door U geboeide, in vuur geraakte 
>       dienaar. Help hem in deze bestaanswereld standvastig en trouw te blijven 
>       in Uw liefde en sta toe dat deze vleugellamme vogel een schuilplaats en 
>       toevlucht vindt in Uw goddelijk nest dat in de hemelse boom rust. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   14
>       O God, mijn God! Bescherm Uw vertrouwde dienaren tegen het kwaad van 
>       zelfzucht en begeerte, behoed hen met het wakend oog Uwer goedertierenheid 
>       tegen alle wrok, haat en afgunst, beschut hen in de onaantastbare vesting 
>       van Uw zorg en maak hen, beveiligd voor de pijlen van twijfel, de 
>       manifestaties van Uw heerlijke tekenen; verlicht hun gelaat met de 
>       schitterende stralen uit de Dageraad Uwer goddelijke eenheid; verblijd hun 
>       hart met de vanuit Uw heilig Koninkrijk geopenbaarde verzen; sterk hun 
>       lendenen door Uw albeheersende kracht die uit Uw rijk van heerlijkheid 
>       komt. 
>       Gij zijt de Almilddadige, de Beschermer, de Almachtige, de Genadige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   15
>       O Heer mijn God en mijn Haven in mijn wanhoop! Mijn Schild en mijn 
>       Beschutting in mijn leed! Mijn Schuilplaats en mijn Toevlucht in tijd van 
>       nood en mijn Metgezel in mijn eenzaamheid. In mijn zielesmart mijn 
>       Trooster en in mijn verlatenheid een liefdevol Vriend! De Verlichter van 
>       de pijn mijner droefenis en de Vergever mijner zonden! 
>       Ik keer mij geheel tot U en smeek U dringend, met mijn gehele hart, 
>       verstand en tong, mij in dit tijdperk Uwer goddelijke eenheid tegen al 
>       hetgeen in strijd is met Uw wil te beschermen, en mij van alle smetten te 
>       reinigen welke mij zullen beletten onbevlekt en onbesmeurd de schaduw van 
>       de boom Uwer genade te zoeken. 
>       Wees genadig, o Heer, voor de zwakken, maak de zieken gezond en les de 
>       brandende dorst. 
>       Verblijd het hart waarin het vuur van Uw liefde smeult en zet het in gloed 
>       met de vlam van Uw hemelse liefde en van Uw Geest. 
>       Bekleed de tabernakelen van goddelijke eenheid met het gewaad van 
>       heiligheid en zet de kroon van Uw gunst op mijn hoofd. 
>       Verlicht mijn gelaat met de glans van het hemellicht Uwer milddadigheid en 
>       help mij genadiglijk aan Uw heilige drempel te dienen. 
>       Doe mijn hart overvloeien van liefde voor Uw schepselen en geef dat ik het 
>       teken worde van Uw barmhartigheid, het bewijs van Uw genade, de 
>       bevorderaar van eensgezindheid onder Uw geliefden, U toegewijd, U 
>       gedenkend en het eigen ik vergetend, doch immer indachtig aan hetgeen U 
>       toebehoort. 
>       O God, mijn God! Onthoud mij niet de zachte bries van Uw vergeving en 
>       genade en ontneem mij niet de bronnen van Uw hulp en gunst. 
>       Laat mij onder de schaduw van Uw beschermende vleugels nestelen en laat de 
>       blik van Uw albeschermend oog over mij gaan. 
>       Maak mijn tong los om Uw naam onder Uw volk te verheerlijken, opdat mijn 
>       stem in grote bijeenkomsten klinke en een vloed van lof te Uwer ere mij 
>       van de lippen strome. 
>       Gij zijt waarlijk de Genadige, de Glorierijke, de Krachtige, de 
>       Almachtige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   BIJEENKOMST 
>       16
>       O mijn God! O mijn God! Waarlijk, deze dienaren keren zich tot U, Uw 
>       koninkrijk van Barmhartigheid aanroepend. 
>       Zij zijn waarlijk aangetrokken tot Uw heiligheid en in gloed gezet met het 
>       vuur van Uw liefde, en zoeken bekrachtiging uit Uw wonderbare koninkrijk 
>       en hopen Uw hemels rijk te bereiken. Waarlijk, zij verlangen naar de 
>       uitstorting van Uw gaven, en zoeken het licht van de Zon der 
>       Werkelijkheid. O Heer! Maak hen tot helder schijnende lampen, tekenen van 
>       barmhartigheid, vruchtbare bomen en stralende sterren. 
>       Mogen zij voorwaarts treden in Uw dienst en met U verbonden worden door de 
>       sterke banden van Uw liefde, vol verlangen naar het licht van Uw gunst. O 
>       Heer! Maak hen tot tekenen van leiding, standaarden voor Uw onsterfelijk 
>       koninkrijk, golven van de zee van Uw genade, weerspiegelingen van het 
>       licht van Uw majesteit. 
>       Waarlijk, Gij zijt de Edelmoedige! Waarlijk, Gij zijt de Barmhartige! 
>       Waarlijk, Gij zijt de Dierbare, de Geliefde. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   17
>       Hij is God! 
>       O Heer, mijn God, mijn Inniggeliefde! 
>       Dit zijn Uw dienaren die Uw stem hebben gehoord, die gehoor gaven aan Uw 
>       Woord en die Uw roep hebben beluisterd. Zij hebben in U geloofd, Uw 
>       wondere daden aanschouwd, Uw bewijs erkend en getuigenis van U afgelegd. 
>       Zij hebben Uw wegen bewandeld, Uw leiding gevolgd, Uw mysteriën ontdekt en 
>       de geheimen van Uw Boek, de verzen van Uw Geschriften, en de boodschappen 
>       van Uw Brieven en Tafelen begrepen. 
>       Zij hebben zich aan de zoom van Uw kleed geklemd en houden zich vast aan 
>       de mantel van Uw licht en verhevenheid. Hun voetstappen zijn gesterkt in 
>       Uw Verbond en hun hart is krachtig in Uw Testament. Heer! Ontsteek in hun 
>       hart de vlam van Uw goddelijke aantrekkingskracht, en geef dat de vogel 
>       van liefde en begrip in hun hart moge zingen. Geef dat zij gelijk 
>       krachtige tekenen, gelijk schitterende vaandels en volmaakt als Uw Woord 
>       mogen worden. Verhef door hen Uw Zaak, ontplooi Uw banieren en maak Uw 
>       wondere daden wijd en zijd bekend. Laat Uw Woord door hen zegevieren en 
>       sterk de lendenen van Uw geliefden. Maak hun tong los om Uw Naam te loven 
>       en beziel hen om Uw heilige wil en welbehagen te doen. Verlicht hun gelaat 
>       in Uw koninkrijk van heiligheid en maak hun vreugde volmaakt door hen te 
>       helpen opstaan om Uw Zaak te doen zegevieren. 
>       Heer, wij zijn zwak, sterk ons om de geuren van Uw Heiligheid te 
>       verspreiden; wij zijn arm, verrijk ons met de schatten van Uw goddelijke 
>       Eenheid; wij zijn naakt, kleed ons met het kleed van Uw milddadigheid; wij 
>       zijn zondig, vergeef ons onze zonden door Uw genade, Uw gunst en Uw 
>       vergiffenis. Gij zijt waarlijk onze Steun, de Helper, de Genadige, de 
>       Machtige, de Krachtige. 
>       De heerlijkheid der heerlijkheden ruste op hen die getrouw en standvastig 
>       zijn. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   18
>       O Gij Meedogende, Almachtige! Deze hier bijeengekomen zielen hebben hun 
>       gelaat in aanbidding tot U gekeerd. Met de uiterste nederigheid en ootmoed 
>       zien zij naar Uw Koninkrijk en smeken zij U om genade en vergeving. O God! 
>       Sluit deze vergadering in Uw hart. Heilig deze zielen en doe de stralen 
>       van Uw leiding op hen schijnen. Verlicht hun hart en verblijd hun geest 
>       met Uw blijde boodschap. 
>       Ontvang hen allen in Uw heilig Koninkrijk, schenk hun Uw onuitputtelijke 
>       milddadigheid, maak hen gelukkig in deze wereld en in de komende. O God! 
>       wij zijn zwak; geef ons kracht. Wij zijn arm; verleen ons Uw onbegrensde 
>       rijkdommen. Wij zijn ziek; schenk ons Uw goddelijke genezing. Wij zijn 
>       krachteloos; geef ons Uw hemelse kracht. O Heer! maak ons nuttig in deze 
>       wereld; bevrijd ons uit de staat van zelfzucht en begeerte. O Heer! maak 
>       ons standvastig in Uw liefde en maak dat wij de gehele mensheid 
>       liefhebben. Bekrachtig ons in dienstbaarheid aan het mensdom, zodat wij 
>       dienaren van Uw dienaren mogen worden, opdat wij al Uw schepselen 
>       liefhebben en Uw gehele volk mededogen betonen. 
>       O Heer! Gij zijt de Almachtige! Gij zijt de Barmhartige! Gij zijt de 
>       Vergever! Gij zijt de Almogende! 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   EENHEID 
>       19
>       O onze God! Wij smeken U, bij de Koning van namen en de Maker van hemelen 
>       en aarde, bij het geritsel van de bladeren van de Boom des Levens, en bij 
>       Uw woorden waardoor de werkelijkheid der dingen ons nader komt, te 
>       schenken dat eenheid in de liefde Gods spoedig in de gehele wereld moge 
>       heersen; dat Gij ons altijd en onmiskenbaar zult leiden naar al wat Gij 
>       wenst dat wij zullen doen, en dat wij steeds sterk mogen zijn en ten volle 
>       bereid onmiddellijk stipte en volkomen gehoorzaamheid te betrachten. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   20
>       Glorie zij U, o God, voor Uw manifestatie van liefde tot de mensheid. O 
>       Gij, Die ons Leven en Licht zijt, leid Uw dienaren op Uw weg en maak ons 
>       rijk in U en vrij van alles buiten U. 
>       O God, leer ons Uw een-zijn en schenk ons besef van Uw eenheid, opdat wij 
>       niemand buiten U zullen zien. Gij zijt de Genadige en de Schenker van 
>       weldaden! 
>       O God, schep in het hart van Uw geliefden het vuur van Uw liefde, opdat 
>       het de gedachte aan alles buiten U vertere. 
>       Openbaar ons, o God, Uw verheven eeuwigheid; dat Gij eeuwig waart en 
>       eeuwig zijn zult en dat er geen God is buiten U. Waarlijk, in U zullen wij 
>       rust en sterkte vinden. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   21
>       O mijn God, o mijn God! Verenig de harten van Uw dienaren en openbaar hun 
>       Uw verheven plan. Mogen zij Uw geboden nakomen en bij Uw wet verblijven. 
>       Help hen, o God, in hun streven en schenk hun kracht U te dienen. 
>       O God, laat hen niet aan zichzelf over, maar leid hun schreden met het 
>       licht van Uw kennis, en verblijd hun hart met Uw liefde. Waarlijk, Gij 
>       zijt hun Helper en hun Heer. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   22
>       O Gij, liefderijk Heer! Gij hebt de gehele mensheid geschapen uit dezelfde 
>       ouders. Gij hebt beschikt dat allen tot dezelfde familie behoren. Voor Uw 
>       heilig Aanschijn zijn allen Uw dienaren en de gehele mensheid wordt door 
>       Uw Tabernakel beschermd; allen zijn verzameld rond Uw tafel van overvloed 
>       en allen worden verlicht door het licht van Uw voorzienigheid. 
>       O God! Gij zijt vriendelijk voor allen, Gij zorgt voor allen. Gij 
>       beschermt allen. Gij verleent leven aan allen. Gij hebt allen met talenten 
>       en mogelijkheden begiftigd; allen zijn gedompeld in de oceaan van Uw 
>       genade. 
>       O Gij, liefderijk Heer! Verenig allen. Laat de godsdiensten eensgezind 
>       zijn; maak de volkeren één, zodat zij elkaar als één familie zullen 
>       beschouwen en de gehele aarde als één thuis. Mogen zij in eenheid en 
>       eendracht met elkaar omgaan. 
>       O God! Hef hoog het vaandel van de eenheid der mensheid. 
>       O God! Sticht de Allergrootste Vrede. 
>       Smeed de harten aaneen, o God! O Gij, liefderijk Vader, God! Verblijd ons 
>       hart met de geur van Uw liefde. Verhelder onze ogen met het licht van Uw 
>       leiding; streel onze oren met de melodie van Uw Woord en beschut ons allen 
>       in de vesting van Uw voorzienigheid. 
>       Gij zijt de Machtige en de Krachtige! Gij zijt de Vergevende en Degeen Die 
>       de tekortkomingen der gehele mensheid niet telt. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   FONDS 
>       23
>         Alle vrienden van God ... moeten in de mate waarin dat mogelijk is 
>         bijdragen, hoe bescheiden hun gift ook moge zijn. God belast geen ziel 
>         boven zijn kunnen. Zulke bijdragen moeten uit alle centra, van alle 
>         gelovigen komen ... O vrienden van God! Weest ervan verzekerd dat uw 
>         landbouw, uw industrie en uw handel in ruil voor deze bijdragen gezegend 
>         zullen worden met veelvuldige groei, met goede gaven en gunsten. Hij die 
>         met één aanzienlijke schenking komt zal een tienvoudige beloning 
>         ontvangen. Het lijdt geen twijfel dat de levende Heer diegenen die hun 
>         rijkdommen op Zijn pad besteden overvloedig zal sterken.
>       O God, mijn God! Verlicht het voorhoofd van uw ware minnaars en sta hen 
>       bij met de engelenscharen van een zekere overwinning. Plaats hun voeten 
>       stevig op Uw rechte pad, en stel uit Uw aloude milddadigheid de poorten 
>       van Uw zegeningen voor hen open, want zij besteden hetgeen Gij hen 
>       geschonken hebt op Uw weg, terwijl ze Uw Geloof beschermen, hun vertrouwen 
>       stellen in het U gedenken, hun hart opofferen uit liefde voor U en wat zij 
>       bezitten niet achterhouden, uit aanbidding voor Uw Schoonheid en in hun 
>       streven wegen te vinden om U te behagen. 
>       O mijn Heer! Beschik voor hen een overvloedig deel, een voor hen bestemde 
>       vergoeding en een zekere beloning. 
>       Waarlijk, Gij zijt de Schrager, de Helper, de Edelmoedige, de Milddadige, 
>       de Immerschenkende. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   GEESTELIJKE GROEI 
>       24
>       O mijn God, mijn Heer en mijn Meester! Ik heb mij losgemaakt van mijn 
>       verwanten en heb getracht door U onafhankelijk te worden van allen die op 
>       aarde verblijven en immer bereid datgene te ontvangen wat prijzenswaardig 
>       is in Uw ogen. Verleen mij dat goede wat mij onafhankelijk van alles 
>       buiten U zal maken, en sta mij een groter deel van Uw grenzeloze gunsten 
>       toe. Gij zijt waarlijk de God van onbeperkte genade. 
>       de Báb 
> 
>   25
>       Geloofd zij Uw Naam, o mijn God! Ik smeek U bij de geuren van het kleed 
>       van Uw genade, die op Uw bevel en in overeenstemming met Uw wens over de 
>       gehele schepping werden verspreid, en bij de Dagster van Uw wil, die 
>       helder schijnt aan de horizont van Uw genade door de kracht van Uw macht 
>       en Uw soevereiniteit, om elke ijdele waan en nutteloze verbeelding uit 
>       mijn hart te wissen, zodat ik mij met geheel mijn genegenheid tot U moge 
>       keren, o Gij Heer der gehele mensheid. 
>       Ik ben Uw dienaar en de zoon van Uw dienaar, o mijn God! Ik heb de 
>       handgreep van Uw genade gevat, en mij vastgeklemd aan het koord van Uw 
>       tedere barmhartigheid. Beschik voor mij het goede dat bij U is, en voed 
>       mij van de Tafel die Gij neerzond uit de wolken van Uw milddadigheid en de 
>       hemel Uwer gunst. 
>       Gij, in waarheid, zijt de Heer der werelden, en de God van allen die in de 
>       hemel en allen die op aarde zijn. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   26
>       Ik weet niet, o mijn God, wat het vuur is dat Gij deed ontvlammen in Uw 
>       land. Aarde kan zijn glans nooit verduisteren, noch kan water zijn vlammen 
>       blussen. Alle volkeren der aarde zijn machteloos zijn kracht te weerstaan. 
>       Gelukzalig is hij die het is genaderd en zijn loeien heeft gehoord. 
>       Sommigen, o mijn God, stelde Gij door Uw sterkende genade in staat het te 
>       naderen, terwijl Gij anderen ervan terughield vanwege hetgeen hun handen 
>       in Uw dagen hebben aangericht. Al wie zich erheen spoedde en het bereikte, 
>       in zijn vurig verlangen Uw schoonheid te aanschouwen, heeft zijn leven 
>       gegeven op Uw pad en is, geheel vrij van alles buiten U, tot U opgestegen. 
> 
>       Ik smeek U, o mijn Heer, bij dit vuur dat laait en woedt in de wereld der 
>       schepping, de sluiers vaneen te scheuren die mij hebben verhinderd voor de 
>       troon van Uw majesteit te verschijnen en voor de deur van Uw poort te 
>       staan. Beschikt Gij voor mij, o mijn Heer, al het goede dat Gij hebt 
>       neergezonden in Uw Boek en laat mij niet ver verwijderd zijn van de 
>       beschutting van Uw genade. 
>       Machtig zijt Gij te doen hetgeen U behaagt. Gij zijt waarlijk de 
>       Almogende, de Grootmoedigste. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   27
>       Geprezen zijt Gij, o Heer mijn God! Gij ziet en weet dat ik Uw dienaren 
>       heb gemaand zich in geen richting te keren dan in de richting van Uw 
>       gaven, en hun heb bevolen niets anders in acht te nemen dan hetgeen Gij in 
>       Uw duidelijke Boek hebt voorgeschreven, het Boek dat is neergezonden 
>       overeenkomstig Uw ondoorgrondelijk besluit en onherroepelijk plan. 
>       Ik kan geen woord uiten, o mijn God, tenzij Gij mij dit toestaat, en ik 
>       kan mij in geen richting bewegen tot Gij mij toestemming verleent. Gij 
>       zijt het, o mijn God, Die mij in het leven hebt geroepen door de kracht 
>       van Uw macht, en mij met Uw genade hebt begiftigd om Uw Zaak te openbaren. 
>       Daarom ben ik aan tegenslagen onderworpen die mijn tong belemmeren U te 
>       loven en Uw glorie te verheerlijken. 
>       Geprezen zijt Gij, o Heer mijn God! Gij ziet en weet dat ik Uw dienaren 
>       heb gemaand zich in geen richting te keren dan in de richting van Uw 
>       gaven, en hun heb bevolen niets anders in acht te nemen dan hetgeen Gij in 
>       Uw duidelijke Boek hebt voorgeschreven, het Boek dat is neergezonden 
>       overeenkomstig Uw ondoorgrondelijk besluit en onherroepelijk plan. 
>       Zend daarom, o mijn Heer, tot mij en tot mijn geliefden neer wat ons zal 
>       beschermen tegen het kwaad van hen die Uw waarheid hebben afgewezen en 
>       niet in Uw tekenen hebben geloofd. 
>       Gij zijt waarlijk de Alglorierijke, de Almilddadige. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   28
>       Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uw Naam welks luister hemel en aarde omvat, 
>       mij in staat te stellen mijn wil zo te onderwerpen aan hetgeen Gij in Uw 
>       Tafelen hebt bevolen, dat ik in mij geen andere wens meer zal ontdekken 
>       dan hetgeen Gij door de kracht van Uw soevereiniteit voor mij hebt gewenst 
>       en geen andere wil dan hetgeen Gij door Uw wil voor mij hebt beschikt. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   29
>       Verheerlijkt zijt Gij, o mijn God, en eer en lof zij U, o mijn Heer! Ik 
>       smeek U, bij Uw Naam die Uw macht en Uw kracht openbaart, om de spiegel 
>       van het hart Uwer dienaren te zuiveren van het stof van twijfel en 
>       onzekerheid en de dolende zielen naar Uw licht te leiden, zodat zij Uw 
>       eenheid mogen beseffen en Uw een-zijn erkennen. 
>       O mijn God! Er is geen toevlucht buiten U en geen weg dan de weg welke 
>       naar Uw verblijf voert. Wanneer Uw dienaren van U horen, o God, zullen zij 
>       Uw weg niet verlaten. Help hen standvastig en trouw te blijven op deze 
>       tocht naar U, opdat zij Uw Koninkrijk mogen bereiken en Uw wil nakomen. 
>       Gij zijt de Almachtige, de Genadige. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   30
>       Geef mij te drinken, o mijn God, uit de zoetgeurende stromen van Uw 
>       eeuwigheid en stel mij in staat, o mijn Hoop, de vruchten te proeven van 
>       de boom van Uw wezen! Veroorloof mij, o mijn Glorie, volop te drinken uit 
>       de kristalheldere bronnen van Uw liefde en laat mij verwijlen, o mijn 
>       Licht, in de schaduw van Uw eeuwige voorzienigheid! Laat mij over de 
>       velden van Uw nabijheid zwerven in Uw tegenwoordigheid, o mijn Geliefde, 
>       en zetel mij ter rechterhand van de troon Uwer barmhartigheid, o mijn 
>       Verlangen! Doe een vleug uit de geurige bries Uwer vreugde over mij gaan, 
>       o mijn Doel, en vergun mij de hoogten van het paradijs van Uw 
>       werkelijkheid te betreden, o mijn Aangebedene! Sta mij toe te luisteren 
>       naar de melodieën van de Duif Uwer eenheid, o Luisterrijke, en beziel mij 
>       door de geest van Uw kracht en Uw macht, o mijn Verzorger! Laat mij 
>       standvastig zijn in de geest van Uw liefde, o mijn Helper, en plaats mijn 
>       voet stevig op het pad van Uw welbehagen, o mijn Maker! Laat mij voor 
>       immer in de tuin van Uw onsterfelijkheid verwijlen voor Uw aangezicht, o 
>       Gij Die mij genadig zijt, en zet mij op de zetel van Uw heerlijkheid, o 
>       Gij Die mijn Bezitter zijt! Verhef mij tot de hemel van Uw 
>       goedertierenheid, o mijn Bezieler, en leid mij tot de Dagster van Uw 
>       leiding, o Gij Die mij tot U doet neigen! Roep mij op aanwezig te zijn bij 
>       de openbaringen van Uw onzichtbare geest, o Gij Die mijn Oorsprong en mijn 
>       hoogste Wens zijt, en doe mij terugkeren tot het diepste wezen van de geur 
>       Uwer schoonheid welke Gij zult openbaren, o Gij Die mijn God zijt! 
>       Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Gij zijt waarlijk de 
>       Verhevenste, de Alglorierijke, de Allerhoogste. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   31
>       O mijn Heer! Laat Uw schoonheid mijn voedsel zijn en Uw tegenwoordigheid 
>       mijn drank, Uw behagen mijn hoop, het U loven mijn daad en het U gedenken 
>       mijn metgezel, de kracht van Uw soevereiniteit mijn helper, Uw verblijf 
>       mijn woning en mijn verblijfplaats de zetel die door U is geheiligd van de 
>       beperkingen opgelegd aan hen die als door een sluier van U zijn 
>       gescheiden. 
>       Gij zijt, voorwaar, de Almachtige, de Alglorierijke, de Almogende. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   32
>       Ik smeek U, o mijn God, bij Uw meest verheven Woord, hetwelk Gij hebt 
>       bestemd tot het goddelijke elixer voor allen die zich in Uw rijk bevinden, 
>       het elixer door welks kracht het ruwe metaal van het menselijk leven 
>       veranderd is in het zuiverste goud, o Gij in Wiens hand zich zowel de 
>       zichtbare als de onzichtbare koninkrijken bevinden, te beschikken dat ik 
>       mijn keuze onderwerp aan Uw keuze en mijn wens aan Uw wens, dat ik 
>       volkomen tevreden mag zijn met hetgeen Gij wenst, en geheel voldaan met 
>       hetgeen Gij voor mij bestemt in Uw milddadigheid en gunst. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   33
>       Schep in mij een zuiver hart, o mijn God, en vernieuw in mij een rustig 
>       geweten, o mijn Hoop! Bekrachtig mij in Uw Zaak door de geest van macht, o 
>       mijn Meest Geliefde, en openbaar mij Uw weg door het licht van Uw 
>       heerlijkheid, o Gij Doel van mijn verlangen! Verhef mij tot de hemel van 
>       Uw heiligheid door de kracht van Uw alovertreffende macht, o Bron van mijn 
>       wezen, en verblijd mij door de ademtocht van Uw eeuwigheid, o Gij Die mijn 
>       God zijt! Laat Uw eeuwigdurende melodieën mijn ziel rust geven, o mijn 
>       Metgezel, en laat de rijkdom van Uw aloude aanschijn mij verlossen van 
>       alles buiten U, o mijn Meester! Laat de boodschap van de openbaring van Uw 
>       onvergankelijk Wezen mij vreugde brengen, o Gij Die de kenbaarste van het 
>       kenbare zijt en de verborgenste van het verborgene! 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   34
>       Verheerlijkt zijt Gij, o Heer mijn God! Ik dank U dat Gij mij in Uw dagen 
>       in het leven hebt geroepen en mij met Uw liefde en Uw kennis hebt bezield. 
>       Ik smeek U, bij Uw Naam waardoor de schone parelen van Uw wijsheid en Uw 
>       woorden te voorschijn zijn geroepen uit de schatkamers der harten van 
>       diegenen Uwer dienaren die U nabij zijn, en waardoor de Dagster van Uw 
>       naam, de Meedogende, haar luister heeft uitgestort over allen die in Uw 
>       hemel zijn en op Uw aarde, mij door Uw genade en milddadigheid Uw wondere, 
>       verborgen weldaden te schenken. 
>       Dit zijn de eerste dagen van mijn leven, o mijn God, die Gij hebt 
>       verbonden met Uw eigen dagen. Onthoud mij niet hetgeen Gij voor Uw 
>       uitverkorenen hebt beschikt, nu Gij mij zulk een grote eer hebt verleend. 
>       Ik ben, o mijn God, slechts een nietig zaadje dat Gij in de aarde van Uw 
>       liefde hebt gezaaid en door de hand van Uw milddadigheid deed ontkiemen. 
>       Dit zaadje hunkert daarom in zijn diepste wezen naar de wateren van Uw 
>       genade en naar de levende bron van Uw barmhartigheid. Zend uit de hemel 
>       Uwer goedertierenheid neer hetgeen het in staat zal stellen in Uw schaduw 
>       te bloeien en binnen de grenzen van Uw hof te gedijen. Gij zijt Degeen Die 
>       het hart van allen die U hebben erkend verkwikt uit Uw overvloedige stroom 
>       en uit de bron Uwer levende wateren. 
>       Ere zij God, de Heer aller werelden. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   35
>       Geprezen zijt Gij, o Heer mijn God! Ik smeek U, bij Uw tekenen die de 
>       gehele schepping omvatten, bij het licht van Uw aangezicht dat allen die 
>       in de hemel en op aarde zijn verlicht, bij Uw barmhartigheid die al het 
>       geschapene te boven gaat en bij Uw genade die over het gehele universum is 
>       uitgestort, de sluiers die mij van U scheiden vaneen te scheuren, opdat ik 
>       mij spoede naar de Bron van Uw machtige bezieling en de Dageraad van Uw 
>       openbaring en milddadige gunsten, en worde ondergedompeld in de oceaan van 
>       Uw nabijheid en welbehagen. 
>       Laat mij in Uw dagen niet verstoken zijn van het U kennen o mijn Heer, en 
>       ontdoe mij niet van het kleed Uwer leiding. Geef mij te drinken uit de 
>       rivier die het ware leven is, wier wateren zijn voortgestroomd uit het 
>       Paradijs,1 alwaar de troon van Uw Naam, de Albarmhartige, werd opgericht, 
>       opdat mijn ogen geopend, mijn gelaat verhelderd, mijn hart bemoedigd, mijn 
>       ziel verlicht en mijn schreden onwankelbaar gemaakt mogen worden. 
>       Gij zijt Degeen Die door de kracht van Zijn macht eeuwig verheven was 
>       boven alle dingen en Die door de werking van Zijn wil in staat was alles 
>       te bestieren. Absoluut niets in Uw hemel of op Uw aarde kan Uw plan 
>       verijdelen. Wees mij dan genadig, o mijn Heer door Uw genadige 
>       voorzienigheid en grootmoedigheid, en neig mijn oor naar de zoete 
>       melodieën van de vogels die Uw lof zingen op de takken van de boom Uwer 
>       eenheid. 
>       Gij zijt de Grote Gever, de Immervergevende, de Meedogendste. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   36
>       Zeg: o God, mijn God! Tooi mijn hoofd met de kroon van gerechtigheid en 
>       mijn slapen met het sieraad van rechtvaardigheid. 
>       Gij zijt waarlijk de Bezitter van alle gaven en weldaden. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   37
>       O mijn glorierijke Heer! 
>       Help mij mij van iedere afwijkende neiging te onthouden, iedere opstandige 
>       hartstocht te bedwingen, de beweegreden van mijn gedrag te zuiveren en mij 
>       de zachtmoedigheid die geen uitdaging kan verstoren, het geduld dat geen 
>       bezoeking teniet kan doen en een onkreukbaarheid die door geen eigenbelang 
>       geschokt kan worden te verwerven, zodat ik bekwaam zal zijn U te dienen en 
>       Uw Woord te onderrichten. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   38
>       O mijn Heer! O mijn Heer! 
>       Dit is een lamp, aangestoken door het vuur van Uw liefde en gloeiend door 
>       de vlam die in de boom van Uw barmhartigheid is ontbrand. O mijn Heer! 
>       Vermeerder haar ontvlambaarheid, haar hitte en vuur met de vlam die in de 
>       Sinaï van Uw Manifestatie is ontstoken. Waarlijk, Gij zijt de 
>       Bekrachtiger, de Helper, de Krachtige, de Edelmoedige, de Liefderijke. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   39
>       O Gij, barmhartig God! Schenk mij een hart dat gelijk een spiegel strale 
>       met het licht van Uw liefde en beziel mij met gedachten die door Uw 
>       milddadigheid de wereld doen veranderen in een rozengaard. 
>       Gij zijt de Barmhartige, de Genadige, de Almilddadige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   40
>       Mijn God, mijn God! Gij zijt mijn Hoop en mijn Geliefde, mijn Doel en mijn 
>       Verlangen. Met grote nederigheid en algehele toewijding smeek ik U mij de 
>       minaret van Uw liefde in Uw gebied te maken, de lamp van Uw kennis onder 
>       Uw schepselen en het vaandel van Uw goddelijke Barmhartigheid in Uw 
>       Koninkrijk. 
>       Maak mij één van hen die U aanbidden, die zichzelf onthechten van alles 
>       buiten U, zich heiligen van al hetgeen tot de wereld behoort en zich 
>       afwenden van de gebreken der argwanenden. 
>       Laat mijn hart overvloeien van vreugde door de bemoedigende steun uit Uw 
>       Koninkrijk en verlicht mijn blik met het aanschouwen van de legers van 
>       welslagen die elkaar opvolgen en op mij neerdalen uit Uw almacht. 
>       Gij zijt de Almachtige, de Krachtige, de Onoverwinnelijke. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   41
>       Maak onze schreden op Uw weg krachtig o Heer, en sterk ons hart in 
>       gehoorzaamheid aan U. Keer ons gelaat naar de schoonheid van Uw enig-zijn 
>       en verblijd ons gemoed met de tekenen van Uw goddelijke eenheid. Tooi ons 
>       lichaam met het kleed van Uw milddadigheid, ontdoe onze ogen van de sluier 
>       van zonde en geef ons de kelk van Uw genade, opdat alle schepselen bij het 
>       aanschouwen van Uw grootheid uit het diepste van hun wezen Uw lof zingen. 
>       Openbaar dan Uzelf, o Heer, door Uw barmhartig woord en door het mysterie 
>       van Uw goddelijk Wezen, opdat de heilige bezieling van gebed onze zielen 
>       vervulle - een gebed dat boven woorden en letters zal uitstijgen en het 
>       gemurmel van lettergrepen en klanken te boven zal gaan -en alle dingen in 
>       het niet verzinken voor de openbaring van Uw pracht. 
>       Heer! Dit zijn Uw dienaren die krachtig en sterk in Uw Verbond en Uw 
>       Testament staan, die vasthouden aan het koord van trouw in Uw Zaak en zich 
>       aan de zoom van het kleed Uwer grootheid klemmen. Help hen, o Heer, met Uw 
>       genade, bekrachtig hen met Uw macht en sterk hun lendenen in 
>       gehoorzaamheid aan U. 
>       Gij zijt de Vergevende, de Genadige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   42
>         O zoeker naar Waarheid! Indien gij wenst dat God uw ogen opent, moet gij 
>         Hem aanroepen en u te middernacht in gebed tot Hem keren met de woorden:
>       O Heer, ik heb mijn gelaat naar Uw koninkrijk van eenheid gekeerd en ik 
>       ben gedompeld in de zee van Uw barmhartigheid. 
>       O Heer, verlicht mijn blik door de aanschouwing van Uw licht in deze 
>       duistere nacht en maak mij in dit wondere tijdperk gelukkig door de wijn 
>       van Uw liefde. O Heer, doe mij luisteren naar Uw stem en open voor mijn 
>       ogen de poorten des hemels, opdat ik het licht van Uw heerlijkheid 
>       aanschouwe en door Uw schoonheid worde bekoord. 
>       Waarlijk, Gij zijt de Schenker, de Edelmoedige, de Genadige, de 
>       Vergevende. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   GEESTELIJKE RAAD 
>       44
>         Zegt steeds wanneer gij de raadskamer binnengaat dit gebed, met een hart 
>         dat bonst van liefde voor God en een tong die is gezuiverd van alles 
>         buiten het Hem gedenken, opdat de Almachtige u genadiglijk bijstaat om 
>         de hoogste overwinning te behalen.
>       O God, mijn God! Wij zijn Uw dienaren die zich vol toewijding tot Uw 
>       heilig gelaat hebben gekeerd en die zich in deze glorierijke Dag van alles 
>       buiten U hebben bevrijd. Wij zijn in deze Geestelijke Raad te zamen, 
>       verenigd in onze inzichten en gedachten, met het eensgezinde doel Uw Woord 
>       onder de mensheid te verheerlijken. O Heer, onze God! Maak ons de tekenen 
>       Uwer goddelijke leiding, standaarden van Uw verheven Geloof onder de 
>       mensen, dienaren van Uw machtig Verbond. O Gij, onze Allerhoogste Heer, 
>       maak ons manifestaties van Uw goddelijke eenheid in Uw Abhá Koninkrijk en 
>       schitterende sterren, stralende over alle gebieden. Heer! Help ons zeeën 
>       te worden, deinend met golven van Uw wondere genade; wateren, 
>       voortstromend uit Uw alglorierijke hoogten; goede vruchten aan de boom van 
>       Uw hemelse Zaak; bomen, wuivende in de bries van Uw milddadigheid in Uw 
>       hemelse wijngaard. O God! Maak onze ziel afhankelijk van de verzen Uwer 
>       goddelijke eenheid, ons hart verheugd door de uitstortingen van Uw genade, 
>       opdat wij ons als de golven van ŽŽn zee verenigen en als de stralen van Uw 
>       schitterend licht samensmelten; opdat onze gedachten, onze inzichten en 
>       onze gevoelens worden als ŽŽn werkelijkheid, die de geest van eenheid door 
>       de gehele wereld uitdraagt. 
>       Gij zijt de Genadige, de Milddadige, de Schenkende, de Almachtige, de 
>       Barmhartige, de Meedogende. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   45
>         Komt tezamen in pure blijdschap, en zegt dit gebed bij het begin van de 
>         vergadering:
>       O Gij Heer van het Koninkrijk! Hoewel onze lichamen hier bijeen zijn, 
>       worden onze betoverde harten weggevoerd door Uw liefde, en raken wij in 
>       vervoering door de stralen van Uw schitterend gelaat. Hoe zwak wij ook 
>       zijn, wij verwachten de openbaringen van Uw kracht en macht. Hoe arm wij 
>       ook zijn, zonder goederen of middelen, toch halen wij rijkdommen uit de 
>       schatten van Uw Koninkrijk. Hoewel wij druppels zijn, putten wij uit de 
>       diepten van Uw oceaan. Hoewel wij stofjes zijn, glinsteren wij in de 
>       heerlijkheid van Uw luisterrijke Zon. 
>       O Gij onze Verzorger! Zend Uw bijstand neder, opdat een ieder die hier 
>       verzameld is als een brandende kaars worde, ieder een middelpunt van 
>       aantrekkingskracht, ieder een ontbieder tot Uw hemels rijk, totdat wij 
>       tenslotte deze wereld hier beneden tot het evenbeeld van Uw Paradijs 
>       maken. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   46
>       (Gebed dat gezegd dient te worden bij de sluiting van de vergadering van 
>       de Geestelijke Raad.) 
>       O God, o God! Zie vanuit Uw onzichtbare koninkrijk van een-zijn hoe wij in 
>       deze geestelijke bijeenkomst samen zijn, in U gelovend, vol vertrouwen in 
>       Uw tekenen, standvastig in Uw Verbond en Testament, tot U aangetrokken, 
>       bezield met het vuur van Uw liefde en oprecht in Uw Zaak. Dienaren zijn 
>       wij in Uw wijngaard, verspreiders van Uw religie, deemoedige aanbidders 
>       van Uw aangezicht, nederig jegens Uw geliefden, die, ootmoedig aan Uw 
>       deur, U smeken ons te bekrachtigen in dienstbaarheid onder Uw 
>       uitverkorenen. Sta ons bij met Uw onzichtbare scharen, sterk onze lendenen 
>       in dienstbaarheid aan U en maak ons onderdanige en U vererende dienaren, 
>       die opgaan in U. 
>       O onze Heer! Wij zijn zwak en Gij zijt de Krachtige, de Machtige! Wij zijn 
>       levenloos en Gij zijt de grote levenschenkende Geest. Wij zijn 
>       hulpbehoevend en Gij zijt onze Steun en Toeverlaat, de Krachtige. 
>       O onze Heer! Keer ons gelaat tot Uw barmhartig aangezicht; spijzig ons van 
>       Uw hemelse tafel met Uw overvloedige genade; sta ons bij met Uw verheven 
>       engelenscharen en bekrachtig ons door de heiligen uit het Abhá Koninkrijk. 
> 
>       Waarlijk, Gij zijt de Grootmoedige, de Barmhartige. Gij zijt de Bezitter 
>       van grote milddadigheid en waarlijk, Gij zijt de Goedertierene en de 
>       Genadige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   GENEZING 
>       47
>       Uw Naam is mijn genezing, o mijn God, en het U gedenken is mijn medicijn. 
>       U nabij te zijn is mijn hoop en liefde voor U is mijn metgezel. Uw genade 
>       is mijn genezing en mijn steun in deze wereld en in de wereld die komen 
>       zal. 
>       Gij zijt waarlijk de Almilddadige, de Alwetende, de Alwijze. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   48
>       O God, mijn God! Ik smeek U bij de oceaan Uwer genezing en de pracht van 
>       de Dagster Uwer genade, en bij Uw naam door welke Gij Uw dienaren 
>       onderwerpt, en bij de doordringende kracht van Uw verhevenste Woord en de 
>       macht van Uw verhevenste Pen, en bij Uw genade, die aan de schepping van 
>       allen in de hemel en op aarde vooraf is gegaan, mij met de wateren Uwer 
>       milddadigheid te verlossen van iedere kwelling en kwaal en van alle zwakte 
>       en krachteloosheid. 
>       Gij ziet, o mijn Heer, Uw smekeling wachten aan de deur van Uw 
>       barmhartigheid en hem die zijn hoop heeft gezet op U zich vastklemmen aan 
>       het koord Uwer milddadigheid. Ik smeek U, weiger hem niet hetgeen hij van 
>       de oceaan Uwer genade en de Dagster Uwer goedertierenheid verlangt. 
>       Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Er is geen ander God dan Gij, de 
>       Immervergevende, de Almilddadige. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   49
>       Gij zijt Degeen, o mijn God, door Wiens namen de zieken genezen en de 
>       zwakken herstellen en de dorstigen gelaafd worden, en de zwaar gekwelden 
>       tot rust komen, en de eigenzinnigen geleid worden, en de vernederden 
>       verhoogd en de armen verrijkt worden, en de onwetenden onderricht en de 
>       somberen verlicht worden en de bedroefden opgebeurd en de verkleumden 
>       verwarmd, en de vertrapten opgericht worden. Door Uw Naam, o mijn God, 
>       werd al het geschapene tot leven gewekt, en werden de hemelen gespreid, en 
>       werd de aarde gevestigd, en werden de wolken gemaakt om op de aarde te 
>       regenen. Dit is waarlijk een bewijs van Uw genade tot al Uw schepselen. 
>       Ik smeek U, daarom, bij Uw Naam door welke Gij Uw Godheid openbaarde, en 
>       Uw Zaak boven de gehele schepping verheerlijkte, bij elk van Uw 
>       voortreffelijkste titels en verhevenste eigenschappen, en bij alle deugden 
>       waarmee Uw alles te boven gaande en verhevenste Wezen geprezen wordt om 
>       vannacht vanuit de wolken van Uw genade de regen van Uw genezing neer te 
>       zenden op deze zuigeling, die Gij hebt verbonden aan Uw allerheerlijkste 
>       Zelf in het Koninkrijk van Uw schepping. 
>       Kleed hem dan, o mijn God, door Uw genade, met de mantel van welzijn en 
>       gezondheid, en bewaar hem, o mijn Geliefde, voor elke ziekte en kwaal, en 
>       voor alles wat U onaangenaam is. Uw macht is waarlijk in staat alles te 
>       volbrengen. Gij zijt in waarheid de Machtigste, de Bij-Zich-Bestaande. 
>       Zend bovendien op hem neer, o mijn God, het goede van deze wereld en van 
>       de volgende, en het goede van de vroegere en latere geslachten. Uw macht 
>       en wijsheid zijn waarlijk in staat dit te volbrengen. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   50
>       Glorie zij U, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Uw Naam waardoor Hij Die Uw 
>       Schoonheid is op de troon van Uw Zaak is geplaatst, en bij Uw Naam 
>       waardoor Gij alles verandert, alles bijeengaart, alles ter verantwoording 
>       roept, alle dingen beloont, alle dingen bewaart, alles in stand houdt - ik 
>       smeek U deze dienares te behoeden die haar toevlucht bij U heeft gezocht, 
>       de bescherming heeft gezocht van Hem in Wien Gij Zelf kenbaar zijt, en die 
>       al haar hoop en vertrouwen op U heeft gesteld. 
>       Zij is ziek, o mijn God, en heeft zich onder de schaduw van de boom van Uw 
>       genezing begeven; zij is gekweld, en is naar de stad van Uw bescherming 
>       gevlucht; zij is lijdend, en heeft de bron van Uw gunsten gezocht; zij is 
>       hevig verontrust, en heeft zich gehaast de wel van Uw rust te bereiken; 
>       zij is met zonden beladen, en heeft haar gelaat naar het hof van Uw 
>       vergiffenis geheven. 
>       O mijn God en mijn Geliefde, tooi haar door Uw soevereiniteit en uw 
>       goedertierenheid met het kleed van Uw troost en Uw genezing, en laat haar 
>       drinken uit de beker van Uw genade en Uw gunsten. Bescherm haar bovendien 
>       tegen iedere kwellende kwaal, tegen alle pijn en ziekte, en tegen alles 
>       wat U een gruwel is. 
>       Gij zijt in waarheid oneindig verheven boven alles buiten Uzelf. Gij zijt 
>       waarlijk de Genezer, de Toereikende, de Bewaarder, de Immervergevende, de 
>       Barmhartigste. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   51
>       Hij is de Genezer, de Toereikende, de Helper, de Alvergevende, de 
>       Albarmhartige. 
>       Ik roep U aan o Verhevene, o Getrouwe, o Glorieuze! Gij de Toereikende, 
>       Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Soeverein, o Oprichter, o Rechter! Gij de Toereikende, Gij 
>       de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Weergaloze, o Eeuwige, o Enige! Gij de Toereikende, Gij de 
>       Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Meest Geprezene, o Heilige, o Helpende! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Alwetende, o Meest Wijze, o Allergrootste! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Verdraagzame, o Majestueuze, o Beschikker! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Geliefde, o Beminde, o Meeslepende! Gij de Toereikende, 
>       Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Machtigste, o Schragende, o Krachtige! Gij de Toereikende, 
>       Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Heerser, o Bij-Zich-Bestaande, o Alwetende! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Geest, o Licht, o Zichtbaarste! Gij de Toereikende, Gij de 
>       Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan, o Gij door allen bezocht, o Gij aan allen bekend, o Gij 
>       voor allen verborgen! Gij de Toereikende, Gij de Genezende, Gij de 
>       Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Verborgene, o Zegevierende, o Schenkende! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Almachtige, o Steunende, o Verheler! Gij de Toereikende, 
>       Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Vormende, o Genoegdoende, o Ontwortelaar! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Verrijzende, o Vergaarder, o Verheffer! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Vervolmaker, o Ongeketende, o Milddadige! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Weldadige, o Weerhoudende, o Schepper! Gij de Toereikende, 
>       Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Subliemste, o Schoonheid, o Overvloedige! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Rechtvaardige, o Genadige, o Edelmoedige! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Onweerstaanbare, o Immer Durende, o Alwetende! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Luisterrijke, o Aloude van Dagen, o Grootmoedige! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Welbehoede, o Heer van Vreugde, o Begeerde! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan, o Gij Die vriendelijk zijt voor allen, o Gij Die meedogend 
>       zijt voor allen, o Welwillendste! Gij de Toereikende, Gij de Genezende, 
>       Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Toevlucht voor allen, o Schuilplaats voor allen, o 
>       Albewaarder! Gij de Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij 
>       Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Gij aller Steun, o Gij door allen aangeroepen, o 
>       Levenschenkende! Gij de Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o 
>       Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Ontdekker, o Verwoester, o Verdraagzaamste! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Gij mijn ziel, o Gij mijn Geliefde, o Gij mijn vertrouwen! 
>       Gij de Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij 
>       Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Lavende, o alles te boven gaande Heer, o Dierbaarste! Gij 
>       de Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Hoogste Gedachtenis, o Edelste Naam, o Aloude Weg! Gij de 
>       Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Alomgeprezene, o Heiligste, o Gewijde! Gij de Toereikende, 
>       Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Verlosser, o Raadgever, o Bevrijder! Gij de Toereikende, 
>       Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Vriend, o Geneesheer, o Innemende! Gij de Toereikende, Gij 
>       de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Heerlijkheid! O Schone, o Milddadige! Gij de Toereikende, 
>       Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan, o de Vertrouwde, o de Uitnemendste Geliefde, o Heer van de 
>       Dageraad! Gij de Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij 
>       Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan, o Gij Die in gloed zet, o Schenker van glans, o Verspreider 
>       van verrukking! Gij de Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o 
>       Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Heer van Milddadigheid, o Meedogendste, o Meest 
>       Barmhartige! Gij de Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij 
>       Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan o Gij Bestendige, o Levengevende, o Bron van alle bestaan! 
>       Gij de Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij 
>       Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan, o Gij Die alle dingen doordringt, o Alziende God, o Heer 
>       van verwoording! Gij de Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o 
>       Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan, o Duidelijke en toch Verborgene, o Ongeziene en toch 
>       Vermaarde, o door allen gezochte Toeschouwer! Gij de Toereikende, Gij de 
>       Genezende, Gij de Blijvende, o Gij Eeuwigdurende! 
>       Ik roep U aan, O Gij Die de geliefden doodt, o God van Genade voor de 
>       boosdoeners! Gij de Toereikende, Gij de Genezende, Gij de Blijvende, o Gij 
>       Eeuwigdurende! 
>       O Toereikende, ik roep U aan o Toereikende! O Genezende, ik roep U aan o 
>       Genezende! O Blijvende, ik roep U aan o Blijvende! Gij de Immer Durende, 
>       Gij de Eeuwigdurende! 
>       Geheiligd zijt Gij, o mijn God! Ik smeek U bij Uw edelmoedigheid waardoor 
>       de portalen van Uw gaven en gunsten wijd geopend werden, waardoor de 
>       Tempel van Uw heiligheid gevestigd werd op de troon van eeuwigheid, en bij 
>       Uw barmhartigheid waardoor Gij al het geschapene tot de tafel van Uw 
>       milddadigheid en gaven noodde en bij Uw genade, waardoor Gij in Eigen 
>       Persoon antwoordde met Uw woord "Ja!" uit naam van allen in de hemelen en 
>       op aarde, ten tijde van de openbaring van Uw soevereiniteit en grootheid, 
>       en het gloren van de macht van Uw heerschappij. En wederom smeek ik U bij 
>       deze schoonste namen, bij deze edelste en sublieme hoedanigheden en bij Uw 
>       verhevenste gedachtenis en Uw zuivere en vlekkeloze Schoonheid en bij Uw 
>       verborgen licht in het verborgenste paviljoen, en bij Uw Naam, iedere 
>       ochtend en iedere avond gehuld in het kleed van smarten, om de drager van 
>       deze gezegende Tafel, en al wie haar zegt, en al wie haar aantreft, en al 
>       wie rond het huis gaat waar zij binnen is, te beschermen. Geneest Gij dan 
>       hierdoor iedere zieke, lijdende en arme van iedere beproeving en 
>       tegenspoed, van iedere afschuwelijke bezoeking en smart en leidt Gij 
>       hierdoor al wie de paden van Uw leiding en de wegen van Uw vergeving en 
>       genade verlangt te betreden. 
>       Gij zijt waarlijk de Krachtige, de Altoereikende, de Genezer, de 
>       Beschermer, de Gever, de Meedogende, de Edelmoedige, de Albarmhartige. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   52
>       O Gij, Almachtige! Ik ben een zondaar, doch Gij zijt de Vergevende! Ik ben 
>       vol tekortkomingen, doch Gij zijt de Meedogende! Ik wandel in het duister 
>       der dwalingen, doch Gij zijt het Licht der vergiffenis! 
>       O Gij, grootmoedig God! Vergeef mij mijn zonden, schenk mij Uw gaven, 
>       verontschuldig mijn fouten, bescherm mij, dompel mij in de Bron van Uw 
>       geduld en genees mij van alle ziekten en kwalen. 
>       Zuiver en heilig mij. Geef mij een deel van de uitstorting van heiligheid, 
>       opdat kommer en droefenis verdwijnen en vreugde en geluk neerdalen, 
>       neerslachtigheid en wanhoop in opgewektheid en vertrouwen veranderen, en 
>       moed in de plaats trede van vrees. 
>       Voorwaar, Gij zijt de Vergevende, de Meedogende. Gij zijt de Edelmoedige, 
>       de Geliefde. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   GEZIN 
>       53
>         Verheug u, o dienares van God, omdat gij God kent en door Zijn ademtocht 
>         zijt aangetrokken. Werp u neder en kniel voor de genadige Heer in Zijn 
>         verheven Koninkrijk en zeg:
>       Mijn Heer, mijn Heer! Ik loof U en ik dank U voor datgene waarmee Gij Uw 
>       nederige dienares, Uw slavin die U smeekt en tot U bidt, hebt begunstigd, 
>       daar Gij haar waarlijk naar Uw duidelijke Koninkrijk hebt geleid en haar 
>       in staat hebt gesteld Uw verheven Roep in de vergankelijke wereld te 
>       horen, en Uw tekenen, die de verschijning van Uw zegevierend bewind over 
>       alles bewijzen, waar te nemen. 
>       O mijn Heer! Ik draag hetgeen zich in mijn schoot bevindt aan U op. Geef 
>       dan dat het een prijzenswaardig kind in Uw Koninkrijk wordt, en dat het 
>       gelukkig wordt door Uw gunst en edelmoedigheid; dat het zich ontwikkelt en 
>       opgroeit onder de hoede van Uw opvoeding. Waarlijk, Gij zijt de Genadige. 
>       Waarlijk, Gij zijt de Heer van grote gunsten! 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   54
>       O Heer, Gij aanvaardt in deze Allergrootste Beschikking de voorspraak van 
>       kinderen ten gunste van hun ouders. Dit is één van de speciale oneindige 
>       gunsten van deze Beschikking. Aanvaard daarom, o Gij vriendelijke Heer, 
>       het verzoek van deze dienaar van U aan de drempel van uw enig-zijn en 
>       dompel zijn vader in de oceaan van Uw genade, want zijn zoon is opgestaan 
>       om U te dienen en hij spant zich te allen tijde in op het pad van Uw 
>       liefde. Waarlijk, Gij zijt de Gever, de Vergevende, en de Vriendelijke. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   55
>       O mijn God! O mijn God! Deze dienares van U roept U aan, vertrouwt op U, 
>       keert haar gelaat naar U, en smeekt U Uw Goddelijke milddadigheid over 
>       haar uit te storten, haar Uw geestelijke mysteriën te onthullen en het 
>       licht van Uw Godheid op haar te doen schijnen. 
>       O mijn Heer! Maak de ogen van mijn echtgenoot ziende. Verblijd zijn hart 
>       met het licht U te kennen, richt zijn aandacht op Uw lichtende Schoonheid, 
>       en verblijd zijn geest door hem de duidelijke bewijzen van Uw pracht te 
>       openbaren. 
>       O mijn Heer! Neem de sluier voor zijn ogen weg. Doe Uw overvloedige 
>       genadegaven op hem neerregenen, bedwelm hem met de wijn van liefde voor U, 
>       maak hem één Uwer engelen wier voeten deze aarde betreden terwijl hun ziel 
>       zich ten hemel verheft. Maak hem tot een lamp, fonkelend met het licht van 
>       Uw wijsheid temidden van Uw volk. 
>       Waarlijk, Gij zijt de Dierbare, de Edelmoedige, de Vrijgevige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   HANDEN VAN DE ZAAK GODS 
>       56
>       Licht en glorie, groet en ere zij de Handen van de Zaak, door wie het 
>       licht van lankmoedigheid werd verspreid en de verkondiging van gezag van 
>       God, de Krachtige, de Machtige, de Onafhankelijke, is aangetoond; door wie 
>       de zee van gaven heeft bewogen en de bries van de gunst Gods, de Heer der 
>       mensheid, heeft gewaaid. 
>       Wij smeken Hem - verheven is Hij - hen te beschermen door Zijn scharen, 
>       hen te behoeden door Zijn heerschappij en hen te steunen met Zijn macht, 
>       die alle dingen heeft overwonnen. De Heerschappij is aan God, de Maker des 
>       hemels en de Koning van het koninkrijk van Namen. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   HULP EN BIJSTAND 
>       57
>       O Heer, bij U zoek ik mijn toevlucht en naar al Uw tekenen richt ik mijn 
>       hart. O Heer, op reis of thuis, op mijn werk of bij mijn arbeid stel ik 
>       geheel mijn vertrouwen in U. Verleen mij Uw toereikende hulp, zodat ik 
>       onafhankelijk van alle dingen word, o Gij Die onovertroffen zijt in Uw 
>       barmhartigheid. Schenk mij, o Heer, naar Uw behagen mijn deel en laat mij 
>       tevreden zijn met hetgeen Gij voor mij bestemd hebt. Aan U is de absolute 
>       macht te bevelen! 
>       de Báb 
> 
>   58
>       Zeg: Ere zij U Die alle heiligen hun hulpeloosheid deed bekennen tegenover 
>       de menigvuldige openbaringen van Uw macht en iedere Profeet zijn nietszijn 
>       deed erkennen bij de glans van Uw durende heerlijkheid. Ik smeek U, bij Uw 
>       Naam welke de poorten des hemels ontsloot en de Schare in den hoge met 
>       verrukking vervulde, mij in staat te stellen U te dienen in deze Dag en 
>       mij te sterken om hetgeen Gij voorschreef in Uw Boek na te komen. Gij 
>       weet, o mijn Heer, hetgeen is in mij, doch ik weet niet hetgeen is in U. 
>       Gij zijt de Alwetende, de Albezielde. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   59
>       Verheerlijkt zijt Gij, o mijn God! De voorboden van de lente van Uw genade 
>       zijn verschenen en Uw aarde wordt met pril groen bekleed. De wolken van de 
>       hemelen van Uw milddadigheid storten hun regen uit over deze Stad, binnen 
>       wier muren Hij Wiens innig verlangen het is Uw schepselen te redden 
>       gekerkerd is. 
>       Deze lenteregen heeft de grond van deze Stad getooid, haar bomen met 
>       gebladerte bekleed en haar inwoners verblijd. Het hart van Uw geliefden 
>       echter kan zich slechts verheugen in de goddelijke Lentetijd van Uw tedere 
>       barmhartigheid, die het hart nieuw leven schenkt, de ziel vernieuwt en de 
>       boom van 's mensen bestaan vrucht doet dragen. 
>       O mijn Heer, de plant die in het hart van Uw geliefden was ontsproten, is 
>       verkwijnd. Zend toch vanuit de wolken van Uw geest datgene op hen neer, 
>       wat het tere kruid van Uw kennis en wijsheid in hun boezem kan doen 
>       groeien. Verblijd hun hart met de verkondiging van Uw Zaak en met de 
>       verheerlijking van Uw oppermacht. 
>       O mijn Heer, zij houden het oog vol verwachting gericht op Uw 
>       milddadigheid en zij hebben het gelaat naar de horizon van Uw genade 
>       gewend. Verhoed Gij genadiglijk dat zij van Uw gunst verstoken blijven. 
>       Door Uw soevereine macht hebt Gij gezag over alle dingen. Geen God is er 
>       dan Gij, de Almachtige, de Hulp in gevaar, de Bij-Zich-Bestaande. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   60
>       O Gij, Wiens gelaat het voorwerp is van mijn aanbidding, Wiens schoonheid 
>       mijn heiligdom, Wiens woning mijn doel, Wiens eer en lof mijn hoop, Wiens 
>       voorzienigheid mijn metgezel, Wiens liefde de reden van mijn bestaan, 
>       Wiens vermelding mijn troost, Wiens nabijheid mijn verlangen, Wiens 
>       tegenwoordigheid mijn dierbaarste wens en hoogste streven is, ik smeek U 
>       mij niet te onthouden wat Gij voor de uitverkorenen Uwer dienaren hebt 
>       bestemd. Verleen mij het goede van deze wereld en van de volgende. 
>       Gij zijt waarlijk de Koning aller mensen. Er is geen God dan Gij, de 
>       Immervergevende, de Grootmoedigste. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   61
>       Heer! Erbarmelijk zijn wij, verleen ons Uw gunst; arm zijn wij, schenk ons 
>       een deel uit de oceaan van Uw rijkdom; behoeftig zijn wij, voldoe aan onze 
>       noden; vernederd zijn wij, geef ons Uw heerlijkheid. De vogels in de lucht 
>       en de dieren op het veld ontvangen iedere dag van U hun voedsel en alle 
>       schepselen ondervinden Uw zorg en goedertierenheid. Onthoud deze zwakke Uw 
>       wondere genade niet en schenk door Uw macht deze hulpeloze ziel Uw 
>       weldaden. 
>       Geef ons ons dagelijks brood en voorzie steeds meer in onze 
>       levensbehoeften, opdat wij van niemand anders dan U afhankelijk zijn, 
>       volkomen in U opgaan, Uw wegen bewandelen en Uw geheimen bekendmaken. Gij 
>       zijt de Almachtige en de Liefderijke en de Verzorger der gehele mensheid. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   62
>       Neem, o Heer, de feestdis niet weg die in Uw Naam is gespreid en doof niet 
>       de brandende vlam die door Uw onblusbaar vuur is ontstoken. Stuit niet het 
>       stromen van Uw levend water dat voortmurmelt met de melodie van Uw 
>       heerlijkheid en Uw gedachtenis, en onthoud Uw dienaren niet de 
>       welriekendheid van Uw zoete geuren die de adem van Uw liefde verbreiden. 
>       Heer! Verander de kwellende zorgen van Uw getrouwen in rust, hun 
>       tegenspoed in voorspoed, hun vernedering in heerlijkheid, hun verdriet in 
>       zalige vreugde, o Gij Die de teugels van de gehele mensheid in Uw greep 
>       houdt. 
>       Gij zijt waarlijk de Ene, de Enige, de Machtige, de Alwetende, de Alwijze. 
> 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   HUWELIJK 
>       'Abdu'l-Bahá zegt over het huwelijk het volgende: "Het Bahá'í huwelijk is 
>       de verbinding van en een hartelijke toegenegenheid tussen twee partijen. 
>       Zij moeten er evenwel de grootste zorg aan besteden en elkaars karakter 
>       leren kennen. Deze eeuwige verbintenis moet gesloten worden door een hecht 
>       verbond en moet erop gericht zijn harmonie, kameraadschap en eenheid aan 
>       te kweken en eeuwig leven te erlangen." 
>       De huwelijksgelofte, het vers dat zowel door de bruid als door de 
>       bruidegom gezegd moet worden in aanwezigheid van minstens twee getuigen 
>       die aanvaardbaar zijn voor de Geestelijke Raad, is, zoals in de 
>       Kitáb-i-Aqdas (Het Heiligste Boek) is aangegeven, als volgt: "Wij zullen 
>       waarlijk allen verblijven bij de wil van God." 
>       63
>       Hij is de Edelmoedige, de Almilddadige. 
>       Ere zij God, de Aloude, de Eeuwigdurende, de Onveranderlijke, de Eeuwige! 
>       Hij Die in Zijn Eigen Wezen betuigt dat Hij waarlijk de Ene, de Enige, de 
>       Onbelemmerde, de Verhevene is. Wij getuigen dat er waarlijk geen God is 
>       dan Hij, erkennen Zijn eenheid en belijden Zijn enig-zijn. Immer verwijlt 
>       Hij op onbereikbare hoogten, op de hoogste toppen van Zijn verhevenheid, 
>       geheiligd van de vermelding van alles buiten Hem, vrij van de beschrijving 
>       van alles buiten Hemzelf. 
>       Toen Hij aan de mensen genade en milddadigheid wenste te betuigen en de 
>       wereld wenste te ordenen, openbaarde Hij verordeningen en schiep Hij 
>       wetten, waaronder de huwelijkswet als een bolwerk voor welzijn en heil, en 
>       deze heeft Hij ons opgelegd in Zijn Heiligste Boek dat werd neergezonden 
>       uit de hemel van heiligheid. Hij -groot is Zijn heerlijkheid - zegt: 
>       "Huwt, o mensen, dat uit u degeen moge voortkomen die Mij onder Mijn 
>       dienaren zal gedenken. Dit is één Mijner geboden aan U, gehoorzaamt het 
>       tot steun voor uzelf". 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   64
>       Hij is God! O onvergelijkelijk Heer! In Uw almachtige wijsheid hebt Gij 
>       het huwelijk bevolen, opdat de generaties elkaar zullen opvolgen in deze 
>       vergankelijke wereld, en de mensen zich zolang de wereld voortduurt zullen 
>       beijveren aan de drempel van Uw een-zijn met dienstbaarheid en 
>       eerbetuigingen, en met begroeting, verering en lof. "Ik heb geesten en 
>       mensen slechts geschapen opdat zij Mij zullen aanbidden".2 Verbindt Gij 
>       daarom in de hemel van Uw genade deze twee vogelen uit het nest Uwer 
>       liefde en laat hen het middel worden om immerdurende genade aan te 
>       trekken, opdat uit de verbintenis van deze twee zeeën van liefde een golf 
>       van tederheid aanrolle die de parelen van zuiver en edel nakomelingschap 
>       op de kust des levens werpe. "Hij heeft de twee zeeën vrijgelaten, opdat 
>       zij elkaar ontmoeten. Tussen hen is een grens welke zij niet 
>       overschrijden. Welke weldaad van Uw Heer wilt gij dan loochenen? Uit elk 
>       brengt Hij grote en kleine parels naar boven".3 
>       O Gij, liefderijk Heer! Maakt Gij dat dit huwelijk koraal en parelen 
>       baart. Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Grootste, de Immervergevende! 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   65
>       Glorie zij U, o mijn God! Waarlijk, deze dienaar en dienstmaagd van U zijn 
>       onder de schaduw van Uw barmhartigheid samengekomen en zijn door Uw gunst 
>       en edelmoedigheid met elkaar verbonden. O Heer! Sta hen bij in deze wereld 
>       van U en in Uw koninkrijk en bestem al het goede voor hen door Uw 
>       milddadigheid en genade. O Heer! Versterk hen in hun dienstbaarheid en 
>       help hen U te dienen. Sta hun toe de tekenen van Uw Naam te worden in Uw 
>       wereld en bescherm hen met Uw weldaden, welke onuitputtelijk zijn in deze 
>       wereld en in de wereld die komen zal. O Heer! Zij roepen het koninkrijk 
>       van Uw barmhartigheid aan en smeken tot het rijk van Uw enig-zijn. 
>       Waarlijk, zij zijn in de echt verbonden in gehoorzaamheid aan Uw gebod. 
>       Laat hen tot het einde der tijden de tekenen van harmonie en eenheid 
>       worden. Gij zijt waarlijk de Almogende, de Alomtegenwoordige, de 
>       Almachtige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   JONGEREN 
>       66
>       O Heer! Laat deze jonge mens stralen en geef dit behoeftige schepsel Uw 
>       milddadigheid. Schenk hem kennis, doe zijn krachten toenemen bij het 
>       aanbreken van iedere nieuwe dag, neem hem in bescherming en waak over hem, 
>       zodat hij verlost moge worden van dwaling, zich moge wijden aan de 
>       dienstbaarheid in Uw Zaak, de weerspannigen tot gids moge zijn, de 
>       ongelukkigen leiden, de gevangenen bevrijden en de achtelozen wekken, 
>       opdat allen de zegen van het U loven en gedenken mogen ervaren. Gij zijt 
>       de Machtige en de Krachtige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   67
>       O Gij vriendelijk Heer! Geef dat deze bomen het sieraad van het Abhá 
>       Paradijs mogen worden. Doe hen groeien door Uw hemelse milddadigheid. Maak 
>       hen fris en groen, en besprenkel hen met druppels van hemelse dauw. Tooi 
>       hen met voortreffelijke vruchten en doe Uw zoete geuren over hen zweven. 
>       Gij zijt de Schenkende, de Liefdevolle, de Stralendste, de Luisterrijkste. 
> 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   68
>       Lof en eer zij U, o Heer mijn God! Dit is een uitverkoren jonge boom die 
>       Gij hebt geplant in de dreven van Uw liefde en hebt gekoesterd met de 
>       vingers van Uw Heerschappij. Gij hebt hem besproeid uit de bron van eeuwig 
>       leven die voortstroomt uit de tuinen van Uw eenheid, en Gij hebt Uw 
>       gunsten uit de wolken van Uw tedere barmhartigheid op hem doen 
>       neerregenen. Hij is nu gegroeid en heeft zich ontwikkeld onder de 
>       beschutting van Uw zegeningen die voortkomen uit de morgenstond van Uw 
>       goddelijk wezen. Hij is ontloken in takken en bladeren, is beladen met 
>       vruchten door de voorzienigheid van Uw wondere gaven en genadegiften, en 
>       wordt beroerd door de liefelijke bries die uit de richting van Uw 
>       goedertierenheid waait. 
>       O Heer! Laat deze jonge boom groen, fris en gezond worden door de 
>       uitstortingen van Uw milddadigheid en gunst, waarmee Gij de tabernakelen 
>       van heiligheid in Uw eeuwig Koninkrijk hebt gesierd en de essentie van 
>       eenheid in het perk van samenkomst hebt getooid. 
>       O Heer! Sta hem bij met Uw sterkende genade, die voortkomt uit Uw 
>       onzichtbaar Koninkrijk, help hem met de voor de ogen van Uw dienaren 
>       verborgen scharen, en geef hem vaste voet in Uw tegenwoordigheid. Maak 
>       zijn tong los zodat hij U zal noemen en verblijd zijn hart met de 
>       verkondiging van Uw lof. Verlicht zijn gelaat in Uw Koninkrijk, begunstig 
>       hem in de hemelse sferen en bevestig hem genadiglijk in de dienst van Uw 
>       Zaak. 
>       Gij zijt de Almogende, de Allerheerlijkste, de Almachtige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   KINDEREN 
>       69
>       O God! Breng dit kindje groot aan het hart van Uw liefde en laaf het aan 
>       de borst van Uw Voorzienigheid. Verzorg dit jonge plantje in de rozengaard 
>       van Uw liefde en help het te groeien met de regen uit de hemel van Uw 
>       milddadigheid. Maak het een kind van het Koninkrijk en leid het tot Uw 
>       goddelijke wereld. Gij zijt machtig en vriendelijk, en Gij zijt de 
>       Schenker, de Vrijgevige, de Heer van alles-overtreffende gaven. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   70
>       O God, leid mij, bescherm mij, maak mij een stralend licht en een 
>       schitterende ster. 
>       Gij zijt de Machtige en de Krachtige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   71
>       O mijn Heer, o mijn Heer! 
>       Ik ben een klein kind. Voed mij aan de borst van Uw genade, breng mij 
>       groot aan het hart van Uw liefde, onderwijs mij in de school van Uw 
>       leiding en ontwikkel mij onder de beschutting van Uw milddadigheid. Verlos 
>       mij van het donker, maak mij een schitterend licht; laat mij gelukkig 
>       zijn, maak mij een bloem in Uw rozengaard; laat mij een dienaar worden aan 
>       Uw drempel en geef mij een rechtschapen karakter; maak mij een bron van 
>       goedheid voor de mensen en kroon mijn hoofd met de diadeem van eeuwig 
>       leven. 
>       Waarlijk, Gij zijt de Krachtige, de Machtige, de Ziende, de Horende. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   72
>       O God! Voed deze kinderen op. Deze kinderen zijn de planten van Uw 
>       boomgaard, de bloemen van Uw weide, de rozen van Uw tuin. Laat Uw regen op 
>       hen vallen; laat de Zon der Werkelijkheid op hen schijnen met Uw liefde. 
>       Laat Uw koele bries hen verfrissen, dat zij opgeleid worden, opgroeien, 
>       zich ontwikkelen en zich in volkomen schoonheid ontplooien. Gij zijt de 
>       Schenker. Gij zijt de Meedogende. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   73
>       O Heer! Ik ben een kind; laat mij groeien onder de schaduw van Uw 
>       goedertierenheid. Ik ben een teer plantje; voed mij met de uitstorting uit 
>       de wolken van Uw milddadigheid. Ik ben een jong boompje in de tuin van 
>       liefde; laat mij een vruchtdragende boom worden. Gij zijt de Machtige en 
>       de Krachtige, en Gij zijt de Liefderijke, de Alwetende, de Alziende. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   74
>       O Gij onvergelijkelijk Heer! Laat deze zuigeling drinken aan de borst van 
>       Uw goedertierenheid, bescherm hem in de wieg van Uw veiligheid en 
>       bescherming, en geef dat hij opgevoed wordt in de armen van Uw tedere 
>       genegenheid. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   75
>       O Gij allerheerlijkste Heer! Maak deze kleine dienares van U gezegend en 
>       gelukkig; koester haar aan de drempel van Uw eenheid en laat haar met 
>       diepe teugen drinken van de beker van Uw liefde zodat zij vervuld mag 
>       worden van verrukking en vervoering, en zoete geuren verspreidt. 
>       Gij zijt de Machtige en de Krachtige en Gij zijt de Alwetende, de 
>       Alziende. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   LOF EN DANKBAARHEID 
>       76
>       Verheerlijkt zij Uw Naam, o Heer! Tot wie zal ik mijn toevlucht nemen 
>       terwijl Gij in waarheid mijn God en mijn Beminde zijt, tot wie zal ik mij 
>       wenden voor beschutting terwijl Gij mijn Heer en mijn Bezitter zijt, naar 
>       wie zal ik vluchten terwijl Gij in waarheid mijn Meester en mijn 
>       Toevluchtsoord zijt, tot wie zal ik smeken terwijl Gij in waarheid mijn 
>       Schat en het Doel van mijn verlangen zijt, en via wie zal ik bij U 
>       pleiten, terwijl Gij in waarheid mijn hoogste streven en uiterste 
>       verlangen zijt? Alle hoop is vervlogen behalve het verlangen naar Uw 
>       hemelse genade, en iedere deur is vergrendeld behalve de poort die leidt 
>       naar de bron van Uw zegeningen. 
>       Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uw luisterrijkste glans, die zo helder is dat 
>       iedere ziel zich er nederig bij neerbuigt en zich in aanbidding ter aarde 
>       werpt omwille van U - een glans zo stralend dat vuur erbij in licht wordt 
>       veranderd, de doden erbij tot leven worden gewekt en iedere moeilijkheid 
>       erbij in gerieflijkheid wordt veranderd; ik smeek U bij deze geweldige, 
>       deze wonderbaarlijke glans en bij de heerlijkheid van Uw verheven 
>       soevereiniteit, o Gij Die de Heer van onbedwingbare macht zijt, ons door 
>       Uw milddadigheid om te vormen tot datgene wat Gij zelf bezit, ons in staat 
>       te stellen bronnen van Uw licht te worden en ons genadiglijk te verlenen 
>       hetgeen de majesteit van Uw alles te boven gaande heerschappij betaamt. 
>       Want naar U heb ik mijn handen opgeheven, o Heer, en bij U heb ik 
>       beschuttende steun gevonden, o Heer, en aan U heb ik mij overgegeven, o 
>       Heer, en in U heb ik al mijn vertrouwen gesteld, o Heer, en door U ben ik 
>       gesterkt, o Heer. 
>       Waarlijk, er is geen macht of kracht dan in U. 
>       de Báb 
> 
>   77
>       O Heer! Gij zijt Degeen Die iedere smart wegneemt, de Verdrijver van 
>       iedere kwelling. Gij zijt Degeen Die alle verdriet verbant en de Bevrijder 
>       van elke slaaf, de Verlosser van elke ziel. O Heer! Verleen verlossing 
>       door Uw genade en reken mij tot diegenen onder Uw dienaren die zaligheid 
>       hebben bereikt. 
>       de Báb 
> 
>   78
>       Ik smeek U bij de glans van het licht van Uw heerlijk gelaat, bij de 
>       majesteit van Uw aloude grootheid en de macht van Uw allesovertreffende 
>       soevereiniteit, op dit ogenblik alles wat goed en gepast is voor ons te 
>       beschikken en alle uitstortingen van Uw genade voor ons te bestemmen. Want 
>       het schenken van gaven levert U geen verlies op, noch vermindert het 
>       verlenen van gunsten Uw rijkdom. 
>       Verheerlijkt zijt Gij, o Heer! Waarlijk ik ben arm, terwijl Gij in 
>       waarheid rijk zijt; waarlijk ik ben nederig, terwijl Gij in waarheid 
>       krachtig zijt; waarlijk ik ben machteloos, terwijl Gij in waarheid machtig 
>       zijt; waarlijk ik ben vernederd, terwijl Gij in waarheid de verhevenste 
>       zijt; waarlijk ik ben bedroefd, terwijl Gij in waarheid de Heer van macht 
>       zijt. 
>       de Báb 
> 
>   79
>       O Gij, Wien te gedenken de zielsverrukking is van allen die naar U 
>       hunkeren, Wiens naam de jubelende vreugde is van allen die zich geheel aan 
>       Uw wil hebben gewijd, Wiens eer en lof wordt gekoesterd door hen die Uw 
>       hof nabij zijn, Wiens aanschijn het vurige verlangen is van allen die Uw 
>       waarheid erkennen, Wiens beproeving de genezing is van hen die Uw Zaak 
>       omhelzen, Wiens bezoeking het hoogste verlangen is van hen die bevrijd 
>       zijn van elke gehechtheid aan iemand buiten U! 
>       Verheerlijkt, onmetelijk verheerlijkt zijt Gij in Wiens hand de 
>       heerschappij ligt over al hetgeen op aarde is. Gij, Die door een enkel 
>       woord uit Uw mond alle dingen deed vergaan en uiteenvallen en Die, door 
>       weer een ander woord, al wat gescheiden was zich deed samenvoegen en 
>       herenigen! Verheerlijkt zij Uw Naam, o Gij Die macht hebt over allen die 
>       in de hemelen zijn en over allen die op aarde zijn, Wiens heerschappij 
>       alles omvat wat in de hemel van Uw openbaring en in het koninkrijk van Uw 
>       schepping is. Niemand kan U evenaren in de door U geschapen rijken; 
>       niemand kan met U worden vergeleken in het heelal dat Gij hebt gevormd. 
>       Geen enkel verstand heeft U begrepen en geen menselijk streven heeft U 
>       bereikt. Ik zweer bij Uw macht! Mocht iemand al de tijd dat Uw eigen Wezen 
>       voortduurt op welke wieken ook door de onmetelijkheid van Uw kennis 
>       zweven, dan nog was hij machteloos de beperkingen die deze vergankelijke 
>       wereld hem stelt te overschrijden. Hoe kan dan zulk een mens zijn vlucht 
>       pogen te nemen naar de sfeer van Uw verhevenste tegenwoordigheid? 
>       Diegene is waarlijk met inzicht begiftigd die zijn machteloosheid erkent 
>       en zijn zonden belijdt, want mocht enig schepsel, gesteld tegenover de 
>       oneindige wonderen van Uw Openbaring, aanspraak maken op enig bestaan, dan 
>       was zulk een godslasterlijke aanmatiging gruwelijker dan enige andere 
>       misdaad in alle rijken van Uw vinding en schepping. Wie is er, o mijn 
>       Heer, die wanneer Gij de eerste schitteringen van de tekenen van Uw alles 
>       overtreffende soevereiniteit en macht openbaart, de macht heeft voor 
>       zichzelf welk bestaan ook op te eisen? Het bestaan zelf is als niets 
>       tegenover de machtige en menigvuldige wonderen van Uw onvergelijkelijk 
>       Wezen. 
>       Ver, onmetelijk ver zijt Gij verheven boven alles, o Gij Die de Koning der 
>       Koningen zijt! Ik smeek U, bij Uzelf en bij hen die de Manifestaties zijn 
>       van Uw Zaak en de Dageraden van Uw gezag, voor ons neer te schrijven wat 
>       Gij voor Uw uitverkorenen hebt neergeschreven. Onthoud ons niet wat Gij 
>       hebt beschikt voor Uw geliefden die, zodra Uw roep hen bereikte, zich tot 
>       U hebben gehaast en, toen de luister van het licht van Uw gelaat over hen 
>       werd uitgestort, zich onmiddellijk in aanbidding hebben neergeworpen voor 
>       Uw aangezicht. 
>       Wij zijn Uw dienaren, o mijn Heer, in de greep van Uw macht. Indien Gij 
>       ons kastijdt met de kastijding toegebracht aan vorige en latere 
>       geslachten, is Uw vonnis voorzeker rechtvaardig en Uw daad 
>       prijzenswaardig. Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Er is geen 
>       ander God dan Gij, de Almachtige, de Alglorierijke, de Helper-in-nood, de 
>       Bij-Zich-Bestaande. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   80
>       Geprezen zijt Gij, o Heer mijn God! Immer wanneer ik poog U te noemen, 
>       word ik daarin belemmerd door de verhevenheid van Uw staat en de 
>       overweldigende grootheid van Uw macht. 
>       Want al zou ik U prijzen over geheel Uw domein zolang Uw soevereiniteit 
>       duurt, dan nog zou ik bemerken dat mijn lof voor U alleen passend is voor 
>       dezulken, die gelijk zijn aan mij, die zelf Uw schepselen zijn, door de 
>       kracht van Uw gebod werden gevormd en door de macht van Uw wil werden 
>       geschapen. En steeds wanneer mijn pen eer betuigt aan welke Uwer namen 
>       ook, is het of ik haar stem kan horen in de weeklachten om het veraf-zijn 
>       van U, en haar kreten kan herkennen vanwege het van U gescheiden zijn. 
>       Ik getuig dat alles buiten U slechts Uw schepping is en zich in de holte 
>       van Uw hand bevindt. Het aanvaarden van enige daad of loftuiging van Uw 
>       schepselen is slechts een bewijs van Uw wondere genade en overvloedige 
>       gunsten, en een blijk van Uw edelmoedigheid en voorzienigheid. 
>       Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uw grootste Naam, waardoor Gij licht van vuur 
>       en waarheid van verloochening hebt gescheiden, om tot mij en mijn 
>       geliefden die met mij zijn het goede van deze wereld en van de volgende 
>       neer te zenden. 
>       Voorzie ons van Uw wondere gaven, die voor de ogen der mensen verborgen 
>       zijn. Gij zijt waarlijk de Maker van de gehele schepping. Geen God is er 
>       dan Gij, de Almachtige, de Alglorierijke, de Allerhoogste. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   81
>       Alle lof, o mijn God, zij U Die de Bron zijt van alle glorie en majesteit, 
>       van grootheid en eer, van soevereiniteit en heerschappij, van verhevenheid 
>       en genade, van eerbied en macht. Al wie Gij wilt doet Gij de allergrootste 
>       Oceaan naderen en aan al wie Gij verkiest verleent Gij de eer Uw Aloude 
>       Naam te erkennen. Van allen die in de hemel en op aarde zijn kan niemand 
>       de werking van Uw soevereine Wil weerstaan. In alle eeuwigheid beheerste 
>       Gij de gehele schepping en Gij zult voor immer voortgaan Uw heerschappij 
>       over al het geschapene uit te oefenen. 
>       Er is geen ander God dan Gij, de Almachtige, de Hoogst Verhevene, de 
>       Almogende, de Alwijze. 
>       Verlicht, o Heer, het gelaat Uwer dienaren, dat zij U mogen aanschouwen, 
>       en zuiver hun hart, dat zij zich tot het hof van Uw hemelse gunsten mogen 
>       wenden en Hem erkennen Die de Manifestatie is van U en de Dageraad van Uw 
>       Wezen. 
>       Waarlijk, Gij zijt de Heer aller werelden. Er is geen ander God dan Gij, 
>       de Onbeperkte, de Albeheerser. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   82
>       Lof zij U, o mijn God, aangezien Gij het gelaat van Uw dienaren hebt 
>       gekeerd naar de rechterzijde van de troon van Uw gaven, en hen onthecht 
>       deed zijn aan alles buiten U, zodat zij Uw soevereiniteit en Uw 
>       heerlijkheid kunnen erkennen. Ik getuig van de kracht die in Uw Zaak is, 
>       de alles doordringende invloed van Uw gebod, de onveranderlijkheid van Uw 
>       wil, de oneindigheid van Uw bedoeling. Alle dingen liggen in de greep van 
>       Uw macht gevangen, en de gehele schepping is armzalig wanneer zij van 
>       aangezicht tot aangezicht gesteld wordt met de tekenen van Uw rijkdom. 
>       Handel daarom, o mijn God, mijn Geliefde, mijn hoogste Verlangen, met Uw 
>       dienaren en met al het door U geschapene naar het Uw schoonheid en Uw 
>       grootheid betaamt, en Uw edelmoedigheid en gaven waardig is. Gij zijt, in 
>       waarheid, Degeen Wiens barmhartigheid alle werelden omvat en Wiens genade 
>       allen die in de hemel en op aarde verblijven omsluit. Wie heeft U 
>       aangeroepen zonder dat zijn gebed verhoord werd? Waar is hij, die U 
>       trachtte te bereiken zonder dat Gij hem nader liet komen? Wie kan zeggen 
>       dat hij zijn blik op U vestigde en dat Gij het oog van Uw goedertierenheid 
>       niet op hem richtte? Ik getuig, dat Gij U naar Uw dienaren hebt gekeerd 
>       eer zij zich naar U keerden, en dat Gij aan hen hebt gedacht eer zij aan U 
>       dachten. Alle genade is van U, o Gij in Wiens hand het rijk van goddelijke 
>       gaven en de bron van elk onherroepelijk gebod ligt. 
>       Zend daarom, o mijn God, tot allen die U zoeken neer wat hen geheel zal 
>       bevrijden van alles buiten U, en hen tot U zal doen naderen. Sta hen met 
>       Uw genade bij om U lief te hebben en zo te worden dat zij U behagen, en 
>       zich onderwerpen aan hetgeen U behaagt. Geef dan dat zij het rechte pad 
>       van Uw Zaak mogen blijven bewandelen zonder afgeleid te worden, het pad 
>       waarop de voeten van de weifelaars onder Uw volk en de weerspannigen onder 
>       Uw dienaren uitglijden. Gij zijt waarlijk de Almogende, de Almachtige, de 
>       Grootste. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   83
>       Verheerlijkt zij Uw Naam, o mijn God en de God aller dingen, mijn Glorie 
>       en de Glorie aller dingen, mijn Verlangen en het Verlangen aller dingen, 
>       mijn Sterkte en de Sterkte aller dingen, mijn Koning en de Koning aller 
>       dingen, mijn Bezitter en de Bezitter aller dingen, mijn Doel en het Doel 
>       aller dingen, mijn Drijfveer en de Drijfveer aller dingen! Ik smeek U, 
>       laat mij niet van de oceaan van Uw liefderijke barmhartigheid worden 
>       weerhouden, noch ver van de kusten van Uw nabijheid worden verwijderd. 
>       Niets buiten U, o mijn Heer, baat mij en iemand anders dan U te naderen 
>       dient mij tot niets. Ik smeek U, bij de overvloedigheid van Uw rijkdommen 
>       waardoor Gij alles buiten U overbodig hebt gemaakt, mij te rekenen tot hen 
>       die hun gelaat naar U hebben geheven en zijn opgestaan om U te dienen. 
>       Vergeef, o mijn Heer, Uw dienaren en Uw dienaressen. Gij zijt waarlijk de 
>       Immervergevende, de Meedogendste. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   84
>       Mijn God, mijn Aangebedene, mijn Koning, mijn Verlangen! Welke tong kan 
>       mijn dank aan U uiten? Ik was achteloos, Gij deed mij ontwaken. Ik had mij 
>       van U afgekeerd, Gij hebt mij genadiglijk geholpen mij tot U te keren. Ik 
>       was gelijk een dode, Gij hebt mij met het water des levens bezield. Ik was 
>       verdord, Gij deed mij herleven door de hemelse stroom van Uw woorden die 
>       voortvloeide uit de Pen van de Albarmhartige! 
>       O goddelijke Voorzienigheid! Alle bestaan is door Uw milddadigheid 
>       verkregen. Ontneem het niet de wateren van Uw edelmoedigheid, en houd het 
>       niet af van de oceaan Uwer genade. Ik smeek U mij te allen tijde en onder 
>       alle omstandigheden bij te staan en te helpen, en ik vraag Uw aloude gunst 
>       uit de hemel van Uw genade. Gij zijt, in waarheid, de Heer van 
>       milddadigheid en de Heerser van het koninkrijk van eeuwigheid. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   85
>       O Gij, Die de Heer der Heren zijt! Ik betuig dat Gij de Heer zijt van de 
>       gehele schepping, en de Opvoeder van alle wezens, zichtbaar en 
>       onzichtbaar. Ik betuig dat Uw macht het ganse heelal omvat, en dat de 
>       legerscharen der aarde U nooit kunnen beroeren, noch de heerschappij van 
>       alle volkeren en naties U ervan kan weerhouden Uw plan uit te voeren. Ik 
>       belijd dat Gij geen andere wens hebt dan de vernieuwing van de gehele 
>       wereld, en de vestiging van de eenheid van haar volkeren en de verlossing 
>       van allen die daar wonen. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   86
>       In de Naam van God, de Allerhoogste. 
>       Geprezen en verheerlijkt zijt Gij, Heer, Almachtig God! Gij voor Wiens 
>       wijsheid de wijze te kort schiet en faalt, voor Wiens kennis de geleerde 
>       zijn onwetendheid bekent, voor Wiens macht de sterke zwak wordt, voor 
>       Wiens rijkdom de rijke zijn armoede betuigt, voor Wiens licht de verlichte 
>       in duisternis dwaalt, naar het altaar van Wiens kennis de kern van alle 
>       begrip zich keert en rondom het heiligdom van Wiens tegenwoordigheid de 
>       zielen van de gehele mensheid cirkelen. 
>       Hoe kan ik dan zingen en vertellen van Uw diepste Wezen dat door de 
>       wijsheid der wijzen en de kennis der geleerden niet is verstaan, daar toch 
>       geen mens kan bezingen hetgeen hij niet begrijpt of kan verhalen van 
>       hetgeen hij niet kan bereiken, en Gij toch van eeuwigheid tot eeuwigheid 
>       de Ontoegankelijke, de Ondoorgrondelijke waart. Machteloos als ik ben om 
>       tot de hemelen van Uw heerlijkheid te stijgen en mij tot de rijken van Uw 
>       kennis te verheffen, kan ik slechts verhalen van Uw tekenen die van het 
>       heerlijke werk Uwer handen getuigen. 
>       Bij Uw Heerlijkheid! O Gij, Geliefde aller harten, de Enige Die de pijn 
>       van verlangen naar U kan stillen! Al verenigen zich alle bewoners van 
>       hemel en aarde om het kleinste Uwer tekenen waarin en waardoor Gij Uzelf 
>       hebt geopenbaard te verheerlijken, toch zouden zij falen; hoeveel te meer 
>       dus wanneer zij Uw heilig Woord, de schepper van al Uw tekenen, zouden 
>       willen prijzen. 
>       Alle lof en heerlijkheid zij U, Gij van Wie alle dingen getuigen dat Gij 
>       één zijt en dat er geen ander God is dan Gij, Die van eeuwigheid tot 
>       eeuwigheid verheven was boven alle weerga of gelijkenis en zulks eeuwig 
>       zal blijven. Alle koningen zijn slechts Uw dienaren en alle wezens, 
>       zichtbaar en onzichtbaar, zijn als niets voor U. Er is geen ander God dan 
>       Gij, de Genadige, de Machtige, de Hoogste. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   MARTELAREN 
>       87
>       Geloofd zij Uw Naam, o Heer onze God! Gij zijt waarlijk de Kenner van al 
>       het ongeziene. Beschik voor ons al het goede naar de maat van Uw 
>       alomvattende kennis. Gij zijt de soevereine Heer, de Almachtige, de Meest 
>       Geliefde. 
>       Alle lof zij U, o Heer! Op de aangewezen dag zullen wij Uw gunst zoeken en 
>       ons volle vertrouwen in U, onze Heer, stellen. Verheerlijkt zijt Gij, o 
>       God! Geef ons hetgeen goed en betamelijk is, opdat wij in staat worden 
>       gesteld ons los te maken van alles buiten U. Waarlijk, Gij zijt de Heer 
>       aller werelden. 
>       O God! Beloon hen die geduldig hun lot dragen in Uw dagen, en sterk hun 
>       hart om zonder af te wijken het pad van Waarheid te bewandelen. Geef dan, 
>       o Heer, de aanzienlijke gaven die hen in staat zullen stellen toegang tot 
>       Uw gelukzalige paradijs te verkrijgen. Verheven zijt Gij, o Here God. Doe 
>       Uw hemelse zegeningen neerdalen op de huizen, waarvan de bewoners in U 
>       geloven. Waarlijk, onovertroffen zijt Gij in het nederzenden van 
>       goddelijke zegeningen. Zend, o God, die heerscharen uit die Uw getrouwe 
>       dienaren de overwinning zullen brengen. Gij vormt het geschapene door de 
>       kracht van Uw bevel naar Uw behagen. Gij zijt in waarheid de Soeverein, de 
>       Schepper, de Alwijze. 
>       Zeg: God is waarlijk de Maker aller dingen. Hij geeft overvloedige steun 
>       aan wie Hij wil. Hij is de Schepper, de Bron van alle wezens, de Vormer, 
>       de Almachtige, de Maker, de Alwijze. Hij is de Drager van de meest 
>       uitmuntende titels in de hemelen, op aarde en in alles wat zich daartussen 
>       bevindt. Allen doen hetgeen Hij gebiedt, en alle bewoners van de hemel en 
>       de aarde verkondigen Zijn lof, en tot Hem zullen allen wederkeren. 
>       de Báb 
> 
>   88
>       De harten die naar U smachten, O mijn God, branden van verlangen naar U, 
>       en de ogen van hen die U liefhebben plengen smartelijke tranen om het 
>       vernietigende gescheiden zijn van Uw hof, en het geluid van de weeklacht 
>       van hen die hun hoop op U gevestigd hebben klinkt door Uw gebieden. 
>       Gijzelf, o mijn God, hebt hen door Uw soevereine macht beschermd tegen 
>       twee uitersten. Want zouden hun zielen niet branden en hun harten niet 
>       zuchten, dan zouden zij verdrinken in hun tranen, en zouden hun tranen 
>       niet rijkelijk vloeien, dan zouden zij verbranden in het vuur huns harten 
>       en de hitte hunner ziel. Mij dunkt, zij zijn als de engelen die Gij hebt 
>       geschapen uit sneeuw en vuur. Wilt Gij hen trots zulk een hevig verlangen 
>       Uw tegenwoordigheid onthouden, o mijn God, of hen ondanks zulk een vurige 
>       wens van de deur Uwer milddadigheid verdrijven? Alle hoop in het hart Uwer 
>       uitverkorenen staat op het punt te verdwijnen, o mijn God! Waar is de 
>       bries van Uw genade? Zij worden van alle zijden belaagd door hun vijanden; 
>       waar zijn de tekenen van Uw overwinning, die Gij in Uw tafelen beloofde? 
>       Uw heerlijkheid is mij tot getuige! Iedere morgen vinden zij die U 
>       liefhebben de beker der smarten voor hun aangezicht geheven, omdat zij in 
>       U geloven en Uw tekenen erkend hebben. Hoewel ik vast geloof dat Gij meer 
>       erbarmen met hen hebt dan zij met zichzelf hebben, hoewel ik erken dat Gij 
>       hen niet doet lijden dan om Uw Zaak te verkondigen, en om hen in staat te 
>       stellen de hemel van Uw eeuwigheid te erlangen en de plaats van Uw hof te 
>       betreden, toch kent Gij de broosheid van sommigen van hen zeer wel en zijt 
>       Gij bekend met hun ongeduld in hun lijden. 
>       Ik smeek U, o mijn God, hen door Uw sterkende genade te helpen hun lijden 
>       geduldig te dragen in hun liefde voor U, en aan hun ogen datgene te 
>       onthullen wat Gij voor hen hebt beschikt binnen de Tabernakel van Uw 
>       onfeilbare bescherming, zodat zij voorwaarts mogen snellen om datgene wat 
>       voor hen op Uw pad is voorbeschikt te ondergaan, en mogen wedijveren zich 
>       naar bezoekingen te haasten in hun liefde voor U. En ontvouwt Gij anders 
>       de standaard van Uw zegepraal en schenk hen de overwinning op Uw 
>       tegenstanders, zodat Uw soevereiniteit alle inwoners van het rijk 
>       duidelijk moge worden, en de kracht van Uw macht temidden van Uw 
>       schepselen bewezen wordt. Machtig zijt Gij te doen naar Uw wil. Geen God 
>       is er buiten U, de Alwetende, de Alwijze. 
>       Maakt Gij, o mijn God, Uw dienaar die in U gelooft standvastig in het 
>       bevorderen van Uw Zaak, en bescherm hem tegen alle gevaar in de sterkte 
>       van Uw zorg en Uw bescherming, in dit leven en in het volgende. Gij, 
>       waarlijk, heerst naar Uw wens; geen God is er dan Gij, de Immervergevende, 
>       de Edelmoedigste. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   89
>       Hij is God. 
>       O Heer mijn God! O Gij Helper van de zwakken, Steun der armen en Verlosser 
>       van de hulpelozen die zich tot U keren. 
>       In uiterste deemoed hef ik mijn smekende handen tot Uw koninkrijk van 
>       schoonheid en roep ik U vurig aan met mijn innerlijke tong, zeggend: o 
>       God, Mijn God! Help mij U te aanbidden, sterk mijn lendenen om U te 
>       dienen, sta mij door Uw genade bij in mijn gehoorzaamheid aan U, stort de 
>       overvloedige stromen van Uw milddadigheid over mij uit, laat de blik van 
>       het oog Uwer goedertierenheid op mij gericht zijn en dompel mij in de 
>       oceaan van Uw vergeving. Sta mij toe dat ik moge worden bevestigd in mijn 
>       trouw aan Uw Geloof en schenk mij een grotere mate van zekerheid en 
>       vertrouwen, zodat ik het geheel zonder de wereld kan stellen, mijn gelaat 
>       met volkomen toewijding naar uw aangezicht kan keren, kan worden versterkt 
>       door de dwingende kracht van bewijs en getuigenis en, met majesteit en 
>       macht bekleed, iedere land- en hemelstreek kan doorschrijden. Waarlijk, 
>       Gij zijt de Barmhartige, de Alglorierijke, de Goedgunstige, de Meedogende. 
> 
>       O Heer! Dit zijn diegenen der martelaren, dat gezelschap van gezegende 
>       zielen, die nog in leven zijn. Zij hebben iedere beproeving doorstaan en 
>       geduld betoond tegenover gruwelijke onrechtvaardigheid. Zij hebben alle 
>       gemak en voorspoed verzaakt, hebben zich gewillig onderworpen aan 
>       vreselijk lijden en tegenspoed in het pad van Uw Liefde en worden nog 
>       steeds gevangengehouden in de klauwen van hun vijanden, die hen 
>       voortdurend met hevige kwellingen martelen, en hen onderdrukken omdat zij 
>       standvastig Uw rechte pad bewandelen. Er is niemand om hen te helpen, 
>       niemand om hun vriendschap te betonen. Afgezien van de verachtelijken en 
>       de goddelozen hebben zij niemand om mee om te gaan en te verkeren. 
>       O Heer! Deze zielen hebben bittere zielesmart geproefd in dit aardse leven 
>       en hebben, als een teken van hun liefde voor de schitterende schoonheid 
>       van Uw aangezicht en in hun vurig verlangen Uw hemels koninkrijk te 
>       bereiken, iedere grove belediging die het volk van tirannie hun heeft 
>       toegebracht, verdragen. 
>       O Heer! Laat in hun oren de verzen van goddelijke bijstand en van een 
>       spoedige overwinning klinken, en bevrijd hen van de onderdrukking door 
>       dezulken die een verschrikkelijke macht uitoefenen. Weerhoud de handen van 
>       de goddelozen en laat deze zielen niet door de klauwen en tanden van wilde 
>       dieren worden verscheurd, want zij zijn bekoord door hun liefde voor U, de 
>       mysteriën van Uw heiligheid zijn hun toevertrouwd, zij staan nederig aan 
>       Uw deur en hebben Uw verheven voorhof bereikt. 
>       O Heer! Versterk hen genadiglijk met een nieuwe geest, verlicht hun ogen 
>       door hen in staat te stellen Uw wonderbare bewijzen te aanschouwen in het 
>       duister van de nacht, bestem voor hen al het goede dat overvloedig in Uw 
>       koninkrijk van eeuwige mysteriën is, maak hen als schitterende sterren 
>       stralende over alle gebieden, weelderige bomen beladen met vruchten, en 
>       takken bewegend in de ochtendbries. 
>       Waarlijk, Gij zijt de Milddadige, de Machtige, de Almogende, de 
>       Onbeperkte. Er is geen ander God dan Gij, de God van liefde en tedere 
>       barmhartigheid, de Alglorierijke, de Immervergevende. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   NAW-RÚZ 
>       (Naw-Rúz4, de eerste dag van het Bahá'í jaar, is een dag van vreugde.) 
>       90
>       Geloofd zijt Gij, o mijn God, dat Gij Naw-Rúz hebt ingesteld als een 
>       feestdag voor hen die de vasten zijn nagekomen uit liefde voor U en zich 
>       hebben onthouden van al hetgeen U weerzinwekkend is. Vergun , o mijn Heer, 
>       dat het vuur van Uw liefde en de gloed, teweeggebracht door de door U 
>       opgelegde vasten, hen in vlam zet voor Uw Zaak en hen doet voortgaan U te 
>       eren en te gedenken. 
>       Daar Gij hen hebt getooid, o mijn Heer, met het sieraad van de door U 
>       voorgeschreven vasten, tooi hen dan door Uw genade en milddadige gunst 
>       eveneens met het sieraad van Uw aanvaarding. Want al het doen en laten der 
>       mensen is afhankelijk van Uw welbehagen en is door Uw gebod bepaald. 
>       Indien Gij hem die de vasten heeft gebroken beschouwt als iemand die hem 
>       heeft gehouden, zal deze mens worden gerekend tot hen die in alle 
>       eeuwigheid de vasten hebben gehouden. En indien Gij beveelt, dat hij die 
>       de vasten heeft gehouden hem heeft gebroken, zal die mens worden gerekend 
>       tot hen die oorzaak zijn geweest van het met stof bezoedelen van het kleed 
>       Uwer openbaring en die ver verwijderd werden van de kristalheldere wateren 
>       van deze levende Bron. 
>       Gij zijt Degeen door Wie het vaandel: "Loffelijk zijt Gij in Uw werken" is 
>       geheven en de standaard: "Gehoorzaamd zijt Gij in Uw gebod" is ontrold. 
>       Maak Uw staat bekend, o mijn God, aan uw dienaren, zodat zij gaan beseffen 
>       dat de volmaaktheid van alles afhankelijk is van Uw gebod en Uw woord, en 
>       dat het nut van iedere handeling afhangt van Uw verlof en het welbehagen 
>       van Uw wil, opdat zij erkennen dat de teugels van de handelingen der 
>       mensen in de greep van Uw goedkeuring en Uw gebod liggen. Maak dit aan hen 
>       bekend, opdat totaal niets hen uitsluite van Uw schoonheid in deze dagen 
>       waarin Christus uitroept: "Alle Heerschappij is aan U, o Gij de Verwekker 
>       van de Geest5", en Uw Vriend6 uitroept: "Glorie zij U, o Gij de 
>       Welbeminde, want Gij hebt Uw Schoonheid onthuld en voor Uw uitverkorenen 
>       neergeschreven hetgeen hen de zetel zal doen bereiken van de openbaring 
>       van Uw Grootste Naam, waardoor alle mensen weeklagen, behalve zij die zich 
>       hebben onthecht van alles buiten U en zich hebben gekeerd tot Hem Die de 
>       Openbaarder is van Uzelf en de Manifestatie van Uw eigenschappen".Hij die 
>       Uw Tak is, en allen die met U zijn, o mijn Heer, hebben op deze dag hun 
>       vasten beëindigd nadat zij zich eraan hebben gehouden binnen de grenzen 
>       van Uw hof, in vurig verlangen U te behagen. Bepaalt Gij voor hem, en voor 
>       hen, en voor allen die in deze dagen Uw tegenwoordigheid hebben bereikt, 
>       al het goede dat Gij in Uw Boek hebt beschikt. Voorzie hen van hetgeen hun 
>       ten goede zal komen zowel in dit leven als in het leven hierna. 
>       Gij zijt, in waarheid, de Alwetende, de Alwijze. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   OCHTEND 
>       91
>       Ik ben onder Uw beschutting ontwaakt, o mijn God, en het past hem die deze 
>       beschutting zoekt in het Heiligdom van Uw bescherming en in de Vesting van 
>       Uw verdediging te verwijlen. Verlicht mijn innerlijk, o mijn Heer, met de 
>       luister van de Dageraad van Uw openbaring, gelijk Gij mijn uiterlijk hebt 
>       verlicht met het morgenlicht van Uw gunst. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   92
>       Ik loof U, o mijn God, dat Gij mij uit mijn slaap deed ontwaken en mij uit 
>       mijn verzonken-zijn hebt geroepen en mij uit mijn sluimer deed verrijzen. 
>       Ik ben deze morgen ontwaakt met mijn gelaat geheven naar de pracht van de 
>       Dagster van Uw openbaring, waardoor de hemelen van Uw macht en Uw 
>       majesteit worden verlicht; ik erken Uw tekenen, geloof in Uw Boek en houd 
>       vast aan Uw koord. 
>       Ik smeek U, bij de macht van Uw wil en de dwingende kracht van Uw doel, om 
>       hetgeen Gij mij in mijn slaap openbaarde tot het stevigste fundament te 
>       maken voor de woningen van Uw liefde in de harten van Uw geliefden, en tot 
>       het beste middel om de tekenen van Uw genade en Uw liefderijkheid te 
>       openbaren. 
>       Bestem voor mij door Uw meest verheven Pen, o mijn Heer, het goede van 
>       deze wereld en van de volgende. Ik getuig dat de teugels aller dingen in 
>       Uw greep liggen. Gij verandert ze naar Uw behagen. Geen God is er buiten 
>       U, de Sterke, de Getrouwe. 
>       Gij zijt Degeen, Die door Zijn gebod vernedering in heerlijkheid verandert 
>       en zwakte in kracht, machteloosheid in macht, vrees in rust en twijfel in 
>       zekerheid. Geen God is er dan Gij, de Machtige, de Weldadige. 
>       Gij stelt niemand die U zoekt teleur, noch houdt Gij iemand die naar U 
>       verlangt van U af. Bestemt Gij voor mij hetgeen de hemel van Uw 
>       edelmoedigheid en de oceaan van Uw milddadigheid past. Gij zijt waarlijk 
>       de Almachtige, de Almogende. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   93
>       Ik ben deze morgen opgestaan door Uw genade, o mijn God, en verliet mijn 
>       woning vol vertrouwen op U en mij overgevende aan Uw zorg. Zend dan 
>       Uwerzijds tot mij een zegening neer uit de hemel van Uw barmhartigheid, en 
>       laat mij even veilig terugkeren als Gij mij onder Uw bescherming liet 
>       vertrekken met mijn gedachten standvastig op U gericht. 
>       Er is geen ander God dan Gij, de Ene, de Onvergelijkelijke, de Alwetende, 
>       de Alwijze. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   94
>       O God, mijn God! Ik ben uit mijn huis vertrokken, mij vastklemmend aan het 
>       koord van Uw liefde, en ik heb mijzelf geheel aan Uw zorg en Uw 
>       bescherming toevertrouwd. Ik smeek U bij Uw kracht, waarmee Gij Uw 
>       geliefden beschermde tegen de eigenzinnigen en de verdorvenen, tegen 
>       iedere weerspannige onderdrukker, en tegen iedere boosaardige die ver van 
>       U gedwaald is, om mij met Uw milddadigheid en Uw genade te beschermen. 
>       Stel mij dan in staat door Uw kracht en Uw macht naar mijn huis terug te 
>       keren. Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Helper-in-nood, de 
>       Bij-Zich-Bestaande. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   95
>       O mijn God en mijn Meester. Ik ben Uw dienaar en de zoon van Uw dienaar. 
>       Ik ben van mijn sponde verrezen in de ochtendstond waarop de Dagster van 
>       Uw eenheid uit de Dageraad van Uw wil heeft gestraald en haar luister over 
>       de gehele wereld heeft uitgestort zoals in de Boeken van Uw Gebod is 
>       bepaald. 
>       Ere zij U, o mijn God, dat wij tot de pracht van het licht van Uw kennis 
>       zijn ontwaakt. Zend neer tot ons, o mijn Heer, hetgeen ons in staat zal 
>       stellen eenieder buiten U te ontberen en ons zal bevrijden van alle 
>       gehechtheid aan iets buiten U. Schrijf bovendien neer voor mij en voor hen 
>       die mij lief zijn en voor mijn verwanten, man zowel als vrouw, het goede 
>       van deze wereld en van de wereld die komen zal. Beschut ons, o Gij, de 
>       Geliefde der gehele schepping en het Verlangen van het heelal, met Uw 
>       nimmer falende bescherming tegen hen die Gij verschijningen deed zijn van 
>       de boze fluisteraar, die in des mensen hart fluisteren. Machtig zijt Gij 
>       te doen naar Uw behagen. Gij zijt waarlijk de Almachtige, de 
>       Helper-in-nood, de Bij-Zich-Bestaande. 
>       Zegent Gij, o Heer mijn God, Hem Die Gij over Uw voortreffelijkste 
>       benamingen hebt gesteld en door Wie Gij de godvruchtigen van de goddelozen 
>       hebt gescheiden en help ons genadiglijk te doen hetgeen Gij liefhebt en 
>       wenst. Zegent Gij bovendien, o mijn God, hen die Uw Woorden en Uw Letters 
>       zijn en hen die naar U opzien en zich naar Uw aangezicht keren en naar Uw 
>       roep luisteren. Gij zijt waarlijk de Heer en Koning aller mensen en hebt 
>       macht over alle dingen. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   ONDERRICHT 
>       96
>       O Heer! Stel alle volkeren der aarde in staat toegang tot het Paradijs van 
>       Uw Geloof te erlangen, zodat geen schepsel buiten de grenzen van Uw 
>       welbehagen blijve. 
>       Sinds onheuglijke tijd zijt Gij in staat te doen naar Uw behagen en waart 
>       Gij verheven boven al hetgeen Gij wenst. 
>       de Báb 
> 
>   97
>       Ik smeek U, o mijn God, bij Uw kracht en Uw macht en Uw soevereiniteit, 
>       die allen die in Uw hemel en op Uw aarde zijn omvat, deze stralende Weg en 
>       dit rechte Pad aan Uw dienaren bekend te maken, opdat zij Uw eenheid en Uw 
>       een-zijn mogen erkennen met een zekerheid die door de nutteloze 
>       verbeelding der twijfelaars niet zal verzwakken, noch door de ijdele 
>       hersenschimmen der eigenzinnigen zal verduisteren. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   98
>       Verheerlijkt zijt Gij, o Gij God van de wereld en het Verlangen der 
>       natiën, o Gij Die openbaar geworden zijt in de Grootste Naam, waarbij de 
>       parels van wijsheid en woorden uit de schelpen van de grote zee Uwer 
>       kennis te voorschijn zijn gekomen, en de hemelen van de goddelijke 
>       Openbaring verlicht zijn met het licht van de opkomst van de zon Uws 
>       aanschijns. 
>       Ik smeek U - bij dat Woord waardoor Uw bewijs onder Uw schepselen en Uw 
>       betoog onder Uw dienaren werd vervolmaakt - om Uw volk te sterken in 
>       hetgeen het aanzicht van de Zaak zal doen stralen in Uw domein, waardoor 
>       de vaandels van Uw kracht en de banieren van Uw leiding geplant zullen 
>       worden onder Uw dienaren in al uw gebieden! 
>       O mijn God! Gij ziet hen zich vastklemmen aan het koord van Uw genade en 
>       zich vasthouden aan de zoom van de mantel van Uw goedgunstigheid. Bestem 
>       voor hen hetgeen hen U zal doen naderen en houd hen verre van alles buiten 
>       U. Ik smeek U, o Gij Koning van het bestaan en Beschermer van het geziene 
>       en het ongeziene, om al wie opstaat om Uw Zaak te dienen te maken als een 
>       zee, deinend op Uw wens; om hem te laten gloeien met het vuur van Uw 
>       Heilige Boom, en hem te laten schijnen aan de hemelse horizont van Uw wil. 
>       Waarlijk, Gij zijt de Machtige, Wien noch de kracht der gehele wereld noch 
>       de sterkte van natiën kan verzwakken. Er is geen God dan Gij, de Ene, de 
>       Enige, de Beschermer, de Bij-Zich-Bestaande. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   99
>       Ere zij U, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Uw Naam welke niemand naar 
>       behoren heeft erkend en welks betekenis geen ziel heeft doorgrond; ik 
>       smeek U, bij Hem Die de Bron is van Uw openbaring en de Dageraad van Uw 
>       tekenen, mijn hart te maken tot de bewaarplaats van Uw liefde en Uw 
>       gedachtenis. Verbind het dan met Uw grootste Oceaan, zodat de levende 
>       wateren Uwer wijsheid en de kristalheldere stromen van Uw verheerlijking 
>       en lof er uit mogen vloeien. 
>       Mijn ledematen getuigen van Uw eenheid en de haren op mijn hoofd 
>       bevestigen de kracht van Uw soevereiniteit en macht. Ik sta aan de deur 
>       van Uw genade in volkomen zelfuitwissing en verloochening, en klem mij aan 
>       de zoom van Uw milddadigheid en richt mijn ogen op de horizon van Uw 
>       gaven. 
>       Bestemt Gij voor mij, o mijn God, hetgeen de grootheid van Uw majesteit 
>       past, en help mij door Uw sterkende genade Uw Zaak zo te onderrichten, dat 
>       de doden zich uit hun graven spoeden en zullen voortsnellen tot U, met 
>       volledig vertrouwen op U en met hun blik gericht op het morgenland van Uw 
>       Zaak en de dageraadsplaats van Uw Openbaring. 
>       Gij zijt waarlijk de Krachtigste, de Hoogste, de Alwetende, de Alwijze. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   100
>       Duisternis omringt ieder land, o mijn God, en doet de meesten Uwer 
>       dienaren beven. Ik smeek U, bij Uw Grootste Naam, in iedere stad nieuwe 
>       wezens te doen opstaan, die zich tot U zullen keren en U te midden van Uw 
>       dienaren zullen gedenken, die krachtens hun woorden en wijsheid het 
>       vaandel van Uw zege zullen ontplooien en die zich zullen losmaken van al 
>       het geschapene. 
>       Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Geen God is er dan Gij, de 
>       Almogende, Hij Wiens hulp wordt ingeroepen door alle mensen. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   101
>       Verheerlijkt zij Uw Naam, o mijn God! Nu Gij mij deze waarheid hebt doen 
>       verstaan, smeek ik U, bij Uw Naam welke geen perkament kan vermelden, 
>       welke geen hart zich kan voorstellen en welke geen tong kan uiten - een 
>       Naam die verborgen zal blijven zolang Uw eigen Kern verborgen is, en 
>       verheerlijkt zal worden zolang Uw eigen Wezen geprezen wordt - om de 
>       vaandels van Uw onbetwiste oppermacht en zegepraal te ontplooien eer het 
>       jaar ten einde neigt, zodat de gehele schepping wordt verrijkt door Uw 
>       rijkdom en wordt verheven door de veredelende invloed van Uw 
>       alovertreffende soevereiniteit. Mogen allen opstaan en Uw Zaak bevorderen. 
> 
>       Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Allerhoogste, de Alglorierijke, de 
>       Albeheerser, de Albezitter. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   102
>       O mijn God! Ik vraag U, bij Uw Allerheerlijkste Naam, mij te helpen de 
>       aangelegenheden van Uw dienaren te doen gedijen en Uw steden te doen 
>       bloeien. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   103
>       O mijn God, scheur de sluier van nutteloze verbeelding die het zicht van 
>       Uw volk belemmert vaneen, zodat allen zich tot U zullen spoeden, het pad 
>       van Uw welbehagen zullen betreden en de wegen van Uw Geloof zullen 
>       bewandelen. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   104
>       O mijn God! Gij ziet hoe wij trachten Uw wil te doen, hoe wij naar de 
>       horizon van Uw genade opzien, om Uw licht smeken en Uw verlichting zoeken. 
> 
>       Wij vragen U, o Gij Geliefde des harten en Hoop der geliefden, ons rein en 
>       zonder begeerte te doen zijn, Uw gebod nakomende en onze vervaagde 
>       genoegens achterlatend om Uw welbehagen te zoeken. O God, tooi ons met het 
>       kleed van Uw voortreffelijkheid en verlicht ons met het licht van 
>       onthechting. Sta ons bij, o God, met de Scharen van wijsheid en 
>       welsprekendheid om Uw Woord onder Uw volk te verspreiden en Uw gebod onder 
>       Uw dienaren na te leven. In Uw hand rusten de teugels van al hetgeen 
>       bestaat. Gij zijt de Almachtige. Er is geen God dan Gij, de Vergevende, de 
>       Liefderijke. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   105
>       Verheerlijkt zij Uw Naam, o mijn God. Ik getuig dat als Uw dienaren zich 
>       tot U zouden wenden met de ogen waarmee Gij hen schiep en met de oren 
>       waarmee Gij hen begiftigde, zij allen meegesleept zouden worden door een 
>       enkel woord, neergezonden vanuit de rechterhand van de troon van Uw 
>       majesteit. 
>       Dat woord alleen al zou voldoende zijn om hun gelaat te verhelderen, hun 
>       hart gerust te stellen en hun ziel te doen opwieken naar de sferen van Uw 
>       grote heerlijkheid en te doen opstijgen naar de hemel van Uw 
>       soevereiniteit. 
>       Ik bid U, o Gij Die de Heer aller namen en de Heerser van hemel en aarde 
>       zijt, te schenken dat allen die U dierbaar zijn een kelk van Uw 
>       barmhartigheid mogen worden in Uw dagen, opdat zij de harten van Uw 
>       dienaren tot nieuw leven kunnen wekken. 
>       Stel hen ook in staat, o mijn God, te worden als de regen die uit de 
>       wolken van Uw genade stroomt en als de winden die de lentegeuren van Uw 
>       goedertierenheid verspreiden, zodat door hen de bodem van het hart Uwer 
>       schepselen bedekt moge worden met groen gewas, en de dingen voort moge 
>       brengen die hun geuren over al Uw gebieden zullen verspreiden, zodat een 
>       ieder de zoete geur van de Mantel van Uw Openbaring moge bespeuren. 
>       Machtig zijt Gij te doen wat Gij verkiest. 
>       De kracht van Uw Macht is mij tot getuige! Al wie uit de kelk die de hand 
>       van Uw barmhartigheid ronddroeg gedronken heeft zal zich ontdoen van alles 
>       buiten U, en zal door een woord uit zijn mond in staat zijn de zielen van 
>       diegenen Uwer dienaren die sluimerden op het bed van verzuim en 
>       onachtzaamheid in verrukking te brengen, en hen ertoe te bewegen hun 
>       gelaat te keren tot Uw grootste Teken, en bij U niets te zoeken dan Uzelf, 
>       en van U slechts datgene te vragen wat Gij met de pen van Uw oordeel voor 
>       hen hebt vastgelegd, en in de Tafel van Uw gebod hebt voorgeschreven. O 
>       mijn God, zend dan door Uw Grootste Naam tot Uw geliefden neer hetgeen hen 
>       onder alle omstandigheden nader tot u zal brengen. Gij zijt waarlijk de 
>       Almachtige, de Alglorierijke, Wiens hulp door allen wordt afgesmeekt. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   106
>       O mijn God! O mijn God! Ik ben een dienaar die door U is bekoord, die 
>       nederig de deur van Uw eenheid nadert en het Koninkrijk van Uw 
>       barmhartigheid aanroept. 
>       O mijn God, sta mij toe geheel de Uwe te zijn, slechts vervuld van 
>       gedachten aan U, ontbrand door het vuur van Uw liefde en gescheiden van 
>       alles buiten U, zodat ik mag werken binnen Uw Zaak, Uw wijsheid mag 
>       verspreiden, Uw kennis mag overdragen en een ieder mag laten delen in de 
>       vreugde U te kennen. 
>       O mijn God, ik ben een vlam, ontstoken door de hand van Uw kracht; laat 
>       deze vlam niet gedoofd worden door de winden van beproevingen. Laat mijn 
>       liefde voor U, mijn warmte voor de schoonheid van Uw eenheid toenemen. 
>       Laat het vuur dat in mij brandt gloeien op de Sinaï van Uw enig-zijn. Doe 
>       het eeuwige leven dat in mij sluimert ontwaken door Uw milddadigheid en 
>       genade. 
>       Gij zijt de Beschermer, de Waker, de Meedogende, en de Barmhartige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   107
>       O God, mijn God! Helpt Gij Uw vertrouwde dienaren een liefdevol en warm 
>       hart te hebben. Help hen het licht van leiding, dat van de Scharen in den 
>       hoge komt, onder alle volkeren der wereld bekend te maken. Waarlijk, Gij 
>       zijt de Sterke, de Krachtige, de Machtige, de Albeheerser, de 
>       Immer-Schenkende. Waarlijk, Gij zijt de Edelmoedige, de Zachtzinnige, de 
>       Liefderijke, de Milddadigste. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   108
>       O mijn God, helpt Gij Uw dienaar het Woord te verheffen, hetgeen nutteloos 
>       en onwaar is te weerleggen, de waarheid vast te stellen, de heilige verzen 
>       wijd en zijd bekend te maken, de pracht te onthullen en het morgenlicht in 
>       de harten der rechtvaardigen te doen ontwaken. 
>       Gij zijt waarlijk de Edelmoedige, de Vergevende. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   ONDERRICHT: TAFELEN VAN HET GODDELIJK PLAN 
>       109
>         Laten de verspreiders van de geuren Gods dit gebed iedere ochtend 
> zeggen:
>       O Heer, mijn God! Eer en dank zij U, want Gij hebt mij geleid naar de 
>       heirweg van het Koninkrijk, mij toegestaan deze rechte en vèrreikende weg 
>       te bewandelen, mijn oog door het aanschouwen van de pracht van Uw Licht 
>       verhelderd, mijn oor doen neigen naar de melodieën van de vogels van 
>       heiligheid uit het Koninkrijk van mysteriën en mijn hart aangetrokken met 
>       Uw liefde onder de rechtvaardigen. 
>       O Heer! Sterk mij met de Heilige Geest, opdat ik in Uw Naam de volkeren 
>       toeroepe en de blijde tijding van de manifestatie van Uw koninkrijk aan de 
>       mensheid geve. 
>       O Heer! Ik ben zwak, sterk mij met Uw kracht en macht. Mijn tong stamelt, 
>       sta mij toe U te gedenken en te loven. Ik ben deemoedig, verleen mij de 
>       eer toegelaten te worden in Uw koninkrijk. Ik ben veraf, doe mij de 
>       drempel van Uw barmhartigheid naderen. O Heer! Maak mij tot een lichtende 
>       lamp, een stralende ster en een gezegende boom welks takken, getooid met 
>       vruchten, al deze gebieden overschaduwen. Waarlijk, Gij zijt de Machtige, 
>       de Krachtige, de Onbeperkte. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   110
>         Laat een ieder die zich op reis begeeft naar verschillende werelddelen 
>         om te onderrichten, terwijl hij in vreemde landen verblijft, dit gebed 
>         bij dag en bij nacht zeggen:
>       O God, mijn God! Gij ziet mij, bekoord door en aangetrokken tot Uw 
>       glorierijke koninkrijk, en ontvlamd door het vuur van Uw liefde onder de 
>       mensen, een heraut van Uw koninkrijk in deze uitgestrekte landen, onthecht 
>       aan alles buiten U, in vol vertrouwen op U, rust en gemak verzakend, ver 
>       verwijderd van mijn geboortehuis, een zwerver in deze gebieden, een ter 
>       aarde gevallen vreemdeling, ootmoedig voor Uw verheven drempel, 
>       onderworpen aan Uw hoogste rijk, U smekend in het midden van de nacht en 
>       bij het aanbreken van de dag, U biddend en aanroepend in de morgen- en 
>       avondstond, dat Gij mij genadiglijk moogt bijstaan in het dienen van uw 
>       Zaak, het verbreiden van Uw leer en het verheerlijken van Uw Woord zowel 
>       in het oosten als in het westen der aarde. 
>       O Heer! Sterk mijn rug; stel mij in staat mij tot het uiterste in te 
>       spannen om U te dienen en laat mij niet aan mijzelf over, eenzaam en 
>       hulpeloos in deze landen. 
>       O Heer! Wees met mij in mijn eenzaamheid en vergezel mij in deze vreemde 
>       landen. 
>       Waarlijk, Gij zijt de bekrachtiger van al wie Gij wilt in hetgeen Gij 
>       verlangt en waarlijk, Gij zijt de Krachtige, de Almachtige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   111
>       O Gij, onvergelijkelijke God! O Gij, Heer van het Koninkrijk! Deze zielen 
>       zijn Uw hemels leger! Sta hen bij en laat hen met behulp van de legers der 
>       allerhoogste Schare zegevieren, opdat eenieder van hen een regiment gelijk 
>       worde en deze landen verovere door de liefde Gods en door de verlichting 
>       van de goddelijke leer. 
>       O God, weest Gij hun steun en toeverlaat en weest Gij hun vertrouwde in de 
>       wildernissen, de bergen, de dalen, de wouden, de prairies en de zeeën, 
>       zodat hun roep luide moge weerklinken door de kracht van het Koninkrijk en 
>       de adem van de Heilige Geest. 
>       Waarlijk, Gij zijt de Krachtige, de Machtige en Almogende en Gij zijt de 
>       Wijze, de Horende, de Ziende. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   112
>         Laat al wie reist naar verschillende werelddelen, over bergen, 
>         woestijnen, land en zee, deze smeekbede met aandacht zeggen:
>       O God! O God! Gij ziet hoe zwak, deemoedig en nederig ik ben temidden van 
>       Uw schepselen; niettemin heb ik mij op U verlaten en ben ik opgestaan om 
>       Uw leringen te verspreiden onder Uw sterke dienaren, vertrouwend op Uw 
>       kracht en macht. 
>       O Heer! Ik ben een vleugellamme vogel en ik verlang ernaar in Uw 
>       onbegrensde ruimte te vliegen. Hoe kan ik dat anders doen dan door Uw 
>       voorzienigheid en genade, Uw bekrachtiging en bijstand? 
>       O Heer! Heb medelijden met mijn zwakheid en sterk mij met Uw kracht! O 
>       Heer! heb medelijden met mijn onmacht en sta mij bij met Uw macht en 
>       majesteit! 
>       O Heer! Zou de ademtocht van de Heilige Geest het zwakste schepsel 
>       bekrachtigen, dan zou hij alles bereiken waar hij naar streeft en alles 
>       bezitten wat hij wenst. Waarlijk, Gij hebt Uw dienaren in het verleden 
>       bijgestaan, en ofschoon zij de zwaksten onder Uw schepselen waren, de 
>       minsten van Uw dienaren en het onbeduidendst van degenen die op aarde 
>       leefden, kregen zij door Uw bekrachtiging en macht voorrang boven de meest 
>       glorierijke onder Uw volk en de edelsten der mensheid. Terwijl zij eerst 
>       gelijk motten waren, werden zij koninklijke valken, en terwijl zij eerst 
>       als beekjes waren werden zij als zeeën door Uw gaven en Uw barmhartigheid. 
>       Door Uw allergrootste gunst werden zij sterren, stralend aan de horizont 
>       van leiding, vogels, zingend in de rozentuin van onsterfelijkheid, 
>       leeuwen, brullend in het woud van kennis en wijsheid, en walvissen, 
>       zwemmend in de oceanen des levens. 
>       Waarlijk, Gij zijt de Welwillende, de Krachtige, de Machtige en de 
>       Barmhartigste der Barmhartigen! 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   113
>         Een ieder die door de steden, dorpen en gehuchten van deze staten reist 
>         en doende is met de verspreiding van de geuren Gods, moet dit gebed 
>         iedere ochtend zeggen:
>       O mijn God, o mijn God. Gij ziet mij in mijn nederigheid en zwakte, doende 
>       met de grootste onderneming, vastbesloten Uw woord onder de menigten te 
>       verheffen en Uw leer onder Uw volkeren te verspreiden. Hoe kan ik slagen, 
>       tenzij Gij mij bijstaat met de ademtocht van de Heilige Geest, mij helpt 
>       te overwinnen door de heerscharen van Uw heerlijk Koninkrijk en Uw 
>       bekrachtiging, die zelfs een mug in een adelaar kan veranderen, een 
>       druppel water in rivieren en zeeën, en een atoom in lichten en zonnen, op 
>       mij doet neerdalen? O mijn Heer! Sta mij bij met Uw zegevierende en 
>       doeltreffende macht, zodat mijn tong Uw lof en Uw eigenschappen onder alle 
>       mensen moge verkondigen, en laat mijn ziel overvloeien van de wijn van Uw 
>       liefde en kennis. 
>       Gij zijt de Almachtige, Die doet naar Uw behagen. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   114
>       O God, mijn God! Gij ziet hoe diepe duisternis ieder gebied omringt, hoe 
>       alle landen branden met het vuur van tweedracht en de brand van oorlog en 
>       slachting laait in het oosten en westen der aarde. Er wordt bloed 
>       vergoten, lijken bedekken de grond en er liggen afgehouwen hoofden in het 
>       stof van het slagveld. 
>       O Heer! Heb medelijden met deze onwetenden, zie op hen neer met de blik 
>       van vergeving en genade. Doof dit vuur, zodat deze zware wolken die de 
>       horizon verduisteren, mogen worden verdreven, de Zon van Werkelijkheid de 
>       stralen der verzoening moge doen schijnen, deze duisternis zal worden 
>       verjaagd en het stralende licht van vrede over alle landen zal schijnen. 
>       O Heer! Trek de mensen uit de onpeilbare diepten van de zee van haat en 
>       vijandschap en verlos hen van deze ondoordringbare duisternis. Verenig de 
>       harten en verhelder hun ogen met het licht van vrede en verzoening. Verlos 
>       hen van het duister van oorlog en bloedvergieten, en bevrijd hen uit de 
>       duisternis van dwaling. Verwijder de sluier van hun ogen en verlicht hun 
>       hart met het licht van leiding. Bejegen hen met Uw tedere barmhartigheid 
>       en mededogen, en behandel hen niet naar Uw gerechtigheid en toorn, die de 
>       ledematen der machtigen doen beven. 
>       O Heer! Oorlogen duren voort. Vrees en ellende nemen toe en ieder 
>       vruchtbaar gebied ligt braak. 
>       O Heer! De gemoederen zijn bezwaard en de mensen leven in zielesmart. 
>       Ontferm U over deze armzaligen en laat hen niet over aan buitensporige 
>       begeerten. 
>       O Heer! Doe in Uw landen nederige en ootmoedige zielen verschijnen die, 
>       met het gelaat verlicht met de stralen van leiding, en onthecht aan de 
>       wereld, Uw naam verheerlijken, Uw lof zingen en de geuren van Uw 
>       heiligheid onder de mensheid verspreiden. 
>       O Heer! Sterk hun rug, versterk hun lendenen en breng hun hart in 
>       verrukking met de machtigste tekenen van Uw liefde. 
>       O Heer! Zij zijn waarlijk zwak en Gij zijt de Krachtige en de Machtige; 
>       zij zijn krachteloos en Gij zijt de Helper en de Barmhartige! 
>       O Heer! De zee van opstandigheid zwelt aan en deze zware stormen zullen 
>       alleen gaan liggen door Uw grenzeloze genade die alle gebieden omvat. 
>       O Heer! De mensen bevinden zich waarlijk in de afgrond van hartstocht, en 
>       niets dan Uw oneindige milddadigheid kan hen redden. 
>       O Heer! Verdrijf het duister van deze verdorven begeerten en verlicht de 
>       harten met de lamp van Uw liefde, waardoor alle landen eerlang zullen 
>       worden verlicht. Bekrachtig bovendien Uw geliefden, zij die hun vaderland, 
>       hun gezin en hun kinderen achterlaten en uit liefde voor Uw schoonheid 
>       naar vreemde landen reizen om Uw geuren te verspreiden en Uw leringen te 
>       verbreiden. Weest Gij hun metgezel in hun eenzaamheid, hun helper in 
>       vreemde landen, de verdrijver van hun verdriet, de trooster bij rampspoed. 
>       Weest Gij een verfrissende dronk voor hun dorst, een geneesmiddel bij 
>       ziekte en een balsem voor hun hartsverlangen. 
>       Waarlijk, Gij zij de Grootmoedigste, de Heer van overvloedige genade en 
>       waarlijk, Gij zijt de Meedogende en de Barmhartige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   115
>         Het volgende gebed moet ... iedere dag gezegd worden:
>       O God! O God! Deze vogel is vleugellam en zijn vlucht is moeizaam. Sta hem 
>       bij, opdat hij naar de top van voorspoed en behoud moge vliegen, zijn 
>       vlucht moge wieken door de onbegrensde ruimten in uiterste vreugde en 
>       geluk, zijn melodie uit Uw allerhoogste Naam in alle gebieden moge 
>       aanheffen, de oren moge verblijden met deze roep, en de ogen verheugen bij 
>       de aanblik van de tekenen van leiding! 
>       O Heer, ik ben alleen, eenzaam en nietig. Er is voor mij geen steun zonder 
>       U, geen helper dan U en niemand die mij schraagt dan Gij. Bevestig mij in 
>       Uw dienst, sta mij bij met de heerscharen van Uw engelen, laat mij 
>       zegevieren bij de verspreiding van Uw Woord en sta mij toe Uw wijsheid 
>       onder Uw schepselen te verkondigen. 
>       Waarlijk, Gij zijt de helper van de armen en de verdediger van de kleinen 
>       en waarlijk, Gij zijt de Krachtige, de Machtige en de Onbeperkte. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   ONTHECHTING 
>       116
>       O God, mijn God! Schenk voor mij de kelk van onthechting aan alles vol, en 
>       verblijd mij temidden van Uw pracht en Uw Gave met de wijn van het U 
>       beminnen. Bevrijd mij van de aanvallen van hartstocht en begeerte, 
>       verbreek voor mij de boeien van dit ondermaanse, breng mij in vervoering 
>       tot Uw hemelse rijk en beziel mij onder de dienaressen met de ademtochten 
>       van Uw heiligheid. 
>       O Heer, verhelder mijn gelaat met het licht van Uw gaven, verlicht mijn 
>       ogen met het aanschouwen van de tekenen van Uw albeheersende macht; 
>       verheug mijn hart met de heerlijkheid van Uw kennis die alle dingen omvat, 
>       verblijd mijn ziel met Uw vreugdevolle tijding die de ziel nieuw leven 
>       geeft, o Gij Koning van deze wereld en van het Koninkrijk in den hoge, o 
>       Gij Heer van heerschappij en macht, opdat ik Uw tekenen en bewijzen alom 
>       moge verspreiden, Uw Zaak moge verkondigen, Uw leringen bevorderen, Uw Wet 
>       dienen en Uw Woord verheerlijken. 
>       Gij zijt waarlijk de Krachtige, de Immergevende, de Kundige, de Almogende. 
> 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   OVERLEDENEN 
>       117
>         (Het Gebed voor de overledenen moet worden gezegd voor Bahá'ís die 
>         vijftien jaar of ouder zijn. "Het is het enige verplichte Bahá'í gebed 
>         dat gezamenlijk wordt gezegd; het wordt door één gelovige gezegd, 
>         terwijl alle aanwezigen staan. Het is tijdens het zeggen van dit gebed 
>         niet vereist met het gezicht naar de Qiblih gekeerd te staan." -Uit 
>         "Synopsis en codificatie van de wetten en verordeningen van de 
>         Kitáb-i-Aqdas.")
>       O mijn God! Dit is Uw dienaar en de zoon van Uw dienaar, die in U en in Uw 
>       tekenen gelooft en die zijn gelaat naar U heeft gekeerd, volkomen vrij van 
>       alles buiten U. Gij zijt waarlijk van allen die erbarmen tonen de 
>       barmhartigste. 
>       Doe met hem, o Gij Die de zonden der mensen vergeeft en hun fouten 
>       verbergt, naar het de hemel van Uw goedertierenheid en de oceaan van Uw 
>       genade past. Neem hem op in het rijk van Uw al-overtreffende genade, die 
>       aan de schepping van hemel en aarde voorafging. 
>       Er is geen God dan Gij, de Immer-Vergevende, de Grootmoedigste. 
>         Laat hem dan zes maal de groet "Alláh'u'Abhá" herhalen en daarna 
>         negentien maal elk van de volgende verzen:
>       Waarlijk, wij allen aanbidden God. 
>       Waarlijk, wij allen buigen ons voor God. 
>       Waarlijk, wij allen hebben ons aan God gewijd. 
>       Waarlijk, wij allen loven God. 
>       Waarlijk, wij allen danken God. 
>       Waarlijk, wij allen zijn geduldig in God. 
>         Indien de overledene een vrouw is, laat men dan zeggen: "Dit is Uw 
>         dienares en de dochter van Uw dienares", enz.
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   118
>       Hij is God, verheven is Hij, de Heer van goedertierenheid en 
>       milddadigheid. 
>       Verheerlijkt zijt Gij, o God mijn God, de Almachtige Heer! Ik getuig van 
>       Uw almacht en Uw macht, Uw soevereiniteit en Uw goedertierenheid, Uw 
>       genade en Uw kracht, het enig-zijn van Uw Zijn en de eenheid van Uw Wezen, 
>       Uw heiligheid en verhevenheid boven deze wereld en al wat zich daarin 
>       bevindt. 
>       O mijn God! Gij ziet mij, onthecht aan alles buiten U, mij vasthoudend aan 
>       U en mij kerend naar de oceaan van Uw milddadigheid, naar de hemel van Uw 
>       gunst, naar de Dagster van Uw genade. 
>       Heer! Ik getuig dat Gij Uw vertrouwen hebt gesteld in Uw dienaar, en dat 
>       is de geest waarmee Gij de wereld leven gegeven hebt. 
>       Ik smeek U, bij de pracht van de Kringloop van Uw openbaring, genadiglijk 
>       van hem te aanvaarden hetgeen hij in Uw dagen heeft volbracht. Vergun dan 
>       dat hij worde getooid met de heerlijkheid van Uw welbehagen en worde 
>       gesierd met Uw goedkeuring. 
>       O mijn Heer! Ikzelf en al het geschapene getuigen van Uw macht en ik smeek 
>       U deze geest die is opgestegen naar U, naar Uw hemels oord, naar Uw 
>       verheven paradijs en de verblijven van Uw nabijheid niet van U weg te 
>       sturen. 
>       O Gij Die de Heer aller mensen zijt! Sta dan toe, o mijn God, dat Uw 
>       dienaar verkere met Uw uitverkorenen, Uw heiligen en Uw Boodschappers in 
>       hemelse oorden waarvan de pen niet kan verhalen en de tong niet kan 
>       vertellen. 
>       O mijn Heer, de arme heeft zich waarlijk gehaast naar het Koninkrijk van 
>       Uw rijkdom, de vreemdeling naar zijn woning in Uw domein, de hevig 
>       dorstende naar de hemelse rivier van Uw milddadigheid. Onthoud hem niet, o 
>       Heer, zijn deel van het festijn van Uw genade en van de gunst van Uw 
>       goedheid. Gij zijt in waarheid de Almachtige, de Genadige, de 
>       Almilddadige. 
>       O mijn God, Uw pand is tot U weergekeerd. Het past Uw genade en Uw 
>       goedheid die Uw gebieden in de hemel en op aarde omvatten, aan de pas door 
>       U verwelkomde Uw giften en Uw gaven en de vruchten van de boom van Uw 
>       genade te schenken! Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Er is geen 
>       ander God dan Gij, de Genadige, de Almilddadige, de Barmhartige, de 
>       Schenkende, de Vergevende, de Dierbare, de Alwetende. 
>       Ik getuig, o mijn Heer, dat Gij de mensen hebt geboden hun gast te eren, 
>       en hij die naar U is opgestegen is waarlijk tot U gekomen en heeft Uw 
>       Tegenwoordigheid bereikt. Bejegen hem dan naar Uw genade en milddadigheid. 
>       Bij Uw heerlijkheid, ik weet met zekerheid dat Gij zelf niet achterwege 
>       zult laten hetgeen Gij aan Uw dienaren hebt bevolen, noch dat Gij hem, die 
>       zich aan het koord van Uw goedheid heeft geklemd en naar de Dageraad van 
>       Uw rijkdom is opgestegen, iets zult onthouden. 
>       Er is geen ander God dan Gij, de Ene, de Enige, de Machtige, de Alwetende, 
>       de Milddadige. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   119
>       Vergun, o mijn Heer, dat zij die naar U zijn opgestegen zich mogen begeven 
>       naar Hem Die de verhevenste Metgezel is, en onder de schaduw van het 
>       Tabernakel van Uw heerschappij en het Heiligdom van Uw heerlijkheid mogen 
>       verwijlen. 
>       Besprenkel hen, o mijn Heer, uit de oceaan Uwer vergeving met hetgeen hen 
>       waardig zal maken om, zolang Uw eigen soevereiniteit voortduurt, in Uw 
>       verhevenste Koninkrijk en Uw allerhoogste gebied te verwijlen. Machtig 
>       zijt Gij te doen naar Uw behagen. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   120
>       Zeg: o God, mijn God! Gij hebt aan mijn handen een pand van U toevertrouwd 
>       en hebt het thans naar Uw wil en welbehagen tot U teruggeroepen. Het staan 
>       niet aan mij, Uw dienares, om te zeggen: vanwaar komt dit tot mij of 
>       waarom is dit geschied, daar Gij verheerlijkt zijt in al Uw daden en Uw 
>       gebod gehoorzaamd dient te worden. Uw dienstmaagd, o mijn Heer, heeft haar 
>       hoop op Uw genade en milddadigheid gevestigd. Vergun haar dat zij 
>       verkrijge hetgeen haar U zal doen naderen en haar in elk Uwer werelden zal 
>       baten. 
>       Gij zijt de Vergevende, de Almilddadige. Er is geen ander God dan Gij, de 
>       Bestierder, de Eeuwige. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   121
>       O mijn God! O Gij, Vergever van zonden! Schenker van gaven! Verdrijver van 
>       leed! 
>       Waarlijk, ik smeek U de zonden te vergeven van hen die het stoffelijk 
>       gewaad hebben afgelegd en naar de geestelijke wereld zijn opgestegen. 
>       O mijn Heer! Zuiver hen van hun overtredingen, verdrijf hun droefenis en 
>       verander hun duisternis in licht. Doe hen de tuin van geluk betreden, 
>       reinig hen met het zuiverste water en sta hun toe Uw luister op de 
>       verhevenste berg te aanschouwen. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   SCHRIKKELDAGEN 
>         (De schrikkeldagen (26 februari t/m 1 maart) moeten dagen zijn ter 
>         voorbereiding van de vasten. Het zijn de dagen van gastvrijheid en 
>         liefdadigheid en het geven van geschenken.)
>       122
>       Mijn God, mijn Vuur en mijn Licht! De dagen die Gij in Uw Boek de 
>       Ayyám-i-Há7 hebt genoemd zijn begonnen, o Gij Die de Koning van namen 
>       zijt, en de vasten, die Uw verhevenste Pen allen die in het rijk van Uw 
>       schepping zijn heeft voorgeschreven te houden, nadert. Ik smeek U, o mijn 
>       Heer, bij deze dagen en bij allen die zich gedurende deze periode aan het 
>       koord van Uw geboden hebben vastgeklemd en de handgreep van Uw 
>       voorschriften hebben gevat, te schenken dat aan iedere ziel een plaats 
>       worde toegewezen binnen de grenzen van Uw hof en een zetel bij de 
>       openbaring van de luister van het licht van Uw aangezicht. 
>       Dit zijn, o mijn Heer, Uw dienaren die door geen verdorven neiging zijn 
>       afgehouden van wat Gij in Uw Boek hebt neergezonden. Zij hebben zich 
>       nederig getoond voor Uw Zaak, en Uw Boek aangenomen met een 
>       vastberadenheid die alleen van U kan stammen en zijn nagekomen wat Gij hun 
>       had voorgeschreven en hebben verkozen datgene te volgen wat door U is 
>       neergezonden. 
>       Gij ziet, o mijn Heer, hoe zij alles wat Gij in Uw Geschriften hebt 
>       geopenbaard hebben erkend en beleden. O mijn Heer, geef hun het water van 
>       Uw eeuwigheid te drinken uit de hand Uwer genade. Schrijf dan voor hen de 
>       beloning neer die is beschikt voor hem die zich in de oceaan van Uw 
>       tegenwoordigheid heeft gedompeld en de uitgelezen wijn van het U ontmoeten 
>       heeft geproefd. 
>       Ik smeek u, o Gij Koning der koningen, Die mededogen hebt met de 
>       verdrukten, voor hen het goede van deze wereld en de wereld die komen gaat 
>       te beschikken. Schrijf daarenboven voor hen neer wat geen Uwer schepselen 
>       heeft ontdekt en reken hen onder diegenen die U hebben omringd en die zich 
>       rondom Uw troon bewegen in iedere wereld van Uw werelden. 
>       Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Alwetende, de Albezieler. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   STANDVASTIGHEID 
>       123
>       O Gij, Wiens beproevingen een heilzaam middel zijn voor hen die U nabij 
>       zijn, Wiens zwaard het vurige verlangen is van allen die U liefhebben, 
>       Wiens pijl de dierbaarste wens is van de harten die naar U hunkeren, Wiens 
>       gebod de enige hoop is van hen die Uw waarheid erkennen! Ik smeek U, bij 
>       Uw goddelijke liefelijkheid en bij de pracht van de glorie van Uw 
>       aangezicht, uit Uw afzondering in den hoge tot ons neer te zenden hetgeen 
>       ons in staat zal stellen U te naderen. Maak ons standvastig in Uw Zaak, o 
>       mijn God, en verlicht ons hart met de pracht van Uw kennis en bestraal ons 
>       met de glans van Uw namen. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   124
>       O Heer, mijn God! Help Uw geliefden sterk te staan in Uw Geloof, Uw wegen 
>       te bewandelen en standvastig te zijn in Uw Zaak. 
>       Geef hun Uw genade, om de aanvallen van zelfzucht en begeerte te weerstaan 
>       en het licht van goddelijke Leiding te volgen. 
>       Gij zijt de Krachtige, de Genadige, de Bij-Zich-Bestaande, de Schenkende, 
>       de Meedogende, de Almachtige, de Almilddadige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   125
>       O God! Sta mij bij met de Legers van de Verheven Schare en maak mij trouw 
>       en standvastig in het Verbond en het Testament. Ik sta zwak in het Verbond 
>       en Testament; maak mij sterk. Ik ben arm; maak mij rijk door de schatten 
>       van het Koninkrijk. Ik ben onwetend; open voor mij de deur van kennis. Ik 
>       ben levenloos; adem in mij de Adem des Levens. Ik ben stom; maak mij 
>       welsprekend, opdat ik de roep van Uw Koninkrijk in vloeiende taal moge 
>       aanheffen en een ieder moge bezielen trouw te zijn aan het Verbond. Gij 
>       zijt de Edelmoedige, de Schenker en de Machtige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   TAFELGEBEDEN 
>       126
>       Hij is God! Aanschouw ons, o Heer, verzameld rond deze tafel, dankbaar 
>       voor Uw milddadigheid, onze blik gericht op Uw koninkrijk. O God! Zend tot 
>       ons Uw hemels voedsel en Uw zegen. Waarlijk, Gij zijt de Weldadige, de 
>       Barmhartige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   127
>       Hij is God! O Heer! Hoe kunnen wij U danken! Uw milddadigheid is onbeperkt 
>       en onze dankbaarheid is slechts beperkt. Hoe kan de beperkte de onbeperkte 
>       danken? Wij zijn niet bij machte U dank te betuigen voor Uw 
>       barmhartigheid. Geheel machteloos wenden wij ons tot Uw koninkrijk en 
>       smeken U Uw gaven en milddadigheid te vermeerderen. Gij zijt de Gever, Gij 
>       zijt de Schenker, Gij zijt de Krachtige. 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   VASTEN 
>       128
>       Ere zij U, o Heer mijn God! Ik smeek U, bij deze Openbaring waarbij het 
>       duister in licht is veranderd, waardoor het Bezochte Huis is gebouwd, de 
>       Welbewaarde Tafel is geopenbaard en het Uitgespreide Velijn is onthuld, 
>       tot mij en tot hen die met mij zijn neer te zenden wat ons in staat zal 
>       stellen naar de hemelen van Uw alovertreffende heerlijkheid omhoog te 
>       wieken en ons zal zuiveren van die smetten van twijfel waardoor de 
>       wantrouwenden worden verhinderd de tabernakel van Uw eenheid binnen te 
>       gaan. 
>       Ik ben degeen, o mijn Heer, die aan het koord van Uw goedertierenheid 
>       vasthoudt en zich aan de zoom van Uw barmhartigheid en gunst klemt. 
>       Beschikt Gij voor mij en voor hen die mij lief zijn het goede van deze 
>       wereld en van de wereld die komen zal. Voorzie hen van de verborgen Gave 
>       welke Gij voor de uitverkorenen onder Uw schepselen bestemde. 
>       Dit zijn, o mijn Heer, de dagen waarop Gij Uw dienaren hebt geboden te 
>       vasten. Gezegend is hij die geheel om Uwentwil en volkomen onthecht aan 
>       alles buiten U vast. Help mij en help hen, o mijn Heer, U te gehoorzamen 
>       en Uw voorschriften na te komen. Gij hebt waarlijk de macht te doen 
>       hetgeen Gij verkiest. 
>       Er is geen God dan Gij, de Alwetende, de Alwijze. Eer en lof zij God, de 
>       Heer aller werelden! 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   129
>       Gij ziet, o God van Barmhartigheid - Gij Wiens kracht al het geschapene 
>       doordringt - deze dienaren van U, uw knechten die, overeenkomstig het 
>       welbehagen van Uw wil, overdag de door U voorgeschreven vasten nakomen, 
>       die bij het aanbreken van de dag opstaan om van Uw Naam te gewagen en Uw 
>       lof te verkondigen, in de verwachting hun deel te verkrijgen van de 
>       voortreffelijkheden die bewaard liggen in de schatkamers van Uw 
>       genadegiften. Ik smeek U, o Gij, Die in Uw handen de teugels van de gehele 
>       schepping houdt en in Wiens greep het ganse koninkrijk van Uw namen en Uw 
>       hoedanigheden ligt om in Uw Dag Uw dienaren niet verstoken te doen zijn 
>       van de stromen die neerdalen uit de wolken van Uw barmhartigheid noch hen 
>       te beletten hun deel te nemen van de oceaan van Uw welbehagen. 
>       Alle atomen op aarde getuigen, o mijn Heer, van de grootheid van Uw kracht 
>       en Uw heerschappij; en alle tekenen van het heelal bevestigen de 
>       heerlijkheid van Uw majesteit en Uw macht. O Gij, Die de opperste Heer 
>       zijt van allen, Die de Koning van onvergankelijke dagen zijt en Heerser 
>       over alle natiën, wees genadig voor deze dienaren van U die zich hebben 
>       vastgeklemd aan het koord van Uw geboden, die het hoofd hebben gebogen 
>       voor de openbaring van Uw wetten, welke zijn neergezonden uit de hemel van 
>       Uw Wil. 
>       Zie, o mijn Heer, hoe hun ogen zich opheffen naar de dageraadsplaats van 
>       Uw goedertierendheid, hoe hun hart gericht is op de oceaan van Uw gunsten, 
>       hoe hun stem zachter wordt bij de klanken van Uw lieflijkste Stem die, 
>       vanuit de verhevenste Plaats, in Uw naam de Alglorierijke roept. Help Uw 
>       geliefden, o mijn Heer, zij die van alles afstand hebben gedaan, opdat zij 
>       de dingen mogen verkrijgen die Gij bezit, die door tegenspoed en 
>       beproevingen zijn omringd, omdat zij de wereld hebben verzaakt en hun 
>       liefde hebben gericht op Uw rijk van heerlijkheid. Ik smeek U, o mijn 
>       Heer, bescherm hen tegen de aanvallen van hun boze hartstochten en 
>       begeerten, en help hen de dingen te verwerven die hun ten goede zullen 
>       komen in deze wereld en in de volgende. 
>       Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uw verborgen, Uw onschatbare Naam die luide 
>       roept in het scheppingsrijk, en alle volkeren oproept tot de Boom waaraan 
>       het voorbijgaan niet mogelijk is, de zetel van een alles te boven gaande 
>       heerlijkheid, op ons en op Uw dienaren de overvloedige regen van Uw 
>       barmhartigheid te doen neerdalen, opdat deze ons moge reinigen van het 
>       gedenken van alles buiten U en ons nader brengen tot de kusten van de 
>       oceaan van Uw genade. O Heer, beschik door Uw meest verheven Pen hetgeen 
>       onze ziel onsterfelijk zal maken in het Rijk van heerlijkheid, onze naam 
>       zal bestendigen in Uw koninkrijk, en behoed ons leven in de schatkamers 
>       van Uw bescherming en ons lichaam in de vesting van Uw onschatbaar 
>       bolwerk. Machtig zijt Gij over alle dingen in verleden en toekomst. Geen 
>       God is er dan Gij, de almachtige Beschermer, de Bij-Zich-Bestaande. 
>       Gij ziet, o Heer, hoe onze handen zich in smeking opheffen naar de hemel 
>       van Uw genadegiften. Geef dat ze gevuld mogen worden met de schatten van 
>       Uw weldadigheid en milddadige gunst. Vergeef ons, en onze vaders, en onze 
>       moeders en vervul al onze wensen uit de oceaan van Uw genade en goddelijke 
>       edelmoedigheid. Aanvaard, o Geliefde van ons hart, al onze werken in Uw 
>       pad. Gij zijt waarlijk de Krachtigste, de Verhevenste, de 
>       Onvergelijkelijke, de Ene, de Vergevende, de Genadige. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   130
>       Ik smeek U, o mijn God, bij Uw machtige Teken en bij de openbaring van Uw 
>       genade onder de mensen, mij niet van de poort van de stad Uwer 
>       tegenwoordigheid te verjagen, en de hoop die ik heb gesteld op de 
>       openbaringen van Uw genade te midden van Uw schepselen niet te beschamen. 
>       Gij ziet mij, o mijn God, mij vasthouden aan Uw Naam, de Heiligste, de 
>       Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, 
>       en mij vastklemmen aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld 
>       en in de wereld die komen gaat zich hebben vastgeklemd. 
>       Ik smeek U, o mijn God, bij Uw allerzoetste Stem en bij uw verhevenste 
>       Woord, mij steeds dichter tot de drempel van Uw deur te voeren, en mij 
>       niet toe te staan ver van de schaduw van Uw genade en het baldakijn van Uw 
>       milddadigheid verwijderd te blijven. Gij ziet mij, o mijn God, mij 
>       vasthouden aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de 
>       Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vastklemmen aan de zoom 
>       van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat 
>       zich hebben vastgeklemd. 
>       Ik smeek U, o mijn God, bij de pracht van Uw lichtend voorhoofd en de 
>       helderheid van het licht van Uw aangezicht dat van de allerhoogste horizon 
>       schijnt, mij aan te trekken door de zoete geur van Uw gewaad, en mij te 
>       laten drinken van de uitgelezen wijn van Uw woorden. Gij ziet mij, o mijn 
>       God, mij vasthouden aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de 
>       Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij 
>       vastklemmen aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in 
>       de wereld die komen gaat zich hebben vastgeklemd. 
>       Ik smeek U, o mijn God, bij Uw haar dat over Uw gelaat speelt gelijk Uw 
>       verhevenste Pen zich over de bladzijden van Uw Tafelen beweegt, waarbij de 
>       muskus van verborgen betekenissen zich over het rijk Uwer schepping 
>       verspreidt, mij zo te verheffen om Uw Zaak te dienen dat ik niet zal 
>       wijken of zal worden gehinderd door de inblazingen van hen die Uw tekenen 
>       betwisten en zich van Uw gelaat hebben afgekeerd. Gij ziet mij, o mijn 
>       God, mij vasthouden aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de 
>       Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij 
>       vastklemmen aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in 
>       de wereld die komen gaat zich hebben vastgeklemd. 
>       Ik smeek U, o mijn God, bij Uw Naam welke Gij tot de Koning der Namen hebt 
>       gemaakt, door welke allen die in de hemel en op aarde zijn, in verrukking 
>       zijn gebracht, mij in staat te stellen de Dagster van uw schoonheid te 
>       aanschouwen, en mij te voorzien van de wijn van Uw woorden. Gij ziet mij, 
>       o mijn God, mij vasthouden aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de 
>       Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij 
>       vastklemmen aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in 
>       de wereld die komen gaat zich hebben vastgeklemd. 
>       Ik smeek U, o mijn God, bij het Tabernakel van Uw majesteit op de 
>       verhevenste toppen en bij het Baldakijn van uw openbaring op de hoogste 
>       heuvelen, mij genadiglijk bij te staan datgene te doen wat Uw wil heeft 
>       verlangd en Uw plan heeft geopenbaard. Gij ziet mij, o mijn God, mij 
>       vasthouden aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de 
>       Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vastklemmen aan de zoom 
>       van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat 
>       zich hebben vastgeklemd. 
>       Ik smeek U, o mijn God, bij Uw schoonheid die boven de horizon van 
>       eeuwigheid gloort, een Schoonheid voor welke, zodra zij zich openbaart, 
>       het rijk van schoonheid zich in aanbidding neerbuigt om haar met 
>       schallende tonen te verheerlijken, mij toe te staan dat ik sterve jegens 
>       alles wat ik bezit en leve voor alles wat U toebehoort. Gij ziet mij, o 
>       mijn God, mij vasthouden aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de 
>       Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij 
>       vastklemmen aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in 
>       de wereld die komen gaat zich hebben vastgeklemd. 
>       Ik smeek U, o mijn God, bij de openbaring van Uw Naam, de Welbeminde, door 
>       wie het hart van Uw geliefden werd verteerd en de ziel van allen die op 
>       aarde verblijven zich hoog heeft verheven, mij te helpen U te gedenken 
>       onder Uw schepselen en U te verheerlijken te midden van Uw volk. Gij ziet 
>       mij, o mijn God, mij vasthouden aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, 
>       de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij 
>       vastklemmen aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in 
>       de wereld die komen gaat zich hebben vastgeklemd. 
>       Ik smeek U, o mijn God, bij het geritsel van de goddelijke Lotusboom en 
>       het gemurmel van de bries van Uw woorden in het koninkrijk van Uw namen, 
>       mij ver te verwijderen van alles wat Uw wil verafschuwt, en mij dicht bij 
>       de staat te brengen waarin Hij, Die de Bron van de Dageraad van Uw tekenen 
>       is, heeft gestraald. Gij ziet mij, o mijn God, mij vasthouden aan Uw Naam, 
>       de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, 
>       de Heerlijkste, en mij vastklemmend aan de zoom van de mantel waaraan 
>       allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich hebben 
>       vastgeklemd. 
>       Ik smeek U, o mijn God, bij die Letter door welke, zodra zij uit de mond 
>       van Uw wil was voortgekomen, de oceanen rezen, de winden woeien, de 
>       vruchten te voorschijn kwamen, de bomen opschoten, alle vroegere sporen 
>       verdwenen en alle sluiers vaneen werden gereten, en welke hen die U zijn 
>       toegewijd deed snellen naar het licht van het aangezicht van hun Heer, de 
>       Onbeperkte, aan mij bekend te maken wat in de schatkamers van Uw kennis en 
>       in de bewaarplaatsen van Uw wijsheid verborgen was. Gij ziet mij, o mijn 
>       God, mij vasthouden aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de 
>       Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij 
>       vastklemmen aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in 
>       de wereld die komen gaat zich hebben vastgeklemd. 
>       Ik smeek U, o mijn God, bij het vuur van Uw liefde, dat de slaap verdreef 
>       uit de ogen van Uw uitverkorenen en Uw geliefden, die U bij het aanbreken 
>       van de dag loofden en gedachten, mij te rekenen tot hen die hetgeen Gij in 
>       Uw Boek hebt neergezonden en door Uw wil hebt geopenbaard bereikten. Gij 
>       ziet mij, o mijn God, mij vasthouden aan Uw Naam, de Heiligste, de 
>       Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, 
>       en mij vastklemmen aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld 
>       en in de wereld die komen gaat zich hebben vastgeklemd. 
>       Ik smeek U, o mijn God, bij het licht van Uw aanschijn dat hen die U nabij 
>       zijn ertoe bracht de pijlen van Uw gebod tegemoet te treden, en hen die U 
>       zijn toegewijd ertoe bracht de zwaarden van Uw vijanden op Uw pad te 
>       trotseren, met Uw verhevenste Pen voor mij neer te schrijven hetgeen Gij 
>       hebt neergeschreven voor Uw vertrouwelingen en uitverkorenen. Gij ziet 
>       mij, o mijn God, mij vasthouden aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, 
>       de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij 
>       vastklemmen aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in 
>       de wereld die komen gaat zich hebben vastgeklemd. 
>       Ik smeek U, o mijn God, bij Uw Naam waardoor Gij hebt geluisterd naar de 
>       roep van Uw geliefden, naar de zuchten van hen die naar U verlangen, naar 
>       het schreien van hen die Uw nabijheid genieten, en naar het gekreun van 
>       hen die U zijn toegewijd, en waardoor Gij de wensen van hen die hun hoop 
>       op U hebben gevestigd hebt vervuld en hun beden hebt ingewilligd door Uw 
>       genade en gunsten, en bij Uw Naam waardoor de oceaan van vergeving voor Uw 
>       gelaat aanzwol en de wolken van Uw goedertierenheid op Uw dienaren 
>       neerregenden, voor een ieder die zich tot U heeft gekeerd en de door U 
>       geboden vasten heeft gehouden, de beloning neer te schrijven die beschikt 
>       is voor hen, die niet spreken dan met Uw goedvinden en die alles wat zij 
>       bezaten opgaven op Uw pad uit liefde tot U. 
>       Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uzelf, bij Uw tekenen en bij Uw duidelijke 
>       bewijzen, en bij het stralende licht van de Dagster van Uw schoonheid en 
>       Uw Takken, de overtredingen uit te wissen van hen die bij Uw wetten 
>       verbleven en in acht namen wat Gij hun in Uw Boek hebt voorgeschreven. Gij 
>       ziet mij, o mijn God, mij vasthouden aan Uw Naam, de Heiligste, de 
>       Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, 
>       en mij vastklemmen aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld 
>       en in de wereld die komen gaat zich hebben vastgeklemd. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   VERGEVING 
>       131
>       O mijn God, o mijn Heer, o mijn Meester! Ik smeek U mij het zoeken naar 
>       enig genoegen buiten Uw liefde, enige troost buiten Uw nabijheid, enige 
>       vreugde naast Uw welbehagen, of enig ander bestaan dan gemeenschap met U 
>       te vergeven. 
>       de Báb 
> 
>   132
>       Ik smeek U, o mijn Heer, mij vergeving te schenken voor ieder noemen 
>       buiten het noemen van U, en voor iedere lof buiten de lof aan U, en voor 
>       ieder genot buiten het genot U nabij te zijn, en voor ieder genoegen 
>       buiten het genoegen van gebed tot U, en voor iedere vreugde buiten de 
>       vreugde van Uw liefde en welbehagen, en voor alles wat mij eigen is en 
>       niet in verband staat met U, o Gij Die de Heer der heren is en Degeen Die 
>       de middelen verschaft en de deuren ontsluit. 
>       de Báb 
> 
>   133
>       Ik ben mij ervan bewust, o Heer, dat mijn overtredingen mijn gezicht met 
>       schaamte hebben bedekt in Uw tegenwoordigheid, en mijn rug hebben gebogen 
>       in Uw bijzijn, tussen mij en Uw schone aangezicht zijn gekomen, mij van 
>       alle richtingen hebben ingesloten en mij aan alle kanten hebben verhinderd 
>       toegang te verkrijgen tot de openbaringen van Uw hemelse macht. 
>       O Heer! Als Gij mij niet vergeeft, wie is er dan om vergeving te schenken, 
>       en als Gij mij niet genadig zijt, wie is in staat medelijden te tonen? 
>       Glorie zij U, Gij schiep mij toen ik niet-bestaand was en Gij voedde mij 
>       toen ik verstoken was van alle begrip. Geloofd zij U, ieder bewijs van 
>       milddadigheid komt voort uit U en ieder teken van genade is afkomstig van 
>       de schatkamers van Uw machtwoord. 
>       de Báb 
> 
>   134
>       Ik smeek U om vergeving, o mijn God, en ik vraag U ootmoedig om 
>       vergiffenis op de manier waarop Gij wenst dat Uw dienaren zich tot U 
>       keren. Ik smeek U onze zonden uit te wissen zoals het U, Here, past, en 
>       vergeving te schenken aan mij, mijn ouders en degenen die naar Uw oordeel 
>       de verblijfplaats van Uw liefde hebben betreden op een wijze die Uw 
>       alovertreffende soevereiniteit waardig is en de heerlijkheid van Uw 
>       hemelse macht past. 
>       O mijn God! Gij hebt mijn ziel geïnspireerd haar smeekbede tot U te 
>       richten, en ware het niet vanwege U, dan zou ik U niet aanroepen. Geloofd 
>       en verheerlijkt zijt Gij; ik betuig U lof aangezien Gij Uzelf aan mij 
>       openbaarde, en ik smeek U mij te vergeven omdat ik tekort geschoten ben in 
>       mijn plicht U te kennen en gefaald heb het pad van Uw liefde te 
>       bewandelen. 
>       de Báb 
> 
>   135
>       O God, mijn God! Uw genade heeft mij moed gegeven en Uw gerechtigheid 
>       vervulde mij met vrees. Gelukkig is de mens, die Gij Uw genade hebt 
>       geschonken, en wee hem, die Uw gerechtigheid ondergaat. 
>       Heer! Ik ben voor Uw gerechtigheid gevlucht en heb Uw genade gezocht; ik 
>       heb mij van Uw toorn afgewend en bid om Uw vergiffenis. Ik smeek U, bij Uw 
>       kracht, Uw soevereiniteit, Uw heerlijkheid en Uw gunst om de mensheid te 
>       verlichten met het licht van Uw kennis, zodat alle dingen van het werk 
>       Uwer handen getuigen, de geheimen van Uw kracht onthullen, en het licht 
>       van Uw kennis zichtbaar maken. 
>       Gij zijt Degeen, Die alle dingen openbaar deed worden en ze bescheen met 
>       het licht van Uw zorg en Uw voorzienigheid. 
>       Gij zijt de Almilddadige, de Genadige. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   BIJZONDERE GEBEDEN 
>       TAFELEN VAN ONTMOETING 
>       136
>       (Deze tafel wordt gelezen bij de graftomben van Bahá'u'lláh en de Báb en 
>       wordt ook dikwijls gebruikt bij hun gedenkdagen.) 
>       De lof die uit Uw verhevenste Wezen is verschenen en de glorie die uit Uw 
>       luisterrijkste Schoonheid heeft gestraald ruste op U, o Gij Die de 
>       Manifestatie van Grootheid zijt, en de Koning der eeuwigheid, en de Heer 
>       van allen die in de hemel en op aarde zijn! Ik getuig dat door U de 
>       soevereiniteit van God en Zijn heerschappij, en de majesteit van God en 
>       Zijn grootheid zijn onthuld, de Dagsterren van aloude pracht hun luister 
>       in de hemel van Uw onherroepelijk gebod verspreiden, en de Schoonheid van 
>       de Ongeziene boven de horizon der schepping gloort. Ik betuig bovendien 
>       dat met één enkele beweging van Uw Pen Uw uitdrukkelijk bevel "Weest Gij" 
>       is voltrokken, Gods verborgen Geheim is onthuld, al het geschapene in het 
>       leven is geroepen en alle Openbaringen zijn neergezonden. 
>       Bovendien leg ik getuigenis af dat door Uw schoonheid de schoonheid van de 
>       Aangebedene is ontsluierd en door Uw gelaat het gelaat van de 
>       Innig-Begeerde heeft geschenen, en dat Gij door een woord van U tussen al 
>       het geschapene hebt geoordeeld, waardoor zij de U zijn toegewijd opstijgen 
>       naar de top van heerlijkheid en de ongelovigen in de diepste afgrond 
>       vallen. 
>       Ik getuig dat hij die U kent God kent, en dat hij die Uw tegenwoordigheid 
>       bereikt de tegenwoordigheid Gods bereikt. Groot is daarom de 
>       gelukzaligheid van hem die in U gelooft en in Uw tekenen, die zich voor Uw 
>       soevereiniteit verootmoedigt, de eer geniet U te mogen ontmoeten, het 
>       welbehagen van Uw wil bereikt, zich rond U beweegt en voor Uw troon staat. 
>       Wee hem die tegen U zondigt en U verloochent, die Uw tekenen afwijst en Uw 
>       soevereiniteit ontkent, tegen U opstaat en zich voor Uw aangezicht 
>       verhovaardigt, Uw bewijzen betwist, van Uw bewind en Uw heerschappij 
>       wegvlucht en tot de ongelovigen wordt gerekend wier namen door de vingers 
>       van Uw gebod zijn gegrift op Uw heilige Tafelen. 
>       Laat dan, o mijn God en mijn Geliefde, uit de rechterhand van Uw 
>       barmhartigheid en Uw goedertierenheid, de heilige adem van Uw gunsten naar 
>       mij zweven, opdat zij mij van mijzelf en van de wereld wegvoeren naar de 
>       hoven van Uw nabijheid en Uw tegenwoordigheid. Machtig zijt Gij te doen 
>       naar Uw behagen. Gij zijt waarlijk oppermachtig over alles. 
>       Gods gedenken en Zijn lof, en Gods heerlijkheid en Zijn luister rusten op 
>       U, o Gij Die Zijn schoonheid zijt! Ik getuig dat het oog der schepping 
>       nooit heeft gerust op iemand zo verguisd als Gij. Gij waart alle dagen van 
>       Uw leven gedompeld in een oceaan van beproevingen. Er was een tijd dat Gij 
>       geketend en geboeid waart; een andermaal waart Gij bedreigd door het 
>       zwaard van Uw vijanden. Toch hebt Gij ondanks dit alles alle mensen 
>       bevolen na te komen hetgeen aan U werd voorgeschreven door Hem Die de 
>       Alwetende, de Alwijze is. 
>       Moge mijn geest een offer zijn voor het onrecht dat Gij hebt geleden en 
>       mijn ziel een losgeld voor de tegenspoed die Gij hebt verduurd. Ik smeek 
>       God, bij U en bij hen wier gelaat is verlicht door de pracht van het licht 
>       van Uw aangezicht, en die uit liefde voor U al hetgeen hun werd bevolen 
>       zijn nagekomen, om de sluiers weg te nemen die tussen U en Uw schepselen 
>       zijn gekomen, en mij te voorzien van het goede van deze wereld en de 
>       wereld die komen gaat. Gij zijt in waarheid, de Almachtige, de 
>       Verhevenste, de Alglorierijke, de Immervergevende, de Meedogendste. 
>       Zegent Gij, o Heer mijn God, de goddelijke Lotusboom en zijn bladeren, 
>       zijn takken, zijn twijgen, zijn stammen en zijn uitlopers, zolang Uw 
>       voortreffelijkste namen en Uw verhevenste eigenschappen blijven bestaan. 
>       Bescherm hem tegen het kwaad van de aanvaller en de legers van tirannie. 
>       Gij zijt, in waarheid, de Almachtige, de Almogende. Zegent Gij evenzo, o 
>       Heer mijn God, Uw dienaren en Uw dienaressen die U hebben bereikt. Gij 
>       zijt waarlijk de Almilddadige, Wiens genade oneindig is. Geen God is er 
>       buiten U, de Immervergevende, de Edelmoedigste. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   137
>       (Dit door 'Abdu'l-Bahá geopenbaarde gebed wordt bij Zijn graftombe gelezen 
>       en is ook voor persoonlijk gebruik bestemd.) 
>         Al wie dit gebed met innige ootmoed zegt, zal vreugde en blijdschap 
>         brengen in het hart van deze Dienaar; het zal zijn als het Hem van 
>         aangezicht tot aangezicht ontmoeten.
>       Hij is de Alglorierijke. 
>       O God, mijn God! Ootmoedig en met tranen in de ogen hef ik mijn smekende 
>       handen tot U en verberg ik mijn gelaat in het stof van Uw drempel, 
>       verheven boven de kennis van de geleerden en de lofzang van allen die U 
>       verheerlijken. Zie genadiglijk met de blik van barmhartigheid naar Uw 
>       dienaar, nederig en ootmoedig aan Uw deur, en dompel hem in de Oceaan van 
>       Uw eeuwige genade. 
>       Heer! Hij is een Uwer arme en nederige dienaren die geboeid tot U smeekt, 
>       die gevangen in Uw hand vurig tot U bidt, die op U vertrouwend, in tranen 
>       voor Uw aangezicht, U aanroept en smekend tot U zegt: 
>       O Heer, mijn God! Schenk mij Uw genade om Uw geliefden te dienen, sterk 
>       mij in mijn dienstbaarheid aan U, verlicht mijn voorhoofd met het licht 
>       van aanbidding in Uw hof van heiligheid en van gebed tot Uw Koninkrijk van 
>       grootheid. Help mij onzelfzuchtig te zijn aan de hemelse ingang van Uw 
>       poort en sta mij bij om onthecht te zijn aan alles in Uw heilige gebieden. 
>       Heer! Geef mij te drinken uit de kelk van onzelfzuchtigheid, kleed mij met 
>       haar kleed en dompel mij in haar oceaan. 
>       Maak mij als stof op de weg van Uw geliefden en vergun dat ik mijn ziel 
>       offere voor de aarde, geadeld door de voetstappen van Uw uitverkorenen op 
>       Uw weg, o Heer van Glorie in den Hoge. 
>       Met dit gebed roept Uw dienaar tot U bij het gloren van de dag en bij het 
>       vallen van de nacht. Vervul zijn hartsverlangen, o Heer! Verlicht zijn 
>       hart, verblijd zijn gemoed, ontsteek zijn licht, dat hij Uw Zaak en Uw 
>       dienaren moge dienen. 
>       Gij zijt de Schenkende, de Medelijdende, de Almilddadige, de Genadige, de 
>       Barmhartige, de Meedogende! 
>       'Abdu'l-Bahá 
> 
>   TAFEL VAN AHMAD 
>       "Aan deze dagelijkse verplichte gebeden en aan enkele speciale gebeden 
>       zoals het genezingsgebed en de Tafel van Ahmad heeft Bahá'u'lláh een 
>       bijzondere kracht en betekenis verleend en deze moeten daarom als zodanig 
>       worden aanvaard. De gelovigen moeten deze gebeden met onvoorwaardelijk 
>       geloof en vertrouwen zeggen, opdat zij hierdoor steeds inniger in God 
>       zullen opgaan en zich steeds meer vereenzelvigen met Zijn wetten en 
>       voorschriften." 
>         Uit een brief, geschreven namens Shoghi Effendi.
>       138
>       Hij is de Koning, de Alwetende, de Wijze! 
>       Hoor, de Nachtegaal van het Paradijs zingt op de twijgen van de Boom van 
>       Eeuwigheid met heilige en liefelijke melodie. Hij verkondigt de oprechten 
>       de blijde tijding van het nabijzijn van God, roept de gelovigen in de 
>       goddelijke Eenheid op tot de hof van de Tegenwoordigheid van de 
>       Grootmoedige, meldt de onthechten de boodschap die door God, de Koning, de 
>       Glorierijke, de Weergaloze, is geopenbaard en leidt de geliefden tot de 
>       zetel van heiligheid en tot deze stralende Schoonheid. 
>       Waarlijk, dit is die allergrootste Schoonheid, voorzegd in de Boeken der 
>       Boodschappers, door Wie de waarheid zal worden onderscheiden van de 
>       dwaling en de wijsheid van ieder gebod zal worden getoetst. Waarlijk, Hij 
>       is de Boom des Levens en brengt de vruchten voort van God, de Verhevene, 
>       de Machtige, de Grote! 
>       O Ahmad! Getuig dat Hij waarlijk God is en dat er geen God is buiten Hem, 
>       de Koning, de Beschermer, de Onvergelijkelijke, de Almachtige. En dat 
>       Degeen Die Hij uitzond onder de naam 'Alí8 waarlijk van God kwam, naar 
>       Wiens geboden wij ons allen voegen. 
>       Zeg: o volk, gehoorzaamt de voorschriften Gods, welke in de Bayán zijn 
>       bevolen door de Glorierijke, de Wijze. Waarlijk, Hij is de Koning der 
>       Boodschappers en Zijn boek is het Moederboek - verstond gij het slechts. 
>       Aldus doet de Nachtegaal u uit deze gevangenis Zijn roep horen. Hij heeft 
>       slechts deze klare boodschap te brengen. Al wie dit wenst, kere zich van 
>       deze raad af en al wie dit wenst, kieze de weg naar zijn Heer. 
>       O mensen, als gij deze verzen verloochent, door welk bewijs hebt gij dan 
>       in God geloofd? Toont het, o gij trouwelozen. 
>       Neen, bij Hem in Wiens hand mijn ziel is, zij zijn niet en zullen nooit in 
>       staat zijn dit te doen, zelfs niet al zouden zij zich verbinden om elkaar 
>       te helpen. 
>       O Ahmad! Vergeet Mijn weldaden niet terwijl Ik afwezig ben. Gedenk in uw 
>       dagen Mijn dagen en Mijn smart en verbanning in deze afgelegen gevangenis. 
>       En wees zo trouw aan Mijn liefde, dat uw hart niet zal weifelen, zelfs als 
>       de zwaarden der vijanden op u neerregenen en al de hemelen en de aarde 
>       tegen u opstaan. 
>       Wees als een vuurzuil voor Mijn vijanden en een rivier van eeuwig leven 
>       voor Mijn geliefden en behoor niet tot hen die twijfelen. 
>       En als gij door beproevingen wordt overvallen op Mijn weg of vernederd om 
>       Mijnentwil, wees niet bezorgd. 
>       Vertrouw op God, uw God en de Heer uwer vaderen. Want de mensen gaan 
>       dwaalwegen, verstoken van het vermogen God met eigen oog te zien of met 
>       eigen oor Zijn melodie te horen. Zo vonden Wij hen, gelijk ook gij 
>       getuigt. Aldus werd hun bijgeloof een sluier tussen hen en hun eigen hart 
>       en weerhield het hen van de weg van God, de Verhevene, de Grote. 
>       Wees in uzelf verzekerd dat hij, die zich van deze Schoonheid afwendt, 
>       zich waarlijk ook van de Boodschappers in het verleden heeft afgewend en 
>       dat hij van eeuwigheid tot eeuwigheid vol hoogmoed is jegens God. 
>       Leer deze Tafel goed, o Ahmad. Zing haar gedurende uw dagen en onttrek u 
>       daar niet aan. Want God bestemde voor degeen die haar zegt waarlijk de 
>       beloning van honderd martelaren, en het voorrecht te dienen in beide 
>       werelden. Deze gunsten hebben Wij u geschonken als een weldaad van Onze 
>       kant en een genade van Onze tegenwoordigheid opdat gij behore tot hen die 
>       dankbaar zijn. 
>       Bij God! Leest iemand die in smart of kommer is in volkomen oprechtheid 
>       deze Tafel, dan zal God zijn verdriet verdrijven, zijn moeilijkheden 
>       oplossen en zijn beproevingen wegnemen. 
>       Waarlijk, Hij is de Genadige, de Meedogende. Ere zij God, de Heer aller 
>       werelden. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   VUURTAFEL 
>       139
>       In naam van God, de Aloude, de Allergrootste. 
>       Waarlijk, de harten der oprechten worden verteerd door het vuur van 
>       scheiding: waar is de glans van het licht van Uw Aangezicht, o Geliefde 
>       der werelden? 
>       Degenen die U nabij zijn zijn verlaten in het duister van troosteloosheid: 
>       waar is het morgenlicht van Uw hereniging, o Verlangen der werelden? 
>       De lichamen van Uw uitverkorenen liggen sidderend terneer op verre kusten: 
>       waar is de oceaan van Uw aanwezigheid, o Betoverende der werelden? 
>       Verlangend zijn de handen geheven naar de hemel van Uw genade en 
>       overvloed: waar zijn de regens van Uw gaven, o Verhoorder der werelden? 
>       De ongelovigen zijn aan alle zijden in tirannie opgestaan: waar is de 
>       dwingende kracht van Uw bestierende pen, o Veroveraar der werelden? 
>       Het blaffen der honden is luid aan alle kanten: waar is de leeuw uit het 
>       woud van Uw macht, o Kastijder der werelden? 
>       Koude houdt de gehele mensheid in zijn greep: waar is de warmte van Uw 
>       liefde, o Vuur der werelden? 
>       Rampspoed heeft zijn hoogtepunt bereikt: waar zijn de tekenen van Uw 
>       bijstand, o Heil der werelden? 
>       Duisternis heeft de meeste volkeren omsloten: waar is de schittering van 
>       Uw luister, o Stralend Licht der werelden? 
>       De hoofden der mensen reiken voorwaarts in boosaardigheid: waar zijn de 
>       zwaarden van Uw wraak, o Vernietiger der werelden? 
>       Vernedering heeft zijn diepste punt bereikt: waar zijn de zinnebeelden van 
>       Uw glorie, o Glorie der werelden? 
>       Smarten hebben de Openbaarder van Uw Naam, de Albarmhartige, bezocht: waar 
>       is de vreugde van de dageraad van Uw Openbaring, o Verrukking der 
>       werelden? 
>       Benauwenis prangt alle volkeren der aarde: waar zijn de vaandels van Uw 
>       blijdschap, o Vreugde der werelden? 
>       Gij ziet de Dageraadsplaats Uwer tekenen versluierd door kwade 
>       influisteringen: waar zijn de vingers van Uw macht, o Kracht der werelden? 
> 
>       Hevige dorst kwelt alle mensen: waar is de rivier van Uw milddadigheid, o 
>       Barmhartigheid der werelden? 
>       Begeerte houdt de gehele mensheid in zijn greep: waar zijn de 
>       belichamingen van onthechting, o Heer der werelden? 
>       Gij ziet deze Verguisde eenzaam in ballingschap: waar zijn de hemelse 
>       heerscharen van Uw Gebod, o Soeverein der werelden? 
>       Ik ben verlaten in een vreemd land: waar zijn de zinnebeelden van Uw 
>       trouw, o Vertrouwen der werelden? 
>       De kwellingen des doods hebben alle mensen in hun greep: waar is het 
>       aanzwellen van Uw oceaan van eeuwig leven, o Leven der werelden? 
>       De inblazingen van Satan zijn geademd in alle schepselen: waar is de 
>       meteoor van Uw vuur, o Licht der werelden? 
>       De roes van hartstocht heeft de meeste mensen verdorven: waar zijn de 
>       dageraden van zuiverheid, o Verlangen der werelden? 
>       Gij ziet deze Verguisde omringd door tirannie temidden van de Syriërs: 
>       waar is het schijnsel van Uw ochtendgloren, o Licht der werelden? 
>       Gij ziet Mij, verboden te spreken: vanwaar zullen dan Uw melodieën 
>       ontspringen, o Nachtegaal der werelden? 
>       De meeste mensen zijn gehuld in hersenschimmen en ijdele inbeeldingen: 
>       waar zijn de vertolkers van Uw zekerheid, o Rust en Zekerheid der 
>       werelden? 
>       Bahá gaat ten onder in een zee van tegenspoed: waar is de Ark van Uw 
>       redding, o Redder der werelden? 
>       Gij ziet de Dageraad van Uw woorden te midden van het duister der 
>       schepping: waar is de zon aan de hemel van Uw genade, o Lichtschenkende 
>       der werelden? 
>       De lampen van waarheid en zuiverheid, van trouw en eer zijn gedoofd: waar 
>       zijn de tekenen van Uw wrekende toorn, o Eerste Oorzaak der werelden? 
>       Kunt Gij iemand vinden die voor U is opgekomen, of die overdenkt hetgeen 
>       Hem is overkomen in het pad van Uw liefde? Nu stokt Mijn pen, o Geliefde 
>       der werelden. 
>       De takken van de goddelijke Lotusboom liggen gebroken door de stormvlagen 
>       van het noodlot: waar zijn de banieren van Uw bijstand, o Voorvechter der 
>       werelden? 
>       Dit Gelaat is verborgen in het stof van laster: waar is de bries van Uw 
>       mededogen, o Barmhartige der werelden? 
>       Het gewaad van heiligheid wordt bezoedeld door het volk van bedrog: waar 
>       is het kleed van Uw heiligheid, o Sieraad der werelden? 
>       De zee van genade is verstild door hetgeen de handen der mensen hebben 
>       aangericht: waar zijn de golven van Uw milddadigheid, o Verlangen der 
>       werelden? 
>       De deur die voert naar de goddelijke Tegenwoordigheid is gesloten door de 
>       tirannie van Uw vijanden: waar is de sleutel tot Uw gaven, o Ontsluiter 
>       der werelden? 
>       De bladeren zijn vergeeld door de vergiftigende winden van oproer: waar is 
>       de regen uit de wolken van Uw milddadigheid, o Milde Gever der werelden? 
>       Het heelal wordt verduisterd door het stof der zonde: waar is de bries van 
>       Uw vergiffenis, o Vergever der werelden? 
>       Deze Jongeling is eenzaam in een troosteloos land: waar is de regen van Uw 
>       hemelse genade, o Schenker der werelden? 
>       O Meest Verheven Pen, wij hebben Uw allerzoetste roep gehoord in het rijk 
>       van eeuwigheid: leen Uw oor aan hetgeen de Tong van Grootheid verwoordt, o 
>       Verguisde der werelden! 
>       Ware het niet vanwege de koude, hoe zou de warmte van Uw woorden kunnen 
>       zegevieren, o Vertolker der werelden? 
>       Ware het niet vanwege rampspoed, hoe zou de zon van Uw geduld kunnen 
>       schijnen, o Licht der werelden? 
>       Treur niet vanwege de goddelozen, Gij zijt geschapen om te verdragen en te 
>       verduren, o Geduld der werelden. 
>       Hoe zoet was Uw morgenlicht aan de horizon van het Verbond te midden van 
>       de oproerlingen, en Uw vurig verlangen naar God, o Liefde der werelden. 
>       Door U werd de banier van onafhankelijkheid geplant op de hoogste toppen, 
>       en de zee van milddadigheid zwol aan, o Vervoering der werelden. 
>       Door Uw Alleen-zijn scheen de Zon van Een-zijn, en door Uw verbanning werd 
>       het land van Eenheid getooid. Wees geduldig, o Gij Banneling der werelden. 
> 
>       Wij hebben vernedering tot het gewaad van glorie gemaakt, en bezoeking tot 
>       de tooi van Uw tempel, o Trots der werelden. 
>       Gij ziet de harten vervuld van haat, en om dit te verhullen is aan U, o 
>       Gij Verheler van de zonden der werelden. 
>       Als de zwaarden flitsen, ga voorwaarts! Als de pijlen vliegen, ruk op! O 
>       Gij Offer der werelden. 
>       Weeklaagt Gij of zal ik weeklagen? Veeleer zal ik wenen over het geringe 
>       aantal van Uw voorvechters, o Gij Oorzaak van het weeklagen der werelden. 
>       Voorzeker, Ik heb Uw Roep gehoord, o Alglorierijke Geliefde: en nu is het 
>       gelaat van Bahá in vlam door de hitte van kwelling en door het vuur van Uw 
>       stralend woord, en Hij is getrouwelijk opgestaan op de offerplaats, ziende 
>       naar Uw welbehagen, o Bestierder der werelden. 
>       O 'Alí-Akbar, dank Uw Heer voor deze Tafel waaruit gij de zoete geuren van 
>       Mijn zachtmoedigheid kunt inademen, en ken hetgeen Ons is overkomen op het 
>       pad van God, de Aangebedene van alle werelden. 
>       Zouden alle dienaren dit lezen en overdenken, dan zal in hun aderen een 
>       vuur ontbranden dat de werelden in vuur en vlam zal zetten. 
>       Bahá'u'lláh 
> 
>   
>   DE MAANDEN VAN DE BAHÁ'Í KALENDER 
>               
>             1 
>             2 
>             3 
>             4 
>             5 
>             6 
>             7 
>             8 
>             9 
>             10 
>             11 
>             12 
>             13 
>             14 
>             15 
>             16 
>             17 
>             18 
>             19 Arabisch 
>             Bahá 
>             Jalál 
>             Jamál 
>             'Azamat 
>             Núr 
>             Rahmat 
>             Kalimát 
>             Kamál 
>             Asmá' 
>             'Izzat 
>             Mashíyyat 
>             'Ilm 
>             Qudrat 
>             Qawl 
>             Masá'il 
>             Sharaf 
>             Sultán 
>             Mulk 
>             'Alá' Nederlands 
>             Pracht 
>             Heerlijkheid 
>             Schoonheid 
>             Grootheid 
>             Licht 
>             Genade 
>             Woorden 
>             Volmaaktheid 
>             Namen 
>             Macht 
>             Wil 
>             Kennis 
>             Kracht 
>             Spraak 
>             Vragen 
>             Eer 
>             Soevereiniteit 
>             Heerschappij 
>             Verhevenheid Eerste dag 
>             21 maart 
>             9 april 
>             28 april 
>             17 mei 
>             5 juni 
>             24 juni 
>             13 juli 
>             1 augustus 
>             20 augustus 
>             8 september 
>             27 september 
>             16 oktober 
>             4 november 
>             23 november 
>             12 december 
>             31 december 
>             19 januari 
>             7 februari 
>             2 maart 
> 
>       schrikkeldagen: 26 februari tot 2 maart. 
>       vastenperiode: 2 maart tot 21 maart. 
> 
>   DE BAHÁ'Í HEILIGE DAGEN 
>       Naw Rúz (Bahá'í nieuwjaar), 21 maart 
>       Feest van Ridván (Verkondiging van Bahá'u'lláh): 
>       - 1e dag, 21 april 
>       - 9e dag, 29 april 
>       - 12e dag, 2 mei 
>       Verkondiging van de Báb, 23 mei 
>       Hemelvaart van Bahá'u'lláh, 29 mei 
>       Marteldood van de Báb, 9 juli 
>       Geboortedag van de Báb, 20 oktober 
>       Geboortedag van Bahá'u'lláh, 12 november 
> 
>   ANDERE BIJZONDERE DAGEN 
>       Geboortedag van 'Abdu'l-Bahá, 23 mei 
>       Dag des Verbonds, 26 november 
>       Verscheiden van 'Abdu'l-Bahá, 28 november 
> 
>   NOTEN 
>       1. Ridván. terug 
>       2. Qur'án 51: 5b terug 
>       3. Qur'án 55: 19-22 terug 
>       4. 21 maart terug 
>       5. Jezus terug 
>       6. Mohammed terug 
>       7. de dagen van Há, de schrikkeldagen. terug 
>       8. d.i. de Báb terug 
> 
>   INDEX 
>       Angst 9, 10, 12, 52, 92, 139 
>       Avond 4-5 
>       Barmhartigheid 39, 131-135 
>       Beproevingen 6-12, 58-62, 77, 139 
>       Bescherming 4, 5, 9, 13-15, 27, 50-52, 66, 70, 74, 88, 93-95, 129 
>       Bijeenkomst 16-18, 45 
>       Dankbaarheid 34, 53, 76-86, 101, 109, 126, 127 
>       Dienstbaarheid 10, 15, 16, 37, 58, 65, 89, 106, 110, 130, 137 
>       Doel1-3, 83 
>       Echtgenoot55 
>       Eenheid 19-22, 29, 44, 65, 85, 114 
>       Een-zijn, enig-zijn 1, 2, 20, 29, 81, 97 
>       Eer 80, 81 
>       Fonds 23 
>       Gebod 3, 6, 21, 82, 90, 104, 123, 128-130 
>       Geestelijke Raad 44-46 
>       Gehoorzaamheid 19, 41, 89, 128-130, 138 
>       Genade 24, 82, 84, 114, 124, 131-135 
>       Genezing 47-52 
>       Gezin 53-55, 63-65 
>       Glorie 9, 30, 33, 42, 58, 62, 81, 82, 86, 105 
>       Groei 24-42, 60, 61, 123 
>       Grootheid 81 
>       Hart 12, 14, 33, 39, 70, 99, 107 
>       Heerlijkheid 9, 30, 33, 42, 58, 61, 62, 81, 82, 86, 92, 105 
>       Heerschappij 79-81 
>       Hoop 11, 13, 30, 31, 40, 47, 60, 104, 123, 130 
>       Hulp 58-62, 77, 78, 84, 87, 88, 111 
>       Huwelijk 63-65 
>       Jongeren 66-68 
>       Kennis 21, 34, 40, 59, 86, 97 
>       Kinderen 53, 67-75 
>       Kracht 19, 80, 98, 109, 112, 113, 115, 124 
>       Leiding 8, 18-22, 30, 51, 69-72, 98 
>       Lente 59 
>       Licht 15, 16, 20, 21, 70, 86, 97, 104, 116 
>       Liefde 18, 20, 21, 34, 60, 94 
>       Lof 27, 76-86 
>       Macht 26, 35, 79, 80 
>       Martelaren 87-89 
>       Milddadigheid 10, 17, 18, 23, 34, 39, 41, 48, 59 
>       Naam namen 3, 15, 17, 25, 27, 28, 29, 47, 51, 58, 65, 76-86 
>       Nacht 4-5, 13, 42, 110 
>       Naw-Rúz 90 
>       Nederigheid 1-3, 34, 114 
>       Onthechting 40, 104, 116-125 
>       Ochtend 91-95, 110 
>       Onderricht 15, 96-115, 125 
>       Ouders 54, 134 
>       Overledenen 117-121 
>       Pracht 41, 95, 108, 109, 116, 123, 136 
>       Plan van God 8, 21, 85, 109-115, 130 
>       Rechtvaardigheid 36 
>       Schoonheid 3, 13, 30, 31, 41, 42, 50, 51, 60, 89, 114, 130 
>       Schrikkeldagen 122 
>       Soevereiniteit 10, 28, 31, 76, 79-82, 88, 97, 99 
>       Standvastigheid 2, 3, 29, 32, 41, 123-125 
>       Troost toevlucht 11, 12, 15, 60, 114, 131, 139 
>       Trouw 23, 29, 41, 87, 89, 93, 94 
>       Twijfel 92 
>       Vasten 128-130 
>       Verbond 17, 21, 41, 56, 125 
>       Vergeving 15, 83, 131-135 
>       Verhevenheid 80-86 
>       Verlangen 3, 4, 11, 30, 33, 40, 76, 79, 82-84, 88, 139 
>       Volmaaktheid 13, 76-86 
>       Vrees 9, 10, 12, 52, 92, 139 
>       Vreugde 12, 33, 52, 79, 116 
>       Waarheid 27, 42, 80, 101, 108, 123, 138 
>       Welsprekendheid 15, 99, 104, 108, 109, 113, 125 
>       Werelden 3, 82, 120, 138, 139 
>       Wil 3, 8, 28, 32, 79, 81, 95, 104, 130 
>       Woord woorden 15, 17, 105 
>       Wijsheid 21, 34, 40, 59, 86, 97, 99 
>       Zaak 56 
>       Zekerheid 89, 92, 97 
>       Ziel 10, 12, 29, 59, 77, 88, 89, 105, 116, 129, 134, 136, 138 
>       Zorgen zorg 12, 14, 62 
>       Zuiverheid 12-14, 29, 32, 33, 37, 52, 81, 104, 121 
> 
>   
> 
> © 1986, 1998 Stichting Bahá'í Literatuur, Den Haag. 
> Laatst gewijzigd: 31-08-1998
>
> — *Baha'i Gebeden*

